Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232127 nr. 155

32 127 Regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten (Crisis- en herstelwet)

Nr. 155 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld op 30 maart 2012

Binnen de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu hebben enkele fracties de behoefte om enkele vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de minister van Infrastructuur en Milieu d.d. 20 januari 2012 (Kamerstuk 32 127, nr. 149) inzake het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (vierde tranche).

De vragen en opmerkingen zijn op 28 februari 2012 aan de minister van Infrastructuur en Milieu voorgelegd. Bij brief van 29 maart 2012 zijn deze door haar beantwoord.

De voorzitter van de commissie, J. F. Snijder-Hazelhoff

De adjunct-griffier van de commissie, M. Y. Israel

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het genoemde ontwerpbesluit. De leden van de VVD-fractie zijn voorstander van de Crisis- en herstelwet omdat deze de uitvoering van ruimtelijke projecten op een zorgvuldige manier versnelt. De leden van de VVD-fractie zijn ook voorstander van het permanent maken van de Crisis- en herstelwet. Deze leden hebben met betrekking tot het voorliggende ontwerpbesluit nog enkele vragen.

De leden van de VVD-fractie vinden het een goede zaak dat de aanwijzing van ontwikkelingsgebieden en innovatieve projecten is gebeurd op verzoek van de betrokken gemeenten. De leden vragen echter wel of gemeenten voldoende op de hoogte zijn van de mogelijkheid tot het aanwijzen van ontwikkelingsgebieden en innovatieve projecten in het kader van de Crisis- en herstelwet. Is dat het geval?

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het plan van de gemeente Almere om ruimte te geven aan particulier opdrachtgeverschap bij de bouw van woningen. De leden hebben echter nog wel de vraag of het, in het kader van de Crisis- en herstelwet afwijken van het Bouwbesluit 2012, in de toekomst niet leidt tot handhavingproblemen. Krijgen de eigenaren van de betreffende woningen in de toekomst geen problemen met het feit dat is afgeweken van het Bouwbesluit 2012? Hoe wordt dat voorkomen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het genoemde ontwerpbesluit. Met de voorgenomen wijzigingen kunnen zij instemmen, op één na: de toevoeging van de IJzeren Rijn. Verder hebben zij één vraag.

Als reactivering van de IJzeren Rijn plaatsvindt, wat de leden van de PvdA-fractie niet hopen, dan kan dat wat deze leden betreft alleen op de voorwaarde dat de natuur in het natuurgebied De Meinweg gespaard blijft door middel van ondertunneling of omleiding en er geen extra overlast komt voor bewoners langs de lijn. De bewoners van de omliggende wijken in Roermond moeten maximaal worden betrokken in het project om zo overlast te voorkomen. Daarbij hoort een maximale mogelijkheid van betrokkenen, bewoners, verenigingen en gemeenten, om zich te kunnen verzetten, indien noodzakelijk tot de rechter aan toe. Het opnemen van dit project onder de werkingsfeer van de Crisis- en herstelwet zou dit verhinderen. Dit kan wat de leden betreft niet de bedoeling zijn.

De leden hebben één vraag ten aanzien van het niet hoeven voldoen aan alle criteria van het bouwbesluit door particulieren die bouwen in Almere. Is het zo dat bewoners met het uitsluiten van het bouwbesluit (behalve brandveiligheid) ook de keuze krijgen tussen een warmte- dan wel een gasaansluiting? Het lijkt deze leden geen probleem als ze de mogelijkheid krijgen een verplichte warmteaansluiting (indien geregeld in het bouwbesluit) kunnen weigeren, als zij dan maar niet kunnen eisen dat zij een gasaansluiting krijgen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie hebben met genoegen kennisgenomen van het genoemde ontwerpbesluit, maar hebben nog enkele verhelderende vragen.

Deze leden zijn verheugd dat er zo veel projecten toegevoegd kunnen worden aan de werkingsfeer van de Crisis- en herstelwet. De leden van de CDA-fractie hebben echter enkele vragen over het inzetten op het bevorderen van het verwerken van dierlijke mest, dat als doel heeft de verwerkte mest geheel of gedeeltelijk te kunnen afzetten buiten de Nederlandse landbouw en producten te maken met eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van kunstmest. De leden van de CDA-fractie steunen deze inzet, maar vragen of de beperking tot gebieden met een industriële bestemming wenselijk is. Zou de minister in kunnen gaan op de mogelijkheden die bestaan buiten industriële gebieden en de eventuele effecten voor de leefomgeving?

De leden van de CDA-fractie vragen bovendien waarom er niet voor gekozen is om ook kleinere mestbewerkings- en verwerkingsinstallaties met een capaciteit van minder dan 50 000 ton als nieuwe categorie in bijlage 1 op te nemen, zodat de verlening van vergunningen voor deze installaties eveneens wordt bespoedigd. Het gaat hierbij om mestverwerkinginstallaties, veelal op boerenerf met een agrarische bestemming.

Daarnaast hebben de leden van de CDA-fractie kennisgenomen van de kritische ingekomen brieven van derden met betrekking tot de Rotterdamsebaan. Derden stellen in deze brieven onder andere dat de Rotterdamsebaan niet op korte termijn gerealiseerd zou kunnen worden en niet bij zou dragen aan de werkgelegenheid. Zou de minister op deze kritische noties in kunnen gaan?

Voorts hechten de leden van de CDA-fractie er waarde aan op te merken dat de ontwikkelingen met betrekking tot het op een organische, lokale en vraaggebonden manier bouwen in Almere zeer wenselijk schijnen. Individuele keuzevrijheid en de mogelijkheid voor burgers om volgens eigen, specifieke wensen een huis te bouwen kan rekenen op steun van de leden van de CDA-fractie. De leden van de CDA-fractie maken zich echter zorgen over het voornemen van de gemeente Almere om de effecten van deze werkwijze te monitoren en te evalueren. Binnen de kortste keren kan er sprake zijn van bureaucratische rompslomp en verstrekkend overheidsdenken. Zou de minister uiteen kunnen zetten hoe zij denkt dat de evaluatieplannen van de gemeente Almere binnen de perken zullen blijven?

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of de minister kan aangeven waarom (bij verassing) het zeer complexe en omstreden project de IJzeren Rijn onder de werkingsfeer van de Crisis- en herstelwet wordt gebracht, terwijl er noch over de financiering noch over het tracé enige zekerheid bestaat. Heeft de minister hierover overleg gehad met de regio, met Vlaanderen of met Belgie? Was dit op hun verzoek?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het genoemde ontwerpbesluit, maar hebben opnieuw enige vragen en opmerkingen.

