31 839 Jeugdzorg

Nr. 407 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 25 juli 2014

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 27 juni 2014 inzake het ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de Jeugdwet (Besluit Jeugdwet) (Kamerstuk 31 839, nr. 393).

De op 10 juli 2014 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bij brief van 24 juli 2014 beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Neppérus

De adjunct-griffier van de commissie, Clemens

Vragen en antwoorden

Vragen en opmerkingen van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie vragen hoe voorzien is in de bezwaren die aangedragen zijn door onder meer die professionals die werkzaam zijn in de ondersteuning en zorg voor kinderen met een beperking gegeven het feit dat deze professionals andersoortige werkzaamheden zelfstandig uitvoeren waarvoor zij veelal maximaal op mbo-niveau geschoold zijn.

De afweging of een geregistreerde hulpverlener ingezet moet worden voor een bepaalde taak wordt aan de werkgever gelaten. In de meeste gevallen zal dit glashelder zijn, in een aantal gevallen is dit minder evident. Om hierbij handvatten te bieden, zullen alle betrokken partijen in het jeugddomein een kwaliteitskader jeugd vaststellen dat helpt bij het beantwoorden van de vraag in welke situaties de inzet van een geregistreerde professional aan de orde is en wanneer een beroep op de tenzij bepaling kan slagen. Het kwaliteitskader bevat dus een operationalisering van de norm van de verantwoorde werktoedeling. Uit het kwaliteitskader zal dus ook kunnen worden afgeleid voor welke taken mbo-ers al dan niet kunnen of moeten worden ingezet.

In de door de leden van de VVD gestelde situatie is het goed voorstelbaar dat mbo-ers hun specifieke werkzaamheden op mbo-functies zullen blijven uitvoeren in de ondersteuning en zorg voor kinderen met een beperking. Immers, indien sprake is van een situatie dat een mbo-er werkzaam is in een functie waarvoor hij gelet op zijn opleiding goed is toegerust, is er geen enkel beletsel dat die mbo-er die functie in de toekomst ook blijft vervullen.

De leden van de VVD-fractie vragen of, en zo ja hoe nu voorzien is in de bezwaren die deze leden hebben geuit ten aanzien van de eis dat uitsluitend professionals op wo-niveau met een post master zich in het register kunnen inschrijven. De leden vragen voorts hoe dit zich verhoudt tot de brief die genoemde leden kregen van ActiZ, GGZ Nederland, MO-groep en VGN om te vragen de (her)registratie-eisen van beroepen vallende binnen het kwaliteitsregister aan te passen op de daadwerkelijke positionering, het (beroeps)niveau en inzet van beroepsbeoefenaren binnen de jeugdhulp.

Sinds eind 2013 zijn de jeugdzorgorganisaties en de beroepsverenigingen NVO en NIP op initiatief van Jeugdzorg Nederland in gesprek over het niveau van de registratie-eisen voor gedragswetenschappers. In deze gesprekken zijn de mogelijkheden verkend voor registratie op twee niveaus: het huidige post-master niveau en een nieuw te ontwikkelen registratie-eis op masterniveau.

De jeugdzorgorganisaties hebben daarop op 21 maart 2014 de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd formeel verzocht registratie op masterniveau mogelijk te maken. De Stichting Kwaliteitsregister Jeugd heeft hier op 8 mei 2014 op gereageerd. In de Stuurgroep Implementatie Professionalisering Jeugdzorg (STIP-J) is op 19 juni 2014 besproken dat het merendeel van de STIP-J partijen wil dat per 1 januari 2015 de registratie van gedragswetenschappers op master niveau mogelijk zal zijn. In de stuurgroep STIP-J is afgesproken dat hierover in oktober 2014 duidelijkheid wordt verschaft.

Er is geen reden om aan te nemen dat de mogelijkheid om op masterniveau te registreren binnen de brede jeugdhulp niet mogelijk gemaakt zal worden.

Mogen de leden van de VVD-fractie ervan uitgaan dat de kosten voor registratie in het kwaliteitsregister jeugd in principe niet onevenredig zullen afwijken van de kosten die professionals moeten betalen om BIG-geregistreerd te zijn?

De kosten voor registratie in het kwaliteitsregister jeugd wijken inderdaad niet onevenredig af van de kosten van registratie in het BIG-register. Weliswaar zijn de kosten voor registratie in het BIG-register per professional lager (€ 85,– per vijf jaar) dan in het kwaliteitsregister jeugd (€ 100,– per jaar), maar dit is geen onevenredig verschil. Het verschil wordt veroorzaakt doordat het aantal professionals dat in het BIG-register wordt geregistreerd veel hoger is dan in het kwaliteitsregister jeugd én doordat het BIG-register minder taken heeft. Als het BIG-register eenzelfde aantal geregistreerden en hetzelfde aantal taken zou hebben als het kwaliteitsregister dan zouden de kosten voor registratie in het BIG-register qua hoogte vergelijkbaar zijn met de kosten voor registratie in het kwaliteitsregister jeugd op dit moment. Overigens geldt voor het kwaliteitsregister jeugd ook het omgekeerde, zodra het aantal geregistreerden stijgt, zullen de kosten per geregistreerde dalen.

Uit artikel 8.1.2 volgt dat geen ouderbijdrage is verschuldigd indien aan een jeugdige nog jeugdhulp wordt geboden nadat bezwaar is gemaakt tegen het besluit tot verlening van deze jeugdhulp. De leden van de VVD-fractie vragen of de ouderbijdrage alsnog voldaan moet worden indien het bezwaar ongegrond wordt verklaard.

De ouderbijdrage is niet verschuldigd, indien het bezwaar gegrond blijkt te zijn. Indien het bezwaar ongegrond wordt verklaard, wordt de jeugdhulp voortgezet en is over de gehele periode van de jeugdhulp een ouderbijdrage verschuldigd.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af hoe geborgd is dat een arts die door het AMHK wordt ingezet daadwerkelijk over de juiste expertise en praktijkervaring beschikt

De norm van de verantwoorde werktoedeling is van toepassing op het AMHK (op grond van artikel 4.1.3 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, zie artikel 9.17 van het ontwerpBesluit Jeugdwet (Besluit)). Het uitgangspunt van deze norm is de inzet van geregistreerde professionals. De toebedeling van taken dient te geschieden met inachtneming van de specifieke kennis en vaardigheden van de geregistreerde professional. De arts die door het AMHK wordt ingezet dient dan ook geregistreerd te zijn. Een vertrouwensarts bekijkt vanuit medisch/psychiatrisch perspectief of er sprake is van kindermishandeling. In het Besluit (artikel 4.1.2) staat daarbij ook dat het AMHK moet beschikken over een arts die deskundig is op het terrein van kindermishandeling. De toelichting bij dit artikel verduidelijkt in welke gevallen er in ieder geval een arts, deskundig op het terrein van kindermishandeling, geraadpleegd zal moeten worden. In het model handelingprotocol AMHK, dat naar verwachting eind juli 2014 wordt vastgesteld, wordt dit nader uitgewerkt. Hiermee wordt de inzet geborgd van de juiste expertise en ervaring van de arts en de momenten waarop het nodig is deze arts te raadplegen.

Hoe kan worden voorkomen dat een AMHK medewerker zelfstandig besluit om geen vertrouwensarts te raadplegen.

In de toelichting bij het Besluit is over artikel 4.1.2 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 verduidelijkt in welke gevallen er in ieder geval een arts, deskundig op het terrein van kindermishandeling, geraadpleegd zal moet worden. Hiermee dient het AMHK bij de taakverdeling rekening te houden en elke medewerker dient zich hieraan te houden. Het ondersteuningsprogramma AMHK van de VNG heeft een model handelingsprotocol AMHK opgesteld dat naar verwachting eind juli 2014 door de VNG zal worden vastgesteld. Dit handelingsprotocol is tot stand gekomen met input van gemeenten, SHG’s, AMK’s en branche- en beroepsorganisaties, zoals de Vereniging van Vertrouwensartsen. Het model handelingsprotocol is een advies aan gemeenten over de richtlijnen die zij kunnen meegeven aan het AMHK in hun regio over de uitvoering van de taken van het AMHK. In het model handelingsprotocol AMHK staan negen specifieke situaties genoemd, waarin altijd een vertrouwensarts geraadpleegd wordt. In het handelingsprotocol is bovendien opgenomen dat beslissingen naar aanleiding van een melding intercollegiaal worden genomen en in complexe casussen, in multidisciplinair overleg. De besluiten worden met redenen omkleed vastgelegd in het dossier.

Indien volgens dit modelprotocol wordt gewerkt zal een AMHK medewerker niet zelfstandig beslissen of er een vertrouwensarts ingezet wordt.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af wat het voor het vertrouwen in het AMHK door de medische beroepsgroepen betekent als er geen vertrouwensartsen conform de eisen van de beroepsvereniging werkzaam zijn.

Wij zien geen reden waarom het vertrouwen van medische beroepsgroepen minder zal zijn in het AMHK dan in het huidige AMK. Het voornemen is om in het najaar van 2014 – met betrokkenheid van vertrouwensartsen, forensisch artsen voor kinderen en behandelend artsen – verder te werken aan een regionaal opgebouwd samenspel tussen artsen, aangezien het van groot belang is dat er een landelijk dekkend netwerk komt van dit goede samenspel (zie ook Kamerstukken II 2013/14, 31 015, nr. 103).

De verwachting is dat de artsen die nu werkzaam zijn voor het AMK straks door het AMHK ingezet worden. Vanaf inwerkingtreding van de Jeugdwet en het Besluit zal de norm van de verantwoorde werktoedeling gelden, die er in het kort op neerkomt dat de werkzaamheden uitgevoerd moeten worden door de juiste geregistreerde professionals. Hiertoe wordt een kwaliteitskader ontwikkeld, dat handvatten zal bieden voor de toepassing van de norm van verantwoorde werktoedeling. De Vereniging van Vertrouwensartsen is betrokken bij de ontwikkeling van het kwaliteitskader.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe het college de onafhankelijke uitvoering van de onderzoekstaak van het AMHK dient te borgen.

Het AMHK stelt na onderzoek vast of er daadwerkelijk sprake is van kindermishandeling of huiselijk geweld. De conclusie dat er sprake is van kindermishandeling of huiselijk geweld kan grote gevolgen hebben voor een gezin. Deze conclusie moet daarom gestoeld zijn op een objectief en waardevrij onderzoek, met voldoende distantie ten opzichte van het betrokken gezin en andere hulpverleners. Een AMHK-professional dient in staat gesteld te worden om het onderzoek onafhankelijk te kunnen uitvoeren. Het college dient geen voorwaarden aan het AMHK mee te geven die belemmerend werken op de onafhankelijke uitvoering van de onderzoekstaak. Het AMHK dient de wijze waarop de onafhankelijke onderzoekstaak van het AMHK is geborgd, schriftelijk vast te leggen.

Nota van toelichting Besluit Jeugdwet (blz. 1–41)

In paragraaf 4.5.8 staat dat indien sprake is van een situatie dat een mbo-er werkzaam is in een functie waarvoor hij gelet op zijn opleiding goed is toegerust, er geen enkel beletsel is dat die mbo-er in de toekomst die functie blijft vervullen. Dat kan doordat het niveau van de opleiding goed is afgestemd op het niveau van de werkzaamheden, maar ook doordat die mbo-er beschikt over deskundigheden waarover de geregistreerde hbo-er niet beschikt. De leden van de VVD vragen wat de implicaties zijn van deze passage in de praktijk en hoe deze passage zich verhoudt tot de norm van de verantwoorde werktoedeling.

Wij voorzien geen effect voor mbo-ers in de praktijk zoals hier bedoeld, omdat zij het werk kunnen blijven doen waarvoor zij specifiek zijn opgeleid. De norm van de verantwoorde werktoedeling zal wel tot effect moeten hebben dat werkzaamheden in de jeugdhulp die een hbo-niveau vergen niet langer worden verricht door mbo-geschoolden.

De leden van de VVD-fractie willen weten hoe het in de praktijk zal werken wanneer sprake is van een mbo-er die zelfstandig met een groep verstandelijk beperkten activiteiten onderneemt en dat een geregistreerde hbo-er hier de facto geen zicht op heeft, omdat dit buiten de faciliteit plaatsvindt waar de hbo-er op dat moment werkzaam is. De fractieleden vragen hoe het dan in de praktijk (blz. 18) werkt.

Bij de beantwoording van deze vraag is van belang of de werkzaamheden aan de hbo-er of aan de mbo-er zijn toegedeeld. In het eerste geval zal de mbo-er die werkzaamheden niet anders kunnen verrichten dan onder verantwoordelijkheid van de hbo-er. Toedeling aan de geregistreerde hbo-er zal gebeuren indien die werkzaamheden aansluiten bij het beroepsprofiel van de geregistreerde hbo-er. Werkt de mbo-er onder verantwoordelijkheid van de hbo-er, dan zal de hbo-er die verantwoordelijkheid ook moeten kunnen waarmaken. Verwaarlozing van die verantwoordelijkheid kan leiden tot een tuchtklacht. Het is aan de hbo-er om met inachtneming van zijn professionele standaard zorg te dragen voor een goede invulling van de verantwoordelijkheid. Artikel 5.1.1., derde lid, van het Besluit geeft aan dat de jeugdhulpaanbieders, de gecertificeerde instellingen en het college ervoor moeten zorg dragen dat geregistreerde professionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming van de voor hen geldende professionele standaarden. Veldpartijen zijn momenteel bezig om net als voor de jeugdzorg, voor de jeugdhulp een professioneel statuut te ontwikkelen dat invulling geeft aan die verplichting. Hoe een en ander moet worden vormgegeven, zal van geval tot geval moeten worden bekeken. Daarvoor is op voorhand geen blauwdruk te geven.

Ervan uitgaande dat de mbo-er een specifieke opleiding heeft genoten die gericht is op het werken met verstandelijk beperkten, ligt het in dit voorbeeld voor de hand dat het tweede geval zich voordoet en dat sprake is van rechtstreekse toedeling van de werkzaamheden aan de mbo-er.

Een beroepsbeoefenaar die op mbo-niveaus specifiek is opgeleid om te werken met verstandelijk beperkten, zal dat werk zonder inmenging van de hbo-er kunnen verrichten indien de door hem genoten opleiding gericht is op het werk dat hem is opgedragen en indien dat werk valt buiten het beroepsprofiel van de geregistreerde hbo-er. De norm van de verantwoorde werktoedeling kent immers twee situaties waarbij afgeweken kan (of moet) worden van de hoofdregel dat altijd de inzet is vereist van een geregistreerde beroepsbeoefenaar (kwaliteitsregister jeugd of BIG-register). Dat is namelijk indien geen sprake is van kwaliteitsverlies of wanneer de inzet van andere beroepsbeoefenaren noodzakelijk is omdat die over specifieke kennis of vaardigheden beschikken.

