Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201631753 nr. 112

31 753 Rechtsbijstand

Nr. 112 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 februari 2016

In vervolg op mijn brief van 15 januari jl. (Kamerstuk 31 753, nr. 111) informeer ik u, vooruitlopend op de plenaire behandeling van het betreffende wetsvoorstel tot implementatie van Richtlijn 2013/48/EU inzake het recht op toegang tot een raadsman in strafprocedures (Kamerstuk 34 157), graag nader over de wijze waarop door de opsporingspraktijk uitvoering zal worden gegeven aan de uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608, inhoudende dat met ingang van 1 maart 2016 toepassing moet worden gegeven aan de regel dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie (of een andere opsporingsinstantie).

Om dit recht per 1 maart a.s. in de praktijk te kunnen effectueren zijn na consultatie van alle betrokken partijen (OM, politie, KMar, Bijzondere Opsporingsdiensten, NOvA en Raad voor Rechtsbijstand) de volgende maatregelen genomen.

In afwachting van de inwerkingtreding van het bovengenoemde wetsvoorstel heeft het College van procureurs-generaal een beleidsbrief opgesteld, met een instructie voor de verschillende opsporingsdiensten (politie, KMar en BOD» en) hoe per 1 maart uitvoering te geven aan het recht op verhoorbijstand. Deze brief is gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad en op het hierboven vermelde wetsvoorstel en het daarbij behorende ontwerpbesluit inrichting en orde politieverhoor, zoals momenteel bij uw Kamer aanhangig. In de beleidsbrief is tevens aangegeven hoe deze zich verhoudt tot de geldende Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor (2010A007).

De belangrijkste wijzigingen/maatregelen die in de beleidsbrief worden geregeld zijn:

  • De opsporingsinstantie moet de verdachte in ieder geval voorafgaand aan het eerste verhoor en – waar van toepassing – voor de inverzekeringstelling actief wijzen op zijn recht op verhoorbijstand;

  • Als de verdachte te kennen heeft gegeven dat hij verhoorbijstand wenst, moet de opsporingsinstantie ervoor zorgen dat dit recht wordt geëffectueerd;

  • Het verhoor kan alleen zonder raadsman aanvangen indien de verdachte expliciet afstand heeft gedaan van zijn recht op verhoorbijstand of wanneer sprake is van een dringende noodzaak om met het verhoor te starten.

Conform het uitgangspunt dat voor de regeling van het recht op verhoorbijstand wordt aangesloten bij de regeling zoals opgenomen in het wetsvoorstel, worden naast aangehouden verdachten per 1 maart a.s. ook voor verhoor uitgenodigde verdachten gewezen op hun recht op verhoorbijstand.

De Raad voor Rechtsbijstand heeft vooruitlopend op aanpassing van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr) een beleidsregel opgesteld, waarin de grondslag voor vergoeding aan advocaten voor verleende verhoorbijstand in de piketfase is opgenomen. De (forfaitaire) vergoeding voor advocaten die verhoorbijstand verlenen in piketzaken bedraagt per 1 maart a.s. 1,5 punt voor lichte zaken (misdrijven waarvoor inverzekeringstelling mogelijk is) en 3 punten voor zware zaken (12- jaarsfeiten, dodelijk slachtoffer/zwaar lichamelijk letsel en zware zedenzaken). Deze vergoedingsregeling geldt zowel voor verhoren van meerderjarige- als van minderjarige verdachten.

De vergoeding is daarmee 50% hoger dan de huidige vergoeding voor verhoorbijstand bij minderjarigen en daarmee ook 50% hoger dan waarmee rekening werd gehouden op het moment van indienen van het hierboven genoemde wetsvoorstel bij de Tweede Kamer. Daarbij heb ik nadrukkelijk overwogen dat ik vanuit de advocatuur signalen heb ontvangen dat de oorspronkelijk voorziene vergoeding te gering zou zijn. Ik meld u dat de advocatuur van mening is dat deze vergoedingen desondanks te laag zijn.

Wie is aangehouden op verdenking van een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten of voor verhoor op het bureau wordt uitgenodigd, wordt wel gewezen op het recht van bijstand door een raadsman tijdens het politieverhoor, maar de kosten zijn in dat geval voor eigen rekening van de verdachte.

De beleidsbrief van het Openbaar Ministerie en de beleidsregel van de Raad voor Rechtsbijstand worden gepubliceerd in de Staatscourant en zijn als bijlage bij deze brief gevoegd1. Deze beleidsregels omvatten de normen die tijdens het verhoor door de verhorende ambtenaar en de raadsman van de verdachte in acht moet worden genomen én voor het verstrekken van gefinancierde rechtsbijstand in gevallen die daarvoor in aanmerking komen.

Vanaf 1 maart 2016 zullen de bij verhoorbijstand betrokken partijen (opsporingsinstanties, advocatuur, Openbaar Ministerie, Raad voor Rechtsbijstand) op basis van de genoemde beleidsregels het recht op verhoorbijstand feitelijk vorm gaan geven. Doel moet zijn een praktijk te ontwikkelen die recht doet aan evidente belangen van zowel waarheidsvinding als van een eerlijk proces.