De leden van de SP-fractie zijn opnieuw verbaasd over het feit dat onder categorie Aa een aantal projecten wordt toegevoegd dat volgens de omschrijving onder genoemd artikel «gebiedsontwikkeling met nationale uitstraling» betreffen. Dit verbaast des te meer omdat er vanuit diverse wetsvoorstellen op het vlak van ruimtelijke ordening juist wordt uitgegaan van een Rijk dat zich terugtrekt uit de ruimtelijke ordening. Zo spreekt de minister van toenemende regionale verschillen en maatwerk en stelt zij «je gaat erover of niet». Rijksverantwoordelijkheid kan volgens de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Kamerstuk 32 660, nr. 17) aan de orde zijn indien er sprake is van onderwerpen van nationaal belang. De leden van de SP-fractie vragen waarom de minister via deze vierde tranche via de terminologie «nationale uitstraling» in lokale (bouw) ontwikkelingen treedt, waar immers landelijke reguliere regels en wetten gelden. Ook zijn de leden van de SP-fractie benieuwd naar de omschrijving van de nationale uitstraling van bijvoorbeeld het centrumplan Eerbeek. Voor de leden van de SP-fractie wordt in de voorliggende tranche onvoldoende nut- en noodzaak voor het toevoegen van deze locatie(s) aan de werkingsfeer van de Crisis- en herstelwet aangegeven. De leden verzoeken dan ook dit per locatie – als genoemd in de vierde tranche – in de beantwoording aan te geven.

De leden van de SP-fractie vragen zich, in algemene zin, een aantal dingen af. Zo wordt er bijvoorbeeld ten aanzien van het Centrumplan Eerbeek gesteld dat geluid en geur afkomstig van bestaande, te handhaven bedrijven beperkingen meebrengen bij de realisatie van het centrumplan. Ook wordt er gesproken over het feit dat met het instrumentarium van de Crisis- en herstelwet tot een oplossing kan worden gekomen. De leden van de SP-fractie gaan er vanuit dat hiermee bedoeld wordt dat de Crisis- en herstelwet voor een periode van vijf tot tien jaar uitstel verleent, in welke periode voor de bestaande (en dus blijvende) geluid- en geurcontouren een oplossing binnen bestaande wetgeving dient te worden gevonden. Onduidelijk is welk bestuursorgaan na deze periode verantwoordelijk is voor de afwikkeling van deze projecten en welk orgaan in de toekomst controleert of de toenmalige «haken en ogen» volgens de bestaande wetten en regels in de tussenliggende jaren blijvend zijn opgelost. Ook is het op dit moment volstrekt onduidelijk wie, waar, op welke wijze na afloop van die periode zijn of haar problematiek juridisch kan laten toetsen, en welke wet(geving) dan op dat moment uitgangspunt is. De leden van de SP-fractie vragen dan ook om meer duidelijkheid hierover.

De leden van de SP-fractie zouden graag een reactie vragen op signalen van critici die stellen dat de Crisis- en herstelwet gebruikt wordt om bestaande milieuregels en dan met name geluid- en geurregels voor langere tijd, zo niet permanent, te omzeilen. De leden van de SP-fractie zijn niet tegen experimenteerwetgeving en hebben ook niets tegen de aanpak van onnodige bureaucratie, maar zij missen in het vervolgtraject de nodige zorgvuldigheid. Wat is de werkwijze wanneer tijdens het experimenteren met mestverwerking op een industrieterrein sprake is van ernstige overlast en/of gevaarlijke uitstoot? Hoe verhouden de tijdelijke experimenten zich tot de zin dat «activiteiten binnen de grenzen die door de milieuvergunning zijn gesteld moeten blijven»?

Op welke wijze wordt dan op welk moment (juridisch) gewogen wat redelijk is? Op welke wijze wordt in deze projecten omgegaan met regels ten aanzien van milieueffectrapportages en met mogelijke lange termijn effecten op de ecologische hoofdstructuur?

Ook zijn er wat deze leden betreft veel toekomstige onduidelijkheden over aansprakelijkheid en schadegevolgen. Welk rechtsorgaan is er bijvoorbeeld aansprakelijk wanneer er na een periode van bijvoorbeeld tien jaar een ernstig gebrek wordt geconstateerd in een woonhuis in Almere, dat eerder gebouwd is onder artikel 6e van het genoemde ontwerpbesluit? De tekst stelt dat er moet worden voldaan aan bijvoorbeeld eisen ten aanzien van de constructie en de brandveiligheid, maar stelt dat er niet langer hoeft te worden voldaan aan de eisen ten aanzien van de inrichting en afwerking van de woning. Wat als na verstrijken van de tijd blijkt dat er met ondeugdelijke materialen is gewerkt waardoor ernstige gezondheidsschade is verkregen? Wie is dan verantwoordelijk? Wat wordt er in dit geval bedoeld met de zin «de verantwoordelijkheid verschuift van overheid naar particuliere burger, individueel of in groepsverband»? Welke rechtspersoon is in dit geval aansprakelijk en moet dit civielrechtelijk dan wel op een andere wijze benaderd worden?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 hebben kennisgenomen van het genoemde ontwerpbesluit. De leden zijn altijd kritisch geweest over het nut en de noodzaak van de Crisis- en herstelwet. Liever zien zij bij grote projecten een gedragen oplossing, waarbij het draagvlak bijvoorbeeld wordt ondersteund door een inspraakprocedure. Het beknotten van de mogelijkheden voor rechtsgang is een paardenmiddel dat lang niet altijd tot betere oplossingen leidt. Hiervoor verwijzen de leden dan ook naar de uitkomsten van de Commissie Elverding (het rapport Sneller Beter onder Kamerstuk 29 385, nr. 41) en de kritiek van de Raad van State bij de originele Crisis- en herstelwet.

De leden van de D66-fractie vragen voor alle nieuwe projecten onder de artikelen I en II naar de rationale achter het toevoegen van de genoemde projecten aan de werkingssfeer van de Crisis- en herstelwet moeten worden toegevoegd. Is er sprake van haast en kunnen de projecten niet worden aangepast, zodat ze alsnog aan de normen voldoen? Dit vanuit het oogpunt dat de betreffende normen niet voor niets zijn ingesteld. Daarnaast ontvangen deze leden graag per project een heldere toelichting op de vraag wat de link met de crisis is.

De leden van de D66-fractie hebben specifieke vragen over de plannen voor het gebied rondom de voormalige vliegbasis Soesterberg. Wat is de impact voor de omliggende Natura2000-gebieden van het tien jaar niet voldoen aan de milieukwaliteitscriteria? Is hier een analyse van gemaakt alvorens dit project toe te voegen? En concluderen deze leden terecht dat hier woningen worden gebouwd op plaatsen waar sprake is van overmatige geluidsoverlast? Of in ieder geval overlast die hoger is dan de wettelijke grenzen? Op welke manier acht de minister dit wenselijk?

De leden van de fractie van D66 hebben tevens vragen over artikel 6e waar uitzonderingen worden gemaakt op het Bouwbesluit. De leden willen graag weten waarom Almere deze uitzonderingspositie krijgt en wat de minister hiermee beoogt te bereiken. Welke signalen heeft zij ontvangen dat deze elementen uit het Bouwbesluit problemen opleveren voor met name particulier opdrachtgeverschap? Kan de minister aan de leden laten weten welke voorbeelden van particulier opdrachtgeverschap zij heeft bestudeerd om tot deze maatregel over te gaan? Van welke negatieve ervaringen was sprake?

