31 731 Integraal wetgevingsbeleid

P VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 12 december 2023

De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid1 en Binnenlandse Zaken2 hebben in hun gecombineerde commissievergadering van 12 september 2023 beraadslaagd over de brieven van 10 maart 2023 en 16 en 23 juni 2023 van de toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de «Staat van de Uitvoering (2022)».3 De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de PVV hebben naar aanleiding van deze brieven een aantal vragen en opmerkingen. De leden van de fractie van de BBB sluiten zich hierbij aan. Het lid van de fractie van OPNL sluit zich aan bij de vragen en opmerkingen van de GroenLinks-PvdA-fractie.

Naar aanleiding hiervan is op 22 september 2023 een brief gestuurd aan de Minister voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 11 december 2023 gereageerd.

De commissies brengen bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier voor dit verslag, Van Dooren

BRIEF VAN DE VOORZITTERS VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID EN BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Minister voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Den Haag, 22 september 2023

De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken hebben in hun gecombineerde commissievergadering van 12 september 2023 beraadslaagd over de brieven van 10 maart 2023 en 16 en 23 juni 2023 van de toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de «Staat van de Uitvoering (2022)».4 De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de PVV hebben naar aanleiding van deze brieven een aantal vragen en opmerkingen. De leden van de fractie van de BBB sluiten zich hierbij aan. Het lid van de fractie van OPNL sluit zich aan bij de vragen en opmerkingen van de GroenLinks-PvdA-fractie.

Vragen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben met grote belangstelling kennisgenomen van de «Staat van de Uitvoering». Het moge duidelijk zijn dat ook de Eerste Kamer invloed heeft op het functioneren van de overheid als geheel. Voor zover het de Eerste Kamer betreft gaan de leden ook met collega’s het gesprek aan over de eigen rol in de noodzakelijke verbeteringen.

Vertrouwen

Het goed functioneren van de overheid is cruciaal voor het vertrouwen van burgers in de overheid. Juist in de uitvoering treffen burger en overheid elkaar. Het is dus van groot belang dat we een goede «Staat van de Uitvoering» bereiken. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarover de volgende vragen:

  • Deelt het kabinet deze analyse? Zo nee, waarom niet?

  • Is de «Staat van de Uitvoering» eenduidig vast te stellen? En welk perspectief is daarbij het uitgangspunt? Graag een reflectie hierop.

  • Hoe oordeelt het kabinet over de huidige «Staat van de Uitvoering»?

  • Wat is het ambitieniveau van het kabinet? Hoe ziet het kabinet de monitoring voor zich? Hoe is vast te stellen dat het ambitieniveau bereikt is?

  • Binnen hoeveel tijd wil het kabinet het ambitieniveau bereiken?

Het goed functioneren van de overheid is cruciaal voor het vertrouwen van burgers in de overheid.

  • Is het omgekeerde ook waar? Is het vertrouwen van de overheid in de burger cruciaal voor het functioneren van de burger? Graag een reflectie hierop.

  • Is vertrouwen in de burger als basisuitgangspunt daarom randvoorwaardelijk om tot een goede «Staat van de Uitvoering» te komen?

  • Hoe ziet het kabinet de relatie tussen het vertrouwen van de burger in de overheid, het vertrouwen van de overheid in de burger en de «Staat van de Uitvoering»?

Uit onderzoek blijkt dat bevolkingsgroepen met een lager opleidingsniveau en een lager inkomen duidelijk minder tevreden zijn over en minder vertrouwen hebben in de overheid.

  • Wat is volgens de regering de verklaring hiervoor? Is dit mogelijk te verklaren omdat deze groepen afhankelijker zijn van de overheid en/of vaker met de overheid te maken hebben?

  • Is deze constatering een reden om de aanpak ter verbetering van de «Staat van de Uitvoering» juist op deze groepen te richten?

  • Is deze constatering een reden om bij de monitoring van de resultaten van de «Staat van de Uitvoering» ook in te zoomen op deze groepen? Ervaren zij voortgang?

Herijking programma Werk aan Uitvoering

Op meerdere plekken in de kabinetsreactie is te lezen dat het verbeteren van de «Staat van de Uitvoering» lang gaat duren. Dat is niet wenselijk. Wij zijn daarom blij om te lezen dat het kabinet tot de conclusie is gekomen dat er meer nodig is om tot veranderingen te komen en dat er gewerkt wordt aan een herijking van het werkprogramma van Werk aan Uitvoering. Eind dit jaar wordt een voorstel gepresenteerd om te komen tot een nadere invulling en concretisering van een vereenvoudigingsagenda.

  • Kan het kabinet aangeven welke aanpassingen voorzien zijn?

Fundamentele weeffouten

In deze «Staat van de Uitvoering» wordt een indringend beroep gedaan op de politiek en de beleidsmakers om samen met de publieke dienstverleners ook de fundamentele weeffouten in het onderliggend systeem van beleid maken en uitvoeren kritisch te beschouwen en mee te bewegen naar een andere manier van samenwerken, over de domeinen heen.

  • Wat zijn volgens het kabinet de fundamentele weeffouten in het onderliggend systeem van beleid maken en uitvoeren?

  • Deelt het kabinet de visie van de leden van de fractie GroenLinks-PvdA dat er fundamentele aanpassingen nodig zijn om de fundamentele weeffouten aan te pakken? Zo ja, welke aanpassingen ziet het kabinet voor zich? Zo nee, waarom niet?

  • Is volgens het kabinet een fundamentele aanpassing nodig in de rollen, bevoegdheden en onderlinge samenwerking tussen de verschillende overheden om tot een goede «Staat van de Uitvoering» te komen?

