Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-202032043 nr. AA

32 043 Toekomst pensioenstelsel

AA VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 6 maart 2020

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft kennisgenomen van de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 december 2019 in reactie op de vragen van de commissie van 25 september 20192 over het principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel. De leden van de 50PLUS-fractie hebben naar aanleiding van de reactie op hun vragen op 22 januari 2020 nog diverse aanvullende vragen gesteld aan de Minister. De leden van de CDA-fractie en de fractie-Otten hebben zich daarbij aangesloten.

De Minister heeft op 6 maart 2020 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde nader schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van Dooren

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Den Haag, 22 januari 2020

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 12 december 2019 in reactie op de vragen van de commissie van 25 september 20193 over het principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel. De leden van de 50PLUS-fractie hebben naar aanleiding van de reactie op hun vragen nog diverse aanvullende vragen. De leden van de CDA-fractie en de fractie-Otten sluiten zich hierbij aan. De nummering in de vragen heeft betrekking op de nummering zoals gebruikt in het verslag van het schriftelijk overleg.

  • 1. Kan voor de jaren 2008 tot en met 2019 een uitsplitsing gegeven worden van de directe beleggingsopbrengsten: dividend, interest en overig – het kasrendement uit vraag 2 – zoals vermeld door DNB? Kan voor die jaren het totale directe beleggingsrendement worden vermeld, zoals door DNB gemeld. En kan ook de berekening van het percentage van het totale vermogen worden aangegeven?

  • 2. Is de regering het met de leden van de 50PLUS-fractie eens dat zolang de huidige lage rente blijft bestaan, de dekkingsgraad ook onder het nieuwe contract beneden de 100% kan blijven (zoals nu het geval is per ultimo 2019)? Wordt erkend dat in dat geval ook onder het nieuwe contract kortingen kunnen plaatsvinden en er geen ruimte is voor indexatie, omdat ook onder het nieuwe contract de risicovrije rente blijft gelden en de dekkingsgraad van 100% de maatstaf blijft voor korten respectievelijk indexeren? Zo nee, dan krijgen deze leden hierop graag een nadere toelichting.

  • 3. Onder welke voorwaarden zou de eis van 100% eventueel kunnen vervallen onder het nieuwe contract? In het nieuwe contract wordt gesproken over een koopkrachtig pensioen, koopkrachtambitie. Kan in het nieuwe contract ook uitgegaan worden van een zogenaamde voorwaardelijke aanspraak? Zo ja, welke gevolgen heeft dat voor de eis van 100% dekkingsgraad? Is die eis van 100% dan noodzakelijk? Zo nee, dan ontvangen deze leden graag een heldere argumentatie. Wat is ten principale het verschil tussen een koopkrachtambitie en een voorwaardelijke aanspraak?

  • 4. In het antwoord op vraag 3 wordt vermeld: «alleen hebben rentedalingen in de afgelopen jaren ervoor gezorgd dat de pensioenverplichtingen vaak harder zijn gestegen dan het vermogen.» Kan worden bevestigd dat hier gesproken moet worden van «daling van de contante waarde van de verplichtingen»? Immers, de aanspraken blijven gelijk. (Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 21, waarbij wel gesproken wordt over contante waarde.)

  • 5. De regering opent ook de mogelijkheid om compensatie voor de doorsneeproblematiek deels uit het vermogen te financieren. Is de regering het met de leden van de 50PLUS-fractie eens dat in dat geval de ouderen mee moeten betalen aan de oplossing van de doorsneeproblematiek? Wordt erkend dat dit vermogen voor het grootste deel is opgebouwd uit de belegde premies van de ouderen en dat dit vermogen extra is gestegen als gevolg van het sedert 2008 niet indexeren van de ingegane pensioenen? Kan tegen deze achtergrond dit meebetalen door ouderen worden beargumenteerd door de regering? Een grove schatting is dat sedert 2008 20% indexatie is gemist. Hoe groot is de omvang in miljarden van de gemiste indexatie in de periode 2008 tot 2020? Graag krijgen deze leden een overzicht hiervan. Kunnen onder het nieuwe contract gemiste indexaties ingehaald worden? Zo ja, onder welke voorwaarden en op welke wijze. Zo nee, waarom kan dit niet? Komt het inhalen van gemiste indexatie aan de orde in de stuurgroep? Zo ja, kan de regering hier nader op ingaan? Zo nee, waarom niet? In welke mate zal de compensatie voor de afschaffing van de doorsneepremie via het gericht inzetten van de buffers, de ruimte voor indexatie verder beperken? En in welke mate zal de invoering van het lifecycle-principe die indexatieruimte verder beperken? De leden van de 50PLUS-fractie krijgen hierop graag een toelichting.

  • 6. Een gemiste indexatie die in beginsel niet meer kan en mag worden ingehaald, heeft gevolgen voor de gepensioneerden. Die 20% gemiste indexatie blijft in de pensioenpot en gaat daardoor feitelijk naar de jongere generaties. Dat klemt temeer omdat toekomstige indexatie over 10 jaar wordt uitgesmeerd. Gepensioneerden die nu 75 jaar zijn en in 10 jaar 20% indexatie gemist hebben, ontvangen als zij 85 jaar zijn pas mondjesmaat indexatie, mede door het meebetalen aan de 60 miljard en door lifecycle. Vindt de regering dit een evenwichtige toerekening aan generaties? Kan nog eens duidelijk uitgelegd worden hoe het indexatieperspectief van ouderen dichterbij komt als een deel van de buffer geleidelijk wordt ingezet voor compensatie?

  • 7. In antwoord op vraag 6 stelt de Minister, in relatie tot het door iedereen bijdragen aan de compensatie voor de 60 miljard, dat voorkomen moet worden dat deelnemers onevenredig worden getroffen. «De randvoorwaarde daarbij is dat de compensatie evenwichtig, zorgvuldig en transparant moet gebeuren, waarbij de belangen van alle deelnemers en pensioengerechtigden in ogenschouw worden genomen»». Is de regering het met deze leden eens dat dit vage en algemene termen zijn? Kan worden toegelicht hoe dit concreet wordt ingevuld en dit gegarandeerd wordt? Kan alsnog antwoord worden gegeven op de vraag waarom ouderen mee moeten betalen aan de 60 miljard? Kan de eerder gestelde vraag of erkend wordt dat de doorsneeproblematiek een onderling probleem is tussen jongere en oudere groepen werknemers, waar niet meer werkenden part noch deel aan hebben, alsnog worden beantwoord?

  • 8. De leden van de 50PLUS-fractie krijgen ook de onder punt 7 gestelde vragen graag alsnog beantwoord. Kan worden bevestigd dat er een verschuiving van 7% – van 39% naar 32% – plaatsvindt in het collectieve vermogen van oud naar jong door de daling van de rentetermijnstructuur (RTS) met ruim 4%, zoals eerder door Mercer is berekend? En hoe groot is deze verschuiving in miljarden?

