Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-202032043 nr. X

32 043 Toekomst pensioenstelsel

X VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 13 december 2019

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de afgelopen periode meermaals gesproken over uw brief d.d. 5 juni 2019, houdende een afschrift van de kabinetsbrief aan de Tweede Kamer over het principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel.1

Naar aanleiding hiervan heeft de commissie op 25 september 2019 een brief gestuurd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De Minister heeft op 14 oktober 2019 bericht dat de beantwoording van de vragen van de leden van de 50PLUS-fractie en de leden van de CDA-fractie over «de kabinetsreactie op het advies van de Commissie Parameters» niet binnen de gestelde termijn van vier weken mogelijk is omdat aan de beantwoording veel rekenwerk ten grondslag ligt.

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben de Minister op 5 december 2019 een rappelbrief gestuurd.

De Minister heeft op 12 december 2019 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van Dooren

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Den Haag, 25 september 2019

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de afgelopen periode meermaals gesproken over uw brief d.d. 5 juni 2019, houdende een afschrift van de kabinetsbrief aan de Tweede Kamer over het principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel.3 De leden van de SP-fractie en de 50PLUS-fractie hebben naar aanleiding van die brief de volgende vragen en opmerkingen. De leden van de FVD-fractie sluiten zich bij deze vragen aan. De leden van de CDA-fractie, de PVV-fractie en de fractie-Otten sluiten zich aan bij de vragen van de 50PLUS-fractie.

Het principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel is een principeafspraak tussen de regering en de vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers. De gemaakte afspraak moet nog worden uitgewerkt. De leden van de SP-fractie vragen hoe zeker het is – mede in het licht van recente verontrustende ontwikkelingen – dat die uitwerking zodanig zal zijn dat de steun van de drie deelnemers in het akkoord behouden blijft. Is er een kans dat het principeakkoord uiteindelijk in deze vorm niet doorgaat vanwege gebrek aan overeenstemming bij de deelnemers over de uitwerking? Wat zijn in een dergelijk geval de gevolgen, ook in relatie tot de afspraken die gemaakt zijn over de vertraagde oploop van de AOW-leeftijd, zo vragen de leden van de SP-fractie.

Bij het sluiten van het principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel bestond bij velen de indruk dat met dit akkoord de dreigende kortingen op pensioenen van de baan waren. Inmiddels overwegen echter verschillende pensioenfondsen wel te korten op hun pensioenen, vanwege ontwikkelingen in de rentestand en de gevolgen van het advies van de Commissie Parameters4. Kan de regering de Kamer informeren welke pensioenfondsen voornemens zijn om tot korting over te gaan, om wat voor kortingen het gaat en hoeveel mensen daarvan de dupe zullen zijn? Klopt het dat het om enkele miljoenen mensen zou kunnen gaan, zo vragen de leden van de SP-fractie.

Pensioenfondsen worden vanwege vigerende en voorgenomen wetgeving thans bijna gedwongen om tot korting van pensioenen over te gaan, terwijl nog wordt gewacht op de uitwerking van het principeakkoord. Zou het niet beter zijn om te wachten tot die uitwerking op tafel ligt en is geaccordeerd door de deelnemers aan het akkoord, alvorens zij een beslissing moeten nemen over het al dan niet korten van pensioenen, zo vragen de leden van de SP-fractie. Wil de regering in overweging nemen om in elk geval voor de komende twee jaren maatregelen te treffen teneinde deze dreigende korting op pensioenen te voorkomen, in afwachting van de verdere uitwerking van het principeakkoord?

De leden van de SP-fractie constateren dat de top van de pensioenfondsen rijkelijk worden beloond, terwijl diezelfde pensioenfondsen kortingen op hun pensioenen overwegen. Wil de regering maatregelen treffen om de topinkomens bij pensioenfondsen aan banden te leggen en onder de Balkenende-norm te brengen?

De leden van de 50PLUS-fractie hebben de volgende vragen:

  • 1. Wat is de ontwikkeling van de kasstromen voor de gehele pensioensector voor wat betreft de jaren 2008 tot en met 2018, alsook per 30 juni 2019? En wat is deze ontwikkeling voor die jaren voor de grote vier fondsen ABP, PFZW, PME en PMT? Wat is de raming van de kasstromen voor de jaren 2019 tot en met 2022, uitgaande van gelijkblijvende premies op het niveau van 2019 en van de geraamde uitkeringen voor die jaren op basis van het niveau van 2019 voor de gehele sector, respectievelijk voor voornoemde vier grote fondsen? Kan voor de gehele sector aangegeven worden hoe lang de fondsen op basis van de kasstromen aan al hun verplichtingen kunnen voldoen? Klopt het dat dit voor bijvoorbeeld het ABP mogelijk is voor een periode van 20 tot 25 jaar?

  • 2. Wat is het rendement, respectievelijk het kasrendement voor de jaren 2008 tot en met 2018 voor de gehele sector en voor de vier genoemde fondsen? En voor de eerste helft van 2019?

  • 3. Gegeven het vasthouden aan de bestaande rentetermijnstructuur (verder: RTS), wat zijn de veronderstellingen waaruit zou blijken dat het pensioen koopkrachtiger wordt onder het nieuwe contract? In hoeverre is die ambitie nog realistisch gelet op de daling van de RTS sinds het sluiten van het pensioenakkoord op 5 juni 2019?

  • 4. Ziet de regering mogelijkheden om, bijvoorbeeld met een beroep op «een uitzonderlijke economische situatie» als bedoeld in artikel 142 van de Pensioenwet, de kortingen als gevolg van onderdekking ten opzichte van 100% te voorkomen?

  • 5. De pensioenfondsen hebben part noch deel aan de claim ter waarde van 60 miljard die op hun balans wordt gelegd en die tot gevolg heeft dat de dekkingsgraad met 4% daalt, met alle gevolgen van dien voor de koopkrachtambitie in het nieuwe contract. Wat is de rechtvaardiging om deze claim van 60 miljard te leggen? Voornoemde gevolgen komen vooral en direct bij de gepensioneerden terecht door minder indexatie en eerder en meer korten als de dekkingsgraad onder de 100% zou blijven door de dalende rente en de claim van 60 miljard tezamen. Erkent de regering deze problematiek en welke oplossingen ziet zij? Is het toepassen van artikel 142 van de Pensioenwet een optie?

  • 6. Waarop is de stelling van de regering gebaseerd dat alle deelnemers moeten bijdragen aan de compensatie van 60 miljard voor de deelnemers aan pensioenfondsen tussen de 35 en 55 jaar als gevolg van het afschaffen van de doorsneepremie?5 Erkent de regering dat deze compensatie een onderling probleem is tussen jongere en oudere groepen werknemers en dat een goede onderbouwing ontbreekt om gepensioneerden te laten mee betalen? Die laatste groep heeft voor het overgrote deel de volledige actuariële premie betaald gedurende de gehele periode als werknemer.

  • 7. Waarop is de stelling van de regering gebaseerd dat het vermogen van het pensioenfonds een onverdeeld vermogen is van alle deelnemers van het fonds?6 Erkent de regering dat door de daling van de RTS sinds 2015 met ruim 4% binnen de pensioenfondsen een grote verschuiving plaats heeft gevonden van oud naar jong? Hoe groot is die verschuiving in percentage sinds 2015?7. Wat is het aandeel in de 60 miljard dat ten laste komt van de gepensioneerden? Gevraagd wordt naar het gemiddelde voor de gehele sector en voor de vier grote fondsen afzonderlijk.

  • 8. Kan de regering uitleggen waarom zij vindt dat de compensatie uit de buffers, uit het vermogen moet komen?8 Is de langere beleggingshorizon en eventueel de premieverhoging onvoldoende om de compensatie mogelijk te maken?

  • 9. Wat gebeurt er met de oplossing voor de compensatie van de 60 miljard als onder het nieuwe contract in de eerste jaren geen indexatie plaatsvindt en zelfs kortingen plaatsvinden?

  • 10. Hoe kan de stuurgroep de verdeelrekening voor de afschaffing van de doorsneeproblematiek ter waarde van 60 miljard vaststellen, indien er gekort moet worden bij een dekkingsgraad onder de 100%, ook na de invoering van het nieuwe stelsel?

  • 11. Erkent de regering dat het uitsmeren van de indexatie over 10 jaren9 betekent dat er bij de huidige lage RTS de eerste jaren geen of weinig ruimte is voor werkelijke indexatie van enige betekenis?

  • 12. Kan de regering uitleggen hoe de indexatie plaatsvindt in het geval dat de dekkingsgraad in het eerste jaar 102% is en in het tweede jaar 100%? Blijft in een dergelijk geval de indexatie van het eerste jaar van 0,2% ook gelden in het tweede jaar of wordt de indexatie in het tweede jaar verlaagd naar 0%? Kan als voorbeeld een gestandaardiseerde berekening met wisselende dekkingsgraden gegeven worden van de twee methoden die als alternatief gelden? De aan het woord zijnde leden ontvangen deze berekening graag voor periode van 10 jaar. Welke methode heeft de voorkeur van de regering?