De leden van de D66-fractie hebben tevens vragen bij artikel 6f. Specifiek willen zij weten of voor deze beslissing per se de Crisis- en herstelwet nodig is. Zijn er ook andere mogelijkheden om het betreffende doel te bereiken? Is het via bijvoorbeeld de Rijkscoördinatieregeling ook mogelijk om te komen tot één gezamenlijke omgevingsvergunning? Kan de minister voor deze leden enkele voorbeelden van vergelijkbare initiatieven benoemen en de gekozen oplossing schetsen?

De leden van de fractie van D66 hebben tevens vragen bij de toevoeging van de categorie «Verduurzaming landbouw» aan bijlage I onder artikel 10. De leden zijn van mening dat een wijziging met een dusdanige impact een aparte Kamerbehandeling behoeft. Zij zouden graag op een nader te bepalen moment meer vragen willen stellen over dit specifieke onderwerp. Is de minister bereid dit onderdeel uit het genoemde ontwerpbesluit te laten?

De leden van de D66-fractie vragen wat betreft de IJzeren Rijn welke gevolgen zij kunnen verwachten van het toevoegen van dit project aan de lijst in onderdeel B bijlage II. Welke ontwikkelingen hebben geleid tot het honoreren door de minister van een eventueel verzoek om op de lijst te komen? Dit ook in het licht van het feit dat de IJzeren Rijn in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit aangemerkt wordt als IBM-project (project dat In Betekenende Mate bij kan dragen aan luchtkwaliteit, dat wil zeggen meer dan drie procent van de geschatte verhoging in die regio). Hetzelfde geldt voor de toevoeging van het project Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente. Deze leden willen graag weten of er nieuwe feiten zijn die het toevoegen van dit project 13 relevant maken. Is er een investeerder gevonden die eventuele investeringen zinvol doet maken? En wat is de specifieke rationale bij de toevoeging van project 16: Rotterdamsebaan? De leden ontvangen graag een uitgebreide reactie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren keuren het sterk af dat de minister nog steeds doorgaat met de uitvoering van de Crisis- en herstelwet. Zij hebben met teleurstelling kennisgenomen van het genoemde ontwerpbesluit waardoor nog meer projecten niet hoeven te voldoen aan de geldende milieu-, natuur- en inspraakregels in ons land. In de ogen van deze leden is de minister er met deze wet niet in geslaagd de economische crisis aan de ecologische crisis te verbinden en is er ook nog niets gebleken van de grote voordelen die deze wet zou moeten hebben in het aanpakken van de economische crisis, wat toch steeds de verdediging is geweest van de «noodzaak» om natuur- en milieuregels drastisch te versoepelen via de Crisis- en herstelwet. Graag een reactie.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben grote bezwaren tegen het voorstel van de minister om alle grote mestvergisters onder bijlage I van de Crisis- en herstelwet te brengen. Kan de minister bevestigen dat dit betekent dat de bouw van industriële mestvergisters niet meer tegen is te houden door gemeenten, provincies en de omwonenden van deze mestvergisters? Dat de minister deze ingrijpende wijziging doorvoert onder het mom van «verduurzaming van de landbouw» stuit de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren tegen de borst. Het vergisten van dierlijke mest, om het zo te kunnen exporteren of op andere manieren af te zetten, is wat de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren betreft het tegenovergestelde van een duurzame landbouw. Bij duurzame landbouw staat het sluiten van kringlopen centraal volgens de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren. Deelt de minister die mening? Mestvergisting maakt ons land afhankelijk van de bio-industrie voor warmte en stroom en houdt de onduurzame praktijk in stand van het importeren van tonnen veevoer waarvoor in andere landen steeds meer natuur en biodiversiteit verloren gaat. Dit is dus op geen enkele wijze behulpzaam bij het verduurzamen van de landbouw. Graag een reactie.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft aangegeven dat hij mestverwerking ziet als een project van nationaal belang, waarmee het onder de Crisis- en herstelwet zou kunnen vallen. Kan die uitspraak onderbouwd worden? Waarom zou mestverwerking een project van nationaal belang zijn? Op welke manier is de Nederlandse burger gebaat bij het op industriële schaal verwerken van de resten van de bio-industrie? Kan de minister bevestigen dat het van «nationaal belang» noemen van industriële mestvergisting alleen maar wordt gedaan omdat de «aanpak» van de staatssecretarissen van EL&I en I&M zonder het verplichten van mestverwerking geen enkele concrete maatregel biedt om het enorme mestoverschot van Nederland aan te pakken? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen nogmaals benadrukken dat zonder een wettelijk plafond voor de productie van mest, ook met grootschalige inzet van mestvergisting, Nederland nooit zal kunnen voldoen aan de milieueisen van de Europese Unie en dat het geen enkele zin heeft om de hoop voor de oplossing van dit hoofdpijndossier te vestigen op mestverwerking. Graag een reactie.

Kan de minister aangeven welke gevolgen het toevoegen van industriële mestverwerking op bijlage I van de Crisis- en herstelwet heeft voor burgers en specifiek voor de omwonenden van nieuw te vestigen mestvergisters? Welke mogelijkheden hebben zij nog om inspraak te leveren op plannen voor nieuwe mestverwerkinginstallaties in hun directe woonomgeving?