Communicatie van overheid met burgers

In de «Staat van de Uitvoering» is te lezen «Veel wetgeving sluit niet goed aan bij de leefwereld van burgers. Er zijn 2,5 miljoen laaggeletterde burgers in Nederland die problemen hebben om met de overheid te communiceren, niet in het minst door de steeds verdere digitalisering van de overheid. Een deel van deze groep burgers is sterk afhankelijk van de overheid en heeft daar steeds minder vertrouwen in. Dit proces van afnemend vertrouwen ondermijnt de legitimiteit van het overheidshandelen».5 Hierover hebben genoemde leden volgende vragen:

  • Wat vindt het kabinet van het idee van de Nationale ombudsman om te komen tot een «recht op persoonlijk contact voor burgers». Dus iemand van vlees en bloed die een burger te woord staat en op weg helpt.

  • Het is de leden van de fractie GroenLinks-PvdA een doorn in het oog dat het de overheid te vaak niet lukt om eenvoudige brieven te schrijven aan haar burgers. Ondanks de veelheid aan goed bedoelde taalprojecten. Is dit wellicht een onderwerp om een meer fundamentele aanpassing te doen? Bijvoorbeeld door een «retoursticker» op te nemen bij onleesbare brieven/mails met een verplichting voor de overheid om contact op te nemen. Graag een reflectie hierop.

Kabinetsreactie bestaande financiële kaders

In de kabinetsreactie op de Staat van de Uitvoering lezen we «In deze brief gaan wij in op hoe, binnen de bestaande financiële kaders, aan de vijf oproepen uit dit rapport gehoor wordt gegeven».6 Hierover hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de volgende vragen:

  • Wat wordt precies bedoeld met «de bestaande financiële kaders» en waarom is voor dit uitgangspunt gekozen?

  • Het is niet ondenkbaar dat juist wijzigingen van financiële kaders (bijvoorbeeld van beleidsafdeling naar uitvoering of van het ene ministerie naar het andere) nodig zijn om de uitvoeringkracht te versterken. Deelt het kabinet dit uitgangspunt?

  • Is het kabinet bereid om bij de volgende «Staat van de Uitvoering» ook buiten de bestaande financiële kaders te denken en eventueel voorstellen te doen?

Vereenvoudigingsinitiatieven

In de kabinetsreactie lezen genoemde leden «In algemene zin is het van belang dat uitvoeringsorganisaties de dilemma’s waar professionals mee worstelen in de uitvoering inzichtelijk maken en deze signalen delen met het kabinet en het parlement. Het kabinet waardeert daarom dat – sinds de oproep van het kabinet twee jaar geleden – veel uitvoeringsorganisaties van de centrale overheid en inspecties dit doen door een Stand van de Uitvoering dan wel Stand van het Toezicht uit te brengen (...) Dit biedt tevens concrete aanknopingspunten voor verdere vereenvoudigingsinitiatieven».7 Hierover hebben de leden de volgende vragen:

  • Alles valt of staat met de wijze waarop deze rapportages van de uitvoeringsorganisaties, met vereenvoudigingsvoorstellen, handen en voeten krijgen. Kan het kabinet aangeven hoe dat nu gebeurt?

  • Krijgen de uitvoeringsorganisaties een reactie op hun verbetervoorstellen? Met daarin een motivatie waarom voorstellen wel/niet worden overgenomen? Is dat een ambtelijke of een bestuurlijke reactie?

  • Is het kabinet het met ons eens dat de uitvoeringsorganisaties een openbare inhoudelijke reactie dienen te krijgen op de concrete verbetervoorstellen?

Gezamenlijke uitvoering van overheden

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft recent een «Staat van de Uitvoering» uitgebracht.8

  • Kan het kabinet inhoudelijk op deze rapportage reageren?

Kerncompetenties overheidsmedewerkers

Het functioneren van de overheid wordt, zoals in alle organisaties, voor een belangrijk deel bepaald door de mensen die het werk doen. Het verbeteren van het functioneren van de overheid als geheel en een betere «Staat van de Uitvoering» hangen dus nauw samen met een visie op de kerncompetenties van ambtenaren en het daaruit volgende personeelsbeleid van de overheid. Hierover hebben de leden van de fractie GroenLinks-PvdA enkele vragen.

  • Wat is de visie van het kabinet op de kerncompetenties van ambtenaren in het licht van het verbeteren van de «Staat van de Uitvoering»?

  • Deelt het kabinet de constatering dat een belangrijke knop voor de verbetering van het functioneren van de overheid als geheel en een betere «Staat van de Uitvoering» samenhangt met het gevoerde personeelsbeleid en de opbouw van het personeelsbestand? In de «Staat van de Uitvoering» staan diverse passages die hieraan raken. Bijvoorbeeld:

    • o «(...) bestuurlijke sensitiviteit de belangrijkste competentie is bij de werving van medewerkers. Het is de vraag of de uitvoering daarmee geholpen is. Deze aanpak lijkt de eerder beschreven departementale cultuur te bevestigen, die vooral gericht is op het uit de wind houden van de Minister.»9

    • o «In de top van de departementen is ervaring in de uitvoering maar in beperkte mate aanwezig.»10

  • Welke effectieve maatregelen ziet het kabinet voor zich?

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben begrepen dat het kabinet voornemens is om een kenniscentrum op te zetten binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dat gericht is op het delen van kennis en kunde over bestaande oplossingen in de uitvoeringspraktijk en op het effectiever en efficiënter datagedreven laten werken van overheidsorganisaties. Hierover hebben de leden de volgende vragen:

  • Wordt bij het opzetten van dit kenniscentrum externe kennis ingehuurd? Zo ja, hoeveel?

  • Is het kabinet het met de leden van GroenLinks-PvdA eens dat het belangrijk is om te investeren in eigen kunde en kennis van de overheid?

  • Hoe kijkt het kabinet in algemene zin aan tegen de inzet van consultants binnen de overheid?