  • 13. Kan de regering aangeven wat het totale indexatie-effect na 10 jaar is van de twee verschillende methoden voor indexatie bij wisselende dekkingsgraden boven 100%? Hoe werken kortingen daardoorheen indien de dekkingsgraad één of meer jaren onder de 100% ligt? Erkent de regering dat voor 2% indexatie in het eerste jaar een dekkingsgraad van 120% nodig is?

  • 14. Er komt een wettelijk kader voor de overgang bij het afschaffen van de doorsneepremie voor de pensioensector als geheel.10 Wat zijn de voorwaarden binnen dit kader en hoe worden deze voorwaarden verschillend ingevuld per individueel fonds?

  • 15. Welke gevolgen treden op voor het pensioenakkoord wanneer de uitgangspositie in 2020 veel slechter zou zijn dan ten tijde van het akkoord begin juni? Welke gevolgen heeft een dergelijke uitgangspositie voor de stuurgroep die moet werken met de afgesproken doelen van onder andere het koopkrachtig pensioen, de koopkrachtambitie?

  • 16. Wanneer moet het unanieme advies van de stuurgroep gereed zijn? Op welke wijze, op welk niveau, worden de ouderenorganisaties bij de stuurgroep betrokken? Wat gebeurt er als de stuurgroep niet tot een eensluidend advies komt? Vervalt in dat geval niet alleen het akkoord over het stelsel maar ook de afspraak over de vertraagde oploop van de AOW-leeftijd, omdat er sprake is van één totaalpakket?

  • 17. De SER en het kabinet vinden dat bestaande pensioenaanspraken en nieuwe pensioenopbouw bij elkaar gehouden moeten worden. Voor het omzetten van opgebouwde pensioenrechten is waardeoverdracht nodig. Een van de voorwaarden bij de waardeoverdracht is het individueel bezwaarrecht dat in artikel 83, tweede lid, onderdeel a, jo. artikel 20 van de Pensioenwet is vastgelegd. De regering schrijft in de brief en zegt in het debat in de Tweede Kamer van 19 juni 2019: «Om het omzetten van de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten te faciliteren zullen we bezien of en, zo ja, hoe het individueel bezwaarrecht kan worden aangepast»11. Welke afwegingen worden daarbij gemaakt? De regering spreekt over mogelijkheden voor aangepaste wetgeving zodat de stuurgroep zich erover kan buigen.12 Hoe kan de stuurgroep daarmee omgaan? Erkent de regering dat in artikel 83 van de Pensioenwet de bescherming van de rechten van de deelnemers – actief en niet actief – is vastgelegd? En dat een wijziging van de inhoud van een pensioenovereenkomst alleen kan plaatsvinden met toestemming van de deelnemer? Erkent de regering dat deelnemers naar het Hof van Justitie van de Europese Unie kunnen gaan om de aantasting door een pensioenfonds van dit recht ex artikel 83 van de Pensioenwet te claimen en dat zij schadevergoeding kunnen eisen van het desbetreffende pensioenfonds? Hoe schat de regering dit procesrisico in als het bezwaarecht eventueel zou worden afgeschaft? Wordt er advies ingewonnen van de Landsadvocaat, zoals dat ook is gebeurd bij de voorgenomen invoering van het reële stelsel waarbij sprake was van «collectief invaren» van bestaande rechten?

  • 18. De regering erkent dat de stabiliteit van de uitkeringen wordt bedreigd door de volatiliteit.13 Dat wordt beperkt door het uitsmeren over een periode van vijf of tien jaar en door het uitsmeren van de risico’s via het beleggingsbeleid: het life cycle beleggen. Kan de regering uitleggen waarom het life cycle beleggen in het belang is van gepensioneerden? Zoals de leden van de 50PLUS-fractie reeds in het Tweede Kamerdebat stelden zijn ouderen juist wel bereid om risico’s te nemen, omdat bewezen is dat zij wel begrijpen dat rendementen beter kunnen zijn als je belegt.14 Getuigt het niet van bevoogding, respectievelijk paternalisme wanneer de regering zegt: «Als je jong bent, neem je dan meer risico en beleg je meer in aandelen, maar als je ouder bent beleg je dan meer in obligaties, omdat je minder risico wil lopen omdat je een stabielere uitkering wil hebben.»15. Erkent de regering dat dit wel stabiel is, maar wel laag, respectievelijk lager? Is de regering bereid dit principe te heroverwegen, mede op verzoek van de ouderenorganisaties?

  • 19. De regering schrijft in de brief dat de SER de voorkeur uitspreekt voor het omzetten van bestaande aanspraken in het nieuwe contract en dat het kabinet daarom bereid is het zogenoemd collectief invaren te faciliteren.16 Wat betekent de opmerking van de regering in het genoemde Tweede Kamerdebat dat zij al bezig is met het waarderingskader, dat wordt uitgewerkt door de stuurgroep, waarbij de kern evenwichtigheid is voor alle deelnemers? Welk kader ontvangt de stuurgroep? De regering merkt ter zake op: De vraag of de pensioenaanspraken van deelnemers en dus ook de pensioenuitkeringen van gepensioneerden worden omgezet naar het nieuwe contract, is uiteindelijk aan de sociale partners in de bedrijfstakken en in de ondernemingen. Als bijvoorbeeld blijkt dat de deelnemers en gepensioneerden van 75 jaar zullen profiteren van een overstap naar een van de twee contracten, dan kunnen de sociale partners daartoe besluiten, binnen de randvoorwaarden van het waarderingskader.17 Welke beleidsruimte hebben de sociale partners in de praktijk of is het een knellend geheel? Welke rente zal in het waarderingskader worden gehanteerd bij de waardering van de bestaande aanspraken, alvorens die kunnen worden omgezet, respectievelijk ingevaren? Kan de regering dit nader preciseren? Wordt in een dergelijk geval de dan geldende RTS gehanteerd of wordt een andere discontovoet gekozen dan de dan geldende RTS? En zo ja, welke andere discontovoet betreft dit? Wordt er in dat geval bij het zogenoemde invaren dan niet gemeten met twee maten? Kan de regering uitvoerig ingaan op deze zeer belangrijke waarderingsproblematiek, juist ook voor de groep gepensioneerden?

  • 20. Er komt volgens de regering in het debat van juni in de Tweede Kamer geen pensioenakkoord als er geen verantwoorde en evenwichtige overstap komt bij de compensatie van de claim van 60 miljard. Kan de regering aangeven of dan eventueel het afschaffen van de doorsneepremie wordt heroverwogen? Is een zogenoemd premievrij pensioen een alternatief?

  • 21. De regering stelt in dat debat: «Punt één. Als je de rekenrente aanpast, verandert de omvang van je vermogen niet. Het enige wat je aanpast, is de verdeling van dat vermogen over de deelnemers in de tijd. Ja? Dat is één. Twee is: dat betekent eigenlijk dat je een hogere dekkingsgraad hebt en sneller gaat indexeren en uitkeren, maar dat je dan het risico loopt dat je achterblijft met een tekort».18 Kan de regering nog eens uitleggen hoe zij tot deze conclusie komt? Welk tekort wordt hier bedoeld? Bij een RTS van 0,7% is een rendement van 1% al voldoende om niet te korten en een rendement van 3% voldoende om te kunnen indexeren. Bij een rendement van 5% zou zelfs een premievrij pensioen mogelijk zijn. Kan de regering deze percentages bevestigen en zo nee, wat zijn die percentages dan wel?

  • 22. De regering heeft in zijn brief en in het debat gezegd dat hij bereid is om vooruitlopend op het nieuwe stelsel de fondsen extra tijd te geven om aan de financiële eisen te voldoen en voorlopig niet te korten bij een dekkingsgraad boven 100%. Fondsen mogen sturen op 100% in plaats van 104,3% en geen kortingen bij dekkingsgraad tussen 100 en 104%.19 20 De regering maakt daarbij gebruik van de bevoegdheid van de Minister om op grond van artikel 142 van de Pensioenwet op basis van «een uitzonderlijke economische situatie» een vrijstelling te verlenen. Wanneer kan er volgens de regering in het algemeen sprake zijn van een dergelijke situatie? En waarom past zij dat nog te nemen besluit slechts voorlopig toe? Wat verstaat de regering onder «voorlopig»? Trekt zij dat bijvoorbeeld weer in als de stuurgroep er niet uitkomt? En kan de regering overwegen de vrijstelling ook definitief te maken tot het jaar van een nieuw stelsel, om grote onzekerheid over geldingsduur van de maatregel te vermijden? Welke wijzigingen in wet- en regelgeving zijn noodzakelijk voor deze maatregel? De regering acht het niet verstandig om kortingen ook te voorkomen als de dekkingsgraad beneden de 100% ligt.21 Kan de regering dat nog eens uitleggen? Erkent de regering dat nu de rekenrente onvoorzien in een duikvlucht is geraakt sinds de invoering van het gewijzigde financieel toetsingskader (nFTK) in 2015, toch ook gesproken kan worden van een uitzonderlijke economische situatie als bedoeld in artikel 142 van de Pensioenwet? Is ook de forse daling van de rente sedert het sluiten van het akkoord een uitzonderlijke economische situatie?