  • 9. Kan worden toegelicht wat wordt bedoeld met het antwoord op vraag 8 dat bij een overstap op een regeling met minder buffers er compensatieruimte ontstaat indien de bestaande aanspraken worden ondergebracht in de nieuwe regeling. Staat hier dat de compensatieruimte ontstaat door een feitelijke beperking van de indexatie? Wat zijn de gevolgen voor de gepensioneerden?

  • 10. Graag ontvangen de leden van de fractie van 50PLUS het aangekondigde overzicht waarin in hoofdlijnen aangegeven wordt hoe het wettelijk transitiekader voor compensatie wordt ingevuld.

  • 11. Wat wordt in antwoord op vraag 15 bedoeld met: »In de stuurgroep wordt gezamenlijk de afweging gemaakt of de doelen en de te bereiken resultaten zoals in het pensioenakkoord afgesproken kunnen worden behaald, dan wel op een andere wijze dienen te worden gerealiseerd»». Kan met «op een andere wijze» ook een heroverweging van de rekenrentemethodiek zijn bedoeld en dus aan de orde komen?

  • 12. In vraag 17 van het verslag schriftelijk overleg werd de waardeoverdracht aan de orde gesteld, maar de gestelde vragen zijn onvoldoende beantwoord. De aanvullende vragen 12 t/m 14 hebben hierop betrekking. De regering zal bezien of en, zo ja, hoe het individueel bezwaarrecht kan worden aangepast, zo is aan de Tweede Kamer gemeld. Wat wordt hier onder verstaan? De leden van deze fractie krijgen graag een direct en duidelijk antwoord op de vraag of artikel 83 van de Pensioenwet (PW) jo. artikel 20 van de PW wordt afgeschaft, en zo ja, op welk gronden. Is het mogelijk dat afschaffing van artikel 83 jo. art 20 van de PW in strijd is met het EVRM (Hof van Straatsburg) en het Verdrag van Lissabon (Hof van Luxemburg), die beide het eigendomsrecht beschermen? Deze leden krijgen hierop graag een uitvoerige beschouwing.

  • 13. De regering heeft in het debat in de Tweede Kamer van 19 juni 2019 gesproken over de mogelijkheden voor aangepaste wetgeving, waarover de stuurgroep zich kan buigen. Op welke wijze kan de stuurgroep zich buigen over «aangepaste wetgeving»? Wat is het minimum aantal deelnemers dat bij een fonds bezwaar moet maken tegen de waardeoverdracht in aantal, respectievelijk percentage? Is een representatieve groep noodzakelijk en zo ja, welke criteria gelden dan voor een representatieve groep? Kunnen dat bijvoorbeeld de leden zijn van een gepensioneerdenvereniging van een ondernemingspensioenfonds (opf) of bedrijfstakpensioenfonds (bpf)? En kan de deelnemersraad ook bezwaar maken?

  • 14. Wat zijn de mogelijkheden van beroep van een deelnemer bij het Hof van Justitie indien de deelnemer van mening zou zijn dat aanpassing van de wetgeving een inbreuk op het eigendomsrecht is? Kan de regering toelichten hoe het recht op schadevergoeding bij een pensioenfonds invulling kan krijgen? Zijn pensioenfondsen zich bewust van dit procesrisico? Is dat procesrisico in de stuurgroep ingebracht en is hierover overleg met de Pensioenfederatie? Welke juridische expertise zal worden gevraagd? Wordt wederom advies gevraagd aan de Landsadvocaat, zoals destijds bij het voorstel voor het reële stelsel, een advies dat destijds als staatsgeheim werd betiteld?

  • 15. Verwijzend naar vraag 18 verzoeken de leden van de 50PLUS-fractie om nogmaals uit te leggen waarom lifecycle-beleggen in het belang van gepensioneerden zou zijn. Is de regering het met hen eens dat beleggen in staatsobligaties relatief een veel slechter uitzicht biedt op een goed beleggingsrendement en dus niet in het belang van ouderen is? Er geldt immers: zonder risico geen of een zeer laag rendement en dus minder indexatie. Waaruit blijkt dat ouderen geen of minder risico zouden willen lopen? Hoe kunnen ouderen aangeven dat zij voorkeur hebben voor meer risico met het oog op de hoogte van het pensioen en ook de bijbehorende risico’s accepteren? Op welke wijze bepaalt de pensioenuitvoerder welk beleggingsbeleid passend is en in welke mate het beleggingsrisico voor ouderen wordt afgebouwd. Het is mogelijk dat een uitvoerder besluit het beleggingsrisico voor gepensioneerden nauwelijks af te bouwen, aldus de regering. Hoe wordt dit mogelijk gemaakt? Krijgen ouderen hierin een beslissende stem? Zo nee, waarom niet. Zo ja, op welke wijze? Wordt dat recht in dat geval in wetgeving vastgelegd. Zo nee, waarom niet? Waarom is dit een taak van de pensioenuitvoerder en waarom niet van de sociale partners in het bestuur van het pensioenfonds?

  • 16. In het antwoord op vraag 18 staat: «Een overstap naar het nieuwe contract – waarin risico’s leeftijdsafhankelijk worden toebedeeld – betekent dus niet automatisch dat gepensioneerden er in pensioen op achteruit hoeven te gaan.» Kan de regering nog eens toelichten waarom dat niet het geval zou zijn. Niet automatisch kan wel feitelijk betekenen. Kan in dit verband nog eens toegelicht worden waarom risico’s leeftijdsafhankelijk worden toebedeeld, en hoe dit juridisch stand houdt? Uit welke wetenschappelijke literatuur zou blijken dat er meer behoefte is aan bescherming naarmate de pensioendatum nadert? Is het niet belangrijker na te gaan wat ouderen hier zelf van vinden? (In dit verband wordt gewezen op een onderzoek van DNB destijds, waaruit duidelijk bleek dat gepensioneerden ook substantieel risico willen lopen.)

  • 17. Waarom is in het pensioenakkoord afgesproken dat de risicohouding voortaan gedifferentieerd naar leeftijd wordt vastgesteld? Is dit niet een vorm van leeftijdsdiscriminatie en een vorm van bevoogding? Is de mening van de ouderen gepeild? Zo nee, waarop is die opvatting gebaseerd? Is de regering bereid een groot representatief onderzoek te laten uitvoeren over de risicopreferentie van gepensioneerden en deelnemers boven 50 jaar? Zo ja, wanneer kan dat gereed zijn? Zo nee, waarom is zij hiertoe niet bereid?