Kan de minister een overzicht geven van de procedures die omwonenden hebben aangespannen tegen verleende vergunningen voor mestvergisters en welke gronden zij hierbij aanvoeren? Is de minister van mening dat bezwaren van omwonenden tegen de bouw van (industriële) mestvergisters per definitie van tafel kunnen worden geveegd? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom maakt de minister het burgers en gemeenten dan nu onmogelijk om de komst van mestvergisters tegen te houden? Welke mogelijkheden hebben gemeenten nog om een vergunning voor deze industrie te weigeren? Welke veranderingen treden er verder op in het vergunningverleningproces? Kan de minister aangeven welke criteria zij hanteert bij de keuze om gebruik te maken van haar doorzettingsmacht, en wanneer zij voornemens is om deze doorzettingsmacht te gebruiken bij de bouw van mestvergisters op industriële schaal? Welke bijdrage moeten grootschalige mestverwerkers leveren aan het bestrijden van de economische crisis? Onderschrijft de minister dat de Nederlandse natuur en het milieu nog steeds overbelast worden door de grootschalige veehouderij en dat het mogelijk maken van grootschalige mestverwerking dan ook het verkeerde signaal afgeeft? Kan de minister haar antwoord in deze toelichten?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden het onverantwoord om weer een groot aantal projecten aan bijlage II van de Crisis- en herstelwet toe te voegen. Op basis van welke informatie wordt besloten dat opname op de projectenlijst van bijlage II de inperking van beroepsmogelijkheden en inspraakmogelijkheden en het afwijken van de geldende milieuregels rechtvaardigt? Vindt er bij verzoeken van gemeentes voor aanwijzing van ontwikkelgebieden en innovatieve projecten een afweging plaats op de uitgangspunten van de wet, namelijk bestrijding van de economische crisis? Zo ja, via welk kader? Zo nee, waarom niet? Schiet de uitvoering dan niet het doel van de wet voorbij? Op welke manier kan de minister verantwoorden dat de landelijke overheid gemeenten wegzet door grootschalige projecten in de Crisis- en herstelwet op te nemen, zodat beroep onmogelijk wordt? Hoe verhoudt zich dit tot het uitgangspunt van de minister dat taken van het bestuur op een zo dicht mogelijk bij de burger gelegen niveau worden gelegd? Wordt er bij de plaatsing van gebieden van onderdeel B onder 2 rekening gehouden met de enorme leegstand van kantoren en winkelruimtes alsmede de vastgelopen huizenmarkt? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet? Deelt minister de mening dat door het bijbouwen van woningen, kantoren en winkelruimtes een vastgoedcrisis steeds dichter bijkomt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wordt er dan steeds weer voor gekozen om dit soort projecten onder de werking van de Crisis- en herstelwet te brengen? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben zich er vooral over verbaasd dat de Rotterdamsebaan in Den Haag ook op bijlage II van de Crisis- en herstelwet wordt geplaatst. Waarom is de Rotterdamsebaan opgenomen op bijlage II, terwijl en nu net een bemiddelaar is aangesteld tussen de betrokken gemeenten? Is de minister bereid de Rotterdamsebaan van bijlage II te halen, om het proces hiervan niet te verstoren? Zijn er meer projecten op de bijlage van de Crisis- en herstelwet opgenomen, waarbij van tevoren bekend was dat niet alle betrokken overheden achter het project stonden? Zo ja, welke en op basis waarvan worden deze projecten dan toch opgenomen? Is ten aanzien van de aanwijzingen van voormalig vliegbasis Soesterberg als ontwikkelingsgebied en de bouw van woningen het de bedoeling dat het bedrijventerrein Soesterberg-Noord binnen tien jaar weg is? Zo nee, hoe zit het dan met de geluidsbelasting? Wanneer zal deze weer binnen de normen vallen?

Uit alles blijkt maar weer volgens de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren dat de minister de Crisis- en herstelwet misbruikt om gelegenheidsplannetjes van boeren en projectontwikkelaars er doorheen te drukken, waarbij burgers, de natuur en het milieu buitenspel worden gezet. Zij vinden dit onverantwoord en vragen de minister de voorgestelde wijzigingen in te trekken. Graag een reactie.

II. Reactie van de minister

Bekendheid Crisis- en herstelwet onder gemeenten

De VVD-fractie vraagt of gemeenten voldoende op de hoogte zijn van de mogelijkheid tot het aanwijzigen van experimenten in het kader van de Crisis- en herstelwet (Chw). Bij brief van 9 december 2011 zond ik uw Kamer de «Rapportage praktijkervaringen Crisis- en herstelwet – Evaluatie 2010–2011». Die rapportage concludeert dat de Chw werkt én dat de Chw nog niet ten volle wordt benut. Nog niet alle gemeenten beschouwen de Chw als het vertrouwde instrumentarium waarmee ze ruimtelijke projecten kunnen versnellen, doorbraken kunnen bereiken en innovaties in gang kunnen zetten. Daarvoor is tijd nodig. Gebrek aan kennis is daarbij een belangrijke factor, naast de bestuurlijke wens om gebruik te maken van de Chw.

Het ministerie heeft, in samenwerking met onder meer de VNG, vanaf het in werking treden van de Chw ingezet op een ruime introductie en op overdracht van kennis. Bijlage 5 van genoemde rapportage geeft een overzicht van de activiteiten. De introductie heeft resultaat gehad. In vier tranches van de AMvB zijn tot nu toe 44 experimenten aangewezen: 17 ontwikkelingsgebieden, 24 innovatieve projecten en 3 lokale projecten met nationale betekenis.

Kennis blijft een belangrijke factor om tot een brede toepassing van de Chw te komen. De constatering uit genoemde rapportage was aanleiding om de kennisoverdracht, twee jaar na het in werking treden van de wet, niet af te bouwen, maar daarmee door te gaan. In februari en maart 2012 zijn vijf praktijkbijeenkomsten georganiseerd die zeer goed bezocht zijn; er waren zo’n 350 mensen aanwezig. Voor het overgrote deel betrof het gemeente-ambtenaren. Mijn inspanningen blijven gericht op kennisoverdracht richting gemeenten.

Doelbereik en effecten Chw

De Partij voor de Dieren vind dat de minister er niet in is geslaagd om de economische crisis aan te pakken en vraagt om een reactie. De leden van D66 ontvangen graag een toelichting op de link tussen de projecten en de crisis.

Zoals in hiervoor genoemde «Rapportage praktijkervaringen Crisis- en herstelwet – Evaluatie 2010–2011» wordt vermeld, werkt de Chw. De opzet van het kabinet slaagt om projecten uit een impasse te halen en de procedures te versnellen. Er zijn geen aanwijzingen dat de Chw de belangen van natuur en milieu opzij zet, misbruikt wordt om projecten door te drukken of burgers buiten spel te zetten.

Door de crisis komen minder projecten van de grond. Hierdoor is het van belang om ruimtelijke projecten een steun in de rug te geven en qua uitvoering naar voren te halen. De Chw blijkt voor de aangewezen projecten deze rol te vervullen. Door de mogelijkheden die de wet biedt, maar ook door de focus die aanwijzing van een project binnen een gemeente bewerkstelligt. De ontwikkelingsgebieden geven de gemeente meer doorzettingsmacht. Een goed voorbeeld hiervan is het gebiedsontwikkelingsplan voor Maasdonk. In Zaanstad wordt ook al opgemerkt dat de gemeente op een andere manier aan tafel zit met de betrokken bedrijven door het instrumentarium dat de Chw biedt in ontwikkelingsgebieden.

Zonder het extra instrumentarium van de Chw zullen de ontwikkelingsgebieden, die in de 4e tranche zijn opgenomen, niet of met vertraging tot stand komen. De Chw fungeert als de hefboom. Ook de innovatieve projecten die zijn aangewezen boeken voortgang. Goede voorbeelden zijn de aangewezen gebieden waar gebiedsgericht gesaneerd mag worden in combinatie met Warmte Koude Opslag. Maar ook de experimenten met de energieprestatiecoëfficient leveren voortgang in de projecten. Onder het kopje Ratio/argumentatie achter de toevoeging van projecten beschrijf ik per project hoe zij bijdragen aan het doel van de Chw.