  • 23. De leden van de 50PLUS-fractie vatten een betoog van de regering in het debat als volgt samen: De SER en de pensioensector hebben afgesproken dat de rekenrente, de risicovrije marktrente, blijft gelden, inclusief de Ultimate Forward Rate (UFR). De gemaakte afspraken in het akkoord zijn doelen over bijvoorbeeld indexatie en compensatie. Dat gaat over de stabiliteit van het stelsel, waarbij we te maken hebben met de volatiliteit van de rekenrente. Dat moeten we eventueel anders opvangen. Kan de regering uitleggen wat zij precies met deze uitspraak22 bedoelt? Is er ruimte voor anders gaan rekenen, respectievelijk voor andere rekenregels, zoals in het Tweede Kamerdebat werd gevraagd?23 Ziet de regering ook mogelijkheden voor de stuurgroep om een nieuw advies te vragen over de rekenrente, zoals in datzelfde debat werd gevraagd? De regering gaf geen antwoord op de vraag van de SP Tweede Kamerfractie of de stuurgroep kan afwijken van de RTS, inclusief de UFR.24 Kan zij die vraag alsnog beantwoorden?

  • 24. Kan de regering bevestigen dat de hersteltermijn van vijf jaar blijft gelden onder het huidige stelsel, ook na het voorgenomen besluit om – vooruitlopend op een nieuw stelsel – voorlopig niet te korten als de dekkingsgraad boven de 100% ligt. Is het verlengen van deze hersteltermijn naar zeven jaar – in afwachting van het nieuwe stelsel – een oplossing om kortingen te voorkomen als de dekkingsgraad onder de 100% ligt?25 Kan het CPB advies uitbrengen over de generatie-effecten van een dergelijke verlenging?

  • 25. Is de regering bereid de gevraagde gegevens van de vier genoemde fondsen op te vragen bij de DNB of anders, zo nodig, bij de individuele fondsen zelf?

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E.M. Sent

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 oktober 2019

Hierbij deel ik u mede dat de beantwoording van de vragen van de leden van de 50PLUS-fractie en de leden van de CDA-fractie over «de kabinetsreactie op het advies van de Commissie Parameters» niet binnen de gestelde termijn van vier weken mogelijk is omdat aan de beantwoording veel rekenwerk ten grondslag ligt. De leden van de fracties van het CDA en de SP hebben zich aangesloten bij de vragen van de 50PLUS-fractie. De leden van de fracties van GroenLinks, de SP en 50PLUS hebben zich aangesloten bij de vragen van de CDA-fractie.

Dezelfde mededeling geldt voor de beantwoording van de vragen van de leden van de SP-fractie en de 50PLUS-fractie over «het principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel». Ook hier is beantwoording niet mogelijk binnen de gestelde termijn van vier weken omdat ook hier veel rekenwerk aan de beantwoording ten grondslag ligt. De leden van de FVD-fractie hebben zich bij de vragen aangesloten. De leden van de CDA-fractie, de PVV-fractie en de fractie-Otten hebben zich aangesloten bij de vragen van de 50PLUS-fractie.

Ik verwacht uw Kamer in de tweede helft van november te kunnen antwoorden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Den Haag, 5 december 2019

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid wensen middels deze brief de beantwoording te rappelleren van de volgende brieven:

  • Brief van 23 september 2019 houdende vragen inzake het advies van de Commissie Parameters26;

  • Brief van 1 oktober 2019 houdende aanvullende vragen inzake het advies van de Commissie Parameters27; en,

  • Brief van 25 september 2019 aan de Minister van SZW houdende vragen over het principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel28.

Ter zake van deze drie brieven is op 14 oktober 2019 een uitstelbericht ontvangen, waarin werd gesteld dat u verwachtte de Kamer in de tweede helft van november te kunnen antwoorden.

Door de commissiestaf is vervolgens ambtelijk verzocht om beantwoording van de vragen voorafgaand aan de Algemene Financiële Beschouwingen van 19 november 2019. Die datum is niet gehaald. Thans wordt verzocht de beantwoording ten minste voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel Begrotingsstaten Sociale Zaken en Werkgelegenheid 202029 aan de Kamer te zenden. Deze behandeling wordt verwacht op 16 en/of 17 december 2019.

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet.

Voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E.M. Sent

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 december 2019

Op 25 september jl. hebben de leden van de SP-fractie en de 50PLUS-fractie vragen gesteld naar aanleiding van het principeakkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel.30 De leden van de FVD-fractie sluiten zich bij deze vragen aan. De leden van de CDA-fractie, de PVV-fractie en de fractie-Otten sluiten zich aan bij de vragen van de 50PLUS-fractie.

Ik heb getracht de vragen zo volledig mogelijk te beantwoorden, met dien verstande dat ik beperkt inzage kan geven in effecten bij individuele pensioenfondsen. De Nederlandsche Bank (DNB) mag als toezichthouder in beperkte mate gegevens publiceren en overdragen over individuele fondsen.

De leden van de SP-fractie hebben de volgende vragen gesteld.

1. Het principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel is een principeafspraak tussen de regering en de vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers. De gemaakte afspraak moet nog worden uitgewerkt. De leden van de SP-fractie vragen hoe zeker het is – mede in het licht van recente verontrustende ontwikkelingen – dat die uitwerking zodanig zal zijn dat de steun van de drie deelnemers in het akkoord behouden blijft. Is er een kans dat het principeakkoord uiteindelijk in deze vorm niet doorgaat vanwege gebrek aan overeenstemming bij de deelnemers over de uitwerking? Wat zijn in een dergelijk geval de gevolgen, ook in relatie tot de afspraken die gemaakt zijn over de vertraagde oploop van de AOW-leeftijd, zo vragen de leden van de SP-fractie.

Het kabinet, werkgevers- en werknemersorganisaties hebben zich gezamenlijk gecommitteerd aan de uitwerking van de afspraken over de vernieuwing van het pensioenstelsel, zoals gemaakt in het pensioenakkoord. Partijen hebben hierin een gezamenlijk belang en een gezamenlijke verantwoordelijkheid. De uitwerking van het pensioenakkoord wordt aangestuurd door een stuurgroep bestaande uit het kabinet en vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties. Pensioenuitvoerders, toezichthouders en onafhankelijke externe deskundigen worden bij de uitwerking betrokken.

In het pensioenakkoord is afgesproken is dat het kabinet en de sociale partners gezamenlijk de afweging maken of de doelen en de te bereiken resultaten kunnen worden behaald, dan wel op een andere wijze dienen te worden gerealiseerd waarbij zowel het nieuwe contract als de bestaande verbeterde premieregeling wordt vormgegeven. De uitwerking van het pensioenakkoord vergt, met name op het punt van transitie en compensatie, commitment van zowel politiek als van sociale partners in de komende jaren.

Het pensioenakkoord bevat zowel afspraken over de aanpassing van de wettelijke en fiscale kaders voor het arbeidsvoorwaardelijk pensioen in de tweede pijler en voor de vrijwillige oudedagsvoorziening in de derde pijler, als ook afspraken op het terrein van duurzame inzetbaarheid en het aanpassen van de oploop van de AOW-leeftijd. De verschillende maatregelen uit het pensioenakkoord zijn volgens de afspraken gekoppeld: het kabinet en sociale partners beschouwen de verschillende aanpassingen als een onlosmakelijk pakket van maatregelen.

2. Bij het sluiten van het principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel bestond bij velen de indruk dat met dit akkoord de dreigende kortingen op pensioenen van de baan waren. Inmiddels overwegen echter verschillende pensioenfondsen wel te korten op hun pensioenen, vanwege ontwikkelingen in de rentestand en de gevolgen van het advies van de Commissie Parameters31. Kan de regering de Kamer informeren welke pensioenfondsen voornemens zijn om tot korting over te gaan, om wat voor kortingen het gaat en hoeveel mensen daarvan de dupe zullen zijn? Klopt het dat het om enkele miljoenen mensen zou kunnen gaan, zo vragen de leden van de SP-fractie.

Op 20 november 201932 heb ik u per brief geïnformeerd over mijn voornemen om gebruik te maken van mijn discretionaire bevoegdheid uit artikel 142 van de Pensioenwet. Hierdoor krijgen pensioenfondsen in 2020 langer de tijd om aan hun financiële verplichtingen te voldoen. Dit mede naar aanleiding van de motie Gijs van Dijk c.s.33

Met de nog te publiceren ministeriële regeling schep ik een kader waarin komend jaar kortingen kunnen worden voorkomen of verzacht. In hoeverre kortingen worden verzacht, hangt af van de ontwikkelingen op de financiële markten. Met deze maatregelen worden mogelijk niet alle pensioenverlagingen voorkomen. Het is pas op 31 december 2019 definitief duidelijk welke pensioenfondsen een verlaging van de pensioenaanspraken en pensioenrechten moeten doorvoeren. De hoogte van de korting is afhankelijk van de dekkingsgraad op dat moment.

3. Pensioenfondsen worden vanwege vigerende en voorgenomen wetgeving thans bijna gedwongen om tot korting van pensioenen over te gaan, terwijl nog wordt gewacht op de uitwerking van het principeakkoord. Zou het niet beter zijn om te wachten tot die uitwerking op tafel ligt en is geaccordeerd door de deelnemers aan het akkoord, alvorens zij een beslissing moeten nemen over het al dan niet korten van pensioenen, zo vragen de leden van de SP-fractie. Wil de regering in overweging nemen om in elk geval voor de komende twee jaren maatregelen te treffen teneinde deze dreigende korting op pensioenen te voorkomen, in afwachting van de verdere uitwerking van het principeakkoord?