  • 18. De Minister stelt in zijn antwoord bij vraag 18 geen aanleiding te zien om maatwerk in het beleggingsbeleid, zoals dat is afgesproken tussen kabinet en sociale partners, te heroverwegen. Is het mogelijk alsnog de opvatting te vragen van de ouderenorganisaties? Kan de stuurgroep wel tot heroverweging overgaan, als blijkt dat het lifecycle-beginsel leidt tot een slechte pensioenuitkomst, mede gelet op het feit dat ouderen ook fors mee moeten betalen aan de compensatie voor de 60 miljard? De leden van de 50PLUS-fractie zouden graag willen dat het CPB gevraagd wordt nog eens diep in te gaan op het lifecycle beleggen, en op de combinatie met de compensatie uit de buffer van 60 miljard.

  • 19. Refererend aan vraag 19 vragen deze leden waarom de regering niet bereid is het waarderingskader voor het invaren van een collectief pensioenvermogen aan de beide Kamers te sturen. Dat kader zal door de stuurgroep verder worden uitgewerkt. Het is toch duidelijk dat dit kader van eminent belang is voor de vraag of en hoe zou kunnen worden ingevaren, en of dit in overeenstemming is met het Europees recht. Verwezen wordt naar de brief van 7 oktober jl. over de planning voor de uitwerking van het pensioenakkoord, waarin onder het kopje «Europeesrechtelijke houdbaarheid» onderzoek wordt aangekondigd inzake het invaren van bestaande pensioenaanspraken en -rechten in een nieuw contract.4 Zijn de juridische analyses gereed? Wanneer kunnen de Kamers deze ontvangen?

  • 20. In het antwoord op vraag 21 staat dat bij verhoging van de rekenrente op papier de contante waarde van de verplichtingen daalt en de dekkingsgraad stijgt, waardoor direct meer kan worden uitgekeerd. Waarom leidt een verhoging van de rekenrente tot een structurele herverdeling van jong naar oud, zoals hier wordt beweerd. Waarom is de daling van de rekenrente van 5% naar 1% dan geen herverdeling van oud naar jong, want die heeft toch geleid tot veel minder uitkering door de gemiste indexatie van 20%?

  • 21. Kan de bij vraag 22 genoemde tijdelijke vrijstelling onder artikel 142 van de PW voor eind 2019, ook gaan gelden tot het jaar van een nieuw stelsel, om grote onzekerheid over nieuwe kortingen eind 2020 en daarna te vermijden?

  • 22. Op pagina 2 van de brief van 7 oktober jl. staat dat de stuurgroep die het pensioenakkoord uitwerkt, ernaar streeft om de uitwerking in april 2020 gereed te hebben; medio 2020 zal de Kamer geïnformeerd worden over de uitkomsten van de uitwerking van het pensioenakkoord, in de vorm van een notitie waarin de hoofdlijnen van het vernieuwde pensioenstelsel nader uiteengezet worden. Op basis van deze notitie zal vervolgens een wetsvoorstel worden opgesteld. Het streven is dit wetsvoorstel begin 2021 bij de Tweede Kamer in te dienen. Kan worden bevestigd dat ook de Eerste Kamer de hoofdlijnennotitie, die de basis vormt van het in te dienen wetsvoorstel, zal ontvangen? Wat is de status van deze notitie? Kan de Tweede Kamer nog belangrijke wijzigingen aanbrengen, en zo ja in welke mate? Of is het een voldongen feit, omdat de stuurgroep dan immers al een akkoord heeft bereikt? Is de regering bereid om beide Kamers zo spoedig mogelijk te informeren over de uitwerking van het pensioenakkoord door de stuurgroep, nadat de stuurgroep hiermee klaar is, en is zij bereid om hierover vervolgens overleg te voeren met beide Kamers?

  • 23. Op pagina 3 van de brief van 7 oktober jl. staat vermeld dat een wetenschappelijke beraad zal worden gevraagd om periodiek op de uitwerking te reflecteren. Kan de samenstelling van het wetenschappelijke beraad met de Kamer worden gedeeld? Zitten er ook vertegenwoordigers in van de ruim veertig experts die de brief aan de fractievoorzitters van de Tweede Kamer van 13 oktober 2019 over de rekensystematiek hebben ondertekend? Zo nee, waarom niet?

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 6 maart 2020.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E.M. Sent

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 maart 2020

Op 22 januari jl. hebben de leden van de 50PLUS-fractie van Uw vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid aanvullende vragen gesteld over het principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel. De leden van de CDA-fractie en de fractie-Otten hebben zich hierbij aangesloten.

De aanvullende vragen zijn gesteld naar aanleiding van mijn brief van 12 december 20195, waarin ik een reactie heb gegeven op de vragen die de commissie op 25 september 2019 over dit onderwerp heeft gesteld6.

Van de aanvullend gestelde vragen kan een deel nog niet beantwoord worden. Zoals u weet, wordt sinds het afsluiten van het pensioenakkoord op 5 juni 2019 verder gewerkt aan de uitwerking van de afspraken. Dit gebeurt in een stuurgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van het kabinet, werknemers en werkgevers. Ook zijn er adviseurs betrokken, te weten de AFM, DNB, het CPB, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars. De stuurgroep heeft haar werkzaamheden nog niet afgerond. Om die reden kunnen niet alle vragen worden beantwoord.

1. Kan voor de jaren 2008 tot en met 2019 een uitsplitsing gegeven worden van de directe beleggingsopbrengsten: dividend, interest en overig – het kasrendement uit vraag 2 – zoals vermeld door DNB? Kan voor die jaren het totale directe beleggingsrendement worden vermeld, zoals door DNB gemeld. En kan ook de berekening van het percentage van het totale vermogen worden aangegeven?

De onderstaande tabel geeft een uitsplitsing van de directe beleggingsopbrengsten in miljoenen Euro’s naar Dividend, Interest en Overig. De laatste twee kolommen bevatten (i) de Totale directe beleggingsopbrengsten in miljoenen Euro’s en (ii) de Totale directe beleggingsopbrengsten als percentage van het vermogen.