De leden van de VVD-fractie geven aan dat in paragraaf 4.6 wordt aangegeven dat voor organisaties waarvoor niet reeds in het kader van de Wet op de Jeugdzorg de norm van de verantwoorde werktoedeling geldt, een overgangsperiode van een jaar geldt alvorens deze eis gaat gelden voor niet-geregistreerde professionals die al binnen de betreffende organisatie werkzaam waren. Deze leden vragen enerzijds of deze overgangstermijn wel voldoende tijd biedt aan onder meer de jeugdhulpaanbieders en professionals die werken met verstandelijk en lichamelijk beperkten. Zij willen een onderbouwing dat die termijn voldoende is. Indien die termijn niet voldoende is willen zij weten waarom er niet voor een ruimere overgangstermijn worden gekozen voor genoemde groep en voor andere beroepsgroepen die jeugdhulp uitvoeren, waarvoor beroepsregistratie nog niet mogelijk is?

De overgangstermijn waar de leden van de VVD-fractie op doelen, ziet op de werkzaamheden die aansluiten bij de beroepsprofielen van de geregistreerde jeugdprofessionals. Bij de inwerkingtreding van het Besluit zal het voor een deel van de in de jeugdhulp werkzame beroepsbeoefenaren niet mogelijk zijn zich te registreren. Uitgaande van de omstandigheid dat deze beroepsbeoefenaren in beginsel goed zijn opgeleid voor de werkzaamheden waarmee zij worden belast, zullen zij werk toebedeeld kunnen krijgen op basis van de «tenzij-bepaling». Vanaf het moment dat evenwel voor een van die beroepen registratie mogelijk wordt, zal de norm van de verantwoorde werktoedeling direct van toepassing zijn. Wij constateren dat dat zou kunnen leiden tot uitvoeringsproblemen binnen organisaties. Om die uitvoeringsproblemen te voorkomen zal in het Besluit een bepaling opgenomen worden die, indien een dergelijke situatie zich voordoet, een invoeringstermijn regelt. Wij zullen bij die bepaling een minimaal noodzakelijke termijn hanteren met een mogelijkheid die wettelijke termijn ter voorkoming van uitvoeringsproblemen te verlengen.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe voorkomen wordt dat aanbieders die lak hebben aan kwaliteit, van deze bepaling misbruik maken door voor een jaar hun diensten aan te bieden en gebruik te maken van deze overgangsbepaling om dit te kunnen doen. In de toelichting op artikel 5.1.1, tweede lid staat dat: «beroepsbeoefenaren die niet geregistreerd zijn in het BIG-register of het kwaliteitsregister jeugd zullen, indien voldaan is aan de criteria van de «tenzij-bepaling, met werkzaamheden binnen de jeugdhulp kunnen worden belast». De leden van de VVD-fractie vragen hoe voor deze professionals dan de permanente bij- en nascholing aantoonbaar wordt geregeld en hoe een regeling wordt getroffen dat zij werken volgens of zo snel als mogelijk gaan werken volgens beroepsnormen waarop zij ook aanspreekbaar zijn.

Ervan uitgaande dat de organisatie die het werk toedeelt zich zal beroepen op de uitzonderingsgrond dat geen sprake is van een nadelige invloed op de kwaliteit van de uit te voeren taken, rust op die organisatie de verplichting aannemelijk te maken dat de toedeling aan die niet geregistreerde hbo-of wo-professional geen nadelige invloed heeft op de kwaliteit van de uitoefening van de taken. Hoewel het op voorhand niet is uit te sluiten, ligt het niet voor de hand dat de afwezigheid van een nadelige invloed aannemelijk kan worden gemaakt. De kwaliteit van de taakverrichting door beroepsbeoefenaren op wie niet de verplichting rust hun vak bij te houden door middel van bij- en nascholing en voor wie een professionele standaard niet veel meer is dan een vrijblijvendheid, omdat deze niet door tuchtrecht gehandhaafd kan worden, zal niet snel als gelijkwaardig aan die door een geregistreerde hbo- of wo-professional kunnen worden aangemerkt. Doet zich een situatie voor dat een organisatie werk ten onrechte toedeelt als door de leden van de VVD-fractie geschetst, dan kan zo nodig door middel van bestuursdwang die organisatie worden gecorrigeerd.

Het door de veldpartijen te ontwikkelen kwaliteitskader geeft aan of bepaalde werktoedelingen een juiste uitvoering geven aan de norm van de verantwoorde werktoedeling. Dat kader wordt juist opgesteld om organisaties het nodige comfort te bieden bij de toepassing van die norm.

De Jeugdwet schrijft voor dat verantwoorde hulp moet worden verleend. Dit staat los van het al dan niet geregistreerd zijn van individuele beroepsbeoefenaren. Iedere organisatie behoort een kwaliteitsbeleid te voeren. Onderdeel daarvan is het opleidingsbeleid. In overleg tussen werkgevers en werknemers worden hierover afspraken gemaakt in de CAO.

Artikelsgewijs deel (blz. 41–78)

De leden van de VVD-fractie willen weten of de werkgevers(organisaties) betrokken zijn of worden bij en of hun medezeggenschap is vastgelegd ten aanzien van het vaststellen van (her)registratievereisten van jeugdprofessionals, zoals in de Wet BIG ook het geval is, in de ministeriële regeling of de statuten van het kwaliteitsregister jeugd (blz. 49–52)? Als dat niet het geval is, willen zij weten waarom niet. Als het wel zo geregeld is, dan willen zij weten waar dit dan is vastgelegd of waar en hoe dit dan wordt vastgelegd?

Anders dan de leden van de VVD-fractie stellen, is in de Wet BIG voor werkgevers geen medezeggenschap vastgelegd ten aanzien van het vaststellen van registratie-eisen. Voor het kwaliteitsregister jeugd is dat anders. Artikel 5.3.3 geeft als een van de erkenningsvoorwaarden dat de registerstichting beschikt over een raad van advies waarin in ieder geval leden zijn opgenomen die organisaties van werkgevers vertegenwoordigen. Deze raad van advies heeft in ieder geval het recht advies uit te brengen over de voorwaarden van registratie en herregistratie. De registerstichting kan van een dergelijk advies slechts schriftelijk en gemotiveerd afwijken nadat over het advies een op overeenstemming gericht overleg heeft plaatsgevonden.

Vragen en opmerkingen van de PvdA-fractie

Professionalisering

De leden van de PvdA-fractie lezen dat het kwaliteitskader door veldpartijen opgesteld gaat worden. Dit kwaliteitskader is een leidraad voor het veld om de verantwoorde werktoedeling (de inzet van geregistreerde professionals) uit te voeren en de voorwaarden voor de inzet van niet-geregistreerde professionals vorm te geven. Genoemde leden vragen hoe de professionalisering gewaarborgd blijft als de voorwaarden voor de inzet van niet-geregistreerde professionals door het veld worden gesteld en worden uitgevoerd en hoe hierop wordt toegezien te meer omdat het kwaliteitskader straks ook de basis wordt voor het toetsingskader van de inspectie. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe inzicht in de voortgang van de professionalisering en inzicht in de adequate inzet van niet-geregistreerde professionals wordt verkregen en hoe wordt voorkomen dat de na- en bijscholing van hulpverleners wordt belemmerd door de inzet van niet-geregistreerde professionals.

De Jeugdwet legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit primair bij de veldpartijen. Hiermee sluit de Jeugdwet aan bij de brede kwaliteitsregelgeving. Beter dan wie ook kunnen professionals en werkgevers zelf bepalen wanneer de inzet van een geregistreerde professional nodig is.

Dit sluit aan bij de globale norm van verantwoorde hulp in de Jeugdwet, die mede door het veld en in overleg met de met het toezicht belaste ambtenaren verder moet worden ingevuld. De kwaliteitseisen in de Jeugdwet, waaronder de verantwoorde werktoedeling, zijn een invulling en concretisering van verschillende onderdelen van het begrip verantwoorde hulp.

De Inspecties zijn betrokken bij het opstellen van het kwaliteitskader ter operationalisering van de norm van verantwoorde werktoedeling en zullen onder andere in de gaten houden of het voldoende handvatten biedt voor een – door de Inspecties te hanteren – toetsingskader op naleving van de norm en/of het verlenen van verantwoorde jeugdhulp. Mocht uit de praktijk blijken dat het door veldpartijen ontwikkelde kwaliteitskader lacunes of onduidelijkheden bevat of anderszins niet voldoet, dan zal het aangepast kunnen worden. De Inspecties zullen ons hierover informatie verschaffen en/of aanbevelingen kunnen doen. Een goed werkend kwaliteitskader zal ertoe bijdragen dat de juiste professionals worden ingezet. Het zijn juist die professionals die de juiste na- en bijscholing ontvangen.

Het kwaliteitsregister jeugd

De leden van de PvdA-fractie vinden het belangrijk dat de nieuwe vaardigheden die vereist zijn voor de integrale aanpak (één gezin, één plan, één coördinerende hulpverlener) worden uitgewerkt in het kwaliteitskader en in de opleidingen van hulpverleners. Over het voorgaande is een motie ingediend door het lid Ypma. De leden van de PvdA-fractie vinden de uitvoering van deze motie te summier. Genoemde leden zijn van mening dat het beheersen van nieuwe vaardigheden voor de integrale aanpak een plek moet krijgen in het kwaliteitskader en in de opleidingen. Welke instrumenten zijn er voorhanden om deze belangrijke zaak te regelen, zijn nieuwe vaardigheden meegenomen in het kwaliteitskader en in de opleidingen, zo nee, wat gaat de Staatssecretaris doen om uitvoering te geven aan deze motie, zo vragen deze leden.

De leden van de PvdA-fractie pleiten voor een doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte benadering door hulpverleners en voor ondersteuning die afgestemd is op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. Zij vragen hoe dit wordt meegenomen in het professionaliseringstraject en hoe dit een plaats krijgt binnen de opleidingen van hulpverleners.

Het vormgeven van opleidingen is primair een zaak van de partijen in het veld. De overheid heeft weinig instrumenten om daadwerkelijk in te grijpen op de inhoud van de opleidingen. Een van de instrumenten die wel voorhanden is, is het vragen van aandacht voor onderwerpen die in de opleidingen aan de orde zouden moeten komen. Dat is wat wij in deze hebben gedaan. Onze ervaring is dat opleidingen dit soort verzoeken serieus nemen.

De Vereniging Hogescholen heeft in juni 2014 een rapport uitgebracht met de titel: Meer van waarde, Kwaliteitsimpuls en ontwikkelrichting voor het hoger sociaal agogische onderwijs. De onderzoekscommissie die het rapport heeft opgesteld ziet een grote urgentie voor aanpassingen van de opleidingen. De ontwikkelingen in het veld dwingen daartoe. Naar aanleiding van dat advies heeft het sectoraal adviescollege ons verzocht om met hen van gedachten te wisselen over een uitwerking van het advies zodat zij zo goed mogelijk rekening kunnen houden met de beleidsontwikkelingen op het gebied van de transities in het sociale en zorgdomein.

In het kader van het eerdere professionaliseringtraject – waarvoor VWS en VenJ een subsidie van 6,5 miljoen euro hebben verstrekt – hebben betrokken partijen in het jeugdzorgdomein hun verantwoordelijkheid in deze genomen. Een van de onderdelen van het implementatieplan professionalisering jeugdzorg was het in lijn brengen van het door werkgevers gehanteerde opleidingsaanbod dat beroepsbeoefenaren dienen te volgen voor het behalen van de voor (her)registratie benodigde registerpunten.

Een ander onderdeel was de verbetering en stroomlijning van de entree in de sector voor beginnende beroepsbeoefenaren, middels het monitoren van de invoering van het landelijk uitstroomprofiel jeugdzorgwerker, de stimulering van praktijkervaring van hsao-docenten jeugdzorg en de ontwikkeling van een traineeship voor intredende hbo-opgeleide jeugdzorgwerkers.

Deze activiteiten zijn in gang gezet in het kader van de professionalisering van de jeugdzorg voor de brede sector jeugdhulp.

De leden van de PvdA-fractie zijn voorts van mening dat het beheersen van nieuwe vaardigheden ook een plek moet krijgen in het kwaliteitskader. Het kwaliteitskader wordt ontwikkeld ter operationalisering van de norm van de verantwoorde werktoedeling. Hierin worden die situaties beschreven waarin een geregistreerde professional moet worden ingezet. Het kader zegt niets over de vereiste opleiding of bij- en nascholing. Bij het opstellen van het kwaliteitskader stellen de veldpartijen in het brede jeugddomein wel gezamenlijk gedeelde waarden vast voor het verlenen van jeugdhulp en ondersteuning aan cliënten.

Het kwaliteitsregister jeugd daarentegen stelt, in overleg met de beroepsgroepen en brancheorganisaties, de (her)registratievoorwaarden vast. Dat betreft eisen aan vakbekwaamheid waaronder eisen voor opleiding en bij- en nascholing.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de kosten zijn van registratie en herregistratie en hoeveel bijvoorbeeld straks het inschrijfgeld voor hulpverleners bedraagt.

Na erkenning van het kwaliteitsregister jeugd kunnen professionals die voldoen aan de eisen van de beroepsprofielen jeugdzorgwerker of gedragswetenschapper zich registreren in het kwaliteitsregister jeugd. Het gaat nu om ongeveer 20.000 professionals. Voor deze professionals zullen de registratiekosten ongeveer € 100,– per jaar bedragen. Op termijn zullen nieuwe beroepsprofielen kunnen worden toegevoegd aan het kwaliteitsregister jeugd of zullen bestaande beroepsprofielen worden aangepast. Er zullen zich dan meer professionals kunnen registreren. Als het aantal geregistreerde professionals stijgt, zullen de registratiekosten per professional dalen.

Geregistreerde professionals

De leden van de PvdA-fractie hebben als zorgpunt dat professionals klem kunnen zitten tussen de opdracht van de zorgaanbieder en de geldende professionele standaarden. Zij geven aan dat volgens de nota van toelichting bij het besluit opdrachten die niet stroken met de geldende professionele standaarden moeten weigeren. De fractieleden willen weten waar deze professionals terecht kunnen als dit arbeidsrechtelijke gevolgen heeft.