Met de nog te publiceren ministeriële regeling krijgen pensioenfondsen zoals gezegd meer tijd om hun financiële positie te herstellen. Ik vind het belangrijk om de problemen op de korte termijn die samenhangen met de slechte financiële positie in het licht te zien van het langetermijnperspectief, te weten de transitie naar een nieuw pensioenstelsel. Ik wil geen ingrijpende maatregelen in korte tijd nemen of maatregelen voor een te lange periode laten duren, vandaar dat ik de ministeriële regeling voor een beperkte duur zal laten gelden. Met de toepassing van artikel 142 van de Pensioenwet wil ik rust creëren in de sector, zodat het kabinet en sociale partners de uitwerking van het pensioenakkoord voortvarend ter hand kunnen nemen. Zoals in de Kamerbrief over de planning van de uitwerking van het pensioenakkoord34 gezegd streef ik er naar om voor de zomer 2020 een hoofdlijnennotitie naar uw Kamer te sturen met daarin de uitwerking van het pensioenakkoord. Ik zal bij die hoofdlijnennotitie een doorkijk geven van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel en eveneens stil staan bij de financiële positie van de pensioenfondsen op dat moment.

4. De leden van de SP-fractie constateren dat de top van de pensioenfondsen rijkelijk worden beloond, terwijl diezelfde pensioenfondsen kortingen op hun pensioenen overwegen. Wil de regering maatregelen treffen om de topinkomens bij pensioenfondsen aan banden te leggen en onder de Balkenende-norm te brengen?

De regering is niet voornemens hiertoe over te gaan. Pensioenfondsen zijn op grond van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen reeds gehouden een beheerst beloningsbeleid te voeren, dat niet aanmoedigt tot het nemen van meer risico’s dan voor de organisatie aanvaardbaar is. Een pensioenuitvoerder omschrijft de beloningscomponenten en -structuren die zouden kunnen leiden tot het nemen van ongewenste risico’s alsmede de procedures en maatregelen om dit te voorkomen en beheersen. Hiernaast geldt dat pensioenfondsen zijn opgericht voor en door werkgevers en werknemers. Het is aan deze partijen om afspraken te maken over het beheer van het pensioenfonds, waaronder het beloningsbeleid. Het is tevens aan deze partijen om hierbij de omvang en de werkzaamheden van het pensioenfonds mee te wegen. De vertegenwoordigingsorganen zoals het verantwoordingsorgaan en belanghebbendenorgaan hebben hiertoe diverse advies- en goedkeuringsbevoegdheden.

De leden van de 50PLUS-fractie hebben de volgende vragen:

1. Wat is de ontwikkeling van de kasstromen voor de gehele pensioensector voor wat betreft de jaren 2008 tot en met 2018, alsook per 30 juni 2019? En wat is deze ontwikkeling voor die jaren voor de grote vier fondsen ABP, PFZW, PME en PMT? Wat is de raming van de kasstromen voor de jaren 2019 tot en met 2022, uitgaande van gelijkblijvende premies op het niveau van 2019 en van de geraamde uitkeringen voor die jaren op basis van het niveau van 2019 voor de gehele sector, respectievelijk voor voornoemde vier grote fondsen? Kan voor de gehele sector aangegeven worden hoe lang de fondsen op basis van de kasstromen aan al hun verplichtingen kunnen voldoen? Klopt het dat dit voor bijvoorbeeld het ABP mogelijk is voor een periode van 20 tot 25 jaar?

De historische reeks met premies en uitkeringen voor de gehele pensioensector is beschikbaar op de DNB-website. Dit leidt tot de onderstaande jaartotalen.

Jaar

Premies (x € mrd)

Uitkeringen (x € mrd)

2008

24,4

21,4

2009

26,9

22,4

2010

27,4

23,7

2011

29,0

24,5

‎2012

31,7

24,9

‎2013

33,7

25,8

‎2014

32,2

26,5

‎2015

28,8

27,5

‎2016

29,2

28,7

‎2017

33,0

29,6

‎2018

33,2

30,6

Bron: website DNB, tabel 8.1.3

In reactie op vragen van het lid Van Brenk, heb ik op 11 oktober antwoord gegeven op de vraag hoeveel jaar pensioenverplichtingen er gemiddeld in kas zitten bij de Nederlandse pensioenfondsen uitgaande van de huidige rekenrente35.

2. Wat is het rendement, respectievelijk het kasrendement voor de jaren 2008 tot en met 2018 voor de gehele sector en voor de vier genoemde fondsen? En voor de eerste helft van 2019?

De website van DNB bevat informatie over de directe en indirecte beleggingsopbrengsten voor de Nederlandse pensioensector. De gegevens in de tabel kunnen worden gebruikt voor een raming van de rendementen voor de gehele sector voor de periode 2008 tot en met het tweede kwartaal van 2019:

Jaar

Rendement

‎2008

– 18%

‎2009

14%

‎2010

11%

‎2011

7%

‎2012

13%

‎2013

3%

‎2014

17%

‎2015

1%

‎2016

10%

‎2017

6%

‎2018

– 1%

2019 (t/m Q2)

11%

Bron: website DNB, tabel 8.4

De genoemde tabel van DNB bevat verdere informatie over uitsplitsing van de directe (dividend, interest, overig) en indirecte (naar categorie) beleggingsopbrengsten voor de Nederlandse pensioensector in de genoemde periode. Het is niet duidelijk wat in de vraag wordt verstaan onder het begrip «kasrendement».

3. Gegeven het vasthouden aan de bestaande rentetermijnstructuur (verder: RTS), wat zijn de veronderstellingen waaruit zou blijken dat het pensioen koopkrachtiger wordt onder het nieuwe contract? In hoeverre is die ambitie nog realistisch gelet op de daling van de RTS sinds het sluiten van het pensioenakkoord op 5 juni 2019?

Door de RTS te gebruiken voor de waardering van nominale pensioenverplichtingen, kan het potentiële overrendement op basis van risicovol beleggen worden gebruikt voor indexatie. Zou dit potentiële overrendement al op voorhand worden ingeboekt om de waarde van de nominale verplichtingen omlaag te brengen – een verhoging van de rekenrente – dan zou er minder of geen indexatiepotentieel meer overblijven. In het nieuwe contract geldt niet langer een indexatiedrempel van 10 procent, zodat dit overrendement bij dekkingsgraden boven ongeveer 100 procent direct kan worden aangewend voor indexatie en niet langer wordt vastgehouden in buffers. Die ambitie is op langere termijn nog steeds realistisch, alleen hebben rentedalingen in de afgelopen jaren ervoor gezorgd dat de pensioenverplichtingen vaak harder zijn gestegen dan het vermogen.

4. Ziet de regering mogelijkheden om, bijvoorbeeld met een beroep op «een uitzonderlijke economische situatie» als bedoeld in artikel 142 van de Pensioenwet, de kortingen als gevolg van onderdekking ten opzichte van 100% te voorkomen?

Zoals in de brief van 20 november jl. toegelicht, zie ik mogelijkheden om artikel 142 van de Pensioenwet te gebruiken om pensioenfondsen, onder voorwaarden, langer de tijd te geven om aan hun financiële verplichtingen te voldoen. Dit geldt zowel voor het vereist eigen vermogen als het minimaal vereist eigen vermogen.

5. De pensioenfondsen hebben part noch deel aan de claim ter waarde van 60 miljard die op hun balans wordt gelegd en die tot gevolg heeft dat de dekkingsgraad met 4% daalt, met alle gevolgen van dien voor de koopkrachtambitie in het nieuwe contract. Wat is de rechtvaardiging om deze claim van 60 miljard te leggen? Voornoemde gevolgen komen vooral en direct bij de gepensioneerden terecht door minder indexatie en eerder en meer korten als de dekkingsgraad onder de 100% zou blijven door de dalende rente en de claim van 60 miljard tezamen. Erkent de regering deze problematiek en welke oplossingen ziet zij? Is het toepassen van artikel 142 van de Pensioenwet een optie?

De afschaffing van de doorsneesystematiek heeft gevolgen voor werknemers die nu pensioen opbouwen. Zonder compensatie kan hun pensioenperspectief verslechteren. De gevolgen verschillen per pensioenregeling en per leeftijdscategorie. Kabinet en sociale partners zien het als hun gezamenlijke verantwoordelijkheid om te voorkomen dat deelnemers onevenredig geraakt worden. Een evenwichtige overstap vergt dat het nadeel voor bestaande deelnemers adequaat wordt gecompenseerd. Hiertoe worden in het pensioenakkoord verschillende bronnen beschreven. Een van die bronnen is dat werkgevers en werknemersorganisaties op decentraal niveau kunnen besluiten om opgebouwde buffers gericht in te zetten. Het kabinet zal dit wettelijk mogelijk maken. Het is van belang dat de effecten van de transitie van afschaffing van de doorsneesystematiek en de overgang op een nieuw contract waarbij sneller kan worden geïndexeerd integraal en in samenhang worden bezien. In die samenhang moet ook de mogelijkheid om compensatie deels uit het vermogen te financieren worden gezien. Uit de doorrekeningen van het CPB die in juni zijn gepubliceerd, blijkt dat ook indien een deel van de buffer geleidelijk wordt ingezet voor compensatie, door de overstap op het nieuwe contract het indexatieperspectief van ouderen dichterbij komt. Uiteraard geldt hierbij dat dit afhankelijk is van de economische ontwikkelingen en daarmee de positie van de dekkingsgraad.

