Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201631839 nr. 536

31 839 Jeugdzorg

Nr. 536 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 augustus 2016

Het lid Klein (Klein) van uw Kamer heeft tijdens het Voortgezet Algemeen Overleg Jeugd van 7 juli 2016 twee moties ingediend.1 In afwachting van mijn schriftelijke reactie zijn beide moties aangehouden. Hierbij doe ik u deze reactie toekomen.

In deze moties wordt de regering verzocht te bevorderen dat een direct betrokken gezinsvoogd bij rechtszittingen aanwezig is. Tevens wordt de regering verzocht het instellen van een eed mogelijk te maken voor medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming (Raad) en Gecertificeerde Instellingen (GI).

Gezinsvoogd bij zitting

De eerste motie veronderstelt dat het vaak voorkomt dat de betrokken gezinsvoogd wordt vervangen tijdens zittingen voor verlenging van de ondertoezichtstelling of bij een al lopende ondertoezichtstelling waar er apart een uithuisplaatsing wordt gevraagd.

Ik heb over de aanwezigheid van de gezinsvoogd op zitting informatie ingewonnen bij Jeugdzorg Nederland (JN). JN geeft aan dat de aanwezigheid van de eigen gezinsvoogd in lopende zaken het uitgangspunt is. Desondanks kunnen er omstandigheden zijn die het onmogelijk maken dat de eigen gezinsvoogd aanwezig is. Mocht het toch niet mogelijk zijn dat de betrokken gezinsvoogd zelf aanwezig is, dan wordt er gezorgd voor een zorgvuldige overdracht. De vervanger wordt in dat geval zo goed mogelijk op de hoogte gesteld van de inhoud van een zaak, zodat hij of zij voor een mondelinge toelichting kan zorgen en de vragen van de kinderrechter zo volledig mogelijk kan beantwoorden. Het feit dat de GI’s werken met een richtlijn «Scheiden Feiten en Meningen»2 draagt bij aan een zorgvuldige overdracht. Deze richtlijn bevordert namelijk dat in het dossier feiten en meningen goed terug te halen zijn. Vervanging van de gezinsvoogd (ter zitting of elders) kan dan plaatsvinden, zonder dat waarheidsvinding in het gedrang hoeft te komen.

Het is niet bekend hoe vaak het feitelijk voorkomt dat de eigen gezinsvoogd vervangen wordt.

Gelet op het bovenstaande zie ik geen aanleiding om te veronderstellen dat het vaak voorkomt dat de betrokken gezinsvoogd wordt vervangen of dat de waarheidsvinding door vervanging in het gedrang komt. Nu de aanwezigheid van de eigen gezinsvoogd bovendien al het uitgangspunt is, zie ik evenmin aanleiding om dit verder te bevorderen. Om die reden ontraad ik de motie.

Eedaflegging

De tweede motie verzoekt de regering het mogelijk te maken dat zittingsvertegenwoordigers van de Raad en GI’s bij de rechtbank worden beëdigd. Het afleggen van een eed zou waarheidsvinding versterken en klachtenprocedures achteraf kunnen voorkomen.

In reactie hierop verwijs ik naar de Voortgangsrapportage Geweld in Afhankelijkheidsrelaties (VGR GIA) van juli 20133. In deze rapportage is in reactie op vragen van het lid Van der Burg (VVD) aangegeven dat in 1984 de eed in het familierecht is afgeschaft, evenals (in 1988) de beëdiging van deskundigen. De reden hiervoor is dat het om een formaliteit ging die geen toegevoegde waarde had. De beëdiging voor de rechters werd daarnaast als een tijdrovende aangelegenheid gezien. Deze overwegingen onderschrijft het kabinet nog steeds. De eed is niet nodig om te garanderen dat professionals van de Raad en GI’s hun taken naar beste weten en onpartijdig vervullen. Als het gaat om de kwaliteit van de werkzaamheden van jeugdprofessionals en de feitelijke onderbouwing van hun verzoeken, ziet het kabinet meer in het bevorderen van goed opgeleide en geregistreerde professionals, die zich houden aan hun beroepscode. Het tuchtrecht vormt daarop het sluitstuk en beschermt cliënten van de jeugdhulp tegen ondeskundig handelen. Op grond van het bovenstaande ontraad ik de motie.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Kamerstuk 31 839, nr. 533 en nr. 534.

X Noot
2

Deze richtlijn is onderdeel van het landelijk privacyreglement van de GI’s, dat ziet op zorgvuldige en correcte verzameling en verwerking van persoonsgegevens van cliënten.

X Noot
3

Kamerstuk 33 400 XVI, nr. 156.