Doordat jeugdhulpaanbieders, de gecertificeerde instellingen en de colleges ervoor zorg dienen te dragen dat geregistreerde (jeugd)professionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming van de voor hen geldende professionele standaarden, moeten mogelijke geschillen over de arbeidsovereenkomst ook in die context worden bezien. Een werkgever kan een geregistreerde professional niet tegenwerpen dat hij zich bij zijn beroepsuitoefening houdt aan die normen.

Voor de jeugdzorg is inmiddels een professioneel statuut ontwikkeld. Daaronder wordt in dit kader verstaan een binnen de organisatie geldend reglement omtrent rechten, plichten en bevoegdheden van de geregistreerde jeugdprofessional in de relatie tot de organisatie. Veldpartijen zullen ook voor de jeugdhulp een dergelijk statuut ontwikkelen. Het statuut kan werkgevers en werknemers het nodige houvast geven over de verantwoordelijkheidsverdeling binnen de organisaties die recht doet aan de professionele autonomie van een geregistreerde professional.

Wanneer geregistreerde professionals worden geconfronteerd met arbeidsrechtelijke gevolgen indien zij zich beroepen op hun professionele autonomie, kunnen zij in eerste instantie steun zoeken bij een beroepsvereniging of vakbond indien zij daarbij zijn aangesloten. In het ultieme geval kan het oordeel van de rechter worden ingeroepen. Zo nodig zal de rechter daarbij in ogenschouw nemen of de beroepsbeoefenaar zich terecht op de professionele standaarden heeft beroepen.

Artikelsgewijs deel

Vertrouwenspersoon

De leden van de PvdA-fractie vragen om de functie «bieden van ondersteuning» door de vertrouwenspersoon te concretiseren en de term rechtstreeks betrokkenen uit te breiden naar het sociaal netwerk van een gezin.

De vertrouwenspersoon heeft als taak jeugdigen, ouders en pleegouders te informeren over en te ondersteunen bij aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van zowel het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling als het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK), zodat jeugdigen, ouders en pleegouders hun belangen inzake de benodigde ondersteuning, hulp of zorg doeltreffender kunnen behartigen. Bij het bieden van ondersteuning moet worden gedacht aan het geven van informatie en advies aan jeugdigen, ouders en pleegouders over hun (rechts)positie binnen de jeugdhulp, het ondersteunen van hen bij bemiddeling, het formuleren, indienen en afhandelen van hun klachten over de jeugdhulp. Ook kan de vertrouwenspersoon op verzoek van de jeugdige, zijn ouders of pleegouders aanwezig zijn bij de gesprekken tussen hen een hulpverlener.

De term «rechtstreeks betrokkenen» kan niet worden uitgebreid tot het sociaal netwerk van een gezin. Immers, alleen de direct betrokkenen (jeugdigen, ouders en pleegouders) kunnen klachten indienen en bezwaar en beroep aantekenen. Een vertrouwenspersoon kan derhalve alleen werkzaam zijn voor direct betrokkenen. Dit neemt niet weg dat het een cliënt vrij staat personen uit zijn sociale omgeving uit te nodigen voor gesprekken met de vertrouwenspersoon.

Het sociaal netwerk van een cliënt zoals bijvoorbeeld mantelzorgers kan wel een beroep doen op onafhankelijke cliëntondersteuning in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Professionalisering

De leden van de PvdA-fractie hebben ook een vraag over het amendement Ypma (33 684, nr. 58) over het instellen van een overzichtelijke en samenhangende beroepenstructuur en beroepsregister voor het sociale domein. Hoe is artikel 5.1.1. te rijmen met dit amendement?

Zoals bij de behandeling van de Jeugdwet al is aangegeven, is invulling van de professionalisering van het sociale domein het wenkend perspectief en de stip op de horizon. Eerst moet nu worden gekomen tot de invulling van de professionalisering van het jeugddomein dat valt onder de Jeugdwet. Artikel 5.1.1 van het Besluit geeft hieraan invulling.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat beroepen die geen beroepsvereniging hebben niet in aanmerking komen voor een registratie. Zij vragen zich af of de huidige beroepsverenigingen voldoende zijn om alle beroepen (ook beroepen zonder beroepsvereniging) die noodzakelijk zijn voor een goede zorg voor jeugd te registreren. De fractieleden willen weten welke beroepen noodzakelijk zijn voor zorg voor jeugd en geen beroepsvereniging hebben en of deze beroepen nog in aanmerking komen voor een verantwoorde werktoedeling? Zij willen tevens weten hoe noodzakelijke hulpverleners zonder een beroepsvereniging zich kunnen registreren?

De betrokkenheid van een beroepsvereniging is van wezenlijk belang. De erkenningsvoorwaarden zijn zo ingericht dat het niet mogelijk is dat beoefenaren van beroepen worden geregistreerd voor wie geen beroepsvereniging actief is. Daarvoor is bewust gekozen.

Door de betrokkenheid van een beroepsvereniging worden in het bestuur van de registerstichting personen benoemd die affiniteit hebbent met de beroepsgroep. Zonder beroepsvereniging vindt er geen ontwikkeling plaats van professionele standaarden waaraan tuchtrechtelijk getoetst kan worden. De registerstichting is verplicht met de beroepsverenigingen overleg te voeren over de vaststelling van de registratievoorwaarden. Als de vaststelling van de registratievoorwaarden zonder de nodige deskundige inbreng geschiedt, indien er binnen de groep van beroepsbeoefenaren geen professionele standaarden worden ontwikkeld en indien er mede daardoor ook geen adequaat systeem van normhandhaving in het leven kan worden geroepen, biedt beroepsregistratie weinig tot geen meerwaarde.

Hoewel de registratie niet in het belang van de beroepsbeoefenaren maar in het belang van de jeugdhulp in het leven is geroepen, kunnen beroepsbeoefenaren wel een belang hebben bij registratie. Zij kunnen potentiële werkgevers/opdrachtgevers op die manier zekerheid bieden over hun vakbekwaamheid en hun kwaliteit van werken. Deze parallelle belangen kunnen het systeem versterken. De thans opgezette infrastructuur kan uitnodigend werken naar beroepsgroepen om zich als groep aan te sluiten bij een bestaande beroepsvereniging of tot oprichting van zo’n vereniging over te gaan.

De vraag welke beroepen noodzakelijk zijn voor de jeugdhulp en geen beroepsvereniging hebben, valt momenteel niet te beantwoorden. Het door de veldpartijen te ontwikkelen kwaliteitskader voor de jeugdzorg zal daar het nodige inzicht in kunnen verschaffen.

Ouderbijdrage

De leden van de PvdA-fractie krijgen signalen dat jeugdigen die verblijven in pleeggezinnen en instellingen een deel van hun bijverdiensten (bijbaantjes) moeten afdragen aan de zorgaanbieder. De leden begrijpen niet waarom deze jeugdigen, in tegenstelling tot leeftijdsgenoten die niet uithuis zijn geplaatst, een deel van hun geld van bijbaantjes moeten afstaan aan de zorgaanbieder. Jeugdigen moeten als het ware een eigen bijdrage gaan betalen. Wat gaat de Staatssecretaris hiertegen doen? Wat het oordeel van de Staatssecretaris over deze gang van zaken? De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat uithuisgeplaatste jeugdigen niets zouden mogen afdragen.

De eigen bijdrage is per 15 februari 2014 afgeschaft voor de Wjz en is evenmin opgenomen in de Jeugdwet. Het is daarom wettelijk niet toegestaan dat jeugdigen een deel van hun bijverdiensten afdragen aan de zorgaanbieder. Wij zullen dit onder de aandacht van de zorgaanbieders brengen.

Vragen en opmerkingen van de SP-fractie

Toegang tot jeugdhulp en advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling

De leden van de SP-fractie vragen wat er wordt beoogd met het inzetten van (een team van) deskundigen en of er een overzicht gegeven kan worden van de varianten waarin de GGD is meegenomen en waarin CJG een centrale rol heeft. Tevens vragen deze leden of jeugdhulpverleners of andere professionals dienen te beslissen welke zorg nodig is, of dat hiervoor een rol is weggelegd voor gemeenteambtenaren? Deze leden vragen voorts in hoeverre de inzet van deskundigen vereist is volgens dit besluit.

Er zijn in de Jeugdwet en het Besluit eisen opgenomen die borgen dat een deskundige met de juiste kennis en vaardigheden de taken rondom de toegang uitvoert. Het is aan gemeenten om de concrete toegang tot de jeugdhulp te organiseren naar eigen inzicht, mits ze deze normen in acht nemen. Er zijn dan ook geen overzichten beschikbaar waarin is opgenomen op welke wijze gemeenten dat gaan doen. Op grond van de Jeugdwet kunnen gemeenten ervoor kiezen om de benodigde deskundige professionals als ambtenaren in dienst te nemen, maar gemeenten kunnen er ook voor kiezen om de toegangsfunctie buiten de gemeentelijke organisatie vorm te geven. Welke organisatievorm ook wordt gekozen, de Jeugdwet verplicht gemeenten om jeugdhulp in te zetten als een jeugdige of ouder dat nodig heeft in verband met opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleem oplossend vermogen ontoereikend zijn. Artikel 2.3 van de Jeugdwet bepaalt expliciet dat de gemeente daarbij een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en inzet van de jeugdhulp moet waarborgen. De gemeente zal daarom deskundige professionals moeten inzetten. In artikel 2.1 van het Besluit wordt dat nader geëxpliciteerd door voor te schrijven op welke gebieden relevante deskundigheid beschikbaar dient te zijn. Hiermee is geborgd dat verwijzing naar jeugdhulp deskundig plaatsvindt. Tevens is de gemeente op basis het Besluit verplicht om de norm van verantwoorde werktoedeling toe te passen. Voor de toegang houdt dit in dat de taken moeten worden uitgevoerd door werkers die zijn opgenomen in het kwaliteitsregister jeugd óf door BIG-geregistreerde professionals, tenzij aangetoond kan worden dat de toedeling van het werk aan een niet-geregistreerde professional de kwaliteit niet nadelig beïnvloedt of noodzakelijk is voor de kwaliteit van de hulpverlening.

De leden van de SP-fractie vragen wat de reden is voor de keuze van vijf dagen voor besluitvorming na een melding bij het AMHK en weken voor nader onderzoek?

In artikel 4.1.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is opgenomen dat het AMHK binnen vijf dagen na ontvangst van een melding, nadat is vastgesteld dat onderzoek moet plaatsvinden, het onderzoek naar kindermishandeling of huiselijk geweld dient te starten. Binnen deze vijf dagen vindt de triage plaats. Dit houdt in dat het AMHK op basis van de inhoud van de melding en op basis van een risicotaxatie tot een besluit komt over de noodzakelijke vervolgstappen naar aanleiding van de melding.

Binnen vijf dagen na de melding moet niet alleen besluitvorming hebben plaatsgevonden over nader onderzoek, maar dient het onderzoek ook daadwerkelijk te starten. Als de ernst van de melding daartoe aanleiding geeft, dan zal uiteraard direct een onderzoek gestart worden.

De termijn van vijf dagen is gelijk aan de termijn in het Uitvoeringsbesluit op de Wet op de jeugdzorg (Uitvoeringbesluit Wjz) inzake de doorlooptijden van het AMK. Vijf dagen is een uiterste termijn in gevallen waarin het AMHK op basis van summiere informatie bij een melding, nadere gegevens moet vergaren. In de meeste gevallen wordt veel sneller dan vijf dagen het besluit of nader onderzoek nodig is, genomen.

Uit onderzoek naar de praktijk van de huidige AMK’s blijkt dat de gemiddelde doorlooptijd voor een onderzoek rond de tien weken ligt (de quickscan naar overlap taken raad voor de kinderbescherming en AMK, Boer en Croon, 2010). In het Uitvoeringsbesluit Wjz staat de doorlooptijd voor het AMK onderzoek op dertien weken. Gelet op het belang van het kind en de ambitie om in het nieuwe stelsel juist tot kortere en efficiëntere doorlooptijden te komen, is ervoor gekozen dat het AMHK zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen tien weken oordeelt tot welke stappen een onderzoek aanleiding geeft. Het AMHK moet wel voldoende tijd hebben om een onderzoek zorgvuldig uit te voeren en in gesprek met ouders, kinderen en de sociale omgeving te komen tot een juiste inschatting van de situatie. Dit kan de inzet van een kinderbeschermingsmaatregel voorkomen. Een maximale termijn van minder dan tien weken is uit dat oogpunt niet verantwoord. In crisissituaties waarbij onmiddellijk duidelijk is dat sprake is van kindermishandeling, schakelt het AMHK overigens direct de raad voor de kinderbescherming in.

Kwaliteit van jeugdhulp, certificering

De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze gemeenten de plek voor de vertrouwenspersonen inrichten voor jeugdigen met jeugdhulp zonder verblijf.

De gemeenten hebben besloten het vertrouwenswerk voor een periode van twee jaar landelijk in te kopen. De VNG beraadt zich momenteel op de wijze waarop het vertrouwenswerk voor 2015 en 2016 wordt ingericht. Daartoe is men in gesprek met het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg, een bestaande organisatie voor vertrouwenswerk. Het ligt in de rede dat voor jeugdhulp zonder verblijf de huidige werkwijze wordt voortgezet.

Jeugdigen kunnen momenteel telefonisch dan wel elektronisch contact opnemen met een aanbieder van vertrouwenswerk. Afhankelijk van de vraag kan dan telefonisch of in direct contact ondersteuning geboden worden. Vertrouwensorganisaties zijn regionaal georganiseerd met een regionale spreiding van vertrouwenspersonen.

Het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instellingen en het AMHK dienen cliënten op grond van artikel 4.1.3 van het Besluit te wijzen op het bestaan van het vertrouwenswerk en de bereikbaarheid daarvan.

De leden van de SP-fractie constateren dat kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering alleen mogen worden uitgevoerd door instellingen die gecertificeerd zijn. Zij vragen een nadere toelichting over de eisen die gesteld worden bij het aanvragen van een certificaat.

Het aanvragen van een certificaat gebeurt bij de certificerende instelling. Het Keurmerkinstituut is thans aangewezen als de certificerende instelling. De aanvrager stuurt allereerst het aanvraagformulier, dat is te downloaden op de website van het Keurmerkinstituut, ingevuld op. De aanvrager dient daarbij zelf na te gaan of de organisatie voldoet aan het gestelde normenkader. Het normenkader is opgenomen in de regeling normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering (Staatscourant 2014, nr. 17362). Vervolgens vinden er audits plaats. Na de laatste auditdag stuurt het Keurmerkinstituut het voorlopige eindrapport naar de aanvrager. De aanvrager moet vervolgens reageren op de bevindingen van het Keurmerkinstituut. Als de auditoren de verbeteracties en het benodigde bewijsmateriaal in orde bevinden, geven zij een positief certificatie-advies aan de directie van het Keurmerkinstituut. Deze controleert of het dossier compleet is en de juiste procedures zijn gevolgd en kent uiteindelijk het certificaat toe.