Periode

Dividend

Interest

Overig

Totaal

Totaal als percentage

‎2008

7.117

12.444

771

20.332

3,0%

‎2009

5.295

15.209

156

20.660

3,6%

‎2010

5.177

14.329

2.919

22.424

3,4%

‎2011

5.931

14.239

1.511

21.681

2,9%

‎2012

7.058

15.457

2.894

25.409

3,2%

‎2013

4.304

17.983

2.286

24.573

2,7%

‎2014

8.537

15.838

2.588

26.963

2,8%

‎2015

9.842

15.841

3.123

28.806

2,5%

‎2016

6.265

15.118

2.505

23.888

2,1%

‎2017

6.794

15.333

2.246

24.373

1,9%

‎2018

6.694

16.553

1.669

24.916

1,9%

2. Is de regering het met de leden van de 50PLUS-fractie eens dat zolang de huidige lage rente blijft bestaan, de dekkingsgraad ook onder het nieuwe contract beneden de 100% kan blijven (zoals nu het geval is per ultimo 2019)? Wordt erkend dat in dat geval ook onder het nieuwe contract kortingen kunnen plaatsvinden en er geen ruimte is voor indexatie, omdat ook onder het nieuwe contract de risicovrije rente blijft gelden en de dekkingsgraad van 100% de maatstaf blijft voor korten respectievelijk indexeren? Zo nee, dan krijgen deze leden hierop graag een nadere toelichting.

In het voorgestelde nieuwe pensioencontract ligt het kantelpunt bij een dekkingsgraad van 100% (plus MVEV7). Wijzigingen in de financiële positie van het fonds – veroorzaakt door (over)rendement, rentemutaties en mutaties in de (macro)levensverwachting van deelnemers – werken gespreid in de tijd door in de pensioenuitkeringen van gepensioneerden en pensioenaanspraken van alle deelnemers (actieven en slapers). Om grote effecten te voorkomen mogen schokken in maximaal tien jaar worden gespreid.

3. Onder welke voorwaarden zou de eis van 100% eventueel kunnen vervallen onder het nieuwe contract? In het nieuwe contract wordt gesproken over een koopkrachtig pensioen, koopkrachtambitie. Kan in het nieuwe contract ook uitgegaan worden van een zogenaamde voorwaardelijke aanspraak? Zo ja, welke gevolgen heeft dat voor de eis van 100% dekkingsgraad? Is die eis van 100% dan noodzakelijk? Zo nee, dan ontvangen deze leden graag een heldere argumentatie. Wat is ten principale het verschil tussen een koopkrachtambitie en een voorwaardelijke aanspraak?

De SER heeft een voorstel gedaan voor een premieregeling waarin – in tegenstelling tot de Wet verbeterde premieregeling – ook in de opbouwfase sprake is van risicodeling. In dit contract bouwen deelnemers pensioenaanspraken op, maar wordt het door middel van een buffer sturen op nominale zekerheid losgelaten. De huidige buffervereisten zijn niet meer van toepassing indien de zekerheidsmaat wordt losgelaten. Wel geldt vanuit de IORP-richtlijn een buffervereiste van ca. 1% voor premieregelingen. Dit geldt ook nu al voor bestaande premieregelingen.

Bij koopkrachtambitie gaat het over de hoogte van het pensioen en bij de voorwaardelijke aanspraak gaat het over de mate van zekerheid van het pensioen.

4. In het antwoord op vraag 3 wordt vermeld: «alleen hebben rentedalingen in de afgelopen jaren ervoor gezorgd dat de pensioenverplichtingen vaak harder zijn gestegen dan het vermogen.» Kan worden bevestigd dat hier gesproken moet worden van «daling van de contante waarde van de verplichtingen»? Immers, de aanspraken blijven gelijk. (Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 21, waarbij wel gesproken wordt over contante waarde.)

De rekenrente bepaalt de actuele contante waarde van de pensioenverplichtingen aan de passivakant van de balans. Aan de activakant staat het vermogen. Bij een rentedaling worden de verplichtingen duurder cq. wordt de actuele waarde van de verplichtingen hoger.

5. De regering opent ook de mogelijkheid om compensatie voor de doorsneeproblematiek deels uit het vermogen te financieren. Is de regering het met de leden van de 50PLUS-fractie eens dat in dat geval de ouderen mee moeten betalen aan de oplossing van de doorsneeproblematiek? Wordt erkend dat dit vermogen voor het grootste deel is opgebouwd uit de belegde premies van de ouderen en dat dit vermogen extra is gestegen als gevolg van het sedert 2008 niet indexeren van de ingegane pensioenen? Kan tegen deze achtergrond dit meebetalen door ouderen worden beargumenteerd door de regering? Een grove schatting is dat sedert 2008 20% indexatie is gemist. Hoe groot is de omvang in miljarden van de gemiste indexatie in de periode 2008 tot 2020? Graag krijgen deze leden een overzicht hiervan. Kunnen onder het nieuwe contract gemiste indexaties ingehaald worden? Zo ja, onder welke voorwaarden en op welke wijze. Zo nee, waarom kan dit niet? Komt het inhalen van gemiste indexatie aan de orde in de stuurgroep? Zo ja, kan de regering hier nader op ingaan? Zo nee, waarom niet? In welke mate zal de compensatie voor de afschaffing van de doorsneepremie via het gericht inzetten van de buffers, de ruimte voor indexatie verder beperken? En in welke mate zal de invoering van het lifecycle-principe die indexatieruimte verder beperken? De leden van de 50PLUS-fractie krijgen hierop graag een toelichting.

Het vermogen van een pensioenfonds is opgebouwd door alle deelnemers en gepensioneerden, en is ook bedoeld voor alle verplichtingen die een fonds op korte en lange(re) termijn heeft. In vrijwel alle pensioenregelingen is de toeslagverlening voorwaardelijk.

Het beleid rondom inhaalindexaties is fondsspecifiek. Daarnaast dient voor de toekenning van inhaalindexatie gekeken te worden naar de indexatieachterstand op individueel niveau. Het is daarom niet mogelijk om op sectorniveau een inschatting te maken van eventuele inhaalindexatie zonder verdere aannames te maken. Onder voorwaarden kan er nu inhaalindexatie worden verleend, zie hiervoor het antwoord op vraag 6.

Of in de nieuwe situatie gemiste voorwaardelijke indexatie over het verleden kan worden gecompenseerd, zal primair blijven afhangen van de financiële situatie van fondsen. Sociale partners nemen op decentraal niveau een besluit over de compensatie van het afschaffen van de doorsneesystematiek en de inzet van compensatiebronnen (o.a. compensatie uit het vermogen), en houden hierbij het generatie-evenwicht in het oog.

Op dit moment wordt nader uitgewerkt onder welke voorwaarden een deel van het vermogen kan worden aangesproken als compensatiebron voor het afschaffen van de doorsneesystematiek.

6. Een gemiste indexatie die in beginsel niet meer kan en mag worden ingehaald, heeft gevolgen voor de gepensioneerden. Die 20% gemiste indexatie blijft in de pensioenpot en gaat daardoor feitelijk naar de jongere generaties. Dat klemt temeer omdat toekomstige indexatie over 10 jaar wordt uitgesmeerd. Gepensioneerden die nu 75 jaar zijn en in 10 jaar 20% indexatie gemist hebben, ontvangen als zij 85 jaar zijn pas mondjesmaat indexatie, mede door het meebetalen aan de 60 miljard en door lifecycle. Vindt de regering dit een evenwichtige toerekening aan generaties? Kan nog eens duidelijk uitgelegd worden hoe het indexatieperspectief van ouderen dichterbij komt als een deel van de buffer geleidelijk wordt ingezet voor compensatie?