Nationaal belang gebiedsontwikkelingen bijlage II

De leden van de SP-fractie vragen waarom via deze AMvB projecten aan bijlage II worden toegevoegd onder de kop «gebiedsontwikkeling met nationale uitstraling». Te meer omdat het Rijk terugtrekt uit de RO.

Aan het toevoegen van projecten aan bijlage II zijn geen andere, meer concrete criteria verbonden, dan dat de projecten moeten aansluiten op het doel van de wet (bestrijding crisis en bevordering goed en duurzaam herstel van de economische structuur). Er kunnen dus ook projecten van regionaal of lokaal belang aan bijlage II worden toegevoegd.

De naamgeving van de categorie gebiedsontwikkeling met nationale uitstraling van bijlage II is verwarrend. Zoals bij de beantwoording van Kamervragen over de derde tranche AMvB Chw reeds aangegeven, zal ik de naam van deze categorie daarom aanpassen. In het voorstel van wet tot wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht (33 135), heb ik hiervoor een bepaling opgenomen. Deze houdt in dat de naam van de categorie wordt gewijzigd in «overige ruimtelijke projecten».

Borging wettelijke normen bij experimenten

Ontwikkelingsgebieden

De leden van de SP-fractie vragen welk bestuursorgaan na de vastgestelde periode verantwoordelijk is voor de afwikkeling van de aangewezen projecten en welk orgaan in de toekomst controleert of de toenmalige «haken en ogen» volgens de bestaande wetten en regels in de tussenliggende jaren blijvend zijn opgelost. Zij vragen tevens duidelijkheid over wie, waar, op welke wijze na afloop van die periode zijn of haar problematiek juridisch kan laten toetsen, en welke wet(geving) dan op dat moment uitgangspunt is. De leden van de SP-fractie zouden graag een reactie krijgen op signalen van critici die stellen dat de Crisis- en herstelwet gebruikt wordt om bestaande milieuregels en dan met name geluid- en geurregels voor langere tijd, zo niet permanent, te omzeilen.

Naar mijn mening bieden de gebiedsontwikkelingsplannen die moeten worden opgesteld om uiteindelijk, als dat noodzakelijk is, maximaal 10 jaar te mogen afwijken van milieunormen de borging van de wettelijke normen in ontwikkelingsgebieden. De rechter zal naar verwachting zeer nauwkeurig toetsen op de haalbaarheid van de maatregelen die er toe leiden dat de landelijke normen na maximaal 10 jaar worden gehaald. Het gebiedsontwikkelingsplan is een raadsbesluit dat de procedure van 3.4. Awb volgt. Het gebiedsontwikkelingsplan wordt toegevoegd aan het bestemmingsplan. Het heeft daarmee ook de status van het bestemmingsplan. De raad moet de voortgang van de afspraken in het gebiedsontwikkelingsplan monitoren. De in het plan opgenomen maatregelen kunnen zo nodig met bestuursdwang worden afgedwongen.

Daarnaast zijn de ontwikkelingsgebieden experimenten waarvan geleerd wordt voor de Omgevingswet. Dit zorgt ervoor dat ook mijn ministerie het experiment zal monitoren. Ik rapporteer uw Kamer hierover jaarlijks bij Voorjaarsnota in de Voortgangsrapportage Chw. Tot slot kunnen belanghebbenden een verzoek om handhaving indienen op basis van de reguliere wettelijke normen.

Particulier opdrachtgeverschap

Voor de leden van de SP-fractie zijn er onduidelijkheden over aansprakelijkheid en schadegevolgen, de fractie stelt hierover vragen aan de hand van het experiment particulier opdrachtgeverschap in Almere.

Woningen gebouwd onder het experiment particulier opdrachtgeverschap Almere moeten net als alle woningen voldoen aan de voorschriften voor bestaande bouw. De in het besluit opgenomen regeling heeft slechts betrekking op de daar genoemde nieuwbouwvoorschriften. Van een ernstig gebrek zal pas sprake zijn als niet voldaan wordt aan de eisen voor bestaande bouw. De vergunninghouder is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van zijn woning en dat die blijft voldoen aan ten minste de eisen voor bestaande bouw. Een ernstige gezondheidssituatie zal derhalve niet als gevolg van de toepassing van de voorschriften behorende bij het experiment particulier opdrachtgeverschap kunnen ontstaan.

Aansprakelijkheid van de gemeente kan overigens pas aan de orde komen als sprake is van een ernstig tekortschieten in de toezichtstaak, bijvoorbeeld als de gemeente het gebrek en het gevaar dat daaruit kan voortkomen kende en vervolgens niets doet.

De filosofie achter particulier opdrachtgeverschap is dat de verantwoordelijkheid over de eigen woning meer en meer bij de eindgebruikers zélf moet worden neergelegd. In lijn daarmee is dat de overheidsbemoeienis niet verder gaat dan noodzakelijk is. Hiermee ontstaat een grotere vrijheid voor de (collectieve) particuliere opdrachtgever(s) om de woning in te richten naar eigen inzicht.

Verduurzaming landbouw

Omvang bedrijven

De CDA-fractie vraagt of de beperking tot gebieden met een industriële bestemming wenselijk is en waarom er niet voor gekozen is om ook kleinere mestbewerkings- en verwerkingsinstallaties met een capaciteit van minder dan 50 000 ton als nieuwe categorie in bijlage 1 op te nemen. De fractie vraagt om een toelichting op de mogelijkheden die bestaan buiten industriële gebieden.

Grote mestverwerkinginstallaties passen vanwege de effecten op de leefomgeving beter in een gebied met een industriële bestemming dan in agrarisch gebied.

Kleinere mestverwerkingsinstallaties met een capaciteit van minder dan 50 000 ton dierlijke mest per jaar worden niet onder het regime van de Crisis- en herstelwet gebracht, met name omdat dat ten koste zou gaan van de uitvoerbaarheid van deze wet. Met name de belasting van de Raad van State zou hierdoor te zeer toenemen.

De mestverwerkingsinstallaties die niet onder de werkingssfeer van de Crisis- en herstelwet vallen, worden gerealiseerd door gebruikmaking van de normale procedures.

Interbestuurlijke verhoudingen

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt of deze AMvB betekent dat de bouw van industriële mestvergisters niet meer tegen te houden is door gemeenten, provincies en de omwonenden van deze mestvergisters.

Het feit dat grote mestverwerkingsinstallaties onder de werkingssfeer van de Crisis- en herstelwet worden gebracht, brengt geen wijzigingen in de bevoegdheden van provincies en gemeenten op het gebied van ruimtelijke ordening en vergunningverlening.

Provincies en gemeenten kunnen door middel van ruimtelijk beleid sturing geven aan de locaties voor mestverwerking. Ook blijft voor omwonenden de mogelijkheid van inspraak of bezwaar en beroep bestaan. Wel perkt de Crisis- en herstelwet de mogelijkheid van beroep enigszins in, in die zin dat een belanghebbende geen beroep kan doen op een rechtsregel die niet bedoeld is om zijn belangen te beschermen (het zogenaamde relativiteitsbeginsel).