Op de website van het Keurmerkinstituut staat de aanvraagprocedure nauwkeurig beschreven (www.keurmerk.nl/NL/Zorg-en-Welzijn/Jeugdbescherming-en-Jeugdreclassering).

Professionalisering

Aldus de leden van de SP-fractie stelt de Staatssecretaris de verplichting dat gemeenten in hun verordening verantwoordelijke werktoedeling moeten opnemen in het kader van de professionalisering in de jeugdzorg. De leden van de SP-fractie vragen wat in de opinie van de Staatssecretaris de definitie is van kwalitatief en kwantitatief personeel en aan welke opleidingseisen jeugdhulpverleners moeten voldoen. Voorts vragen deze leden een overzicht aan de Kamer te verstrekken waarin per jeugdzorgdiscipline wordt aangegeven aan welke opleidingseisen het personeel moet voldoen en aan welke kwantitatieve eisen het personeel moet voldoen. Voorts vragen deze leden van de SP-fractie een overzicht te verstrekken waarin per jeugdzorgdiscipline wordt aangegeven hoeveel personeelsleden op hoeveel jeugdigen gewenst is en hoeveel jeugdzorginstellingen in Nederland niet voldoen aan deze kwalitatieve en kwantitatieve eisen voor het personeel.

De Jeugdwet legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit primair bij de veldpartijen. Hiermee sluit de jeugdwet aan bij de brede kwaliteitsregelgeving. Beter dan wie ook kunnen professionals en werkgevers zelf bepalen wat er nodig is voor verantwoorde hulp. De gemeente moet zich ervan vergewissen dat de aanbieders waarmee zij een contractrelatie aangaat voldoen aan de kwaliteitseisen in de Jeugdwet. Bij de financiering van de jeugdhulp kunnen gemeenten middels het contract kwaliteitseisen stellen aan de te leveren diensten. Verder kunnen gemeenten gebruik maken van keurmerken, klachtenregistratie en onderzoeken naar klanttevredenheid.

De regering acht een aantal kwaliteitseisen zo fundamenteel dat deze in de Jeugdwet uniform wordt geregeld. Dat is de basis. Wij zien het niet als onze taak om uitspraken te doen over opleidingseisen of kwantitatieve eisen waaraan het personeel per discipline binnen de jeugdhulp moet voldoen. Over het overzicht van kwalitatieve en kwantitatieve eisen waarom de fractie van de SP vraagt, beschikken wij derhalve niet. In het traject waarin de veldpartijen het kwaliteitskader opstellen wordt overigens wel informatie verzameld over de opleidingseisen in de verschillende disciplines.

De leden van de SP-fractie vragen of de Staatssecretaris binnen de definiëring van de geregistreerde professional alle beroepen wil opnemen die vallen binnen artikel 3 en 4 van de Wet BIG.

Wij gaan ervan uit dat de leden van de SP-fractie doelen op artikel 14, en niet op artikel 4 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Het zou niet stroken met de Jeugdwet om alle beroepen die binnen de artikelen 3 en 14 van de Wet BIG vallen als beroep op te nemen. Immers, een aantal beroepen die genoemd worden in artikel 3 van de Wet BIG (tandarts, apotheker, fysiotherapeut en verloskundige), heeft geen rol binnen het begrip jeugdhulp en dus ook niet binnen de Jeugdwet. Daarom is gekozen voor beroepsbeoefenaren die als arts, verpleegkundige, gezondheidszorgpsycholoog of psychotherapeut zijn ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG. De beroepsbeoefenaren op grond van artikel 14 van de Wet BIG zijn niet opgenomen, omdat het specialisaties van de in artikel 3 van de Wet BIG genoemde beroepen betreft. Bijvoorbeeld het beroep van psychiater is een specialisatie van het basisberoep arts en een arts is aangewezen als beroepsbeoefenaar die is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3 Wet BIG.

De leden van de SP-fractie zijn benieuwd hoeveel jeugdzorghulpverleners (nog) niet voldoen aan de registratie-eisen in het kader van professionalisering van de jeugdzorg, maar wel de gelegenheid krijgen om het gewenste niveau te bereiken. De leden van de SP-fractie vragen of daarvan een overzicht kan worden gestuurd. De leden vragen ook welke registratie-eisen precies gelden voor jeugdhulpverleners en aan welke eisen onvoldoende wordt voldaan waardoor jeugdhulpverleners zich niet (kunnen) registreren.

Het ontwerp van de registratie-eisen zal, in het kader van de aanvraag voor erkenning van het kwaliteitsregister jeugd, aan ons worden voorgelegd. Pas op dat moment zijn ons de exacte eisen bekend. Wel kunnen we al melden dat bij de start van het kwaliteitsregister jeugd de registratie-eisen van de drie betrokken beroepsverenigingen zullen worden overgenomen.

Tevens zijn de leden van de SP-fractie benieuwd welk opleidingsinstituut/instantie deze jeugdhulpverleners gaat scholen.

Voor de jeugdprofessionals in het (smalle) jeugdzorgdomein geldt het volgende:

  • a. Aansluiting opleidingsbeleid jeugdzorgwerkers op registratietraject

    Jeugdzorg Nederland heeft een procedure en stappenplan ontwikkeld voor certificering en accreditatie van interne na- en bijscholing. Op basis hiervan is een workshop «herijking opleidingsbeleid» voor werkgevers samengesteld en uitgevoerd. Het certificeren en accrediteren van interne bij- en nascholingstrajecten van jeugdzorgorganisaties wordt gefaciliteerd. Dit is bedoeld om jeugdzorgorganisaties te stimuleren hun intern scholingsaanbod voor te leggen aan het BAMw zodat ook hiermee registratiepunten verkregen kunnen worden.

  • b. Aansluiting opleidingsbeleid gedragswetenschappers op registratietraject

    NIP en NVO hebben een handreiking over het (tijdelijk) registratietraject voor gedragswetenschappers, gericht op informeren en «slim organiseren» geschreven. Onderdeel hiervan vormt de accreditatie van scholingen voor gedragswetenschappers.

  • c. EVC traject:

    Voor het EVC traject is een jeugdloket ingericht bij het Fonds Collectieve belangen (FCB): http://www.fcb.nl/jeugdzorg/leren-en-ontwikkelen/scholing-en-training/ervaring-naar-branchecertificaat/

Voor het brede jeugdzorgdomein is dit nog niet bekend.

De leden van de SP-fractie willen voorts weten wat is de reden dat de medewerkers die nog niet op hbo-niveau zijn geschoold, maar wel op een hbo-functie werkzaam zijn gedurende een periode van vijf jaar en drie maanden ingeschreven kunnen zijn in het register zonder over het vereiste opleidingsniveau te beschikken?

Het kwaliteitsregister jeugd wil beroepsbeoefenaren die reeds werkzaam zijn in de jeugdhulp in een functie op hbo-niveau, maar nog niet op dat niveau geschoold zijn voor de overgangssituatie in de gelegenheid stellen dat scholingsniveau niveau te bereiken. Op die manier kan bewerkstelligd worden dat beroepsbeoefenaren die de potentie hebben het vereiste scholingsniveau te bereiken voor de jeugdhulp behouden blijven.

De leden van de SP-fractie vragen of de Staatssecretaris de periode van vijf jaar en drie maanden ook niet een bijzonder lange periode vindt en willen weten of er een voornemen is om deze periode (fors) in te korten zodat we kwetsbare jongeren niet toevertrouwen aan jeugdhulpverleners zonder de juiste opleidingspapieren en professionele kennis en expertise?

De overgangstermijn is gesteld op vijf jaar en drie maanden. Die termijn komt overeen met de termijn die gekozen is voor de jeugdzorg. Die overgangstermijn vangt voor de Wjz al eerder aan, namelijk op het tijdstip dat de wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wjz in werking treedt. De termijn van vijf jaar en drie maanden is langer dan noodzakelijk om in een individueel geval de vereiste scholing af te kunnen ronden. Toch is een relatief lange periode gewenst omdat bij een wezenlijk kortere overgangstermijn veel capaciteit aan de jeugdhulp onttrokken moet worden om een groot aantal beroepsbeoefenaren dan gelijktijdig scholing te laten volgen. Nu wordt de beperking van de beschikbare capaciteit over een langere periode gespreid waardoor de hulpverlening niet in het gedrang komt. De overgangsregeling laat onverlet dat te allen tijde sprake moet zijn van verantwoorde hulp. Een belangrijk voordeel van deze overgangsregeling is dat beroepsbeoefenaren die op basis daarvan geregistreerd worden, al wel zijn onderworpen aan tuchtrecht. Zou deze overgangsregeling niet getroffen worden, dan zou dat juist leiden tot een tekort aan bekwaam personeel met alle nadelige gevolgen van dien.

De leden van de SP-fractie vragen of jeugdzorghulpverleners die nu ontslagen worden, ook in het professionaliseringsproject worden opgenomen en zij ook scholing krijgen die meer kans biedt op een baan.

Het beëindigen van de arbeidsrelatie is allereerst een aangelegenheid tussen werkgever en werknemer. Afhankelijk van het beschikbare sociaal plan kunnen werknemers worden begeleid van werk naar werk. Opleidingen, bij- en nascholing kunnen deel uitmaken van dit sociaal plan.

Daarnaast heeft iedere professional ook een eigen verantwoordelijkheid om zijn kennis en kunde op peil te houden.

De leden van de SP-fractie maken zich grote zorgen over de jeugdzorghulpverleners die momenteel massaal ontslagen worden. Zij hebben kennis genomen van de lovende woorden van de Staatssecretaris over het professionaliseringsproces in de jeugdzorg, maar vragen of de Staatssecretaris kan duiden in hoeverre dit verband houdt met de ontslagen die nu vallen en of dit betekent dat het ontslag van duizenden jeugdhulpverleners en het daaraan gekoppelde verlies van expertise en professionele kennis moet worden opgevangen door de «overgebleven» jeugdhulpverleners nog professioneler te laten werken. De leden van de SP-fractie vragen of de Staatssecretaris van mening is dat de huidige jeugdhulpverleners hun taak onvoldoende serieus nemen en onvoldoende professioneel werken?

Er is geen causaal verband tussen het professionaliseringstraject dat ziet op registratie van beroepsbeoefenaren in de jeugdzorg en de jeugdhulp en de door de leden van de SP-fractie genoemde ontslagen. Wij willen geenszins de indruk wekken dat de jeugdhulpverleners hun taak onvoldoende serieus nemen en onvoldoende professioneel werken, integendeel. Het betreft hier toegewijde, hardwerkende en goed opgeleide professionals. Het in gang gezette professionaliseringstraject beoogt de autonomie, de vakbekwaamheid en de verantwoordelijkheid van professionals verder te verhogen.

De leden van de SP-fractie geven aan verbolgen te zijn over het feit dat gemeenten straks zelf toezicht moeten houden en willen weten welke rol de aangewezen inspecties nu precies hebben als het gaat om toezicht op de jeugdhulpaanbieders en de professionalisering. Waarom is gekozen voor inspectietoezicht in algemene zin en waarom is ervoor gekozen dat jeugdhulpaanbieders toezicht op henzelf dienen te houden, wordt hiermee het risico van de slager keurt zijn eigen vlees niet erg groot?

In tegenstelling tot wat deze leden lijken te concluderen, wordt met «de met het toezicht belaste ambtenaren» in het kader van de Jeugdwet niet gedoeld op ambtenaren van de gemeente. Op grond van artikel 9.2 van de Jeugdwet worden louter ambtenaren van de Rijksinspectie belast met het toezicht op de naleving van de Jeugdwet. Om misverstanden te voorkomen zal dit in de toelichting bij het Besluit worden verduidelijkt. Op grond van artikel 9.1 van de Jeugdwet zal de Inspectie Jeugdzorg inderdaad de kwaliteit in algemene zin onderzoeken van de in dat artikel opgesomde onderdelen van het jeugdstelsel. Het toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen en het handhavende optreden zal uitgevoerd worden door de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Inspectie Jeugdzorg en de Inspectie VenJ gezamenlijk. De betrokkenheid van de Rijksinspectie bij het opstellen van het kwaliteitskader in het kader van de professionalisering moet dan ook in dat licht worden gezien.

Beleidsinformatie

De leden van de SP-fractie vragen welke informatie de Staatssecretaris voornemens is nader te analyseren? Hierbij vragen de leden of de Staatssecretaris ook het aantal ontslagen wil analyseren en de kamer hierover wil informeren?

Wanneer op basis van de publicaties van het CBS significante verschillen tussen gemeenten zijn waar te nemen in het jeugdhulpgebruik, de inzet van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, kan via nader onderzoek worden bestudeerd waaruit deze verschillen zijn te verklaren. Hierbij wordt eerst onderzocht of de geconstateerde verschillen te verklaren zijn uit de wijze van registreren, de sociaaleconomische omstandigheden, de bevolkingssamenstelling of uit veelvoorkomende ziekteproblematiek. Vervolgens zal worden onderzocht of de verschillen tussen vergelijkbare gemeenten te verklaren zijn uit de kwaliteit en kwantiteit van het aanbod en het gevoerde beleid. Voor het nader onderzoek kan gebruik worden gemaakt van kwantitatieve informatie bij het CBS over aanverwante onderwerpen; waar deze informatie ontbreekt zal dit via kwalitatief onderzoek worden aangevuld.

Bij deze onderzoeken wordt ook meegenomen of de nader onderzochte gemeenten een voldoende kwalitatief en kwantitatief jeugdhulpaanbod hebben.

Voor meer informatie over de nieuwe werkwijze bij het realiseren van de beleidsinformatie zij verwezen naar het filmpje hierover op www.voordejeugd.nl.

Op basis van onder andere de arbeidsmarkteffectrapportages (AER) houden wij de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt nauwlettend in de gaten. De eerste AER hebben wij uw Kamer in oktober 2013 doen toekomen. De tweede AER is naar verwachting in de loop van de zomer van 2014 gereed. Onlangs heeft de Staatssecretaris van VWS samen met de Minister van SZW een brief gestuurd over de stand van zaken op het terrein van de arbeidsmarkt in de zorg (brief van 7 juli 2014 met kenmerk: 643561-123647-MEVA). Daarbij is ook ingegaan op de verwachte cijfermatige ontwikkelingen.