In vrijwel alle pensioenregelingen is de toeslagverlening voorwaardelijk. Artikel 137 van de Pensioenwet schrijft voor dat er niet meer toeslag mag worden verleend dan naar verwachting in de toekomst te realiseren is (toekomstbestendig indexeren). In dit artikel is ook de mogelijkheid van een incidentele toeslagverlening opgenomen om in het verleden niet toegekende toeslag of in het verleden doorgevoerde vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten te compenseren. Dit mag indien die toeslagverlening geen gevolgen heeft voor de toeslagverlening in de toekomst, de beleidsdekkingsgraad het niveau van het vereist eigen vermogen behoudt en in enig jaar ten hoogste een vijfde van het vermogen dat voor deze toeslagverlening beschikbaar is, wordt aangewend.

Zoals in de eerdere beantwoording is aangegeven, is het van belang dat de effecten van de transitie van afschaffing van de doorsneesystematiek en de overgang op een nieuw contract waarbij sneller kan worden geïndexeerd integraal en in samenhang worden bezien. In die samenhang moet ook de mogelijkheid om compensatie deels uit het vermogen te financieren worden gezien. Uit de doorrekeningen van het CPB die in juni 2019 zijn gepubliceerd, blijkt dat ook indien een deel van de buffer geleidelijk wordt ingezet voor compensatie, door de overstap op het nieuwe contract het indexatieperspectief van ouderen dichterbij komt. Uiteraard geldt hierbij dat dit afhankelijk is van de economische ontwikkelingen en daarmee de positie van de dekkingsgraad.

7. In antwoord op vraag 6 stelt de Minister, in relatie tot het door iedereen bijdragen aan de compensatie voor de 60 miljard, dat voorkomen moet worden dat deelnemers onevenredig worden getroffen. «De randvoorwaarde daarbij is dat de compensatie evenwichtig, zorgvuldig en transparant moet gebeuren, waarbij de belangen van alle deelnemers en pensioengerechtigden in ogenschouw worden genomen»». Is de regering het met deze leden eens dat dit vage en algemene termen zijn? Kan worden toegelicht hoe dit concreet wordt ingevuld en dit gegarandeerd wordt? Kan alsnog antwoord worden gegeven op de vraag waarom ouderen mee moeten betalen aan de 60 miljard? Kan de eerder gestelde vraag of erkend wordt dat de doorsneeproblematiek een onderling probleem is tussen jongere en oudere groepen werknemers, waar niet meer werkenden part noch deel aan hebben, alsnog worden beantwoord?

Op dit moment worden de afspraken uit het pensioenakkoord nader uitgewerkt. Dat geldt ook voor de afspraak dat de compensatie evenwichtig, zorgvuldig en transparant moet gebeuren, waarbij de belangen van alle deelnemers en pensioengerechtigden in ogenschouw worden genomen. Er zullen uiteindelijk wettelijke kaders worden opgesteld voor de vormgeving van de compensatie, en binnen deze kaders maken decentrale partijen concrete afspraken over de invulling ervan.

8. De leden van de 50PLUS-fractie krijgen ook de onder punt 7 gestelde vragen graag alsnog beantwoord. Kan worden bevestigd dat er een verschuiving van 7% – van 39% naar 32% – plaatsvindt in het collectieve vermogen van oud naar jong door de daling van de rentetermijnstructuur (RTS) met ruim 4%, zoals eerder door Mercer is berekend? En hoe groot is deze verschuiving in miljarden?

Het is belangrijk om te benadrukken dat de pensioentoezegging ziet op de aanspraak, en niet op een deel van het collectieve vermogen. Zoals eerder is aangegeven heeft er geen verschuiving van oud naar jong plaatsgevonden in toegezegde aanspraken. In de pensioenovereenkomst tussen werkgever en werknemer worden loongerelateerde aanspraken toegezegd. Pensioenfondsen houden een collectief vermogen aan om die aanspraken financieel na te kunnen komen. Er geldt geen aanspraak op een individueel pensioenvermogen.

9. Kan worden toegelicht wat wordt bedoeld met het antwoord op vraag 8 dat bij een overstap op een regeling met minder buffers er compensatieruimte ontstaat indien de bestaande aanspraken worden ondergebracht in de nieuwe regeling. Staat hier dat de compensatieruimte ontstaat door een feitelijke beperking van de indexatie? Wat zijn de gevolgen voor de gepensioneerden?

Met het antwoord op vraag 8 uit de vorige set vragen wordt bedoeld dat fondsen – onder voorwaarden – ervoor zouden kunnen kiezen een deel van de compensatie uit het vermogen te financieren. Wanneer sociale partners ervoor kiezen om de bestaande aanspraken onder te brengen in een nieuwe regeling, komt indexatie sneller in beeld. In dat geval kan het in het geheel van de transitie generatie-evenwichtig zijn om ook een deel van het vermogen te gebruiken om compensatie te financieren. De stuurgroep zal hier nog nadere randvoorwaarden over uitwerken. Uit de CPB-doorrekeningen van 5 juni 2019 blijkt dat dat niet ten koste hoeft te gaan van de het indexatiepotentieel van ouderen. Dit aspect zal ook aandacht krijgen in de nadere doorrekeningen.

10. Graag ontvangen de leden van de fractie van 50PLUS het aangekondigde overzicht waarin in hoofdlijnen aangegeven wordt hoe het wettelijk transitiekader voor compensatie wordt ingevuld.

De stuurgroep is op dit moment bezig met de uitwerking van het pensioenakkoord. Medio 2020 wordt u middels een hoofdlijnennotitie geïnformeerd over deze uitwerking. In de hoofdlijnennotitie zal vanzelfsprekend aandacht worden geschonken aan de compensatiemogelijkheden en de kaders die het kabinet hiervoor mogelijk wil maken.

11. Wat wordt in antwoord op vraag 15 bedoeld met: «In de stuurgroep wordt gezamenlijk de afweging gemaakt of de doelen en de te bereiken resultaten zoals in het pensioenakkoord afgesproken kunnen worden behaald, dan wel op een andere wijze dienen te worden gerealiseerd». Kan met «op een andere wijze» ook een heroverweging van de rekenrentemethodiek zijn bedoeld en dus aan de orde komen?