Duurzaamheid

De Partij voor de Dieren stelt dat het vergisten van dierlijke mest het tegenovergestelde is van duurzame landbouw. Anders dan de Partij voor de Dieren stelt, ben ik van mening dat mestverwerking wel degelijk bijdraagt aan het verduurzamen van de landbouw en het sluiten van kringlopen. Momenteel bereidt de Staatssecretaris van EL&I een wetsvoorstel voor, waarin niet alleen wordt voorzien in een verplichting tot mestverwerking, maar ook in een koppeling van mestproductie en mestafzet. Deze koppeling moet leiden tot een oplossing van het mestoverschot. Over het Vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn 2014–2017 en bijbehorende derogatie (met als onderdeel de kabinetswens tot afschaffen van het mestplafond, dat nu een voorwaarde is in de lopende derogatie) zal het kabinet dit en volgend jaar gaan onderhandelen met de Europese Commissie.

Bovendien is het kabinetsbeleid gericht op het verduurzamen van de productie van (geïmporteerd) veevoer.

Rechtsbescherming

De Partij voor de Dieren vraagt naar de gevolgen van de toevoeging van de categorie Verduurzaming landbouw voor (omwonende) burgers en vraagt om een overzicht van procedures van omwonenden.

Mestvergisting is een bijzondere vorm van mestverwerking, gericht op de productie van energie. Deze vorm van mestverwerking valt al onder de werking van de Crisis- en herstelwet. Het onderhavige voorstel verandert daar niets aan. Ik beschik niet over een overzicht van procedures van omwonenden tegen vergunningen voor mestvergisters. Dat is een decentrale verantwoordelijkheid. Zoals hiervoor al aangegeven, blijft het voor omwonenden mogelijk bezwaar te maken en beroep in te stellen, mits in geval van beroep wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste. Bezwaren worden dus niet per definitie van tafel geveegd.

Milieunormen

De leden van de SP-fractie stellen een aantal vragen over hoe met milieunormen wordt omgegaan bij de mestverwerkinginstallaties. Wat is bv. de werkwijze wanneer sprake is van ernstige overlast en/of gevaarlijke uitstoot? Op welke wijze wordt dan op welk moment (juridisch) gewogen wat redelijk is? Op welke wijze wordt in deze projecten omgegaan met regels ten aanzien van milieueffectrapportages en met mogelijke lange termijn effecten op de ecologische hoofdstructuur?

Alleen de bestuursrechterlijke bepalingen van hoofdstuk 1 van de Chw zijn van toepassing op de mestverwerkingsinstallaties; relativiteitsvereiste, proforma beroep, uitspraak rechter binnen 6 maanden e.d.. Er is geen sprake van afwijking van normen voor geluid en geur. Er moet worden voldaan aan de geldende milieuregelgeving. Er mag ook geen gebruik worden gemaakt van de mer bepaling in de Chw. Die is gekoppeld aan bijlage II.

Doorzettingsmacht

De Partij voor de Dieren vraagt voorts wanneer de minister van I&M voornemens is om ten behoeve van de bouw van mestvergisters op industriële schaal gebruik te maken van haar doorzettingsmacht en welke criteria zij daarbij hanteert. De vraag welke criteria ik gebruik bij het toepassen van mijn doorzettingsmacht is niet aan de orde in het kader van de Chw. Met de Chw worden alleen de bestuursrechtelijke versnellingen van toepassing op deze installaties.

Bijdrage aan doelstellingen Chw

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt welke bijdrage grootschalige mestverwerkers moeten leveren aan het bestrijden van de economische crisis.

Grootschalige mestverwerking is van belang voor een milieuverantwoorde afzet van het Nederlandse mestoverschot en daarmee voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de Nederlandse veehouderij. De bouw van grote mestverwerkingsinstallaties kan dus bijdragen aan de economische ontwikkeling van de veehouderij en daarmee ook aan het bestrijden van de economische crisis.

Aparte kamerbehandeling

De leden van de fractie van D66 vragen of de minister bereid is het onderdeel Verduurzaming landbouw uit het genoemde ontwerpbesluit te laten. Zij zouden graag op een nader te bepalen moment vragen willen stellen over dit specifieke onderwerp.

Vanwege de uitvoering van het mestbeleid en specifiek de invoering van de mestverwerkingplicht door de Staatssecretaris van EL&I acht ik een spoedige inwerkingtreding van de genoemde bepaling van belang. De toevoeging van de grote mestverwerkinginstallaties aan de Chw heeft alleen bestuursrechtelijke versnellingen tot gevolg.

Ratio/argumentatie achter de toevoeging van projecten

De leden van de D66-fractie en de Partij voor de Dieren vragen voor alle nieuwe projecten onder de artikelen I en II naar de rationale achter het toevoegen van de genoemde projecten aan de werkingssfeer van de Crisis- en herstelwet.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen op basis van welke informatie wordt besloten tot opname op de projectenlijst van bijlage II. De fractie vraagt tevens of er bij verzoeken van gemeentes voor aanwijzing van ontwikkelgebieden en innovatieve projecten een afweging plaats vindt op de uitgangspunten van de wet. De fractie vraagt of er rekening wordt gehouden met de leegstand van kantoren en winkelruimtes alsmede de vastgelopen huizenmarkt (vastgoedcrisis).

De Chw kent de mogelijkheid om langs twee lijnen een stimulans te bieden aan ruimtelijke projecten. Hoofdstuk 1 Chw vereenvoudigt de bestuursrechtelijke

spelregels voor de projecten uit Bijlage I (categorieën van projecten) en Bijlage II (met naam genoemde projecten). Overheden hebben de mogelijkheid projecten aan te melden voor opname in Bijlage II van de Chw. Hiervan is gebruik gemaakt. Aan het toevoegen van projecten aan bijlage II zijn geen andere, meer concrete criteria verbonden, dan dat de projecten moeten aansluiten op het doel van de wet (bestrijding crisis en bevordering goed en duurzaam herstel van de economische structuur).

Voor deze projecten die vallen onder bijlage I of II gelden vereenvoudigde regels van het bestuursprocesrecht. Daarin kunnen belanghebbende burgers, bedrijven en organisaties wel degelijk beroep aantekenen. De bestuursrechtelijke versnelling die voor deze projecten geldt, houdt onder meer in dat de inhoudelijke onderbouwing direct in het beroepschrift moet worden opgenomen (geen pro forma beroep) en dat een beroep moet dienen om een eigen belang te beschermen (relativiteitsvereiste). Het voordeel dat het meest genoemd wordt is dat de bestuursrechter aan een maximale termijn van zes maanden is gebonden voor het doen van een uitspraak.