  • Is het kabinet voornemens om rijksbreed te investeren in kennis en kunde om zo de afhankelijkheid van derden te verminderen voor het goed functioneren van haar rechtsstatelijke taak?

  • Is het kabinet het met deze leden eens dat het voor de uitvoering van de publieke taak en het handhaven van publieke waarden het van fundamenteel belang is dat de (rijks)overheid een sterke en daarmee inhoudelijk deskundige partij moet zijn binnen het maatschappelijk krachtenveld?

  • Is het kabinet het met de leden eens dat dit ook geldt voor het goed functioneren van de democratische rechtsstaat?

  • Kan het kabinet erop reflecteren en motiveren hoe hieraan op korte termijn invulling aan kan worden gegeven, dan wel de praktische invulling kan worden voorbereid, in afwachting van een nieuw kabinet?

  • Is het kabinet bij de verdere uitwerking verder voornemens meer aandacht te besteden aan de rol die praktische kennis en kunde, kortweg praktijkervaring, dient te krijgen?

  • Is het kabinet het met deze leden eens dat ook praktijkervaring in eigen huis van groot belang is voor een realistisch beeld van wat de uitvoerbaarheid van regelgeving nodig heeft? Is het kabinet voornemens om in navolging van het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport rijksbreed ambtenaren mede te werven op grond van praktijkervaring, ook als de benodigde diploma’s voor de functie soms ontbreken? Op welke wijze past het kabinet daarnaast praktijkervaring buiten de eigen organisatie toe? Is het kabinet voornemens dit al vanaf het vroegste stadium te doen?

  • Tot slot vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op welke wijze het kabinet monitort of de gewenste tegenspraak en kritisch denken vanuit de ambtelijke dienst ook daadwerkelijk leidt tot dit gedrag? Op welke wijze is «zicht» georganiseerd op het belonen dan wel bestraffen van kritische geluiden, (onder meer) ten aanzien van de uitvoerbaarheid binnen de ministeries als dit geluid schijnbaar de politieke besluitvorming in de weg zit?

Al het overheidshandelen is toetsbaar op behoorlijk bestuur, dus ook de uitvoering. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur lijken de laatste jaren op de achtergrond te zijn geraakt. Onder meer het Toeslagenschandaal en de fraudelijst bij de Belastingdienst laten zien dat deze beginselen niet meer een leidraad zijn. Ten tijde van de laatste kabinetsformatie heeft de ambtenarenvakbond CMHF een noodkreet geuit over de staat van de ambtelijke dienst.11 Zij roepen op tot een deltaplan om de vakkennis van ambtenaren op een hoger niveau te brengen, met onder meer een leergang voor jonge en oudere ambtenaren gericht op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

  • Kan het kabinet aangeven hoe zij deze algemene beginselen waardeert?

  • Is het kabinet het met de leden eens dat deze algemene beginselen leidend moeten zijn bij al het overheidshandelen, dus ook en juist in de uitvoering?

  • Indien die laatste vraag bevestigend wordt beantwoord, wat is het kabinet voornemens te doen om te bewerkstelligen dat deze algemene beginselen door de uitvoering ook daadwerkelijk en proactief worden toegepast? Is het kabinet voornemens de vakkennis van de ambtenaren werkzaam in die uitvoering ook op dit punt te vergroten, waartoe de vakbond in 2021 al opriep? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?

Betrokkenheid uitvoering bij beleid

De «Staat van de Uitvoering» roept ertoe op de uitvoering vanaf het prille begin bij de beleidsvorming te betrekken. Het kabinet ondersteunt deze aanbeveling. Uiteraard is het belangrijk om de uitvoering vanaf het begin aan tafel te hebben. Maar belangrijker is nog dat de suggesties/kennis van de uitvoerders serieus worden meegewogen bij de uiteindelijke besluitvorming. Meepraten alleen is niet genoeg. Daarom ontvangen de leden graag een reflectie van het kabinet op onderstaande mogelijke aanpassing in de positionering van de uitvoeringsorganisaties:

  • Uitvoeringsorganisaties expliciet vragen om een onafhankelijk advies op de eindversie van de beslisnota aan Minister/Staatssecretaris. En deze adviezen ook aan de beide Kamers sturen.

Reflectie op ervaringen elders

In de «Staat van de Uitvoering» wordt geconstateerd dat «een belangrijke belemmering voor goed beleid de verkokering van de Rijksoverheid is. In een verkokerde dienst is samenwerking over de grenzen van de organisatie niet vanzelfsprekend. Enkele goede voorbeelden en initiatieven daargelaten is de ongeschreven regel eerder die van non-interventie».12 Ook de «ministeriële verantwoordelijkheid kan een belemmering zijn voor ambtenaren om integraal, opgavegericht en coöperatief te handelen. Als alternatief wordt er regelmatig gewezen op de voordelen van het Zweedse model, waarin relatief grote uitvoeringsorganisaties aangestuurd worden vanuit kleine beleidsdepartementen en waar Ministers gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor besluiten. De departementale verkokering werkt door in de sturing van uitvoeringsorganisaties. Organisatie- of domeinoverstijgende samenwerking is zelden expliciet onderdeel van de opdracht aan uitvoeringsorganisaties. Ze worden daar dus ook niet op beoordeeld».13

  • Graag een reflectie van het kabinet op dit alternatief?

  • Is het kabinet bereid om de voor- en nadelen hiervan op een rijtje te zetten?