6. Waarop is de stelling van de regering gebaseerd dat alle deelnemers moeten bijdragen aan de compensatie van 60 miljard voor de deelnemers aan pensioenfondsen tussen de 35 en 55 jaar als gevolg van het afschaffen van de doorsneepremie?36 Erkent de regering dat deze compensatie een onderling probleem is tussen jongere en oudere groepen werknemers en dat een goede onderbouwing ontbreekt om gepensioneerden te laten mee betalen? Die laatste groep heeft voor het overgrote deel de volledige actuariële premie betaald gedurende de gehele periode als werknemer.

De gevolgen van de overstap op een nieuwe vorm van pensioenopbouw verschillen per pensioenregeling en per leeftijdscategorie. Per pensioenregeling zal dus moeten worden bezien of compensatie nodig is, voor welke deelnemers compensatie nodig is en hoe deze compensatie wordt gefinancierd. Het kabinet en sociale partners zien het als hun gezamenlijke verantwoordelijkheid om te voorkomen dat deelnemers onevenredig geraakt worden. De randvoorwaarde daarbij is dat de compensatie evenwichtig, zorgvuldig en transparant moet gebeuren, waarbij de belangen van alle deelnemers en pensioengerechtigden in ogenschouw worden genomen.

7. Waarop is de stelling van de regering gebaseerd dat het vermogen van het pensioenfonds een onverdeeld vermogen is van alle deelnemers van het fonds?37 Erkent de regering dat door de daling van de RTS sinds 2015 met ruim 4% binnen de pensioenfondsen een grote verschuiving plaats heeft gevonden van oud naar jong? Hoe groot is die verschuiving in percentage sinds 2015?.38 Wat is het aandeel in de 60 miljard dat ten laste komt van de gepensioneerden? Gevraagd wordt naar het gemiddelde voor de gehele sector en voor de vier grote fondsen afzonderlijk.

Die stelling is gebaseerd op het feit dat in de pensioenovereenkomst tussen werkgever en werknemer geen aanspraken op een individueel pensioenvermogen zijn toegezegd, maar loongerelateerde aanspraken, waarvoor pensioenfondsen een collectief vermogen aanhouden om die aanspraken financieel na te kunnen komen. In deze toegezegde aanspraken heeft geen verschuiving plaatsgevonden van oud naar jong.

8. Kan de regering uitleggen waarom zij vindt dat de compensatie uit de buffers, uit het vermogen moet komen?39 Is de langere beleggingshorizon en eventueel de premieverhoging onvoldoende om de compensatie mogelijk te maken?

In de kabinetsbrief en het SER-advies worden verschillende bronnen beschreven waaruit compensatie mogelijk gemaakt kan worden. De nieuwe vorm van pensioenopbouw leidt tot premievrijval vanwege een langere beleggingshorizon. Ook de premievrijval die is ontstaan door de verhoging van de pensioenrichtleeftijd per 2018 kan als financieringsbron worden bestemd. Een overstap op een pensioenregeling waarin minder buffers worden opgebouwd, biedt eveneens compensatieruimte indien de bestaande aanspraken ook worden ondergebracht in de nieuwe regeling. Daarnaast kunnen werkgevers- en werknemersorganisaties op decentraal niveau besluiten om aanvullende middelen in te zetten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het gericht inzetten van opgebouwde buffers, maar ook aan het aanwenden van een (tijdelijke) extra premie. Het kabinet zal zorgen dat de aanvullende middelen wettelijk mogelijk gemaakt kunnen worden.

9. Wat gebeurt er met de oplossing voor de compensatie van de 60 miljard als onder het nieuwe contract in de eerste jaren geen indexatie plaatsvindt en zelfs kortingen plaatsvinden?

10. Hoe kan de stuurgroep de verdeelrekening voor de afschaffing van de doorsneeproblematiek ter waarde van 60 miljard vaststellen, indien er gekort moet worden bij een dekkingsgraad onder de 100%, ook na de invoering van het nieuwe stelsel?

De stuurgroep is op dit moment bezig met de uitwerking van het pensioenakkoord. Medio 2020 wordt u middels een hoofdlijnennotitie geïnformeerd over deze uitwerking. In de hoofdlijnennotitie zal vanzelfsprekend aandacht worden geschonken aan de compensatiemogelijkheden en de kaders die het kabinet hiervoor mogelijk wil maken.

11. Erkent de regering dat het uitsmeren van de indexatie over 10 jaren40 betekent dat er bij de huidige lage RTS de eerste jaren geen of weinig ruimte is voor werkelijke indexatie van enige betekenis?

Of er ruimt is voor indexatie onder het nieuwe contract hangt af van de hoogte van de dekkingsgraad, die sterk verschilt per pensioenfonds. Wanneer sprake is van een dekkingsgraad boven 100%, kan in het nieuwe contract op basis van behaald overrendement sneller worden geïndexeerd dan in het huidige contract. Daar staat tegenover dat bij een dekkingsgraad die minder is dan 100% pensioenen sneller verlaagd worden.

12. Kan de regering uitleggen hoe de indexatie plaatsvindt in het geval dat de dekkingsgraad in het eerste jaar 102% is en in het tweede jaar 100%? Blijft in een dergelijk geval de indexatie van het eerste jaar van 0,2% ook gelden in het tweede jaar of wordt de indexatie in het tweede jaar verlaagd naar 0%? Kan als voorbeeld een gestandaardiseerde berekening met wisselende dekkingsgraden gegeven worden van de twee methoden die als alternatief gelden? De aan het woord zijnde leden ontvangen deze berekening graag voor periode van 10 jaar. Welke methode heeft de voorkeur van de regering?

13. Kan de regering aangeven wat het totale indexatie-effect na 10 jaar is van de twee verschillende methoden voor indexatie bij wisselende dekkingsgraden boven 100%? Hoe werken kortingen daardoorheen indien de dekkingsgraad één of meer jaren onder de 100% ligt? Erkent de regering dat voor 2% indexatie in het eerste jaar een dekkingsgraad van 120% nodig is?

Het is niet mogelijk om het totale indexatie-effect van open en gesloten spreiden weer te geven, omdat dit sterk afhankelijk is van het gekozen scenario. In algemene zin kan worden gesteld dat gesloten spreiden leidt tot iets snellere indexatie bij overrendementen, maar ook tot snellere verlaging bij negatieve rendementen. Voor een nadere analyse wordt verwezen naar de CPB-studie: «Welvaartswinst van collectieve risicodeling in een collectief pensioencontract».41

In het pensioenakkoord is boven een dekkingsgraad van 90% een zogenoemd open aanpassingsmethode afgesproken. Dat betekent dat er jaarlijks wordt gekeken naar de stand van de actuele dekkingsgraad ten opzichte van een spildekkingsgraad van ongeveer 100%. Er kan een aanpassingsperiode van maximaal 10 jaar worden gehanteerd. Bij een positief verschil worden de aanspraken in dat geval met ten minste 1/10e van dit verschil verhoogd. Bij een negatief verschil worden de aanspraken met ten minste 1/10e van dit verschil verlaagd. Resultaten die als gevolg van de aanpassingsmethode nog niet zijn verwerkt in de variabele aanspraken lopen de dekkingsgraad in. In het voorbeeld dat hierboven is gegeven, zal de dekkingsgraad in jaar 1 dus oplopen naar ongeveer 101,8% (er wordt immers slechts 1/10e deel van het resultaat gebruikt voor de verhoging van de pensioenen).

Als de dekkingsgraad door exogene ontwikkelingen in jaar 2 vervolgens daalt naar 100%, zal de indexatie in jaar 2 inderdaad nul zijn. Bij een gesloten spreidingsmechanisme zou de dekkingsgraad in jaar 2 100% blijven en zou een negatief resultaat in jaar 2 van – 1,8% (te weten de daling van de dekkingsgraad van 101,8% naar 100%) leiden tot een indexatie van 0,02% (te weten: 1/10e deel van het positieve resultaat uit jaar 1 (0,2%) + 1/10e deel van het negatieve resultaat uit jaar 2 (– 0,18%)).

14. Er komt een wettelijk kader voor de overgang bij het afschaffen van de doorsneepremie voor de pensioensector als geheel.42 Wat zijn de voorwaarden binnen dit kader en hoe worden deze voorwaarden verschillend ingevuld per individueel fonds?

Het kabinet zal een wettelijk kader scheppen voor de transitie, waar compensatie een onderdeel van is. Er worden onder andere uniforme kaders vastgesteld waaraan de berekeningen van de transitie-effecten moeten voldoen, evenals de informatieverstrekking aan fondsorganen en deelnemers. Momenteel is de stuurgroep, in samenwerking met de werkverbanden, bezig om dit transitiekader vorm te geven. Hoe de voorwaarden vervolgens per individueel pensioenfonds worden ingevuld, is aan de sociale partners in de desbetreffende sector, dan wel de partijen die de pensioenovereenkomst sluiten.