Ik ga ervan uit dat de doelen en de te bereiken resultaten zoals in het pensioenakkoord zijn afgesproken kunnen worden behaald binnen de kaders zoals afgesproken bij het pensioenakkoord. Ik wil niet vooruitlopen op de situatie waarin dat niet mogelijk zou zijn.

12. In vraag 17 van het verslag schriftelijk overleg werd de waardeoverdracht aan de orde gesteld, maar de gestelde vragen zijn onvoldoende beantwoord. De aanvullende vragen 12 t/m 14 hebben hierop betrekking. De regering zal bezien of en, zo ja, hoe het individueel bezwaarrecht kan worden aangepast, zo is aan de Tweede Kamer gemeld. Wat wordt hier onder verstaan? De leden van deze fractie krijgen graag een direct en duidelijk antwoord op de vraag of artikel 83 van de Pensioenwet (PW) jo. artikel 20 van de PW wordt afgeschaft, en zo ja, op welk gronden. Is het mogelijk dat afschaffing van artikel 83 jo. art 20 van de PW in strijd is met het EVRM (Hof van Straatsburg) en het Verdrag van Lissabon (Hof van Luxemburg), die beide het eigendomsrecht beschermen? Deze leden krijgen hierop graag een uitvoerige beschouwing.

De SER spreekt in haar advies Naar een nieuw pensioenstelsel de voorkeur uit dat bestaande pensioenaanspraken en -rechten en nieuwe pensioenopbouw bij elkaar worden gehouden, en adviseert het kabinet dit te faciliteren. Dit betekent concreet dat na een collectieve waardeoverdracht de regels van het nieuwe pensioencontract ook van toepassing zijn op reeds opgebouwde aanspraken. Het kabinet steunt de wens om, als contractpartijen op decentraal niveau overstappen op een nieuw contract, bestaande aanspraken en rechten en nieuwe pensioenopbouw bij elkaar gehouden kan worden. Het kabinet is dan ook bereid om collectief invaren te faciliteren en de regels daarvoor indien nodig wettelijk vast te leggen.

Bij een collectieve waardeoverdracht op grond van artikel 83 van de Pensioenwet heeft een individu de mogelijkheid hiertegen bezwaar te maken. Dit bezwaar ziet enkel op de pensioenaanspraken of -rechten van dat individu. Een bezwaar van één of enkele personen houdt de rest van de collectieve waardeoverdracht overigens niet tegen. Daarom wordt bezien welke vormgeving van het bezwaarrecht in het kader van deze grote transitie gepast is. Er is hierover nog geen besluit genomen.

Uw Kamer vraagt of afschaffing van artikel 83 jo. artikel 20 van de Pensioenwet strijdig is met het EVRM en het Verdrag van Lissabon. Afschaffing van het genoemde artikel is an sich geen inbreuk op het eigendomsrecht. Daarbij zij bovendien aangetekend dat niet elke aantasting van eigendom een inbreuk op het eigendomsrecht cf. het EVRM is als wordt voldaan aan enkele voorwaarden, zoals wanneer deze aantasting plaatsvindt vanuit het algemeen belang.

13. De regering heeft in het debat in de Tweede Kamer van 19 juni 2019 gesproken over de mogelijkheden voor aangepaste wetgeving, waarover de stuurgroep zich kan buigen. Op welke wijze kan de stuurgroep zich buigen over «aangepaste wetgeving»? Wat is het minimum aantal deelnemers dat bij een fonds bezwaar moet maken tegen de waardeoverdracht in aantal, respectievelijk percentage? Is een representatieve groep noodzakelijk en zo ja, welke criteria gelden dan voor een representatieve groep? Kunnen dat bijvoorbeeld de leden zijn van een gepensioneerdenvereniging van een ondernemingspensioenfonds (opf) of bedrijfstakpensioenfonds (bpf)? En kan de deelnemersraad ook bezwaar maken?

De stuurgroep is ingesteld om de afspraken uit het pensioenakkoord verder uit te werken. Dit leidt tot een hoofdlijnennotitie. De hoofdlijnennotitie is de basis voor de wetgeving. De stuurgroep is niet verantwoordelijk voor de wetgeving.

Het bezwaarrecht zoals opgenomen in artikel 83 van de Pensioenwet is een individueel bezwaarrecht en biedt dus geen mogelijkheid voor groepen om bezwaar te maken.

14. Wat zijn de mogelijkheden van beroep van een deelnemer bij het Hof van Justitie indien de deelnemer van mening zou zijn dat aanpassing van de wetgeving een inbreuk op het eigendomsrecht is? Kan de regering toelichten hoe het recht op schadevergoeding bij een pensioenfonds invulling kan krijgen? Zijn pensioenfondsen zich bewust van dit procesrisico? Is dat procesrisico in de stuurgroep ingebracht en is hierover overleg met de Pensioenfederatie? Welke juridische expertise zal worden gevraagd? Wordt wederom advies gevraagd aan de Landsadvocaat, zoals destijds bij het voorstel voor het reële stelsel, een advies dat destijds als staatsgeheim werd betiteld?

Zoals eerder in de planningsbrief uitwerking pensioenakkoord («roadmap») is aangegeven, zal een juridische analyse worden gemaakt van het thema bescherming van eigendom. Bij deze juridische analyse zijn externe experts betrokken, ook vanuit de Pensioenfederatie. Deze analyse is nog niet afgerond.

Individuele deelnemers kunnen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie gaan indien de deelnemer van mening is dat een aanpassing van de wetgeving leidt tot een inbreuk op het eigendomsrecht. Het Hof hanteert een vast algemeen toetsingskader om te beoordelen of een inbreuk door de Staat kan worden gerechtvaardigd. De uitwerking van het pensioenakkoord zal hieraan worden getoetst en de (proces)risico’s voor de verschillende betrokken partijen zullen in beeld worden gebracht.

15. Verwijzend naar vraag 18 verzoeken de leden van de 50PLUS-fractie om nogmaals uit te leggen waarom lifecycle-beleggen in het belang van gepensioneerden zou zijn. Is de regering het met hen eens dat beleggen in staatsobligaties relatief een veel slechter uitzicht biedt op een goed beleggingsrendement en dus niet in het belang van ouderen is? Er geldt immers: zonder risico geen of een zeer laag rendement en dus minder indexatie. Waaruit blijkt dat ouderen geen of minder risico zouden willen lopen? Hoe kunnen ouderen aangeven dat zij voorkeur hebben voor meer risico met het oog op de hoogte van het pensioen en ook de bijbehorende risico’s accepteren? Op welke wijze bepaalt de pensioenuitvoerder welk beleggingsbeleid passend is en in welke mate het beleggingsrisico voor ouderen wordt afgebouwd. Het is mogelijk dat een uitvoerder besluit het beleggingsrisico voor gepensioneerden nauwelijks af te bouwen, aldus de regering. Hoe wordt dit mogelijk gemaakt? Krijgen ouderen hierin een beslissende stem? Zo nee, waarom niet. Zo ja, op welke wijze? Wordt dat recht in dat geval in wetgeving vastgelegd. Zo nee, waarom niet? Waarom is dit een taak van de pensioenuitvoerder en waarom niet van de sociale partners in het bestuur van het pensioenfonds?