Vragen van de leden van de fractie van de PVV

Op pagina 4 van de brief van 16 juni 2023 staat: «In algemene zin is het van belang dat uitvoeringsorganisaties de dilemma’s waar professionals mee worstelen in de uitvoering inzichtelijk maken en deze signalen delen met de regering en het parlement. Het kabinet waardeert daarom dat – sinds de oproep van het kabinet twee jaar geleden veel uitvoeringsorganisaties van de centrale overheid en inspecties dit doen door een «Stand van de Uitvoering» dan wel «Stand van het Toezicht» uit te brengen. Ook gemeenten hebben in 2022 een eerste «Stand van de Uitvoering» uitgebracht.14 Voor waterschappen, provincies en veiligheidsregio’s is dit nog een nieuw fenomeen. Het kabinet onderstreept het belang van het inzichtelijk maken en het bespreken van de knelpunten uit de praktijk en hoopt daarom dat deze trend zich verder voortzet, met name voor (semi-)publieke dienstverleners die direct raken aan de leefwereld van mensen en bedrijven. Dit biedt tevens concrete aanknopingspunten voor verdere vereenvoudigingsinitiatieven.»15

Naar aanleiding hiervan merken de leden van de fractie van de PVV het volgende op:

Een gedegen beleidsvoorbereiding is hard nodig om de uitdagingen waar ons land voor staat het hoofd te bieden en de samenleving optimaal te bedienen. Hierbij zijn de perspectieven van mensen en bedrijven en uitvoerbaarheid naast die van rechtmatigheid en doelmatigheid van belang.

«Om de loketfunctie van de overheid te verbeteren onderzoekt het Ministerie van BZK – met gemeenten en uitvoeringsorganisaties – hoe de knelpunten rondom gegevensdeling kunnen worden opgelost. In eerste instantie zal op kleine schaal worden beproefd hoe de gegevensdeling vorm kan krijgen, waarna kan worden opgeschaald.»16 Naar aanleiding van de volgende passage op pagina 8 van de brief van 16 juni 2023 hebben de leden van de PVV-fractie een aantal vragen:

  • Kunt u aangeven wat het kabinet heeft gedaan en/of nog van plan is te gaan doen om waterschappen, provincies en veiligheidsrisico’s te stimuleren om ook een «Stand van de Uitvoering» uit te voeren, mocht dat nog niet zijn gebeurd?

  • Op welke manier wordt gewaarborgd inzake het komen tot een gedegen beleidsvoorbereiding, waarbij aandacht is voor perspectieven van mensen en bedrijven en uitvoerbaarheid naast die van rechtmatigheid en doelmatigheid en waarbij er ook serieus aandacht is voor meningen en informatie die mogelijk haaks staan op nu geldende uitgangspunten?

  • Wordt er inzake gegevensdeling ten behoeve van de loketfunctie van de overheid op welke manier dan ook gebruik gemaakt van Artificial Intelligence (AI)? Zo ja, op welke manier en kunt u aangeven wat is en/of wordt ondernomen om de risico’s en afhankelijkheid van AI tot een minimum te beperken?

De leden van de fractie van de PVV ontvangen op de vragen graag een gemotiveerd antwoord.

De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken zien uw reactie – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, B.O. Dittrich

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, I.M. Lagas MDR

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 december 2023

Hierbij bied ik uw Kamer de antwoorden aan op de schriftelijke vragen die zijn gesteld aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties door uw Kamer naar aanleiding van de brieven van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de «Staat van de Uitvoering». Deze vragen werden ingezonden op 22 september 2023 met kenmerk 173739U.

Ik bied uw Kamer deze antwoorden aan mede namens de Minister voor Armoede, Participatie en Pensioenen.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Digitalisering en Koninkrijksrelaties, A.C. van Huffelen

Antwoorden op schriftelijke vragen aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) naar aanleiding van brieven van de Minister van BZK over de «Staat van de Uitvoering»

Algemeen

Vragen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben met grote belangstelling kennisgenomen van de «Staat van de Uitvoering». Het moge duidelijk zijn dat ook de Eerste Kamer invloed heeft op het functioneren van de overheid als geheel. Voor zover het de Eerste Kamer betreft gaan de leden ook met collega’s het gesprek aan over de eigen rol in de noodzakelijke verbeteringen.

Vertrouwen

Het goed functioneren van de overheid is cruciaal voor het vertrouwen van burgers in de overheid. Juist in de uitvoering treffen burger en overheid elkaar. Het is dus van groot belang dat we een goede «Staat van de Uitvoering» bereiken. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarover de volgende vragen:

Vraag 1

Deelt het kabinet deze analyse? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Het kabinet deelt deze analyse. De kern daarbij is dat wat de politiek zegt, uitvoerbaar moet zijn. In de Kabinetsreactie op de Staat van de Uitvoering 2022 (Kamerstuk 29 362, nr. 336) wordt dit nader toegelicht.

Vraag 2

Is de «Staat van de Uitvoering» eenduidig vast te stellen? En welk perspectief is daarbij het uitgangspunt? Graag een reflectie hierop.

Antwoord

Het uiteindelijke perspectief is de mate waarin de overheid de publieke waarde weet te realiseren voor de burgers en bedrijven in Nederland. Voor de Staat van de Uitvoering zijn de rode draden gedestilleerd uit de knelpuntenrapporten of Standen van Uitvoering van tientallen uitvoeringsorganisaties17. Daarbij is voor deze eerste publicatie gefocust op zelfstandige bestuursorganen, agentschappen en diensten van de centrale overheid met enige omvang, die bovendien dichtbij burgers en bedrijven staan. Daarnaast vergaarden wetenschappers en onafhankelijke onderzoeksbureaus nieuwe kennis over: dienstverlening en beleidsimpact; focus in de keten van politiek tot balie; organisatiecultuur en wendbaarheid; en governance en informatievoorziening. De inzichten uit al deze onderzoeken en analyses zijn in reflectiesessies teruggekoppeld aan en besproken met uitvoerders en beleidsmakers. De hieruit voortgekomen inzichten zijn gedeeld met bestuurders van betrokken organisaties. Door deze grondige aanpak is een vrij betrouwbaar beeld geschetst van de uitvoering – waar veel goed gaat, maar waar de toekomstbestendigheid van de publieke dienstverlening onder druk staat.