15. Welke gevolgen treden op voor het pensioenakkoord wanneer de uitgangspositie in 2020 veel slechter zou zijn dan ten tijde van het akkoord begin juni? Welke gevolgen heeft een dergelijke uitgangspositie voor de stuurgroep die moet werken met de afgesproken doelen van onder andere het koopkrachtig pensioen, de koopkrachtambitie?

In zijn algemeenheid geldt dat elk pensioencontract, ook het huidige pensieoncontract afhankelijk is van de economische omstandigheden. In de stuurgroep wordt gezamenlijk de afweging gemaakt of de doelen en de te bereiken resultaten zoals in het pensioenakkoord afgesproken kunnen worden behaald, dan wel op een andere wijze dienen te worden gerealiseerd. De verwachting is dat uw Kamer hierover medio 2020 wordt geïnformeerd in een hoofdlijnennotitie.

16. Wanneer moet het unanieme advies van de stuurgroep gereed zijn? Op welke wijze, op welk niveau, worden de ouderenorganisaties bij de stuurgroep betrokken? Wat gebeurt er als de stuurgroep niet tot een eensluidend advies komt? Vervalt in dat geval niet alleen het akkoord over het stelsel maar ook de afspraak over de vertraagde oploop van de AOW-leeftijd, omdat er sprake is van één totaalpakket?

De uitwerking van het pensioenakkoord wordt aangestuurd door een stuurgroep bestaande uit het kabinet en vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties. Gedurende de uitwerking bespreekt de stuurgroep de voortgang met een klankbordgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van organisaties van jongeren en ouderen. Daarnaast wordt gedurende de uitwerking periodiek aan een wetenschappelijk beraad gevraagd om op de uitwerking te reflecteren. De stuurgroep streeft ernaar om de uitwerking uiterlijk in april 2020 af te ronden. Ik streef ernaar uw Kamer medio 2020 te informeren over de uitkomsten van de uitwerking van het pensioenakkoord.

17. De SER en het kabinet vinden dat bestaande pensioenaanspraken en nieuwe pensioenopbouw bij elkaar gehouden moeten worden. Voor het omzetten van opgebouwde pensioenrechten is waardeoverdracht nodig. Een van de voorwaarden bij de waardeoverdracht is het individueel bezwaarrecht dat in artikel 83, tweede lid, onderdeel a, jo. artikel 20 van de Pensioenwet is vastgelegd. De regering schrijft in de brief en zegt in het debat in de Tweede Kamer van 19 juni 2019: «Om het omzetten van de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten te faciliteren zullen we bezien of en, zo ja, hoe het individueel bezwaarrecht kan worden aangepast».43 Welke afwegingen worden daarbij gemaakt? De regering spreekt over mogelijkheden voor aangepaste wetgeving zodat de stuurgroep zich erover kan buigen.44 Hoe kan de stuurgroep daarmee omgaan? Erkent de regering dat in artikel 83 van de Pensioenwet de bescherming van de rechten van de deelnemers – actief en niet actief – is vastgelegd? En dat een wijziging van de inhoud van een pensioenovereenkomst alleen kan plaatsvinden met toestemming van de deelnemer? Erkent de regering dat deelnemers naar het Hof van Justitie van de Europese Unie kunnen gaan om de aantasting door een pensioenfonds van dit recht ex artikel 83 van de Pensioenwet te claimen en dat zij schadevergoeding kunnen eisen van het desbetreffende pensioenfonds? Hoe schat de regering dit proces-risico in als het bezwaarecht eventueel zou worden afgeschaft? Wordt er advies ingewonnen van de Landsadvocaat, zoals dat ook is gebeurd bij de voorgenomen invoering van het reële stelsel waarbij sprake was van «collectief invaren» van bestaande rechten?

In de uitwerking van het pensioenakkoord dient uitgebreid aandacht te zijn voor het omzetten van bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten. De omzetting dient uiterst zorgvuldig te gebeuren. De mogelijkheden hiervoor worden de komende maanden in kaart gebracht zodat de stuurgroep zich over verschillende opties kan buigen.

Het is correct dat een van de voorwaarden voor een collectieve waardeoverdracht is dat de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden geen bezwaren kenbaar hebben gemaakt tegen de collectieve waardeoverdracht. Een bezwaar van één of enkele deelnemers betekent overigens niet dat de hele collectieve waardeoverdracht wordt geblokkeerd. Het bezwaar ziet uitsluitend op de waardeoverdracht met betrekking tot hun pensioenaanspraken of -rechten. Het individueel bezwaarrecht geeft een belanghebbende dus de mogelijkheid om zijn of haar reeds opgebouwde pensioenaanspraken of pensioenrechten bij de oude pensioenuitvoerder achter te laten en biedt in die zin bescherming aan de belanghebbende.

Graag merk ik op dat de pensioenovereenkomst, overeengekomen tussen werkgever en werknemer, is aan te merken als een onderdeel van de arbeidsovereenkomst. Bij wijziging van de pensioenovereenkomst is de hoofdregel dat de pensioenovereenkomst niet eenzijdig kan worden gewijzigd door de werkgever. Instemming van de individuele werknemer is vereist tenzij sprake is van een uitzondering. Dit is bijvoorbeeld het geval als een deelnemer gebonden is aan de pensioenovereenkomst via de verplichtstelling. Een deelnemer kan ook gebonden zijn via een CAO, via een eenzijdig wijzigingsbeding ofwel via een zogenoemde vervangende instemming door bijvoorbeeld de ondernemingsraad. Indien er sprake is van een uitzonderingssituatie is instemming van de individuele deelnemer niet vereist.

Individuele deelnemer kunnen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie gaan indien de deelnemer van mening is dat een aanpassing van de wetgeving leidt tot een inbreuk op het eigendomsrecht. Het Hof hanteert een vast algemeen toetsingskader om te beoordelen of een inbreuk door de Staat kan worden gerechtvaardigd. De uitwerking van het pensioenakkoord zal hieraan worden getoetst en de (proces)risico’s voor de verschillende betrokken partijen zullen in beeld worden gebracht. Zoals is aangegeven in de «roadmap» voor uitwerking van het pensioenakkoord, die op 7 oktober jl. aan uw Kamer is aangeboden, zal de regering daarbij indien nodig onafhankelijke juridische expertise inwinnen.

18. De regering erkent dat de stabiliteit van de uitkeringen wordt bedreigd door de volatiliteit.45 Dat wordt beperkt door het uitsmeren over een periode van vijf of tien jaar en door het uitsmeren van de risico’s via het beleggingsbeleid: het life cycle beleggen. Kan de regering uitleggen waarom het life cycle beleggen in het belang is van gepensioneerden? Zoals de leden van de 50PLUS-fractie reeds in het Tweede Kamerdebat stelden zijn ouderen juist wel bereid om risico’s te nemen, omdat bewezen is dat zij wel begrijpen dat rendementen beter kunnen zijn als je belegt.46 Getuigt het niet van bevoogding, respectievelijk paternalisme wanneer de regering zegt: «Als je jong bent, neem je dan meer risico en beleg je meer in aandelen, maar als je ouder bent beleg je dan meer in obligaties, omdat je minder risico wil lopen omdat je een stabielere uitkering wil hebben.»47 Erkent de regering dat dit wel stabiel is, maar wel laag, respectievelijk lager? Is de regering bereid dit principe te heroverwegen, mede op verzoek van de ouderenorganisaties?

Het lifecycle beleggen of het uniform beleggen met leeftijdsafhankelijke toedeling van risico’s is zowel in het belang van de gepensioneerden als van jonge deelnemers, omdat hiermee de beleggingsrisico’s kunnen worden afgestemd op de risicopreferenties van jong én oud. Dat betekent niet dat er voor gepensioneerden geen of minder beleggingsrisico wordt genomen. Dat is nog steeds mogelijk als deze groep deze voorkeur heeft met oog op de hoogte van het pensioen en ook de bijbehorende risico’s accepteert. In de Pensioenwet geldt hiervoor het begrip risicohouding, als uitgangspunt voor het beleggingsbeleid. In het pensioenakkoord is afgesproken dat de risicohouding voortaan gedifferentieerd naar leeftijd wordt vastgesteld. Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt overigens wel dat deelnemers in het algemeen behoefte hebben aan meer bescherming, d.w.z. minder volatiliteit in de hoogte van de (verwachte) pensioenuitkering, naarmate de pensioendatum nadert.

Het is aan de pensioenuitvoerder om in overeenstemming met de risicohouding van de deelnemers te bepalen welk beleggingsbeleid passend is en in welke mate het beleggingsrisico voor ouderen wordt afgebouwd. Het is dus mogelijk dat een uitvoerder – in afstemming op de risicohouding – besluit het beleggingsrisico voor gepensioneerden nauwelijks af te bouwen. In dat geval neemt de kans op een hoger rendement en dus een hoger pensioen toe, tegen de afruil van een hoger risico op een verlaging van het pensioen.