De keuzen over de nieuwe functies, zoals kantoren, winkels, huizen en andere functies is aan de bevoegde overheden en ontwikkelaars. Op deze afwegingen zijn geen andere rijksregels van toepassing dan bij projecten die niet onder de Chw vallen. De projecten moeten ook aan alle inhoudelijke natuur- en milieudoelen voldoen. Ze verschillen daarin op geen enkele wijze van projecten die niet onder Bijlage II van de Chw vallen.

Daarnaast maakt Hoofdstuk 2 Chw verschillende vormen van experimenten mogelijk waarbij tijdelijke afwijking van wettelijke regels tot de mogelijkheden behoort. Voor de duurzame innovatie gaat het om tijdelijke afwijking van regels om het experiment mogelijk te maken. De afwijking wordt gebonden aan een specifiek benoemde wettelijke regel en is gebonden aan een termijn. Bij de aanwijzing van een project wordt beoordeeld of een bijdrage kan worden verwacht aan duurzaamheid, innovatie en economische ontwikkeling. Dat is voor beide in deze 4e tranche opgenomen innovatieprojecten het geval.

De ontwikkelingsgebieden zijn bedoeld om de patstelling tussen ruimtegebruik en milieubelasting te doorbreken. Hiervoor is indien noodzakelijk een tijdelijke afwijking van bepaalde normstelling mogelijk. Na maximaal 10 jaar moet weer voldaan worden aan de landelijke normstelling.

De ontwikkelingsgebieden die in de 4e tranche worden toegevoegd kort beschreven:

  • Ontwikkelingsgebied Vliegbasis Soesterberg – De Chw moet woningbouw in een milieubelast deelgebied mogelijk maken als (financiële) motor voor de functieverandering van de 500 ha grote voormalige vliegbasis tot een gebied voor natuur, recreatie en met behoud van militair cultureel erfgoed.

  • Ontwikkelingsgebied Waterfront Harderwijk maakt woningbouw mogelijk zonder dat afschermende bebouwing vooraf tot stand is gebracht. Dit maakt de ontwikkeling betaalbaar. De gemeente moet in haar gebiedsontwikkelingsplan aantonen dat de afschermende bebouwing binnen de termijn van tien jaar gerealiseerd wordt.

  • Ontwikkelingsgebied Centrumplan Eerbeek moet de kwaliteit van dit woon- en recreatiedorp versterken. Het instrumentarium van de Chw is nodig om de ontwikkeling te combineren met behoud van bestaande bedrijvigheid.

  • Ontwikkelingsgebied Spoorzone Tilburg is het grootste en meest beeldbepalende project van Tilburg. De Chw moet het mogelijk maken de (economische) ontwikkeling echt op gang te krijgen: niet alles volgtijdelijk realiseren, maar parallel.

  • Ontwikkelingsproject Oostelijk Centrumgebied Arnhem moet van een zwaar verouderd bedrijventerrein een aantrekkelijk woon- en werkgebied maken. De Chw maakt het mogelijk om in één besluitronde de ruimtelijke ontwikkeling vast te leggen, uitplaatsing van bedrijven en aanpassing van milieuvergunningen vast te leggen en geluidafschermende voorzieningen voor te schrijven.

De beide innovatieprojecten in de 4e tranche:

  • Innovatie met particulier opdrachtgeverschap in Almere bevordert de keuzevrijheid van de particuliere opdrachtgevers en prikkelt daarmee de bouw van woningen. Omdat niet alle regels van het Bouwbesluit behoeven te worden nageleefd ontstaat ruimte voor innovatie die ook anderen tot inspirerend voorbeeld kan dienen.

  • De Experimenteerlocatie Leeuwarden geeft gelegenheid om experimenten uit te voeren met duurzame technologie, zonder dat eerst tijd en aandacht van de vernieuwer nodig is voor het zoeken van een locatie, vergunningen etc. De experimenteerlocatie verlaagt de drempel en maakt de weg korter tussen idee, toepassing en mogelijke (massa)productie van de duurzame technologie.

Nadere informatie over specifieke projecten

Almere

De leden van de VVD-fractie vragen of afwijken van het Bouwbesluit 2012 in Almere in de toekomst tot handhavingproblemen kan leiden.

Woningen gebouwd onder het experiment particulier opdrachtgeverschap Almere moeten net als alle woningen voldoen aan de voorschriften voor bestaande bouw. De in het besluit opgenomen regeling heeft slechts betrekking op de daar genoemde nieuwbouwvoorschriften. Of aan de eisen voor bestaande bouw wordt voldaan in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid van de vergunninghouder. Als de gemeente constateert dat een woning die onder het experiment wordt gebouwd niet voldoet aan de eisen voor bestaande bouw, dan kan de gemeente daartegen handhavend optreden. Dat is niet anders dan bij woningen die niet onder het experiment vallen.

De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over de voorgenomen evaluatie door de gemeente Almere. De gemeente heeft aangegeven dat zij bij het toezicht op de realisatie van de betreffende woningen zal gaan letten op een aantal aspecten die betrekking hebben op de voor deze woningen vervallen nieuwbouweisen om zodoende te kunnen rapporteren welke van de geschrapte aspecten alsnog en in welke mate worden meegenomen bij de bouw van de eigen woning. Gezien het experimentele karakter van het project zie ik de meerwaarde daarvan in en heb ik vooralsnog geen reden om te veronderstellen dat dit niet doeltreffend of efficiënt zal gebeuren.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de bewoners met het uitsluiten van het Bouwbesluit (behalve brandveiligheid) ook de keuze krijgen tussen een warmte- dan wel een gasaansluiting.

In het kader van de experimentenregeling in Almere gelden voor particulier opdrachtgeverschap geen voorschriften met betrekking tot de aansluiting van gas en warmte. Het is aan de opdrachtgever zelf om hier afspraken over te maken met de gemeente en eventuele gas- en warmteleveranciers. Het afdwingen van een bepaalde voorziening op grond van de bepalingen in het experiment is dan ook niet aan de orde.

De leden van de fractie van D66 willen graag weten waarom Almere deze uitzonderingspositie krijgt en wat de minister hiermee beoogt te bereiken.

De gemeente Almere heeft zich als eerste en tot nu toe enige gemeente gemeld met een project met betrekking op particulier opdrachtgeverschap. Doel van het experiment is een grotere vrijheid voor de burger om zijn woning in te richten naar eigen inzicht. Voor het onder de werking van afdeling 2 Chw brengen van dit project zijn geen andere voorbeelden van particulier opdrachtgeverschap bestudeerd maar is het voorstel van Almere getoetst op de volgende criteria.

Draagt het experiment bij aan:

  • innovatieve en/of maatschappelijke ontwikkeling

  • de bestrijding van de economische crisis

  • duurzame ontwikkeling

  • Valt de afwijking onder de gestelde wetten opgenomen in de Chw;

  • Kan het experiment starten voor 1 januari 2014.