Evaluatie en monitoring

De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretarissen of zij ook tussentijds, in aanloop naar de evaluatie na drie jaar, willen evalueren en de Kamer hierover vervolgens informeren.

Eind dit jaar informeren wij uw Kamer over het evaluatiekader voor de Jeugdwet. Wij zullen in het evaluatiekader ook ruimte maken voor tussentijds onderzoek om eerste ontwikkelingen op onderdelen van de stelselwijziging in beeld te brengen. Over resultaten van tussentijdse onderzoeken zullen wij de Kamer informeren. De tussentijdse onderzoeken kunnen als bouwstenen dienen voor de evaluatie van de Jeugdwet die na drie jaar plaatsvindt.

Gevolgen voor de regeldruk

De leden van de SP-fractie vragen welke garanties de Staatsecretaris geeft op vermindering van regeldruk door de taken die CBS gaat krijgen voor het verzamelen van beleidinformatie?

Wanneer 403 gemeenten bij meer dan 600 jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen ieder op eigen wijze beleidsinformatie gaan uitvragen, zal dat leiden tot aanzienlijke administratieve lasten bij alle betrokken partijen. Omdat van gemeenten maatwerk wordt verwacht en zij op uiteenlopende wijze jeugdhulp zullen inkopen om dat maatwerk ook te kunnen leveren, zal ook de informatiebehoefte per gemeente kunnen verschillen. Om desondanks de administratieve lasten en regeldruk te beperken, hebben wij met de VNG afgesproken om de items die elke gemeente zou willen weten, landelijk gestandaardiseerd uit te vragen. Op deze wijze hoeven de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen niet dezelfde gegevens aan verschillende gemeenten en met verschillende definities te leveren. De statistieken die het CBS maakt van de geleverde gegevens worden openbaar, zodat ook onderzoekers deze informatie niet meer hoeven uit te vragen bij de instellingen. Dit laat onverlet dat elke gemeente, afhankelijk van de afspraken met instellingen en aanbieders, altijd aanvullende informatie kan uitvragen.

De leden van de SP-fractie geven aan niet te begrijpen waarom de staatsecretaris de DBC systematiek blijft handhaven gedurende de komende drie jaar. Waarom kiest de Staatssecretaris hiervoor, gezien de DBC’s erg bureaucratisch zijn?

Gemeenten zijn vanaf 2015 verantwoordelijk voor de inkoop van jeugd-ggz. De VNG heeft met het Ministerie van VWS en Zorgverzekeraars Nederland afspraken gemaakt om ervoor zorg te dragen dat de jeugd-ggz een «zachte landing» krijgt bij de gemeenten (zie ook Kamerstukken II 2013/14, 31 839, nr. 344). Deze zachte landing beoogt dat op korte termijn de benodigde zorgcontinuïteit met aanbieders kan worden overeengekomen en op langere termijn de transformatie kan worden ingezet waar dit mogelijk is.

Vanwege de complexe overheveling zal de bekostiging van jeugd-ggz via DBC’s nog drie jaar in stand blijven. Dit biedt voorlopig houvast op administratief gebied en op de techniek van contractering. Daarmee is bij de aanbieders van jeugd-ggz een grote zorg weggenomen.

Ontvangen reacties en adviezen

De leden van de SP-fractie constateren dat de Staatssecretaris aangeeft dat veel regeldruk die jeugdhulpverleners ervaren, te maken heeft met interne voorschriften. Deze leden vragen waarom de Staatssecretaris daar geen beleid op maakt? Levert dat niet veel meer winst op in het tegengaan van bureaucratie, dan enkel het verspreiden van goede voorbeelden? Welke taak krijgen gemeenten hierin?

De ervaring leert inderdaad dat interne voorschriften meer dan centrale regelgeving een bijdrage leveren aan de ervaren regeldruk van hulpverleners. De ervaring leert ook dat het moeilijk is daar centraal beleid op te voeren omdat het Rijk niet rechtstreeks stuurt op de interne organisatie van aanbieders. Wel verwachten wij veel van het traject van professionalisering. Het systeem van beroepsregistratie moet de bureaucratie in de uitvoering terugdringen en de ruimte voor de professional vergroten. Dat gaat hand in hand. Door professionals in te zetten die handelingsbekwaam zijn en zeker zijn van hun capaciteiten en positie, vermindert de neiging tot defensief handelen, indekgedrag en overmatige registratie. Een aanbieder waar dergelijke professionals in dienst zijn, zal minder geneigd zijn te overvragen op het gebied van verantwoording.

De leden van de SP-fractie vragen zich af welke persoon de indicatie stelt voor jeugdigen die zorg nodig hebben. Wat verstaat de gemeente onder de deskundigen die zij namens de gemeenten willen inzetten en hoe gaat dat bij een crisisdienst? Worden daar professionals voor ingezet of wordt dat een taak van een gemeenteambtenaar? Op welke wijze wordt voorkomen dat ondeskundige gemeenteambtenaren financiële beslissingen zullen maken in plaats van zorginhoudelijke beslissingen?

Er zijn in de Jeugdwet en het Besluit eisen opgenomen die borgen dat een deskundige met de juiste kennis en vaardigheden de taken rondom de toegang uitvoert. Het is aan gemeenten om de concrete toegang tot de jeugdhulp te organiseren naar eigen inzicht, mits ze deze normen in acht nemen. Er zijn dan ook geen overzichten beschikbaar waarin is opgenomen op welke wijze gemeenten dat gaan doen. Op grond van de Jeugdwet kunnen gemeenten ervoor kiezen om de benodigde deskundige professionals als ambtenaren in dienst te nemen, maar gemeenten kunnen er ook voor kiezen om de toegangsfunctie buiten de gemeentelijke organisatie vorm te geven. Welke organisatievorm ook wordt gekozen, de Jeugdwet verplicht gemeenten om jeugdhulp in te zetten als een jeugdige of ouder dat nodig heeft in verband met opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleem oplossend vermogen ontoereikend zijn. Artikel 2.3 van de Jeugdwet bepaalt expliciet dat de gemeente daarbij een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en inzet van de jeugdhulp moet waarborgen. De gemeente zal daarom deskundige professionals in moeten zetten. In artikel 2.1 van het Besluit wordt dat nader geëxpliciteerd door voor te schrijven op welke gebieden relevante deskundigheid beschikbaar dient te zijn. Hiermee is geborgd dat verwijzing naar jeugdhulp deskundig plaatsvindt.

Tevens is de gemeente op basis het Besluit verplicht om de norm van verantwoorde werktoedeling toe te passen. Voor de toegang houdt dit in dat de taken moeten worden uitgevoerd door werkers die zijn opgenomen in het kwaliteitsregister jeugd óf door BIG-geregistreerde professionals, tenzij aangetoond kan worden dat de toedeling van het werk aan niet geregistreerde professional de kwaliteit niet nadelig beïnvloedt of noodzakelijk is voor de kwaliteit van de hulpverlening.

Elke gemeente is ervoor verantwoordelijk dat in situaties waar onmiddellijke uitvoering van taken geboden is, de jeugdhulp te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is. Dit vraagt in een geval van crisis om een snelle, deskundige toeleiding naar een aanbieder die de benodigde jeugdhulp kan bieden. Gemeenten zijn nu dan ook druk bezig met het vormgeven van de crisisdiensten en om afspraken te maken om de benodigde expertise vanuit de verschillende sectoren hierin te borgen. Het beeld dat ontstaat uit de regionale transitiearrangementen is dat gemeenten dit regionaal gaan vormgeven en dat het merendeel van de gemeenten dit integraal wil doen, met de benodigde expertise uit onder andere de GGZ, de jeugdzorg en de ABWZ.

Artikelsgewijs

Artikel 2.1

De leden van de SP-fractie vragen waarom de Staatssecretaris geen eisen stelt welke deskundigen gemeenten in dienst nemen. Ook vragen deze leden om een overzicht op welke wijze gemeenten de indicatiestelling organiseren.

Het past niet in het karakter van de Jeugdwet om nadere invulling te geven aan bepaalde opleidingseisen in de toegang of om in de toegang bepaalde professionals verplicht te stellen. Juist omdat de gemeenten de vrijheid moeten hebben om de toegang tot de jeugdhulp naar eigen inzicht en naar de lokale omstandigheden in te richten, worden alleen deskundigheidseisen gesteld in artikel 2.1 van het Besluit. Daarnaast verplicht artikel 2.7, tweede lid, van de Jeugdwet gemeenten om ook bij de toegang de norm van de verantwoorden werktoedeling toe te passen. Dit borgt dat een deskundige met de juiste kennis en vaardigheden de taken rondom de toegang uitvoert.

Artikel 4.1.3

De leden van de SP-fractie vragen waarom er geen verplichting is gesteld om kinderen en ouders te wijzen op de functie van vertrouwenspersoon.

In artikel 4.1.3 van het Besluit is opgenomen dat het college, de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instellingen jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig informeren over de vertrouwenspersonen, wat hun taak inhoudt en op welke plaats en tijdstippen de vertrouwenspersoon bereikbaar is.

Dit betekent niet dat bij elk informatief gesprek de jeugdige, zijn ouders of pleegouders direct gewezen moeten worden op de vertrouwenspersoon. Bij informatieve vragen of het geven van voorlichting hoeven immers geen zaken aan de orde te zijn waarbij sprake kan zijn van eventuele klachten. Waar dat wel het geval is, dienen de jeugdige, zijn ouders en pleegouders geïnformeerd te worden over de vertrouwenspersoon.

Wel is het wenselijk dat algemene informatie over het vertrouwenswerk breed beschikbaar is bijvoorbeeld in de vorm van folders of op websites.

Artikel 4.2.1. en 4.2.2

De leden van de SP-fractie vragen om het woord «ondersteuning» in de artikelen 4.1.1 en 4.1.2 en de bijbehorende toelichting nader te omschrijven naar de kerntaken van een vertrouwenspersoon.

De vertrouwenspersoon heeft als taak jeugdigen, ouders en pleegouders te informeren over en te ondersteunen bij aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van zowel het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling als het AMHK, zodat jeugdigen, ouders en pleegouders hun belangen inzake de benodigde ondersteuning, hulp of zorg doeltreffender kunnen behartigen. Bij het bieden van ondersteuning moet worden gedacht aan het geven van informatie en advies aan jeugdigen, ouders en pleegouders over hun (rechts)positie binnen de jeugdhulp, het ondersteunen van hen bij bemiddeling, het formuleren, indienen en afhandelen van hun klachten over de jeugdhulp. Ook kan de vertrouwenspersoon op verzoek van de jeugdige, zijn ouders of pleegouders aanwezig zijn bij de gesprekken tussen hen en een hulpverlener.

Artikel 7.5.2

De leden van de SP-fractie vragen welke gegevens de gemeenten nu precies aan het CBS dient te verstrekken?

De gemeenten hoeven voor het genereren van beleidsinformatie over de uitvoering van de Jeugdwet geen informatie naar het CBS te sturen. Het jeugdhulpgebruik wordt door het CBS bij jeugdhulpaanbieders uitgevraagd. Informatie over kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering wordt uitgevraagd bij de gecertificeerde instellingen. Gemeenten krijgen deze informatie via de publicaties van het CBS.

De leden van de SP-fractie willen weten welke belasting deze gegevensuitwisseling heeft voor gemeenten? Wordt het geld hiervoor niet uit het jeugdzorgbudget gehaald?

De gegevens voor de beleidsinformatie over de uitvoering van de Jeugdwet worden door het CBS bij de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen uitgevraagd, zodat er voor de interne gemeenteorganisatie geen kosten zijn verbonden aan deze gegevensuitvraag. Door een landelijk uniforme set beleidsinformatie uit te vragen worden ook de uitvoeringkosten bij de instellingen tot een minimum beperkt.

Vragen en opmerkingen van de CDA-fractie

Overgangsfase

De leden van de CDA-fractie geven aan dat zij gelezen hebben dat als het gaat om de overgangsfase voor werktoedelingen gesproken wordt over een periode van een jaar. Deze leden willen weten waar dit op is gebaseerd en vragen of dit toereikend is. Immers, niet alleen moeten de betreffende maatschappelijk werkers en medewerkers in de andere takken van sport zoals de VG en V&V sector geregistreerd worden en aan de eisen voldoen, maar ook moeten er in het net opgerichte kwaliteitsregister jeugd nieuwe afdelingen of kamers worden ingericht met bijbehorende eisen. De leden van de CDA-fractie willen weten of de Staatssecretaris erkent dat hierdoor een ongelijk speelveld ontstaat in het voordeel van partijen die al langer bezig zijn met een professionaliseringstraject?

De overgangsregeling ziet alleen op werkzaamheden die aansluiten bij de beroepsprofielen van de beroepsbeoefenaren voor wie op het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit een beroepsregistratie mogelijk is. Bij de inwerkingtreding van dit Besluit zal het voor een deel van de in de jeugdhulp werkzame beroepsbeoefenaren niet mogelijk zijn zich te registreren. Uitgaande van de omstandigheid dat deze beroepbeoefenaren in beginsel goed zijn opgeleid voor de werkzaamheden waarmee zij worden belast, zullen zij werk toebedeeld kunnen krijgen op basis van de «tenzij-bepaling». Vanaf het moment dat evenwel voor een van die beroepen registratie mogelijk wordt, zal de norm van de verantwoorde werktoedeling direct van toepassing zijn. Zoals al eerder is geconstateerd kan dat kan leiden tot uitvoeringsproblemen binnen organisaties.

Om eerder bedoelde uitvoeringsproblemen te voorkomen zal in het Besluit een bepaling worden opgenomen die een invoeringstermijn regelt, indien een dergelijke situatie zich voordoet. Bij die bepaling zal een minimaal noodzakelijke termijn worden gehanteerd met een mogelijkheid die wettelijke termijn te verlengen om uitvoeringsproblemente voorkomen.

Eisen aan jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen

De leden van de CDA-fractie vragen of de norm zoals die in artikel 4.1.5 van de Jeugdwet wordt gesteld in de praktijk echt extra waarborgen biedt om ervoor te zorgen dat er verantwoorde hulp wordt geboden, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder.

De norm biedt geen garantie, maar zorgt wel dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) bij het doen van een beroep op jeugdhulp ervan uit kan gaan dat de hulp wordt verleend door een professional die zijn vak verstaat. De norm stimuleert dat professionals worden ingezet op gebieden waarop zij deskundig zijn en dat zij:

  • een ter zake doende opleiding hebben gevolgd,

  • bekend zijn met de nieuwste inzichten aangaande de hulpverlening,

  • zich houden aan professionele standaarden en ethische codes,

  • zich regelmatig laten bijscholen, en

  • tijd inruimen voor reflectie.