Vraag 3

Hoe oordeelt het kabinet over de huidige «Staat van de Uitvoering»?

Antwoord

Hiervoor verwijzen wij u naar de kabinetsreactie op de Staat van de Uitvoering (Kamerstuk 29 362, nr. 336).

Vraag 4

Wat is het ambitieniveau van het kabinet? Hoe ziet het kabinet de monitoring voor zich? Hoe is vast te stellen dat het ambitieniveau bereikt is?

Antwoord

In zowel de Kabinetsreactie op de rapporten Werk aan Uitvoering (Kamerstuk 29 362, nr. 290) als de Kamerbrief «Stand van zaken programma Werk aan Uitvoering» (Kamerstuk 29 362, nr. 308) staat het ambitieniveau van het Kabinet beschreven. Beide Kamers worden jaarlijks geïnformeerd over de voortgang op het programma Werk aan Uitvoering. De eerste voortgangsrapportage is op 18 januari 2023 aan uw Kamer aangeboden (Kamerstuk 29 362, nr. 321).

Vraag 5

Binnen hoeveel tijd wil het kabinet het ambitieniveau bereiken?

Antwoord

Zoals opgenomen in de Overheidsbrede Werkagenda voor publieke dienstverlening (Kamerstuk 29 362, nr. 295) zijn deze ambities niet van vandaag op morgen gerealiseerd. Daarom is ingezet op een horizon van tien jaar, waarvan nu 2,5 jaar is verstreken. Uiteraard zullen ambities van het programma Werk aan Uitvoering ook na deze horizon van 10 jaar aandacht nodig hebben.

Vraag 6

Het goed functioneren van de overheid is cruciaal voor het vertrouwen van burgers in de overheid.

Is het omgekeerde ook waar? Is het vertrouwen van de overheid in de burger cruciaal voor het functioneren van de burger? Graag een reflectie hierop.

Vraag 7

Is vertrouwen in de burger als basisuitgangspunt daarom randvoorwaardelijk om tot een goede «Staat van de Uitvoering» te komen?

Vraag 8

Hoe ziet het kabinet de relatie tussen het vertrouwen van de burger in de overheid, het vertrouwen van de overheid in de burger en de «Staat van de Uitvoering»?

Antwoord

Het vertrouwen van de Nederlandse burger in parlement en regering is laag18. Het is beter gesteld met het vertrouwen in dienstverlenende – en als politiek neutraler waargenomen – overheidsinstituties zoals de gezondheidszorg, de politie en de rechterlijke macht. Een belangrijke bron voor het «politiek vertrouwen» van burgers is de waargenomen kwaliteit van het beleidsproces.19 Het tekortschieten op domeinen als volkshuisvesting, immigratie en veiligheid, het omgaan met de Groninger gaswinning en het Toeslagenschandaal hebben ongetwijfeld hun weerslag gevonden in het gedaalde vertrouwen van de burger in de «politieke overheid». Ook uit internationaal onderzoek blijkt dat de betrouwbaarheid van de overheid, vooral de mate waarin deze geacht wordt om te kunnen gaan met toekomstige crises zoals de uitbraak van een pandemie, een sterke relatie heeft met het vertrouwen van de burger in de overheid20.

Het denkkader waarmee beleidsmakers naar de burger kijken, beïnvloedt het proces van beleid maken. Zo bleek het gebrek aan vertrouwen in de burger in de toeslagenaffaire en de aanpak van fraude. Dit kan zeker zijn weerslag hebben op het functioneren van de burger in de bureaucratie. In het complexe woud van regelingen en administratieve handelingen bestaat voor de burger een reëel risico zelf een fout te maken, of door een fout van de overheid onjuist behandeld te worden. De mogelijke, vergaande gevolgen zijn sinds de toeslagenaffaire bekend. Zeker voor mensen met onvoldoende middelen (tijd, geld, doenvermogen) om een eventuele boete op te vangen of een rechtszaak te beginnen, kan dit besef leiden tot risicomijdend gedrag. De adviescommissie Versterken Weerbaarheid Democratische Rechtsorde komt tot de conclusie in zijn recente rapport 21 dat de visie van de overheid op de burger, onder meer het verbinden van te grote consequenties aan fouten, burgers doet afhaken. Relatief veel Nederlanders die onder het sociaal minimum leven, vragen geen aanvullende uitkering aan terwijl ze hier wel recht op hebben.22 Wil de uitvoering dus goed haar taken kunnen uitvoeren, vraagt dit ook dat burgers vertrouwen hebben in het goede functioneren van de uitvoering. Een goed wederzijds vertrouwen tussen de burger en de overheid is om die reden randvoorwaardelijk aan een goede «Staat van de Uitvoering».

Vraag 9

Uit onderzoek blijkt dat bevolkingsgroepen met een lager opleidingsniveau en een lager inkomen duidelijk minder tevreden zijn over en minder vertrouwen hebben in de overheid.

Wat is volgens de regering de verklaring hiervoor? Is dit mogelijk te verklaren omdat deze groepen afhankelijker zijn van de overheid en/of vaker met de overheid te maken hebben?

Antwoord

Dit kan samenhangen met de frequentie en het soort ervaringen van deze groepen met de overheid. Zo is de werkloosheid hoger onder mensen met een lager opleidingsniveau. Een burger die een uitkering aanvraagt heeft relatief vaak contact met de overheid.23 Wanneer er behalve werkloosheid bijvoorbeeld ook sprake is van schulden (multi-problematiek) gaat het ook nog om contacten met meerdere overheidsorganisaties, die niet altijd even goed samenwerken. De complexe regelingen zijn niet eenvoudig te begrijpen. De kans neemt toe dat in al die contacten iets misgaat. Wanneer dat zo is, heeft deze groep minder financiële mogelijkheden om zichzelf te beschermen. Dergelijke ervaringen, van henzelf of waarover zij van anderen in vergelijkbare posities hebben gehoord, kunnen het vertrouwen in de overheid verminderen.