Almere heeft het verzoek om op onderdelen af te mogen wijken van het Bouwbesluit ingediend naar aanleiding van een concreet verzoek van een particulier om een woning te mogen bouwen met alternatieve daglichttoetreding die niet voldeed aan het Bouwbesluit. Aspect als daglicht, (de wijze van) ventilatie, minimale afmetingen van (ruimten binnen) woningen en toegankelijkheid zijn in de bouwregelgeving opgenomen op basis van een «gemiddelde» woning. Dit kan voor individuele keuzen in bepaalde gevallen een belemmering vormen. Om die reden is – op verzoek van Almere – deze experimenteerregeling opgenomen in de Crisis- en herstelwet.

Soesterberg

De D66-fractie vraagt naar de impact voor de omliggende Natura2000-gebieden van het tien jaar niet voldoen aan de milieukwaliteitscriteria. D66 en de Partij voor de Dieren vragennaar de woningbouw in relatie tot de geluidsbelasting.

De voorliggende AMvB stelt een grenscorrectie voor ten aanzien van het reeds aangewezen project Soesterberg-noord. Uiteraard is ook dit ontwikkelingsgebied (net als alle andere) gebonden aan Europese richtlijnen. Doel van de aanwijzing van de voormalige vliegbasis is om de herontwikkeling van deze locatie tot een groot natuurgebied mogelijk te maken. Het project houdt tevens de bouw van ongeveer 440 woningen in. De ligging van de woningbouwlocatie is op relatief korte afstand van het bedrijventerrein, waardoor er sprake is van een verhoogde geluidsbelasting. De gemeenten Soest en Zeist zijn voornemens in een gezamenlijk gebiedsontwikkelingsplan aan te geven welke maatregelen zij zullen treffen om na maximaal 10 jaar aan de geluidsnormen te kunnen voldoen. Welke oplossing daarbij naar voren komt is juist onderwerp van het experiment. De wettelijke regels stellen daarbij afdoende waarborgen, zoals de maximale termijn van overschrijding van wettelijke normen.

IJzeren Rijn

De CDA-fractie vraagt waarom de IJzeren Rijn onder de werkingsfeer van de Crisis- en herstelwet wordt gebracht. D66 wil weten welke ontwikkelingen hiertoe hebben geleid, mede in het licht van het feit dat de IJzeren Rijn in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit aangemerkt wordt als IBM-project.

Voor de reactivering van de IJzeren Rijn op Nederlands grondgebied is een Tracébesluit nodig. De bestuursrechtelijke versnellingen zijn op dit project van rechtswege al van toepassing omdat het project valt binnen de categorieën van bijlage I van de Chw. Dit laat de toegang tot de rechter voor belanghebbenden onverlet, mits zij op tijd hun beroepsgronden aanleveren. De Tracéwet voorziet in participatie van bestuursorganen en bewoners bij de totstandkoming van het tracébesluit. Met de opname van het project in Bijlage II wordt beoogd voor de projectmer de mogelijkheid te creëren niet per se alternatieven te onderzoeken en niet per se de commissie MER te moeten inschakelen. Voor de planmer geldt deze versoepeling overigens niet. Hierin moeten wel alternatieven worden onderzocht en moet de commissie Mer wel om advies gevraagd worden.

De tracékeuze van de IJzeren Rijn spoorverbinding op Nederlands grondgebied is op grond van het Scheidingsverdrag 1839 de exclusieve bevoegdheid van België. In de bindende uitspraak over de IJzeren Rijn door het Tribunaal van het Permanent Hof van Arbitrage (2005) is dat nogmaals bevestigd. De Belgische minister van 0verheidsbedrijven heeft recent herbevestigd dat België voor de spoorverbinding op Nederlands grondgebied geen alternatieve trace's in overweging wenst te nemen.

Dat een project opgenomen is in het NSL, betekent dat voor dat (tracé)besluit geen projectgebonden luchtkwaliteitsonderzoek behoeft te worden uitgevoerd. Het betekent niet dat eventueel noodzakelijke maatregelen achterwege blijven.

Rotterdamse baan

De leden van de CDA-fractie vragen om in te gaan op de brieven van derden met betrekking tot de Rotterdamsebaan. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren en D66 vragen naar de argumentatie achter de toevoeging van de Rotterdamsebaan.

Evenals de IJzeren Rijn valt ook het project Rotterdamse baan van rechtswege onder bijlage I van de Chw. De toevoeging aan bijlage II levert een extra verlichting op ten aanzien van de projectmer. Voor de projectmer is het niet noodzakelijk alternatieven te onderzoeken en behoeft de cie. Mer niet om advies gevraagd te worden.

Met de realisatie van de Rotterdamsebaan wordt beoogd de Utrechtsebaan te ontlasten en de toekomstige ontwikkeling van de Binkhorst mogelijk te maken. Daarmee voldoet de Rotterdamsebaan aan het criterium van de Chw. De aanwijzing onder de Chw is daarop niet van invloed op de bezwaren die zijn ingediend naar aanleiding van de concept-AMvB die in uw kamer voorligt.

Bedrijventerrein Newtonpark IV in de gemeente Leeuwarden

De leden van de D66-fractie willen weten of voor dit project per se de Crisis- en herstelwet nodig is.

De gemeente Leeuwarden wil mogelijkheden scheppen voor innovatieve bedrijven om de innovaties die zij bedenken ook daadwerkelijk in een proefopstelling uit te kunnen proberen. Er zijn geen direct vergelijkbare initiatieven bekend.

De rijkscoördinatieregeling biedt niet het goede instrument voor dit experiment. Het is noodzakelijk op een innovatieve manier om te gaan met het beschikbare instrumentarium.

Luchthaven Twente

De D66-fractie vraagt naar een toelichting op de toevoeging van luchthaven Twente aan bijlage II.

Voor dit project kan door toevoeging aan bijlage II gebruik gemaakt worden van de bestuursrechtelijke versnellingen in de Chw (o.a. relativiteitsvereiste, pro formaberoep, 6 maanden termijn rechter). Ook de bepaling dat voor de projectmer niet perse alternatieven moeten worden onderzocht en de cie. Mer niet perse hoeft te worden ingeschakeld is van toepassing.

Er gelden geen inhoudelijke criteria voor toevoeging van projecten aan bijlage II.

Centrumplan Eerbeek

De leden van de SP-fractie zijn benieuwd naar de omschrijving van de nationale uitstraling van het centrumplan Eerbeek en de nut en noodzaak van deze aanwijzing.

Uit de vraagstelling blijkt verwarring over de aanwijzing van het centrumplan. Het gaat om de aanwijzing tot ontwikkelingsgebied conform artikel 2.2. Chw. Er wordt een experiment gestart om ruimte en milieu op een vernieuwende manier op elkaar te betrekken. Met het experiment worden o.a. leerervaringen opgedaan voor de nieuwe Omgevingswet. Het plan valt dus niet onder de projecten die in Bijlage II Chw zijn toegevoegd onder de «gebiedsontwikkeling met nationale uitstraling».