Deze waarborgen bieden geen garantie voor een succesvol hulpverleningstraject, maar bieden wel handvatten aan de hulpvrager voordat aan een hulpverleningstraject wordt begonnen. En dat alleen al kan de uitkomst ervan positief beïnvloeden.

Bovendien biedt het kwaliteitskader handvatten aan de Inspecties bij het toetsen of verantwoorde hulp wordt verleend.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de Staatssecretaris vindt van het idee om binnen de definiëring van de geregistreerde professional alle beroepen op te nemen die vallen binnen de artikelen 3 en 14 van de Wet BIG.

Het zou niet stroken met de Jeugdwet om alle beroepen die binnen de artikelen 3 en 14 van de Wet BIG vallen als beroep op te nemen. Immers, een aantal beroepen die genoemd worden in artikel 3 van de Wet BIG (tandarts, apotheker, fysiotherapeut en verloskundige), heeft geen rol binnen het begrip jeugdhulp en dus ook niet binnen de Jeugdwet. Daarom is gekozen voor beroepsbeoefenaren die als arts, verpleegkundige, gezondheidszorgpsycholoog of psychotherapeut zijn ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG. De beroepsbeoefenaren op grond van artikel 14 van de Wet BIG zijn niet opgenomen, omdat het specialisaties van de in artikel 3 van de Wet BIG genoemde beroepen betreft. Bijvoorbeeld het beroep van psychiater is een specialisatie van het basisberoep arts en een arts is aangewezen als beroepsbeoefenaar die is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3 Wet BIG.

Professionalisering

De leden van de CDA-fractie constateren dat in artikel 5.4.2 van het Besluit Jeugdwet staat dat het kwaliteitsregister jeugd slechts toegankelijk is voor beroepsbeoefenaren die behoren tot «bij een van de voordragende beroepsverenigingen aangesloten categorieën van beroepsbeoefenaren». Deze leden vragen of dat betekent dat beroepen die niet in de (smalle) jeugdzorg voorkomen daarmee als nieuw worden gezien. Zet dit andere branches met «nieuwe» beroepen meteen op een achterstand? Hoe zit het met medewerkers die niet door een beroepsvereniging worden vertegenwoordigd? De leden van de CDA-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is om binnen de wetgeving ruimte te bieden om specifieke afspraken te maken over de professionalisering binnen de brede Jeugdwet.

De door de leden van de CDA-fractie als nieuwe beroepen aangeduide beroepen betreffen voor een deel die al geregistreerd zijn in het BIG-register (artsen, verpleegkundigen, gezondheidszorgpsychologen en psychotherapeuten).

De wetgeving behoeft voor andere «nieuwe» beroepen geen aanpassing om ruimte te bieden om specifieke afspraken te maken over de professionalisering binnen de brede Jeugdwet. Die ruimte is er al doordat de registerstichting de mogelijkheid beidt voor nieuwe beroepen om in de registerstichting te participeren. Wel zal zoals al eerder aangegeven nog een aanpassing plaatsvinden van het Besluit om bij de introductie van «nieuwe beroepen» een invoeringstermijn te regelen.

Gevolgen voor de regeldruk

De leden van de CDA-fractie lezen dat de administratieve lasten rond registratie op jaarbasis met 9 euro zal toenemen voor een individuele professional. Deze leden vragen of dit een realistische voorspelling is. Zij horen verhalen uit het veld dat uit ervaring blijkt dat het meer tijd in beslag neemt voor een professional. Genoemde leden ontvangen hierover graag een toelichting.

De inschatting is gebaseerd op het uitgangspunt dat de registratie volledig digitaal zal plaatsvinden. Het jaarlijks inscannen van de gegevens omtrent na- en bijscholing zal volgens onze informatie niet meer dan 15 minuten hoeven kosten. Wel zal een eerste inschrijving mogelijk meer tijd kosten, maar die tijdbesteding is eenmalig.

Daarnaast lezen de leden van de CDA-fractie dat er ruimte voor scholing wordt gevonden, doordat professionalisering zal leiden tot minder administratieve handelingen. Dat zou inderdaad mooi zijn, maar de leden van de CDA-fractie zouden dit graag getoetst zien. Zij vragen zich af dat, wanneer dit niet gehaald wordt, het ten koste kan gaan van de zorg en/of de scholing.

Het systeem van beroepsregistratie moet de bureaucratie in de uitvoering terugdringen en de ruimte voor de professional vergroten. Dat gaat hand in hand. Een professional die handelingsbekwaam is en zeker is van zijn capaciteiten en zijn positie, zal minder geneigd zijn tot defensief handelen, indekgedrag en overmatige registratie. Vooral in de jeugdsector, waar incidenten een grote impact hebben op het imago en het zelfvertrouwen van de hulpverlener, is dit van groot belang. Als vakbekwamere professionals meer professionele ruimte krijgen om te doen wat nodig is, kunnen meer cliënten doeltreffender en in minder tijd geholpen worden. Op termijn leidt deze kwaliteitsverbetering tot meer budgettaire ruimte, zodat er meer opleidingsbudget beschikbaar komt. De mate waarin dit in de praktijk gerealiseerd wordt, kan nog niet worden aangetoond omdat het systeem nog in de kinderschoenen staat en zijn vruchten nog moet afwerpen.

Overigens is het niet zo dat alle opleidingskosten nieuw of extra zijn. Ook nu wordt in alle sectoren geïnvesteerd in de opleiding van de medewerkers.

Nota van toelichting Besluit Jeugdwet

In de nota van toelichting wordt een periode van vijf jaar en drie maanden genoemd als overgangsfase voor beroepsbeoefenaren voor registratie. De leden van de CDA-fractie constateren echter dat de overgangsfase voor zorgaanbieders voor het toepassen van de norm van verantwoorde werktoedeling slechts één jaar is. Deze leden vragen of deze termijn reëel is voor de gehandicaptenzorg om toe te werken naar deze voor de sector nieuwe vorm van kwaliteitsborging. Zij vragen zich af of voor zorgaanbieders in de gehandicaptenzorg een overgangsfase van minimaal drie jaar niet beter zou zijn?

De overgangstermijn van één jaar ziet op de werktoedelingen binnen organisaties die niet voldoen aan de norm van de verantwoorde werktoedeling, met andere woorden: het betreft werk dat ten onrechte niet is toegedeeld aan een geregistreerde professional of aan een andere beroepsbeoefenaar omdat die ander over bijzondere deskundigheden beschikt. Het professionaliseringstraject is ingezet om de kwaliteit van de jeugdzorg/jeugdhulp te verbeteren. Het moet mogelijk zijn binnen een jaar de organisatie zodanig aan te passen dat gewerkt wordt overeenkomstig de norm van de verantwoorde werktoedeling. Wij achten het niet wenselijk dat die termijn opgerekt wordt tot drie jaar. Van organisaties mag verlangd worden dat zij zich actief opstellen om de norm van de verantwoorde werktoedeling in hun organisaties te implementeren.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is de (her)registratie-eisen van beroepen vallende binnen het kwaliteitsregister aan te passen op de daadwerkelijke positionering, het (beroeps)niveau en inzet van deze beroepsbeoefenaren binnen de jeugdhulp. Zij vragen tevens of het mogelijk is overgangsmaatregelen te treffen voor beroepsgroepen die jeugdhulp uitvoeren, waarvoor beroepsregistratie nog niet mogelijk is?

Vaststelling van de registratie-eisen is een zaak van het kwaliteitsregister jeugd. Het kwaliteitsregister jeugd zal bij het van start gaan de registratie-eisen van de betrokken beroepsverenigingen overnemen. Aanpassing van die eisen zal plaatsvinden na overleg met de betrokken beroepsverenigingen en na advisering door de raad van advies. Daardoor zullen de registratie-eisen aansluiten bij de behoeften van het veld. Zoals al eerder aangegeven willen wij in het Besluit een bepaling opnemen die een invoeringstermijn regelt voor beroepen waarvoor in een later stadium een mogelijkheid tot registratie in het leven wordt geroepen.

Vragen en opmerkingen van de PVV-fractie

Toegang tot jeugdhulp en advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling

De leden van de PVV-fractie vinden het onvoorstelbaar dat er geen specifieke deskundigheidseisen worden gesteld bij de toegang en vragen wie uiteindelijk verantwoordelijk is, wanneer de kwaliteit van zorg hierdoor in gevaar komt?

Er zijn in de Jeugdwet en het Besluit eisen opgenomen die borgen dat een deskundige met de juiste kennis en vaardigheden de taken rondom de toegang uitvoert. Het is aan gemeenten om de concrete toegang tot de jeugdhulp te organiseren naar eigen inzicht, mits ze deze normen in acht nemen. Artikel 2.3 van de Jeugdwet bepaalt expliciet dat de gemeente een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en inzet van de jeugdhulp moet waarborgen. De gemeente zal daarom deskundige professionals in moeten zetten. In artikel 2.1 van het Besluit wordt dat nader geëxpliciteerd door voor te schrijven op welke gebieden relevante deskundigheid beschikbaar dient te zijn. Hiermee is geborgd dat verwijzing naar jeugdhulp deskundig plaatsvindt. Tevens is de gemeente op basis het Besluit verplicht om de norm van verantwoorde werktoedeling toe te passen. Voor de toegang houdt dit in dat de taken moeten worden uitgevoerd door werkers die zijn opgenomen in het kwaliteitsregister jeugd óf door BIG-geregistreerde professionals. Tenzij aangetoond kan worden dat de toedeling van het werk aan niet geregistreerde professional de kwaliteit niet nadelig beïnvloedt of noodzakelijk is voor de kwaliteit van de hulpverlening.

Gemeenten dienen in hun verordening aan te geven hoe zij een deskundige toeleiding naar jeugdhulp vormgeven. Op uiterlijk 1 november 2014 moeten de gemeente een verordening en het beleidsplan hebben vastgesteld. Het is aan de gemeenteraad om hierop toe te zien.

De leden van de PVV-fractie vragen zich af of de termijn van 5 dagen waarin na een melding besluitvorming over nader onderzoek moet komen, niet te lang is. Als besloten wordt tot nader onderzoek, dan dient dit onderzoek zo spoedig mogelijk te zijn afgerond. De uiterste termijn hiervoor is tien weken. De leden van de PVV-fractie vinden een termijn van weken niet spoedig en vragen waarop deze termijn is gebaseerd.

Binnen die termijn dient het AMHK ook een oordeel te hebben gevormd over de uitkomsten van het onderzoek en de eventuele vervolgstappen. In ernstige situaties dient het AMHK direct te handelen. Hoe kan er direct gehandeld worden als de termijn voor besluitvorming over wel of geen onderzoek binnen vijf dagen plaats moet vinden?

In artikel 4.1.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is opgenomen dat het AMHK binnen vijf dagen na ontvangst van een melding, nadat is vastgesteld dat onderzoek moet plaatsvinden, het onderzoek naar kindermishandeling of huiselijk geweld dient te starten. Binnen deze vijf dagen vindt de triage plaats. Dit houdt in dat het AMHK op basis van de inhoud van de melding en op basis van een risicotaxatie tot een besluit komt over de noodzakelijke vervolgstappen naar aanleiding van de melding.

Binnen vijf dagen na de melding moet niet alleen besluitvorming hebben plaatsgevonden over nader onderzoek, maar dient het onderzoek ook daadwerkelijk te starten. Als de ernst van de melding daartoe aanleiding geeft, dan zal uiteraard direct het onderzoek gestart worden.

De termijn van vijf dagen is gelijk aan de termijn in het huidige Uitvoeringsbesluit Wjz inzake de doorlooptijden van het AMK. Vijf dagen is een uiterste termijn in gevallen waarin het AMHK op basis van summiere informatie bij een melding, nadere gegevens moet vergaren. In de meeste gevallen wordt veel sneller dan vijf dagen het besluit genomen of nader onderzoek nodig is.

Uit onderzoek naar de praktijk van de huidige AMK’s blijkt dat de gemiddelde doorlooptijd voor een onderzoek rond de tien weken ligt (de quickscan naar overlap taken raad voor de kinderbescherming en AMK, Boer en Croon, 2010). In het Uitvoeringsbesluit Wjz staat de doorlooptijd voor het AMK onderzoek op dertien weken. Gelet op het belang van het kind en de ambitie om in het nieuwe stelsel juist tot kortere en efficiëntere doorlooptijden te komen, is ervoor gekozen dat het AMHK zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen tien weken oordeelt tot welke stappen een onderzoek aanleiding geeft. Het AMHK moet wel voldoende tijd hebben om een onderzoek zorgvuldig uit te voeren en in gesprek met ouders, kinderen en de sociale omgeving te komen tot een juiste inschatting van de situatie. Dit kan de inzet van een kinderbeschermingsmaatregel voorkomen. Een maximale termijn van minder dan tien weken is uit dat oogpunt niet verantwoord. In crisissituaties waarbij onmiddellijk duidelijk is dat sprake is van kindermishandeling, schakelt het AMHK overigens direct de raad voor de kinderbescherming in.

Kwaliteit van jeugdhulp, certificering.

De leden van de PVV-fractie signaleren dat de in het Besluit opgenomen kwaliteitseisen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering minimaal van aard zijn. Deze eisen zijn overgenomen uit het Uitvoeringsbesluit van de Wjz, waarbij alleen de strikt noodzakelijke eisen zijn overgenomen. Dit vanwege de ruimte die aan de professional moet worden gegeven en ook ter beperking van de administratieve lasten. De leden van de PVV-fractie vragen waarom ook hier is gekozen voor minimale kwaliteitseisen.

Kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering mogen alleen worden uitgevoerd door instellingen die hiervoor gecertificeerd zijn. Een instelling verkrijgt een certificaat als is voldoen aan de eisen gesteld in het normenkader, zoals opgenomen in de Regeling normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering (Staatscourant 2014, nr. 17362). Dit certificeringsstelsel is bedoeld om de kwaliteit van de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering te borgen. Daarnaast gelden de kwaliteitseisen uit de Jeugdwet en het Besluit voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Bepaalde eisen die in het Uitvoeringsbesluit Wjz stonden, zijn thans opgenomen in het normenkader.

Daarnaast moeten de professionals die werkzaam zijn bij gecertificeerde instellingen voldoen aan de professionaliseringseisen, zoals opgenomen in de Jeugdwet en het Besluit.

Professionalisering

De leden van de PVV-fractie vragen of zij het goed begrijpen dat de gemeenten, verantwoordelijk voor de jeugdzorg, de globale norm van de verantwoorde hulp verder moet invullen met het veld en diezelfde gemeente het toezicht moet houden en vragen zich af wat dit zegt over de wens tot een goede kwaliteit?

