Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201631753 nr. 114

31 753 Rechtsbijstand

Nr. 114 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 maart 2016

In mijn brief van 11 februari jl.1 heb ik u geïnformeerd over de – na consultatie van alle betrokken partijen (OM, politie, KMar, Bijzondere Opsporingsdiensten, NOvA en Raad voor Rechtsbijstand)- genomen maatregelen om het recht van verdachten op bijstand van een raadsman tijdens hun verhoor door de politie (of een andere opsporingsinstantie) al per 1 maart 2016 in de praktijk te kunnen effectueren. Dit naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608.

Eén van de genomen maatregelen betreft de regeling van een grondslag voor de vergoeding aan advocaten voor verleende verhoorbijstand in de piketfase. Deze (forfaitaire) vergoeding is door mij vastgesteld op 1,5 punt voor lichte zaken (misdrijven waarvoor inverzekeringstelling mogelijk is) en 3 punten voor zware zaken (12- jaarsfeiten, dodelijk slachtoffer/zwaar lichamelijk letsel en zware zedenzaken)2. Daarmee is voorzien in een verhoging van 50% ten opzichte van de bestaande vergoeding voor verhoorbijstand bij minderjarigen.

De Raad voor rechtsbijstand heeft deze vergoeding opgenomen in een beleidsregel die onlangs in de Staatscourant is gepubliceerd. Daarnaast heeft het College van procureurs-generaal een beleidsbrief opgesteld, met een instructie voor de verschillende opsporingsdiensten (politie, KMar en BOD» en) hoe met ingang van heden uitvoering te geven aan het recht op verhoorbijstand. Deze brief is gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad en op het wetsvoorstel tot implementatie van Richtlijn 2013/48/EU inzake het recht op toegang tot een raadsman in strafprocedures (Kamerstuk 34 157) en het daarbij behorende ontwerpbesluit inrichting en orde politieverhoor, zoals momenteel bij uw Kamer aanhangig.

Naar aanleiding van de vaststelling van deze (tijdelijke) vergoedingsregeling en de in de OM-beleidsbrief opgenomen regels ten aanzien van de rol en bevoegdheden van de advocaat tijdens het verhoor hebben de specialisatieverenigingen van strafrechtadvocaten (NVSA en NVJSA) mij verzocht overleg te voeren over deze twee aspecten. Vanzelfsprekend heb ik dat verzoek ingewilligd.

Voor wat betreft de rol en bevoegdheden van de advocaat tijdens het verhoor is door de strafrechtadvocaten aangegeven dat de toepasselijke regeling per 1 maart, zoals opgenomen in de door het OM opgestelde en in de Staatscourant gepubliceerde beleidsbrief, advocaten onvoldoende ruimte zou bieden om tijdens het verhoor rechtsbijstand aan de verdachte te verlenen. Zo zouden advocaten tijdens het verhoor niets mogen zeggen en enkel vooraf en na afloop opmerkingen mogen maken.

Dit beeld behoeft bijstelling. De orderegels uit de beleidsbrief, die zijn ontleend aan het wetsvoorstel en het ontwerpbesluit ter implementatie van Richtlijn 2013/48/EU inzake het recht op toegang tot een raadsman in strafprocedures (Kamerstuk 34 157, nrs. 2 en 3), laten voldoende ruimte voor adequate rechtsbijstand tijdens het verhoor. De raadsman kan wel degelijk aan het verhoor deelnemen en tijdens het verhoor een interventie plaatsen.

De raadsman mag naast de verdachte aan de verhoortafel plaatsnemen. Hij mag voor aanvang en na afloop van het verhoor alle opmerkingen maken en vragen stellen die hem dienstig voorkomen. Hij moet daartoe in de gelegenheid worden gesteld. De raadsman is tijdens het verhoor bevoegd de verhorende ambtenaar erop opmerkzaam te maken dat de verdachte een vraag niet begrijpt, dat er ongeoorloofde druk op de verdachte wordt uitgeoefend (overtreding pressieverbod) of dat de toestand van de verdachte zodanig is dat deze een verantwoorde voortzetting van het verhoor verhindert. Daarnaast is de raadsman (of de verdachte) bevoegd om ten minste eenmaal om onderbreking van het verhoor te vragen voor onderling overleg. Bovendien mag de raadsman tijdens het verhoor aantekeningen maken en wordt hij na afloop van het verhoor in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken bij de weergave van het verhoor in het proces-verbaal.