Vraag 10

Is deze constatering een reden om de aanpak ter verbetering van de «Staat van de Uitvoering» juist op deze groepen te richten?

Antwoord

Bij de keuze voor verbeteringen moeten verschillende afwegingen worden gemaakt. Beleidsaanpassingen die voor alle gebruikers ervan gelden, kunnen verlichting brengen over de gehele linie. Maar er kan daarnaast ook gekeken worden naar hoe beleid en uitvoering uitwerken op specifieke subgroepen. Een geïntegreerd aanbod van oplossingen voor met elkaar samenhangende problemen zou bijvoorbeeld verbetering kunnen opleveren voor de boven beschreven bevolkingsgroepen met een praktisch opleidingsniveau en een lager inkomen.

Vraag 11

Is deze constatering een reden om bij de monitoring van de resultaten van de «Staat van de Uitvoering» ook in te zoomen op deze groepen? Ervaren zij voortgang?

Antwoord

Voor de Staat van de Uitvoering die in 2025 zal verschijnen, is een herhaling voorzien van het grootschalige onderzoek onder burgers en bedrijven, waarin wederom zal worden gekeken naar inkomens- en opleidingsniveau. Ook zal, net als in de editie 2022, onderzoek gedaan worden onder mensen met een lagere taalvaardigheid, met minder computervaardigheden en onder mensen met minder vaardigheid in het omgaan met de bureaucratie van de overheid.

Herijking programma Werk aan Uitvoering

Vraag 12

Op meerdere plekken in de kabinetsreactie is te lezen dat het verbeteren van de «Staat van de Uitvoering» lang gaat duren. Dat is niet wenselijk. Wij zijn daarom blij om te lezen dat het kabinet tot de conclusie is gekomen dat er meer nodig is om tot veranderingen te komen en dat er gewerkt wordt aan een herijking van het werkprogramma van Werk aan Uitvoering. Eind dit jaar wordt een voorstel gepresenteerd om te komen tot een nadere invulling en concretisering van een vereenvoudigingsagenda. Kan het kabinet aangeven welke aanpassingen voorzien zijn?

Antwoord

Zoals aangegeven in de Kabinetsreactie op de Staat van de Uitvoering (Kamerstuk 29 362, nr. 336) wordt op dit moment gewerkt aan de herijking van het Programma Werk aan Uitvoering. Met deze herijking brengen we focus aan op onderdelen in de publieke dienstverlening waar we de meeste impact voor mensen en bedrijven kunnen maken. Ook zal een nadere invulling en concretisering op het thema vereenvoudiging onderdeel zijn van deze herijking. Uw Kamer wordt uiterlijk begin volgend jaar hierover nader geïnformeerd.

Fundamentele weeffouten

In deze «Staat van de Uitvoering» wordt een indringend beroep gedaan op de politiek en de beleidsmakers om samen met de publieke dienstverleners ook de fundamentele weeffouten in het onderliggend systeem van beleid maken en uitvoeren kritisch te beschouwen en mee te bewegen naar een andere manier van samenwerken, over de domeinen heen.

Vraag 13

Wat zijn volgens het kabinet de fundamentele weeffouten in het onderliggend systeem van beleid maken en uitvoeren?

Vraag 14

Deelt het kabinet de visie van de leden van de fractie GroenLinks-PvdA dat er fundamentele aanpassingen nodig zijn om de fundamentele weeffouten aan te pakken? Zo ja, welke aanpassingen ziet het kabinet voor zich? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Knelpunten die worden genoemd in de Staat van de uitvoering 2022, zijn:

  • Complexiteit van de wet- en regelgeving, in onze processen, in de stapeling van beleid, in de manier waarop we ingericht zijn en in onze IT-systemen,

  • Het gesloten systeem van beleidsontwikkeling waarbij het geen vanzelfsprekendheid is dat uitvoerders, burgers en andere actoren met belangwekkende opvattingen en goede ideeën betrokken zijn,

  • Het ontbreken van een gezamenlijk beeld van de dilemma’s in de publieke dienstverlening, het vrij rituele karakter van evaluatie en verantwoording en

  • De moeizame gegevensuitwisseling en de verouderde IT-systemen.

Deze knelpunten zijn alle echter slechts symptomen van tekortkomingen van het onderliggend systeem van beleid maken en uitvoeren. Niet de publieke waarde voor burgers en ondernemers of de uitvoerbaarheid van een wet vormen het centrale uitgangspunt, maar de wet, de regeling of organisatie zelf is dat.

Het kabinet deelt de visie dat dit een fundamentele aanpassing van het systeem vereist. De impact op uitvoering, mensen en bedrijven echt centraal stellen vergt een vernieuwende aanpak, een aanpak waar de mensen en bedrijven vertrekpunt zijn bij de vormgeving van goede dienstverlening en waar geleerd kan worden van veel goede buitenlandse praktijken. Waarbij samenwerking tussen politiek, beleidsmakers en dienstverleners een vanzelfsprekendheid zal moeten zijn. Een vernieuwende aanpak ook die eisen stelt aan de cultuur binnen de overheid. Een cultuur waar nu nog het «uit de wind houden van de bewindspersoon» en de daaruit voortvloeiende «angst om fouten te maken», initiatieven voor vernieuwing zeer beperken. Laat staan initiatieven voor vernieuwende aanpak die de grenzen van de eigen organisatie te buiten gaan. Een dergelijke, vernieuwende aanpak vraagt nadere doordenking/uitwerking. Mogelijk bieden o.a. inzichten uit de Staat van de Uitvoering 2024 en de Staat van de Uitvoering 2025 hiervoor nadere handvatten.