In tegenstelling tot wat deze leden lijken te concluderen, wordt met «de met het toezicht belaste ambtenaren» in het kader van de Jeugdwet niet gedoeld op ambtenaren van de gemeente. Op grond van artikel 9.2 van de Jeugdwet worden louter ambtenaren van de Rijksinspectie belast met het toezicht op de naleving van de Jeugdwet. Om misverstanden te voorkomen zal dit in de toelichting bij het Besluit Jeugdwet worden verduidelijkt. Het toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen en het handhavende optreden zal uitgevoerd worden door de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Inspectie Jeugdzorg en de Inspectie VenJ gezamenlijk. De betrokkenheid van de Rijksinspectie bij het opstellen van het kwaliteitskader in het kader van de professionalisering moet dan ook in dat licht worden gezien.

De leden van de PVV-fractie geven aan dat het opstellen van een adequaat hulpverleningsplan bij het leveren van verantwoorde hulp hoort en vragen of er, als er een plan is, dus sprake is van verantwoorde hulp?

Op grond van artikel 4.1.1 van de Jeugdwet dienen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verantwoorde hulp te bieden. Dat artikel geeft onder meer aan dat daaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. Het opstellen van een plan en het uitvoeren van de hulp op basis van dat plan is een belangrijk aspect van het bieden van verantwoorde hulp. De artikelen 4.1.2 en 4.1.3 schrijven dan ook expliciet voor dat een (familiegroeps)plan wordt gehanteerd. Dat betekent echter niet dat het opstellen van een plan automatisch leidt tot verantwoorde hulp; het is slechts een van de belangrijke aspecten daarvan.

De norm van verantwoorde werktoedeling bepaalt dat organisaties in het jeugddomein het werk binnen hun organisatie moeten toedelen aan een geregistreerde professional, tenzij zij aannemelijk kunnen maken dat werktoedeling aan anderen niet leidt tot kwaliteitsverlies dan wel dat het juist noodzakelijk is aan anderen dan de geregistreerde professional dat werk toe te delen (comply or explain). De leden van de PVV-fractie vragen hoe groot de kans wordt geacht dat dit daadwerkelijk gaat gebeuren en of gemeenten aanvullende eisen mogen stellen zoals het alleen inzetten van geregistreerde professionals en wat in het bevestigende geval de gevolgen hiervan zijn voor de kwaliteit en de werkgelegenheid.

De norm van de verantwoorde werktoedeling zorgt ervoor dat professionals worden ingezet op gebieden waarop zij deskundig zijn. De afweging of een geregistreerde professional moet worden ingezet wordt aan de werkgever gelaten die hierbij wordt gefaciliteerd door het kwaliteitskader ter operationalisering van de norm van verantwoorde werktoedeling. De inspanningen die alle veldpartijen zich getroosten om samen vorm geven aan het kwaliteitskader voor het brede jeugddomein doen vermoeden dat dit kader in de praktijk vaak zal worden toegepast.

Het staat gemeenten vrij om aanvullende eisen te stellen, zolang die eisen niet conflicteren met de norm van de verantwoorde werktoedeling. Zoals geldt voor alle keuzes die gemeenten maken in de contractering zullen ook deze keuzes consequenties hebben voor de kwaliteit en de werkgelegenheid.

De leden van de PVV-fractie zijn nog steeds van mening dat de gekozen weg van professionalisering niet de weg is naar een betere kwaliteit, maar zelfs tot kwaliteitsverlies kan leiden. Het bezwaar tegen de wijziging van de wet in het kader van de professionalisering blijft dan ook onverminderd van kracht.

Beroepsregistratie is één van de mogelijke manieren om kwaliteitsbevordering en professionalisering van de beroepsbeoefenaar te stimuleren. De regering kiest in de Jeugdwet voor het instrument van beroepsregistratie uit de overtuiging dat de vakbekwaamheid het meest gediend is door zelfregulatie van beroepen via een structuur van beroepsregistratie en tuchtrecht. Inschrijving in een beroepsregister is niet alleen een stimulans voor vakbekwaamheid. De registratie sterkt ook de verbondenheid met de professionele standaarden. Door inschrijving in een register te koppelen aan een systeem van tuchtrechtelijke handhaving in geval van overtreding van beroepsethische normen worden de professionals zich bij de uitvoering van taken meer bewust van de voor hun geldende professionele standaarden. Door het beroep als professie te omschrijven krijgen hulpverleners een grotere autonomie, vakbekwaamheid, maar ook een sterkere verantwoordelijkheid in de zin van levenslang leren, reflecteren en het zich verhouden tot beroepscode en tuchtrecht. Groot pluspunt van de registratie is het feit dat professionals zelf de inschatting maken of in unieke ingewikkelde situaties waar iets is misgegaan, de professionals volgens de geldende professionele standaarden en «state of the art» hebben gehandeld. Het kwaliteitsregister jeugd is openbaar. Opdrachtgevers en cliënten kunnen in het register zien of een hulpverlener is geregistreerd. Voor jongeren en ouders biedt dat houvast.

Kwaliteitsregister

De leden van de PVV-fractie geven aan dat de vraag zich opdringt waarom niet is gekozen voor een publiekrechtelijk register en waarom niet is gekozen voor aansluiting bij het BIG-register. De reden daarvoor is dat er tussen de diverse beroepen die werkzaam zijn in het jeugddomein verschillen in ontwikkeling bestaan. De leden geven aan dat een deel van de beroepen binnen het jeugddomein al wel valt onder publiekrechtelijk beroepsregistratie conform de Wet BIG (bijv. gezondheidszorgpsychologen), een deel is recent gestart met een privaatrechtelijke vorm van beroepsregistratie (bijv. hbo-jeugdzorgwerkers), een ander deel heeft al ruime ervaring met privaatrechtelijke beroepsregistratie (bijv. orthopedagogen en psychologen) en voor weer een ander deel is beroepsregistratie een nieuw element in de kwaliteitsborging (bijv. hbo-ers in de vb sector). De leden van de PVV-fractie vragen zich af of zij hieruit mogen opmaken dat registratie via het BIG-register op termijn wel tot de mogelijkheden gaat behoren.

De reden dat niet is aangesloten bij het BIG-register betreft niet alleen de verschillen in de fase van de ontwikkeling. Een andere zwaarwegende reden dat niet gekozen is voor aansluiting bij het BIG-register, is dat dit register beperkt is tot beroepen in de individuele gezondheidszorg. Jeugdhulp valt voor een groot deel buiten dit domein, maatschappelijk werk wordt bijvoorbeeld niet tot de individuele gezondheidszorg gerekend. De professionalisering binnen de jeugdzorg/jeugdhulp is, voor zover geen sprake is van beoefenaars van BIG-beroepen, nog in ontwikkeling. Wij sluiten niet uit dat wanneer de beroepsontwikkeling voldoende is uitgekristalliseerd, voor de sector van de jeugdhulp ook overgegaan zal worden op een publiekrechtelijke beroepsregistratie vergelijkbaar met het BIG-register.

Overige bepalingen

De leden van de PVV-fractie vragen waarom vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven over het algemeen dezelfde rechten krijgen als rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, gezien de enorme bezuinigingen die worden doorgevoerd. Heeft de regering niet de verantwoordelijkheid om eerst voor zijn eigen burgers te zorgen en wat zijn de kosten die aan dit besluit hangen, zo vragen de leden.

Er is voor gekozen om het systeem dat onder de Wjz gold te handhaven. Dit is in lijn met de Grondwet, het IVRK en andere Internationale verdragen. Niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen hebben net als onder de Wet op de jeugdzorg (Wjz) over het algemeen dezelfde rechten als rechtmatig verblijvende vreemdelingen. Daar zijn geen extra kosten mee gemoeid.

De leden van de PVV-fractie vragen of de ouderbijdrage ook gaat gelden voor de groep niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. Als dat zo is, hoe groot wordt de kans geacht dat deze groep daadwerkelijk gaat betalen, zo willen de leden weten. En als de ouderbijdrage niet gaat gelden waarom dan niet.

Net zoals onder de Wjz is er ook in het Besluit geen uitzondering gemaakt voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. Aan deze groep kan dus een ouderbijdrage worden gevraagd. Het is bekend dat over het algemeen niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen niet draagkrachtig zijn.

Evaluatie en monitoring

De leden van de PVV-fractie vragen of evaluatie na één jaar niet noodzakelijk is, gezien de alom vertegenwoordigde twijfels over de invoering van deze wet?

Tijdens de wetsbehandeling is bij amendement bepaald dat de evaluatie van de Jeugdwet niet na vijf, maar na drie jaar plaatsvindt. Voor een stelselwijziging van deze omvang is dat al behoorlijk snel. Gemeenten, jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en alle andere betrokkenen bij het nieuwe jeugdstelsel dienen vanaf 1 januari 2015 eerst de nodige ervaring op te doen in het nieuwe stelsel, voordat relevante uitspraken over de werking van het instrumentarium van de Jeugdwet als zodanig kunnen worden gedaan. De wetsevaluatie eerder laten plaatsvinden, bijvoorbeeld al na één jaar, achten wij dan ook niet zinvol. Dat neemt niet weg dat het meerwaarde kan hebben om tussentijds onderzoek op onderdelen van de stelselwijziging te doen om eerste ontwikkelingen op die onderdelen in beeld te brengen. Wij zullen dit opnemen in het evaluatiekader voor de Jeugdwet waarover wij uw Kamer eind dit jaar informeren.

Gevolgen voor de regeldruk

De leden van de PVV-fractie constateren dat, zoals reeds in de memorie van toelichting bij de Jeugdwet is aangegeven, aan de Jeugdwet geen landelijke kwantitatieve doelstelling van vermindering regeldruk gekoppeld, evenmin als aan de andere decentralisaties (de Wmo 2015 en de Participatiewet). Dit geldt ook voor het onderhavige besluit dat gegrond is op de Jeugdwet. Waarom niet, zo vragen deze leden.

Evenals voor de Jeugdwet is voor dit Besluit pas vast te stellen wat de effecten voor de regeldruk zijn als gemeenten hun nieuwe beleidsverantwoordelijkheden hebben vormgegeven.

De introductie van de norm van de verantwoorde werktoedeling betekent dat toezichthouders zich er van dienen te vergewissen dat voldaan wordt aan de norm van de verantwoorde werktoedeling. Dit past binnen de taakinvulling van de inspecties. Er is geen sprake van administratieve lasten voor burgers. Wel zal de kwaliteitsverbetering van de professional leiden tot een betere kwaliteit van de dienstverlening en een kortere doorlooptijd. De leden van de PVV-fractie vragen hoe groot de administratieve lasten in deze zijn voor de zorgaanbieders.

Organisaties moeten bewaken dat werknemers hun registratie op orde hebben. De nalevingskosten voor organisaties zullen tot een minimum beperkt worden, omdat het kwaliteitsregister gaat over de registraties en hierover communiceert met de professional. De werkgever kan in de reguliere functionerings- of begeleidingsgesprekken met de werknemer aandacht besteden aan de activiteiten die nodig zijn om op registratieniveau te blijven.

De inspectie houdt toezicht op het naleven van de norm van de verantwoorde werktoedeling. De aanbieder zal desgevraagd verantwoording dienen af te leggen aan de inspectie. Hierbij kan worden verwezen naar het door veldpartijen gezamenlijk opgestelde kwaliteitskader, dat handvatten biedt voor het toepassen van de norm. Verantwoording achteraf is onvermijdelijk. Het alternatief zou zijn dat te allen tijde voor werktoedelingen vooraf de instemming van de inspectie zou moeten worden verkregen. Dat is ondoenlijk en doet ook geen recht aan de verantwoordelijkheid van de aanbieders van jeugdhulp. Het leidt daarnaast tot een onnodige toename van administratieve lasten voor de aanbieder.

Vragen en opmerkingen van de D66-fractie

Toegang tot jeugdhulp en advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling

De leden van de D66-fractie constateren dat als door het AMHK besloten wordt tot nader onderzoek, dit uiterlijk binnen tien weken moet zijn afgerond. Deze leden vragen waarom voor een ruime termijn van tien weken is gekozen daar het advies van de Raad voor de Kinderbescherming is deze termijn te verkorten?

Uit onderzoek naar de praktijk van de huidige AMK’s blijkt dat de gemiddelde doorlooptijd voor een onderzoek rond de tien weken ligt (de quickscan naar overlap taken raad voor de kinderbescherming en AMK, Boer en Croon, 2010). In het Uitvoeringsbesluit Wjz staat de doorlooptijd voor het AMK onderzoek op dertien weken. Gelet op het belang van het kind en de ambitie om in het nieuwe stelsel juist tot kortere en efficiëntere doorlooptijden te komen, is ervoor gekozen dat het AMHK zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen tien weken oordeelt tot welke stappen een onderzoek aanleiding geeft. Het AMHK moet wel voldoende tijd hebben om een onderzoek zorgvuldig uit te voeren en in gesprek met ouders, kinderen en de sociale omgeving te komen tot een juiste inschatting van de situatie. Dit kan de inzet van een kinderbeschermingsmaatregel voorkomen. Een maximale termijn van minder dan tien weken is uit dat oogpunt niet verantwoord. In crisissituaties waarbij onmiddellijk duidelijk is dat sprake is van kindermishandeling, schakelt het AMHK overigens direct de raad voor de kinderbescherming in.

Professionalisering

De leden van de D66-fractie constateren dat op dit moment door veldpartijen gewerkt wordt aan het kwaliteitskader dat een operationalisering is van de norm van de verantwoorde werktoedeling en dat dit eind 2014 dient te worden vastgesteld. Deze leden vragen naar de voortgang van dit vaststellingsproces en of de verwachting is dat dit tijdig wordt afgerond.

Op 19 juni 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 31 839, nr. 391) hebben wij uw Kamer een brief doen toekomen van de Stuurgroep ontwikkeling kwaliteitskader jeugd over de voortgang van hun werkzaamheden. Uit de brief van de Stuurgroep blijkt dat betrokkenen de ontwikkeling van het kwaliteitskader jeugd voortvarend hebben opgepakt. Ondanks de verschillen tussen de huidige sectoren verwacht men erin te slagen voor het einde van het jaar een operationalisering van de norm van de verantwoorde werktoedeling op te leveren.

De leden van de D66-fractie constateren dat de overgangsfase voor zorgaanbieders voor het toepassen van de norm van verantwoorde werktoedeling een jaar is. Deze leden vragen of het mogelijk is deze overgangsfase met minimaal een jaar te verlengen, teneinde de implementatie van het kwaliteitskader Jeugdwet goed en zorgvuldig vorm te geven.