16. In het antwoord op vraag 18 staat: «Een overstap naar het nieuwe contract – waarin risico’s leeftijdsafhankelijk worden toebedeeld – betekent dus niet automatisch dat gepensioneerden er in pensioen op achteruit hoeven te gaan.» Kan de regering nog eens toelichten waarom dat niet het geval zou zijn. Niet automatisch kan wel feitelijk betekenen. Kan in dit verband nog eens toegelicht worden waarom risico’s leeftijdsafhankelijk worden toebedeeld, en hoe dit juridisch stand houdt? Uit welke wetenschappelijke literatuur zou blijken dat er meer behoefte is aan bescherming naarmate de pensioendatum nadert? Is het niet belangrijker na te gaan wat ouderen hier zelf van vinden? (In dit verband wordt gewezen op een onderzoek van DNB destijds, waaruit duidelijk bleek dat gepensioneerden ook substantieel risico willen lopen.)

17. Waarom is in het pensioenakkoord afgesproken dat de risicohouding voortaan gedifferentieerd naar leeftijd wordt vastgesteld? Is dit niet een vorm van leeftijdsdiscriminatie en een vorm van bevoogding? Is de mening van de ouderen gepeild? Zo nee, waarop is die opvatting gebaseerd? Is de regering bereid een groot representatief onderzoek te laten uitvoeren over de risicopreferentie van gepensioneerden en deelnemers boven 50 jaar? Zo ja, wanneer kan dat gereed zijn? Zo nee, waarom is zij hiertoe niet bereid?

In reactie op de vragen 15–17 kan het volgende worden opgemerkt. Het lifecycle beleggen heeft als belangrijk voordeel voor zowel jonge deelnemers als gepensioneerden dat hiermee de beleggingsrisico’s kunnen worden afgestemd op de risicopreferenties van jong én oud.

Voor het afstemmen van beleggingsrisico’s op de risicopreferentie van de deelnemers en gepensioneerden in een fonds, is in de Pensioenwet het begrip risicohouding geïntroduceerd. Het gaat hierbij om de mate waarin men beleggingsrisico’s kan én wil nemen. Die risicopreferenties, vertaald in de risicohouding, kunnen per fonds sterk verschillen. Het fondsbestuur moet het beleggingsbeleid afstemmen op de afgesproken risicohouding.

In het pensioenakkoord is afgesproken dat de risicohouding voortaan gedifferentieerd naar leeftijd wordt vastgesteld. Hiermee kan rekening worden gehouden met verschillen in risicopreferenties tussen (jonge en oude) deelnemers en gepensioneerden in het fonds. Uit wetenschappelijke literatuur blijkt dat deelnemers in het algemeen behoefte hebben aan meer bescherming naarmate de pensioendatum nadert, omdat er dan steeds minder mogelijkheden zijn om een lager pensioen op te vangen (bijvoorbeeld met doorwerken of bijsparen). Het is echter mogelijk dat voor bepaalde fondsen blijkt dat de gepensioneerden net zoveel risico kunnen en willen nemen als de (jonge) deelnemers in het fonds. In dat geval hoeft het beleggingsrisico voor gepensioneerden dus niet te worden afgebouwd in afstemming op de risicohouding. Hierover wordt per fonds een eigen afweging gemaakt. Een algemeen onderzoek naar de risicopreferenties van gepensioneerden en deelnemers boven 50 jaar heeft daarom geen meerwaarde.

18. De Minister stelt in zijn antwoord bij vraag 18 geen aanleiding te zien om maatwerk in het beleggingsbeleid, zoals dat is afgesproken tussen kabinet en sociale partners, te heroverwegen. Is het mogelijk alsnog de opvatting te vragen van de ouderenorganisaties? Kan de stuurgroep wel tot heroverweging overgaan, als blijkt dat het lifecycle-beginsel leidt tot een slechte pensioenuitkomst, mede gelet op het feit dat ouderen ook fors mee moeten betalen aan de compensatie voor de 60 miljard? De leden van de 50PLUS-fractie zouden graag willen dat het CPB gevraagd wordt nog eens diep in te gaan op het lifecycle beleggen, en op de combinatie met de compensatie uit de buffer van 60 miljard.

De stuurgroep heeft periodiek overleg met een klankbordgroep bestaande uit (vertegenwoordigers) van ouderen en jongeren. Ouderenorganisaties hebben hierdoor een directe ingang bij de stuurgroep. Er zijn verschillende varianten denkbaar bij maatwerk in het beleggingsbeleid. Het CPB rekent de effecten hiervan door.

19. Refererend aan vraag 19 vragen deze leden waarom de regering niet bereid is het waarderingskader voor het invaren van een collectief pensioenvermogen aan de beide Kamers te sturen. Dat kader zal door de stuurgroep verder worden uitgewerkt. Het is toch duidelijk dat dit kader van eminent belang is voor de vraag of en hoe zou kunnen worden ingevaren, en of dit in overeenstemming is met het Europees recht. Verwezen wordt naar de brief van 7 oktober jl. over de planning voor de uitwerking van het pensioenakkoord, waarin onder het kopje «Europeesrechtelijke houdbaarheid» onderzoek wordt aangekondigd inzake het invaren van bestaande pensioenaanspraken en -rechten in een nieuw contract.2 Zijn de juridische analyses gereed? Wanneer kunnen de Kamers deze ontvangen?

Zoals eerder aangegeven, zal de stuurgroep een waarderingskader ontvangen ten behoeve van het invaren van een collectief pensioenvermogen. Dit waarderingskader is nog niet gereed. Het waarderingskader zal naar verwachting wel onderdeel uitmaken van de hoofdlijnennotitie. Hetzelfde geldt voor de juridische analyses.

20. In het antwoord op vraag 21 staat dat bij verhoging van de rekenrente op papier de contante waarde van de verplichtingen daalt en de dekkingsgraad stijgt, waardoor direct meer kan worden uitgekeerd. Waarom leidt een verhoging van de rekenrente tot een structurele herverdeling van jong naar oud, zoals hier wordt beweerd. Waarom is de daling van de rekenrente van 5% naar 1% dan geen herverdeling van oud naar jong, want die heeft toch geleid tot veel minder uitkering door de gemiste indexatie van 20%?