Vraag 15

Is volgens het kabinet een fundamentele aanpassing nodig in de rollen, bevoegdheden en onderlinge samenwerking tussen de verschillende overheden om tot een goede «Staat van de Uitvoering» te komen?

Antwoord

Het kabinet is van oordeel dat een relatie vanuit gelijkwaardigheid tussen ministeries en uitvoeringsorganisaties en tussen ministeries en medeoverheden van belang is. Structuuroplossingen zijn niet de enige oplossing om de uitvoering en het beleid dichterbij elkaar te brengen. Een goede relatie met wederzijds begrip, gescheiden rollen, vertrouwen en duidelijke afspraken waaraan wordt voldaan zijn veel meer van belang. Dit betekent onder meer het «aan de voorkant» betrekken van uitvoeringsorganisaties en medeoverheden. En het samen signaleren van voor de publieke dienstverlening relevante trends.

Communicatie van overheid met burgers

In de «Staat van de Uitvoering» is te lezen «Veel wetgeving sluit niet goed aan bij de leefwereld van burgers. Er zijn 2,5 miljoen laaggeletterde burgers in Nederland die problemen hebben om met de overheid te communiceren, niet in het minst door de steeds verdere digitalisering van de overheid.

Een deel van deze groep burgers is sterk afhankelijk van de overheid en heeft daar steeds minder vertrouwen in. Dit proces van afnemend vertrouwen ondermijnt de legitimiteit van het overheidshandelen». Hierover hebben genoemde leden volgende vragen:

Vraag 16

Wat vindt het kabinet van het idee van de Nationale ombudsman om te komen tot een «recht op persoonlijk contact voor burgers». Dus iemand van vlees en bloed die een burger te woord staat en op weg helpt.

Antwoord

Het kabinet hecht eraan dat iedereen kan meedoen in de samenleving en dat de dienstverlening van de overheid goed aansluit bij de context en leefwereld van mensen. Daar waar mensen behoefte hebben aan persoonlijk contact geven we dit op een aantal manieren vorm:

  • Op 1 januari 2024 treedt ingevolge de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer een nieuwe zorgplicht voor bestuursorganen in werking die hen verplicht om in hun verkeer met burgers zorg te dragen voor passende ondersteuning. De zorgplicht vraagt van bestuursorganen dat zij hun processen zo inrichten dat mensen bij hun contact met de overheid, digitaal en niet-digitaal, altijd adequaat worden geholpen. Wat passende ondersteuning precies inhoudt, is afhankelijk van de aard en context van de dienstverlening van het betreffende bestuursorgaan. In ieder geval dient rekening te worden gehouden met de vaardigheden van mensen en de inspanningen die verwacht mogen worden (bijvoorbeeld taal- en denkniveau, vaardigheden met de computer, etc.). Daarbij kan gedacht worden aan generieke voorzieningen, maar ook meer persoonlijke, op maat, voorzieningen.

  • Persoonlijk contact en aandacht staan ook centraal bij de Informatiepunten Digitale Overheid (IDO’s), die onderdeel vormen van het lokale netwerk dat mensen dichtbij huis kan helpen. De IDO’s bieden ondersteuning aan iedereen die informatie en hulp zoekt bij het omgaan met de (digitale) overheid en verwijzen waar nodig door naar hulp in het netwerk.

  • In het kader van de loketfunctie van de overheid werken wij aan de inrichting van Overheidsbrede loketten waarmee ondersteuning wordt geboden aan mensen die iets moeten regelen met de overheid en hier zelf niet uitkomen, met name wanneer er meerdere overheden betrokken zijn. Binnen de nu lopende praktijkinitiatieven heeft een overheidsdienstverlener tijd voor het goede gesprek met de burger, werkt daarbij nauw samen met de betrokken gemeenten, gemeentelijke instanties en de grote uitvoeringsorganisaties en zorgt voor de coördinatie om te komen tot een antwoord of oplossing. Begin 2024 verwachten wij een advies over de effectieve inrichting van de overheidsbrede loketten en de te nemen vervolgstappen op basis van de lessen vanuit de praktijkinitiatieven en onderzoek.

Als het gaat om een reflectie op het idee van de Nationale ombudsman om te komen tot een «recht op persoonlijk contact voor burgers» gaat het om een politieke vraag. En is het gezien de demissionaire status van het kabinet aan het volgende kabinet om hierop te reflecteren. Waarbij het van belang is, om de uitvoeringsconsequenties van het idee goed in beeld te brengen. Wel vindt het kabinet het idee aansprekend vanuit het oogpunt van de bereikbaarheid van de overheid voor de burger.

Vraag 17

Het is de leden van de fractie GroenLinks-PvdA een doorn in het oog dat het de overheid te vaak niet lukt om eenvoudige brieven te schrijven aan haar burgers. Ondanks de veelheid aan goed bedoelde taalprojecten. Is dit wellicht een onderwerp om een meer fundamentele aanpassing te doen? Bijvoorbeeld door een «retoursticker» op te nemen bij onleesbare brieven/mails met een verplichting voor de overheid om contact op te nemen. Graag een reflectie hierop.

Antwoord

Het kabinet acht het ongewenst dat teksten die voor burgers en ondernemers bedoeld zijn, nog niet altijd voldoende begrijpelijk zijn. Vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stimuleren we overheidsorganisaties, gemeenten, waterschappen etc. om begrijpelijke taal te gebruiken.

Op dit moment is een wijziging van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in voorbereiding. Het voornemen is om scherper op te nemen dat bij de motivering van besluiten door de overheid het besluit begrijpelijk is voor de belanghebbenden. Dit zie ik als een fundamentele aanpassing.