De overgangstermijn van één jaar ziet op de werktoedelingen binnen organisaties die niet voldoen aan de norm van de verantwoorde werktoedeling, met andere woorden: het betreft werk dat ten onrechte niet is toegedeeld aan een geregistreerde professional of aan een andere beroepsbeoefenaar omdat die ander over bijzondere deskundigheden beschikt. Het professionaliseringstraject is ingezet om de kwaliteit van de jeugdzorg/jeugdhulp te verbeteren. Het moet mogelijk zijn binnen een jaar de organisatie zodanig aan te passen dat gewerkt wordt overeenkomstig de norm van de verantwoorde werktoedeling. Wij achten het niet wenselijk die termijn met minimaal een jaar op te rekken. Van organisaties mag verlangd worden dat zij zich actief opstellen om de norm van de verantwoorde werktoedeling in hun organisaties te implementeren.

De leden van de D66-fractie vragen waarom de Staatssecretaris onder de geregistreerde professional niet alle beroepen verstaat die vallen binnen de artikel 3 en 14 van de Wet BIG.

Het zou niet stroken met de Jeugdwet om alle beroepen die binnen de artikelen 3 en 14 van de Wet BIG vallen als beroep op te nemen. Immers, een aantal die genoemd wordt in artikel 3 van de Wet BIG (tandarts, apotheker, fysiotherapeut en verloskundige), heeft geen rol binnen het begrip jeugdhulp en dus ook niet binnen de Jeugdwet. Daarom is gekozen voor beroepsbeoefenaren die als arts, verpleegkundige, gezondheidszorgpsycholoog of psychotherapeut zijn ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG. De beroepsbeoefenaren op grond van artikel 14 van de Wet BIG zijn niet opgenomen, omdat het specialisaties van de in artikel 3 van de Wet BIG genoemde beroepen betreft. Bijvoorbeeld het beroep van psychiater is een specialisatie van het basisberoep arts en een arts is aangewezen als beroepsbeoefenaar die is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3 Wet BIG.

De leden van de D66-fractie stellen dat het kwaliteitsregister jeugd van toepassing wordt voor alle jeugdhulp, maar dat het slechts toegankelijk wordt voor beroepsbeoefenaren die behoren bij een van de voordragende beroepsverenigingen aangesloten categorieën van beroepsbeoefenaren. Dit betekent dat beroepen die niet in de jeugdzorg voorkomen als nieuw worden gezien. Deze leden stellen vast dat nieuwe beroepen straks zijn aangewezen op het vinden van een plek bij een beroepsvereniging die reeds gerechtigd is tot aanwijzing van een bestuurslid. De leden van de D66-fractie vragen waarom voor deze constructie gekozen is en hoe voorkomen wordt dat dit een extra drempel betekent voor «nieuwe» beroepen die geen beroepsvereniging hebben die hen vertegenwoordigt?

Voor de betrokkenheid van een beroepsvereniging is bewust gekozen. Door de betrokkenheid van een beroepsvereniging worden in het bestuur van de registerstichting personen benoemd die affiniteit hebbent met de beroepsgroep. Zonder beroepsvereniging vindt er geen ontwikkeling plaats van professionele standaarden waaraan tuchtrechtelijk getoetst kan worden. De registerstichting is verplicht met de beroepsverenigingen overleg te voeren over de vaststelling van de registratievoorwaarden. Indien de vaststelling van de registratievoorwaarden zonder de nodige deskundigheid geschiedt, indien er binnen de groep van beroepsbeoefenaren geen professionele standaarden worden ontwikkeld en indien er mede daardoor ook geen adequaat systeem van normhandhaving in het leven kan worden geroepen, biedt beroepsregistratie weinig tot geen meerwaarde.

Een belangrijke registratievoorwaarde is dat de betrokkene minimaal geschoold is op hbo-niveau, Ten aanzien van de mbo beroepsbeoefenaren die reeds werkzaam zijn in het primaire jeugddomein constateren de leden van de D66-fractie dat wordt gekozen voor een overgangstermijn, waarin zij zich kunnen omscholen. Deze leden vragen de Staatssecretaris, met het oog op eventuele capaciteitsproblemen, voor hoeveel personen deze «regeling zal gelden. Om aanspraak te maken op de overgangsfase registratie, moeten beroepsbeoefenaren wel binnen drie maanden een aanvraag tot registratie hebben gedaan. Deze leden vragen op welke wijze deze drie maanden termijn met het veld wordt gecommuniceerd.

Het ontwerp van de registratie-eisen zal, in het kader van de aanvraag voor erkenning van het kwaliteitsregister jeugd, aan ons worden voorgelegd. Pas op dat moment zijn ons de exacte eisen bekend. Wel kunnen we al melden dat bij de start van het kwaliteitsregister jeugd de registratie-eisen van de drie betrokken beroepsverenigingen zullen worden overgenomen.

De termijn van drie maanden is door de leden van de STIP-J gecommuniceerd aan haar achterban.

De leden van de D66-fractie stellen vast dat sommige beroepsbeoefenaren zich zowel in het kwaliteitsregister jeugd als het BIG-register kunnen inschrijven. Zij willen weten waarom deze mogelijkheid is opengehouden en vragen of dit bijvoorbeeld kan betekenen dat bij normoverschrijding een beroepsbeoefenaar wel uit het kwaliteitsregister jeugd wordt geschrapt, maar niet uit het BIG register? Zij willen weten hoe de samenloop van deze registers is vormgegeven?

De registerstichting stelt voor het kwaliteitsregister de registratie-eisen vast. Die eisen zien op de kwaliteiten van de beroepsbeoefenaar. De vraag of een beroepsbeoefenaar wellicht ook nog voor een ander beroep geregistreerd is, doet aan de kwaliteiten van die beroepsbeoefenaar niets af en behoort dus ook geen rol te spelen.

Ook binnen het kader van de Wet BIG, dat formeel acht verschillende registers kent, is het mogelijk om in meerdere registers te worden ingeschreven. Het komt voor dat een beroepbeoefenaar niet alleen als arts-psychiater is geregistreerd, maar ook als psychotherapeut. Dat is mogelijk als de betrokkene aan zowel de registratie-eisen van arts als van psychotherapeut voldoet. Bovendien kan een beroepsbeoefenaar een zeer te rechtvaardigen belang hebben bij dubbele registratie.

De leden van de D66-fractie constateren terecht dat het mogelijk is dat een beroepsbeoefenaar wordt geschrapt uit het kwaliteitsregister jeugd en dat doorhaling uit het BIG-register niet plaatsvindt. Doet zich een dergelijke situatie voor, dan zal de organisatie moeten onderzoeken of toedeling van werk aan een dergelijke beroepsbeoefenaar nog altijd leidt tot verantwoorde hulp. Immers, de omstandigheid dat werk wordt toegedeeld aan een geregistreerde jeugdprofessional, vrijwaart een organisatie niet van de verplichting verantwoorde hulp te verlenen.

De leden van de D66-fractie constateren dat een organisatie ook beroepsbeoefenaren die niet geregistreerd zijn in het BIG-register of het kwaliteitsregister jeugd zullen kunnen worden belast met werkzaamheden binnen de jeugdhulp, indien voldaan is aan de criteria van de «tenzij-bepaling». Deze leden vragen of dit betekent dat er in het primaire proces, dus in het daadwerkelijk uitvoeren van jeugdhulptaken, niet-geregistreerde hbo- en wo-professionals kunnen worden ingezet. Zo ja, hoe wordt voor deze professionals dan de permanente bij- en nascholing aantoonbaar geborgd en hoe wordt geborgd dat zij werken volgens beroepsnormen waarop zij ook aanspreekbaar zijn?

De constatering van de leden van de D66-fractie is in beginsel juist. Ervan uitgaande dat de organisatie die het werk toedeelt zich zal beroepen op de uitzonderingsgrond dat geen sprake is van een nadelige invloed op de kwaliteit van de uit te voeren taken, rust op die organisatie de verplichting aannemelijk maken dat de toedeling aan die niet geregistreerde hbo-of wo-professional geen nadelige invloed heeft op de kwaliteit van de uitoefening van de taken. Hoewel het op voorhand niet is uit te sluiten, ligt het niet voor de hand dat de afwezigheid van een nadelige invloed aannemelijk kan worden gemaakt. De kwaliteit van de taakverrichting door beroepsbeoefenaren op wie niet de verplichting rust hun vak bij te houden door middel van bij- en nascholing en voor wie een professionele standaard niet veel meer is dan een vrijblijvendheid, omdat deze niet door tuchtrecht gehandhaafd kan worden, zal niet snel als gelijkwaardig aan die door een geregistreerde hbo- of wo-professional kunnen worden aangemerkt. Doet zich een situatie voor dat een organisatie werk ten onrechte toedeelt als door de leden van de D66-fractie geschetst, dan kan zo nodig door middel van bestuursdwang die organisatie worden gecorrigeerd.

Het door de veldpartijen te ontwikkelen kwaliteitskader geeft aan of bepaalde werktoedelingen een juiste uitvoering geven aan de norm van de verantwoorde werktoedeling. Dat kader wordt juist opgesteld om organisaties het nodige comfort te bieden bij de toepassing van die norm.

Gevolgen voor de regeldruk

De leden van de D66-fractie stellen vast dat de ophoging van het scholingsbudget budgetneutraal plaatsvindt door een verschuiving van inzet van middelen. Deze leden vragen de Staatssecretaris nader toe te lichten om welke bedragen het hier gaat en tussen welke posten hier geschoven wordt.

Het systeem van beroepsregistratie wil de bureaucratie in de uitvoering terugdringen en de ruimte voor de professional vergroten. Dat gaat hand in hand. Als vakbekwamere professionals meer professionele ruimte krijgen om te doen wat nodig is, kunnen meer cliënten doeltreffender en in minder tijd geholpen worden. Op termijn leidt deze kwaliteitsverbetering tot meer budgettaire ruimte, zodat er meer opleidingsbudget beschikbaar komt. De mate waarin dit in de praktijk gerealiseerd wordt kan nog niet worden aangetoond omdat het systeem nog in de kinderschoenen staat en zijn vruchten nog moet afwerpen.

Overigens is het niet zo dat alle opleidingskosten nieuw of extra zijn. Ook nu wordt gelukkig in alle sectoren geïnvesteerd in de opleiding van de medewerkers.

Ontvangen reacties en adviezen

De leden van de D66-fractie stellen vast dat er een onderscheid gemaakt wordt tussen rechtmatig en niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. Zij vragen hoe dit zich verhoudt tot het Internationaal Verdrag ter bescherming van de Rechten van het Kind. Zij vragen met name, waarom de bepaling is opgenomen dat voor deze kinderen verblijf in een instelling de voorkeur verdient boven verblijf in een pleeggezin, en waarom niet alleen het belang van het kind wordt opgenomen als criterium bij het kiezen van de omgeving waar het kind zal verblijven.

Allereerst zij opgemerkt dat de huidige formulering is overgenomen uit het Uitvoeringsbesluit Wjz en dat er derhalve niets verandert ten opzichte van de huidige situatie, die in lijn is met de Grondwet, het IVRK en andere Internationale verdragen. Het belang van het kind is als uitgangspunt genomen: indien het noodzakelijk is in het belang van het kind, kan de niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling in een pleeggezin worden opgenomen. Het college dient dit wel te motiveren. Verblijf in een instelling verdient de voorkeur boven verblijf bij een pleeggezin, vanuit de gedachte dat de omstandigheden van een niet-rechtmatig verblijvende jongere snel kunnen wisselen. Zo kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd vervallen of kan adequate opvang in het land van herkomst worden gerealiseerd.

De leden van de D66-fractie constateren dat met betrekking tot de verwijsindex professionals hebben aangegeven het noodzakelijk te achten de kring van meldingsbevoegden uit te breiden met onder anderen artsen, GGZ, ziekenhuizen en verplegers. Deze leden vragen of de Staatssecretaris wil toelichten, waarom deze signalen uit het veld worden genegeerd en deze groepen niet integraal meldingsbevoegd worden?

Bij de tussenevaluatie van de Verwijsindex Risicojongeren is in oktober 2012 gebleken dat er behoefte was aan uitbreiding van de kring meldingsbevoegden met onder andere artsen, GGZ, ziekenhuizen en verplegers. Op basis van deze uitkomst is destijds voorgenomen om tot deze uitbreiding van meldingsbevoegden te komen door wijziging van de regelgeving.

De GGZ is in artikel 7.1.3, eerste lid, onder c, van het Besluit opgenomen als meldingsbevoegd. Hierbij geldt dat de jeugd-ggz onder de Jeugdwet onder de categorie jeugdhulpaanbieder valt en dusdanig als meldingsbevoegd is opgenomen in artikel 7.1.1, onder c, van het Besluit. De GGZ is dus integraal meldingsbevoegd.

Voor zover bij een meldingsbevoegde instantie verplegers werkzaam zijn, kunnen zij op grond van artikel 7.1.1.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Jeugdwet worden aangewezen als meldingsbevoegde functionaris.

In artikel 7.1.3, tweede lid, van het Besluit worden instanties die huisartsenzorg aanbieden, aangewezen als meldingsbevoegd. In artikel 7.1.3, eerste lid, onder e, van het Besluit worden ziekenhuizen aangewezen, voor zover het betreft de afdelingen Spoedeisende hulp. Daarmee zijn niet alle artsen en niet de gehele ziekenhuizen meldingsbevoegd. De reden hiervoor is dat sinds de tussenevaluatie van de verwijsindex naar aanleg van de Jeugdwet gebleken is dat in brede zin het continueren van de verwijsindex ter discussie stond. Dit vanuit de vraagstelling of de meerwaarde van de verwijsindex opweegt tegen de privacy-aspecten. Ook bij de behandeling van de Jeugdwet door uw Kamer zijn daar diverse vragen over gesteld. Een en ander heeft ertoe geleid dat vooruitlopend op de evaluatie van de verwijsindex die in het najaar 2014 gaat plaatsvinden terughoudendheid is betracht met het uitbreiden van de kring meldingsbevoegden. Gezien het zicht dat huisartsen hebben op hun patiënten en de bijzondere positie van afdelingen Spoedeisende hulp bij calamiteiten is vooralsnog volstaan met deze afbakening van meldingsbevoegden vanuit de geneeskundige zorg. Het is goed denkbaar dat de komende evaluatie van de verwijsindex aanleiding geeft tot heroverweging van deze afbakening.

Naar boven