In het antwoord op vraag 21 is ingegaan op de situatie waarbij de rekenrente subjectief wordt aangepast met een bepaald doel voor ogen, bijvoorbeeld om eerder te kunnen indexeren. Als de rekenrente wordt verhoogd tot een niveau boven de risicovrije rente die op de markt wordt betaald, dan leidt dat tot een structurele ex ante herverdeling van jong naar oud. De actuele dekkingsgraad zou dan deels worden berekend met toekomstig onzeker rendement dat op dit moment nog niet is verdiend en mogelijk nooit wordt verdiend. Al het toekomstige rendement boven de risicovrije rente is per definitie onzeker. Nu is dat al het geval bij hele lage rentestanden. In het verleden pas bij hogere rentestanden. Omdat de dekkingsgraad door een subjectieve aanpassing van de rekenrente zou stijgen, kan er op korte termijn geïndexeerd worden zonder dat er geld is bijgekomen. Dit geld wordt weggehaald uit de dekking van het toekomstige pensioen van jongere deelnemers. Dat betekent een structurele herverdeling van jong naar oud.

Bij de daling van de marktrente van de afgelopen decennia is geen ex ante herverdeling aan de orde, omdat de marktrente de daadwerkelijke rente is. Door de daling hiervan is de objectieve kostprijs van pensioen gestegen. Net als dat bijvoorbeeld de objectieve kostprijs van hypotheken is gedaald. De marktrente is een gegeven waar pensioenfondsbestuurders mee te maken hebben. Het feit dat sommige pensioenfondsen meer gevolgen merken van de dalende rente heeft te maken met het in meer of mindere mate afdekken van het renterisico. Daar waar dit risico minder is afgedekt, heeft dit geleid tot lagere dekkingsgraden.

21. Kan de bij vraag 22 genoemde tijdelijke vrijstelling onder artikel 142 van de PW voor eind 2019, ook gaan gelden tot het jaar van een nieuw stelsel, om grote onzekerheid over nieuwe kortingen eind 2020 en daarna te vermijden?

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan onder voorwaarden gebruik maken van zijn bevoegdheid uit artikel 142 van de Pensioenwet om de hersteltermijnen te verlengen. De vrijstellingsregeling die op 16 december 2019 is gepubliceerd geldt voor één jaar.8 Een nieuwe vrijstellingsregeling kan alleen van toepassing zijn als opnieuw sprake is van uitzonderlijke economische omstandigheden onder de voorwaarden zoals zij zijn beschreven in artikel 142 van de Pensioenwet en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besluit tot het toepassen van deze mogelijkheid.

22. Op pagina 2 van de brief van 7 oktober jl. staat dat de stuurgroep die het pensioenakkoord uitwerkt, ernaar streeft om de uitwerking in april 2020 gereed te hebben; medio 2020 zal de Kamer geïnformeerd worden over de uitkomsten van de uitwerking van het pensioenakkoord, in de vorm van een notitie waarin de hoofdlijnen van het vernieuwde pensioenstelsel nader uiteengezet worden. Op basis van deze notitie zal vervolgens een wetsvoorstel worden opgesteld. Het streven is dit wetsvoorstel begin 2021 bij de Tweede Kamer in te dienen. Kan worden bevestigd dat ook de Eerste Kamer de hoofdlijnennotitie, die de basis vormt van het in te dienen wetsvoorstel, zal ontvangen? Wat is de status van deze notitie? Kan de Tweede Kamer nog belangrijke wijzigingen aanbrengen, en zo ja in welke mate? Of is het een voldongen feit, omdat de stuurgroep dan immers al een akkoord heeft bereikt? Is de regering bereid om beide Kamers zo spoedig mogelijk te informeren over de uitwerking van het pensioenakkoord door de stuurgroep, nadat de stuurgroep hiermee klaar is, en is zij bereid om hierover vervolgens overleg te voeren met beide Kamers?

Ja, ook de Eerste Kamer zal de hoofdlijnennotitie met de uitwerking van het pensioenakkoord ontvangen en indien uw Kamer hierover met mij van gedachten wil wisselen, dan kan dat natuurlijk. De hoofdlijnennotitie bevat de uitwerking van de afspraken uit het pensioenakkoord, en vormt de basis voor het wetsvoorstel waarin de afspraken worden omgezet in wet- en regelgeving.

23. Op pagina 3 van de brief van 7 oktober jl. staat vermeld dat een wetenschappelijk beraad zal worden gevraagd om periodiek op de uitwerking te reflecteren. Kan de samenstelling van het wetenschappelijke beraad met de Kamer worden gedeeld? Zitten er ook vertegenwoordigers in van de ruim veertig experts die de brief aan de fractievoorzitters van de Tweede Kamer van 13 oktober 2019 over de rekensystematiek hebben ondertekend? Zo nee, waarom niet?

Er is een breed samengestelde groep wetenschappers die periodiek met de stuurgroep reflecteert op de uitwerking van het pensioenakkoord. Alle relevante disciplines zijn vertegenwoordigd, en ook de achtergrond van de wetenschappers is divers. In het wetenschappelijk beraad zijn ook wetenschappers aanwezig die de genoemde brief van 13 oktober 2019 over de rekensystematiek hebben ondertekend.

Op 10 maart a.s. spreek ik graag met de leden van de vaste commissies van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Financiën verder over dit onderwerp tijdens het mondeling overleg.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Samenstelling:

Kox (SP), Essers (CDA), Koffeman (PvdD), Ester (CU), Sent (PvdA) (voorzitter), Van Strien (PVV), N.J.J. van Kesteren (CDA), Nooren (PvdA), Oomen-Ruijten (CDA), Schalk (SGP), Stienen (D66), De Bruijn-Wezeman (VVD), A.J.M. van Kesteren (PVV), Van Rooijen (50PLUS), Wever (VVD) (ondervoorzitter), Van Ballekom (VVD), Geerdink (VVD), Gerbrandy (OSF), Van Gurp (GL), Van der Linden (FVD), Moonen (D66), Nanninga (FVD), Van Pareren (FVD), Pouw-Verweij (FVD), Rosenmöller (GL), Vendrik (GL), De Vries (Fractie-Otten).

X Noot
2

Verslag schriftelijk overleg; Kamerstukken I 2019/20, 32 043, X.

X Noot
3

Verslag schriftelijk overleg; Kamerstukken I 2019/20, 32 043, X.

X Noot
4

Kamerstukken I 2019/20, 32 043, T, p. 3–4.

X Noot
5

Kamerstukken I 2018/2019, 32 043, X.

X Noot
6

Kamerstukken I 2018/2019, 32 043, P.

X Noot
7

De IORP-richtlijnen kennen buffervereisten van ca. 1% voor premieregelingen. De exacte hoogte van de buffer is afhankelijk van de kenmerken van het contract.