Ook in huidige uitkeringsovereenkomsten worden oudere deelnemers en gepensioneerden overigens (impliciet) beschermd tegen (beleggings)risico’s en dragen de jongeren meer risico. Dat gebeurt niet met een lifecycle, maar door financiële tegenvallers te spreiden over meerdere jaren en financiële meevallers geleidelijk toe te kennen. Een overstap naar het nieuwe contract – waarin risico’s leeftijdsafhankelijk worden toebedeeld – betekent dus niet automatisch dat gepensioneerden er in pensioen op achteruit hoeven te gaan.

Ik zie aldus geen aanleiding om maatwerk in het beleggingsbeleid, zoals dat in het Pensioenakkoord tussen kabinet en sociale partners is afgesproken, te heroverwegen. Voor de goede orde merk ik nog op dat dit niet automatisch zal impliceren dat – zolang de toedeling van risico’s en rendementen in lijn is met de risicohouding per leeftijdscohort – een collectief uniform beleggingsbeleid niet langer gevoerd mag worden.

19. De regering schrijft in de brief dat de SER de voorkeur uitspreekt voor het omzetten van bestaande aanspraken in het nieuwe contract en dat het kabinet daarom bereid is het zogenoemd collectief invaren te faciliteren.48 Wat betekent de opmerking van de regering in het genoemde Tweede Kamerdebat dat zij al bezig is met het waarderingskader, dat wordt uitgewerkt door de stuurgroep, waarbij de kern evenwichtigheid is voor alle deelnemers? Welk kader ontvangt de stuurgroep? De regering merkt ter zake op: De vraag of de pensioenaanspraken van deelnemers en dus ook de pensioenuitkeringen van gepensioneerden worden omgezet naar het nieuwe contract, is uiteindelijk aan de sociale partners in de bedrijfstakken en in de ondernemingen. Als bijvoorbeeld blijkt dat de deelnemers en gepensioneerden van 75 jaar zullen profiteren van een overstap naar een van de twee contracten, dan kunnen de sociale partners daartoe besluiten, binnen de randvoorwaarden van het waarderingskader.49 Welke beleidsruimte hebben de sociale partners in de praktijk of is het een knellend geheel? Welke rente zal in het waarderingskader worden gehanteerd bij de waardering van de bestaande aanspraken, alvorens die kunnen worden omgezet, respectievelijk ingevaren? Kan de regering dit nader preciseren? Wordt in een dergelijk geval de dan geldende RTS gehanteerd of wordt een andere discontovoet gekozen dan de dan geldende RTS? En zo ja, welke andere discontovoet betreft dit? Wordt er in dat geval bij het zogenoemde invaren dan niet gemeten met twee maten? Kan de regering uitvoerig ingaan op deze zeer belangrijke waarderingsproblematiek, juist ook voor de groep gepensioneerden?

De stuurgroep zal een waarderingskader ontvangen ten behoeve van het invaren van een collectief pensioenvermogen. Er zullen criteria worden opgesteld waaraan het waarderingskader kan worden getoetst, om op die manier de evenwichtigheid zo veel mogelijk te waarborgen.

De stuurgroep zal het waarderingskader nader uitwerken. Ik ben niet voornemens om voorafgaand aan deze uitwerking in gaan op inhoudelijke onderdelen van het waarderingskader. Zoals aangegeven in de «roadmap» voor de uitwerking van het pensioenakkoord, die op 7 oktober jl. aan uw Kamer is aangeboden, zal uw Kamer eind 2019 worden geïnformeerd over de voortgang van de uitwerking van het pensioenakkoord door de stuurgroep. Het is mij overigens niet duidelijk wat de leden van de 50Plus-fractie bedoelen met de opmerking dat er bij het zogenoemde invaren wordt gemeten met twee maten.

In dit kader acht ik het relevant om te benadrukken dat sociale partners een tweetal afzonderlijke besluiten moeten nemen. Het eerste besluit betreft de het overeenkomen van een nieuw pensioencontract voor de toekomstige pensioenopbouw. Vervolgens kunnen sociale partners besluiten om de reeds opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten over te dragen naar het nieuwe pensioencontract.

20. Er komt volgens de regering in het debat van juni in de Tweede Kamer geen pensioenakkoord als er geen verantwoorde en evenwichtige overstap komt bij de compensatie van de claim van 60 miljard. Kan de regering aangeven of dan eventueel het afschaffen van de doorsneepremie wordt heroverwogen? Is een zogenoemd premievrij pensioen een alternatief?

Sociale partners en het kabinet zijn op dit moment in de zogenoemde stuurgroep bezig met de uitwerking van het pensioenakkoord. Medio 2020 wordt u middels een hoofdlijnennotitie geïnformeerd over deze uitwerking en de overwegingen die daarbij door de stuurgroep zijn gemaakt.

21. De regering stelt in dat debat: «Punt één. Als je de rekenrente aanpast, verandert de omvang van je vermogen niet. Het enige wat je aanpast, is de verdeling van dat vermogen over de deelnemers in de tijd. Ja? Dat is één. Twee is: dat betekent eigenlijk dat je een hogere dekkingsgraad hebt en sneller gaat indexeren en uitkeren, maar dat je dan het risico loopt dat je achterblijft met een tekort».50 Kan de regering nog eens uitleggen hoe zij tot deze conclusie komt? Welk tekort wordt hier bedoeld? Bij een RTS van 0,7% is een rendement van 1% al voldoende om niet te korten en een rendement van 3% voldoende om te kunnen indexeren. Bij een rendement van 5% zou zelfs een premievrij pensioen mogelijk zijn. Kan de regering deze percentages bevestigen en zo nee, wat zijn die percentages dan wel?

De rekenrente bepaalt de actuele contante waarde van de pensioenverplichtingen aan de passivakant van de balans. Het beschikbare vermogen aan de activakant van de balans verandert hierdoor niet. De rekenrente is geen voorspeller van toekomstig rendement, maar bepaalt de actuele kostprijs van een toekomstig uit te keren pensioenaanspraak.

De actuele prijs van welk product dan ook, dus ook van pensioenen, wordt niet lager door meer risico te nemen. Wel worden de financieringslasten aan de activakant mogelijk lager, omdat er meer dan het risicovrije rendement wordt behaald. Beleggingshypotheken zijn een bekend voorbeeld uit het recente verleden van de verwarring tussen financiering en kostprijs. De lagere maandelijkse rentelasten vertaalden zich in een hoger risico op een restschuld, omdat de hypotheekschuld niet ineens lager werd. Bij pensioenen werkt dit niet anders.

Door een verhoging van de rekenrente, waardoor deze boven de risicovrije rente komt te liggen, daalt op papier de contante waarde van de pensioenverplichtingen en stijgt de dekkingsgraad, waardoor direct meer uitgekeerd kan worden. Omdat het pensioenvermogen niet is gestegen, wordt dit geld weggehaald uit de dekking van het toekomstige pensioen van jongere deelnemers. Een verhoging van de rekenrente leidt dus altijd tot structurele een herverdeling van jong naar oud. Dit brengt in de toekomst een hoger risico op tekorten met zich mee, omdat ieder rendement boven de risicovrije rente alleen te behalen is door meer risico te nemen en risico kan ook leiden tot verliezen. Als er een hoger risicovrij rendement te behalen zou zijn, bijvoorbeeld de genoemde 1% of 5%, zou dat ook de risicovrije rente zijn.

22. De regering heeft in zijn brief en in het debat gezegd dat hij bereid is om vooruitlopend op het nieuwe stelsel de fondsen extra tijd te geven om aan de financiële eisen te voldoen en voorlopig niet te korten bij een dekkingsgraad boven 100%. Fondsen mogen sturen op 100% in plaats van 104,3% en geen kortingen bij dekkingsgraad tussen 100 en 104%.51 52 De regering maakt daarbij gebruik van de bevoegdheid van de Minister om op grond van artikel 142 van de Pensioenwet op basis van «een uitzonderlijke economische situatie» een vrijstelling te verlenen. Wanneer kan er volgens de regering in het algemeen sprake zijn van een dergelijke situatie? En waarom past zij dat nog te nemen besluit slechts voorlopig toe? Wat verstaat de regering onder «voorlopig»? Trekt zij dat bijvoorbeeld weer in als de stuurgroep er niet uitkomt? En kan de regering overwegen de vrijstelling ook definitief te maken tot het jaar van een nieuw stelsel, om grote onzekerheid over geldingsduur van de maatregel te vermijden? Welke wijzigingen in wet- en regelgeving zijn noodzakelijk voor deze maatregel? De regering acht het niet verstandig om kortingen ook te voorkomen als de dekkingsgraad beneden de 100% ligt.53 Kan de regering dat nog eens uitleggen? Erkent de regering dat nu de rekenrente onvoorzien in een duikvlucht is geraakt sinds de invoering van het gewijzigde financieel toetsingskader (nFTK) in 2015, toch ook gesproken kan worden van een uitzonderlijke economische situatie als bedoeld in artikel 142 van de Pensioenwet? Is ook de forse daling van de rente sedert het sluiten van het akkoord een uitzonderlijke economische situatie?