Daarmee zijn er voldoende mogelijkheden voor deelname aan het verhoor. Het is juist dat deze mogelijkheden met deze regels aan grenzen zijn gebonden. Dat spoort met het karakter van het verhoor als middel van opsporing. Het kan onder omstandigheden nodig zijn de verdachte aaneengesloten en indringend te bevragen. Een ongeclausuleerd inventierecht zou dat verhinderen. Meer in het algemeen geldt dat het verhoor niet het karakter heeft van een vrijblijvend gesprek. De voor verhoor opgehouden verdachte bevindt zich in een situatie die hij niet zelfstandig kan beëindigen. Hij moet dulden dat hem vragen worden gesteld.

Hiermee wordt op adequate wijze uitvoering gegeven aan de bovengenoemde EU-richtlijn. Artikel 3 van die richtlijn bepaalt namelijk dat de raadsman bij het verhoor aanwezig mag zijn en daaraan «overeenkomstig procedures in het nationale recht» daadwerkelijk mag deelnemen. Deze procedures kunnen die deelname regelen, onder de voorwaarde dat zij de daadwerkelijke uitoefening en essentie van het recht onverlet laten. Dat betekent dat ook de mogelijkheden voor het stellen van vragen en het maken van opmerkingen tijdens het verhoor kunnen worden gereguleerd, zo lang de deelname van de raadsman aan het verhoor is verzekerd. Dat is met deze regels mijns inziens het geval.

Ten aanzien van de vastgestelde vergoeding is door de strafrechtadvocaten aangegeven dat de hoogte van deze vergoeding niet in verhouding zou staan tot de reële tijdsbesteding die samenhangt met het verlenen van verhoorbijstand in de eerste fase van het opsporingsonderzoek. In een poging om aan deze bezwaren tegemoet te komen heb ik na overleg met de NVSA en NVJSA geopperd de vergoeding voorlopig te verhogen totdat duidelijk is of dat in de praktijk daadwerkelijk benodigd is. Deze tijdelijke tegemoetkoming zou dan weer worden teruggedraaid als daartoe geen noodzaak zou blijken te zijn. Deze gedachte is door de vertegenwoordigers van deze organisaties afgewezen.

Om verantwoorde uitspraken te kunnen doen over de vraag wat een redelijke vergoeding is heb ik aangekondigd de praktijk op dit punt te gaan monitoren. Uit de registratiesystemen van de politie zijn zonder nader onderzoek geen betrouwbare gegevens te destilleren om uitspraken te kunnen doen over de gemiddelde duur en het gemiddelde aantal verhoren in deze fase. De op korte termijn te starten monitor zal snel inzicht moeten bieden in de werkelijke tijdsbesteding die gemoeid is met het bijwonen van verhoren door advocaten. Op basis van deze monitor (waarvan de eerste resultaten eind mei worden verwacht) zal ik bezien of de puntvergoeding aanpassing behoeft.

Ik reken erop dat de advocatuur zal zorgen voor voldoende en tijdig beschikbare advocaten om ervoor te zorgen dat het recht op verhoorbijstand voor verdachten snel en effectief kan worden geëffectueerd.

Wellicht ten overvloede meld ik u dat ik de door uw Kamer gestelde vragen naar aanleiding van mijn brief van 11 februari jl. (Kamerstuk 31 753, nr. 112) zo spoedig mogelijk zal beantwoorden.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Kamerstuk 31 753, nr. 112.

X Noot
2

1 punt staat voor een bedrag van € 105,61.