Deze praktijk zal gemonitord worden, met als doel verbeteringen aan te brengen op grond van praktijkervaringen. Ook zal de duur van de verhoren gemonitord worden. Doel daarvan is meer feitenmateriaal voorhanden te hebben om uitspraken te kunnen doen over de gemiddelde duur van de verhoren in de eerste fase van het voorbereidend onderzoek. Dat is een belangrijke indicator om te bezien of de vergoeding voor verhoorbijstand bijstelling behoeft. De Raad voor Rechtsbijstand zal bezien of voldoende advocaten beschikbaar zijn, zodat het recht op verhoorbijstand ook geëffectueerd kan worden.

Om na te gaan wat de organisatorische consequenties van de toepassing van het recht op verhoorbijstand zijn voor de politieorganisatie, zijn in opdracht van de politie recent twee impactanalyses uitgevoerd, te weten Impactanalyse

«Raadsman bij verhoor» – Effecten op landelijk niveau en «Raadsman bij verhoor» – Nadere (piek- en dal)analyse voor consultaties van eerste verhoren (zie bijlagen). De waarnemend korpschef van de politie heeft mij deze impactanalyses op 5 februari jl. doen toekomen. Deze impactanalyses volgen op eerdere impactanalyses die aan uw Kamer zijn toegezonden en die gebaseerd waren op het oorspronkelijke conceptwetsvoorstel Raadsman bij politieverhoor uit 2011. Naar aanleiding van de vaststelling van de eerder genoemde richtlijn 2013/48/EU is dit conceptwetsvoorstel gesplitst in een wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn (Kamerstuk 34 157) en een separaat wetsvoorstel, dat een aanvulling van bepalingen in de eerste fase van het voorbereidend onderzoek bevat waarin het recht op toegang tot een raadsman kan worden ingebed (Kamerstuk 34 159). Beide wetsvoorstellen zijn bij uw Kamer aanhangig. De noodzaak van aanpassing van het oorspronkelijke conceptwetsvoorstel aan de minimumvoorschriften van de richtlijn heeft ertoe geleid dat het implementatiewetsvoorstel op onderdelen afwijkt van het oorspronkelijke conceptwetsvoorstel. Om inzicht te verkrijgen in de effecten van deze wijzigingen voor de politiepraktijk zijn nieuwe impactanalyses uitgevoerd.

De bij deze brief gevoegde nieuwe impactanalyses gaan uit van een bandbreedte waarbij in de lage variant wordt uitgegaan van een toename van 216 fte’s aan inzet van politie, een toename van 318 fte’s in de midden variant en een toename van 512 fte’s in de hoge variant. Op basis van de eerdere impactanalyses uit 2011 werd uitgegaan van een toename van 200 fte’s. Er wordt, zoals bij alle impactanalyses, gewerkt met aannames en schattingen hetgeen gebruikelijk is bij het berekenen van de impact van toekomstige wetgeving. De komende periode zal moeten uitwijzen welke variabelen uit de rekenmodellen van de impactanalyse zich zullen manifesteren en welke toename zich daadwerkelijk zal voordoen. Door middel van herprioritering bij de politie zal mogelijk worden gemaakt dat uitvoering wordt gegeven aan de wetsvoorstellen. Daarnaast zijn er incidentele kosten voor opleiding en instructie van politiemedewerkers en hulpofficieren van justitie en voor aanpassing van de huisvesting, totaal € 12 mln.

Voor de financiering hiervan is, zoals al vermeld in de memorie van toelichting bij de wetsvoorstellen2, dekking gevonden binnen de € 105 mln. die het kabinet voor de Nationale Politie heeft gereserveerd.

De politie heeft inmiddels maatregelen genomen om het recht op verhoorbijstand per 1 maart te kunnen organiseren. Zo zijn de regels uit de beleidsbrief van het College verder uitgewerkt in werkinstructies die binnenkort zullen worden gecommuniceerd aan alle betrokken politiemedewerkers.

Het effectueren van het recht op verhoorbijstand per 1 maart 2016 doet een groot beroep op alle individuele professionals in de strafrechtketen, zeker nu door de uitspraak van de Hoge Raad dit recht eerder dan verwacht geëffectueerd wordt. Ik heb er alle vertrouwen in dat alle betrokken partijen uitgaande van de eigen professionaliteit en met respect voor de professionaliteit van de ander, in staat zullen zijn de versnelde toepassing van dit recht in de praktijk verder vorm te geven en mogelijke knelpunten die zich in de aanvangsfase kunnen voordoen weg te nemen. Dit alles in het belang van de waarheidsvinding en van een eerlijk proces.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Kamerstuk 34 157, nr. 3, p. 58 en Kamerstuk 34 159, nr. 3, p. 21.