Op 20 november 201954 heb ik u per brief geïnformeerd over mijn voornemen om gebruik te maken van mijn discretionaire bevoegdheid uit artikel 142 van de Pensioenwet waardoor pensioenfondsen in 2020 langer de tijd krijgen om aan hun financiële verplichtingen te voldoen. Dit mede naar aanleiding van de motie Gijs van Dijk c.s.55

Met deze ministeriële regeling schep ik een kader waarin komend jaar kortingen kunnen worden voorkomen of verzacht. In hoeverre kortingen worden verzacht, hangt af van de ontwikkelingen op de financiële markten. Met deze maatregelen worden mogelijk niet alle pensioenverlagingen voorkomen. Het is pas op 31 december 2019 definitief duidelijk welke pensioenfondsen een verlaging van de pensioenaanspraken en pensioenrechten moeten doorvoeren. De hoogte van de korting is afhankelijk van de dekkingsgraad op dat moment.

23. De leden van de 50PLUS-fractie vatten een betoog van de regering in het debat als volgt samen: De SER en de pensioensector hebben afgesproken dat de rekenrente, de risicovrije marktrente, blijft gelden, inclusief de Ultimate Forward Rate (UFR). De gemaakte afspraken in het akkoord zijn doelen over bijvoorbeeld indexatie en compensatie. Dat gaat over de stabiliteit van het stelsel, waarbij we te maken hebben met de volatiliteit van de rekenrente. Dat moeten we eventueel anders opvangen. Kan de regering uitleggen wat zij precies met deze uitspraak56 bedoelt? Is er ruimte voor anders gaan rekenen, respectievelijk voor andere rekenregels, zoals in het Tweede Kamerdebat werd gevraagd?57 Ziet de regering ook mogelijkheden voor de stuurgroep om een nieuw advies te vragen over de rekenrente, zoals in datzelfde debat werd gevraagd? De regering gaf geen antwoord op de vraag van de SP Tweede Kamerfractie of de stuurgroep kan afwijken van de RTS, inclusief de UFR.58 Kan zij die vraag alsnog beantwoorden?

Ik heb uw Kamer op 9 december jl. geïnformeerd59 over het feit dat ik samen met sociale partners, uitvoerders, toezichthouders en andere deskundigen op dit moment bezig ben met de uitwerking van het pensioenakkoord. Hierbij staan de doelen zoals afgesproken in het pensioenakkoord centraal. Voor een goede, gedegen en voortvarende uitwerking van het nieuwe stelsel is rust en ruimte nodig.

De stuurgroep zal in de uitwerking van het pensioenakkoord specifiek aandacht hebben voor de stabiliteit van het nieuwe pensioenstelsel, zowel tijdens de transitie als daarna in de structurele situatie. Gekeken zal worden hoe het beleggingsbeleid, de regels rondom spreiden van schokken, en de vormgeving van de uitkeringsfase bijdragen aan een zo stabiel mogelijk systeem. Dit gegeven de wens om over te stappen naar een stelsel waar rendementen (positief dan wel negatief) eerder verdeeld worden en geen buffers hoeven worden opgebouwd.

24. Kan de regering bevestigen dat de hersteltermijn van vijf jaar blijft gelden onder het huidige stelsel, ook na het voorgenomen besluit om – vooruitlopend op een nieuw stelsel – voorlopig niet te korten als de dekkingsgraad boven de 100% ligt. Is het verlengen van deze hersteltermijn naar zeven jaar – in afwachting van het nieuwe stelsel – een oplossing om kortingen te voorkomen als de dekkingsgraad onder de 100% ligt?60 Kan het CPB advies uitbrengen over de generatie-effecten van een dergelijke verlenging?

In het pensioenakkoord is afgesproken dat de situatie waarin een pensioenfonds niet voldoet aan het minimaal vereist eigen vermogen niet langer dan 5 jaar kan duren. Een verlenging van de MVEV-hersteltermijn met één jaar, zoals aangekondigd in mijn brief van 20 november jl., betekent concreet dat een pensioenfonds wier zesde meetmoment op 31 december 2019 ligt en die een dekkingsgraad heeft die lager is dan 104,3%, in 202 geen korting op grond van het MVEV-vereiste hoeft door te voeren. De generatie-effecten zijn vanwege de beperkte duur van de maatregel naar verwachting zeer beperkt. Verdere uitbreiding zal naar verwachting substantiëlere effecten hebben.

25. Is de regering bereid de gevraagde gegevens van de vier genoemde fondsen op te vragen bij de DNB of anders, zo nodig, bij de individuele fondsen zelf?

DNB publiceert gegevens over individuele fondsen op haar statistiek website61. In dit overzicht wordt onder andere de stand van de beleidsdekkingsgraad per individueel pensioenfonds weergegevens. DNB mag geen verdere herleidbare gegevens van individuele fondsen publiceren. Over het algemeen publiceren pensioenfondsen de maandstanden van hun dekkingsgraad op de eigen website.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Kamerstukken I 2018/2019 32 043, P.

X Noot
2

Samenstelling:

Kox (SP), Essers (CDA), Koffeman (PvdD), Ester (CU), Sent (PvdA) (voorzitter), Van Strien (PVV), N.J.J. van Kesteren (CDA), Nooren (PvdA), Oomen-Ruijten (CDA), Schalk (SGP), Stienen (D66), De Bruijn-Wezeman (VVD), A.J.M. van Kesteren (PVV), Van Rooijen (50PLUS), Wever (VVD) (ondervoorzitter), Ballekom (VVD), Dessing (FVD), Geerdink (VVD), Gerbrandy (OSF), Van Gurp (GL), Van der Linden (FVD), Moonen (D66), Nanninga (FVD), Otten (Fractie-Otten), Pouw-Verweij (FVD), Rosenmöller (GL), Vendrik (GL),

X Noot
3

Kamerstukken I 2018/2019 32 043, P.

X Noot
4

Kamerstukken I 2018/2019 32 043, Q, bijlage.

X Noot
5

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.30.

X Noot
6

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.29.

X Noot
7

Verwezen wordt ook naar een berekening van Mercer van enkele jaren geleden: een daling van 39% naar 32%; zie: https://www.mercer.nl/onze-deskundigheid/een-historische-blik-op-rekenrente.html.

X Noot
8

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.29–30.

X Noot
9

Kamerstukken I 2018/2019, 32 043, P, p.6.

X Noot
10

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.30.

X Noot
11

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.32.

X Noot
12

Ibid.

X Noot
13

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.33.

X Noot
14

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p. 34.

X Noot
15

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p. 33.

X Noot
16

Kamerstukken I 2018/2019, 32 043, P, p.12.

X Noot
17

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.33.

X Noot
18

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.35.

X Noot
19

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.35–36.

X Noot
20

De regering bevestigde dat zij hiermede de afgewezen motie-Van Rooijen (Kamerstukken II 2018/2019, 32 043, nr. 449) uitvoert.

X Noot
21

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.35.

X Noot
22

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.38.

X Noot
23

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.41.

X Noot
24

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.42.

X Noot
25

Verwezen wordt naar het destijds ingediende Initiatiefvoorstel-Smeulders en Van Rooijen Voorkoming van pensioenkortingen op de korte termijn (35 096).

X Noot
26

Kenmerk 165161.03u.

X Noot
27

Kenmerk 165161.04u.

X Noot
28

Kenmerk 164499.09u.

X Noot
29

Kamerstukken II 2019/2020, 35.300 XV, 1.

X Noot
30

Kamerstukken I 201/2019 32 043, P.

X Noot
31

Kamerstukken I 2018/2019 32 043, Q, bijlage.

X Noot
32

Kamerstukken II, 2019/20, 32 043, nr. 503.

X Noot
33

Kamerstukken II, 2019/20, 32 043, nr. 491.

X Noot
34

Kamerstukken II, 2019–2020, 32 043, nr. 499.

X Noot
35

Kamerstukken II, 2019–2020, Aanhangsel van de handelingen, nr. 315

X Noot
36

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.30.

X Noot
37

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.29.

X Noot
38

Verwezen wordt ook naar een berekening van Mercer van enkele jaren geleden: een daling van 39% naar 32%; zie: https://www.mercer.nl/onze-deskundigheid/een-historische-blik-op-rekenrente.html.

X Noot
39

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.29–30.

X Noot
40

Kamerstukken I 2018/2019, 32 043, P, p.6.

X Noot
41

CPB Notitie, Welvaartswinst van risicodeling in een collectief pensioencontract, 29 november 2018.

X Noot
42

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.30.

X Noot
43

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.32.

X Noot
44

Ibid.

X Noot
45

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.33.

X Noot
46

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.34.

X Noot
47

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.33.

X Noot
48

Kamerstukken I 2018/2019, 32 043, P, p.12.

X Noot
49

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.33.

X Noot
50

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.35.

X Noot
51

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.35–36.

X Noot
52

De regering bevestigde dat zij hiermede de afgewezen motie-Van Rooijen (Kamerstukken II 2018/2019, 32 043, nr. 449) uitvoert.

X Noot
53

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.35.

X Noot
54

Kamerstukken II, 2019/20, 32 043, nr. 503.

X Noot
55

Kamerstukken II, 2019/20, 32 043, nr. 491.

X Noot
56

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.38.

X Noot
57

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.41.

X Noot
58

Handelingen II 2018/2019, nr. 95, item 10, p.42.

X Noot
59

Kamerstukken I 2019/20, 32 043, V.

X Noot
60

Verwezen wordt naar het destijds ingediende Initiatiefvoorstel-Smeulders en Van Rooijen Voorkoming van pensioenkortingen op de korte termijn (35 096).