Er wordt op dit moment al door verschillende overheidsorganisaties getest met verschillende manieren om beter begrijpelijke taal te gebruiken. Zo hield gemeente Zwolle laatst nog een «Brievenwasserette» en ook de Belastingdienst is bezig met een project waarin hun brieven worden getest. Dit zijn goede voorbeelden. Met het programma Gebruiker Centraal willen we stimuleren dat meer organisaties dit al vóór het versturen van een brief of tekst gaan doen.

Bij het programma Gebruiker Centraal kunnen overheden overigens nu al erg veel kennis en kunde vinden hoe zij begrijpelijk kunnen schrijven. In hun Toolkit Taal staan ook o.a. voorbeeldbrieven voor gemeenten. Deze zijn getest en kunnen gemeenten overnemen. Hieraan heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten ook bijgedragen.

Kabinetsreactie bestaande financiële kaders

Vraag 18

Wat wordt precies bedoeld met «de bestaande financiële kaders» en waarom is voor dit uitgangspunt gekozen?

Antwoord

Voor de verbetering van de uitvoering en dienstverlening is gedurende tien jaar 600 miljoen euro per jaar verdeeld, met een aanloop van 200 miljoen in euro in 2022. Structureel is 133 miljoen euro beschikbaar (Kamerstuk 29 362, nr. 308). Met de «bestaande financiële kaders» wordt in de kabinetsreactie op de Staat van de Uitvoering (Kamerstuk 29 362, nr. 336) deze financiële verdeling bedoeld. Omdat de acties die staan beschreven in de Kabinetsreactie veelal niet van financiële aard zijn en geen nieuwe, grootschalige financiële investeringen nodig hebben om ze te realiseren is voor dit uitgangspunt gekozen.

Vraag 19

Het is niet ondenkbaar dat juist wijzigingen van financiële kaders (bijvoorbeeld van beleidsafdeling naar uitvoering of van het ene ministerie naar het andere) nodig zijn om de uitvoeringskracht te versterken. Deelt het kabinet dit uitgangspunt?

Antwoord

Gelet op de demissionaire status van het kabinet wordt vastgehouden aan de huidige financiële kaders. Het is aan een volgend Kabinet om hier een uitspraak over te doen.

Vraag 20

Is het kabinet bereid om bij de volgende «Staat van de Uitvoering» ook buiten de bestaande financiële kaders te denken en eventueel voorstellen te doen?

Antwoord

Gelet op de demissionaire status van het kabinet, is het niet aan dit kabinet om hierover toezeggingen te doen.

Vereenvoudigingsinitiatieven

Vraag 21

Alles valt of staat met de wijze waarop deze rapportages van de uitvoeringsorganisaties, met vereenvoudigingsvoorstellen, handen en voeten krijgen. Kan het kabinet aangeven hoe dat nu gebeurt?

Vraag 22

Krijgen de uitvoeringsorganisaties een reactie op hun verbetervoorstellen? Met daarin een motivatie waarom voorstellen wel/niet worden overgenomen? Is dat een ambtelijke of een bestuurlijke reactie?

Vraag 23

Is het kabinet het met ons eens dat de uitvoeringsorganisaties een openbare inhoudelijke reactie dienen te krijgen op de concrete verbetervoorstellen?

Antwoord

De rapportages – ofwel de Standen van de uitvoering – zijn geen doel op zich, maar een middel voor het voeren van het gesprek tussen politiek, beleid en uitvoering. Het kabinet vindt het belangrijk, om aan de hand van de beschikbare Standen van de uitvoering de knelpunten en dilemma’s bespreken. Dit is een dialoog tussen politiek, beleid en uitvoering. Het kabinet constateert dat dit gesprek meer en meer plaatsneemt, maar tegelijkertijd nog onvoldoende van de grond komt.

Uitvoeringsorganisaties krijgen niet altijd een volledige reactie op hun Standen en verbetervoorstellen. De reactie die zij ontvangen is meestal alleen ambtelijk en niet politiek. Als er al een gesprek over de Standen in een van de Kamers gevoerd wordt, vindt het vaak pas laat na toezending aan de Kamers plaats. We zien uitvoerbaarheid als een belangrijk onderwerp in gesprekken met zowel de Eerste als Tweede Kamer en werken graag samen om deze gesprekken eerder en beter te voeren. Het kabinet blijft daarom ook de oproep doen aan de politiek om hierover in gesprek te blijven gaan met de uitvoering.

Het Kabinet hecht grote waarde aan transparantie en het inzichtelijk maken van de afwegingen achter uitvoering en beleid. Het Kabinet zal daarom in de meeste gevallen openbaar reageren.

Gezamenlijke uitvoering van overheden

Vraag 24

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft recent een «Staat van de Uitvoering» uitgebracht.24

  • Kan het kabinet inhoudelijk op deze rapportage reageren?

Antwoord

De VNG heeft de Stand van de uitvoering 2023 voor de zomer aangeboden aan de Minister van BZK. De VNG heeft hierbij aangegeven graag met BZK -naast andere departementen en ketenpartners- te willen optrekken bij de verdere uitwerking van de Actieagenda. Hierover worden in het najaar van 2023 nadere afspraken gemaakt tussen BZK en VNG.

Kerncompetenties overheidsmedewerkers

Het functioneren van de overheid wordt, zoals in alle organisaties, voor een belangrijk deel bepaald door de mensen die het werk doen. Het verbeteren van het functioneren van de overheid als geheel en een betere «Staat van de Uitvoering» hangen dus nauw samen met een visie op de kerncompetenties van ambtenaren en het daaruit volgende personeelsbeleid van de overheid. Hierover hebben de leden van de fractie GroenLinks-PvdA enkele vragen.

Vraag 25

Wat is de visie van het kabinet op de kerncompetenties van ambtenaren in het licht van het verbeteren van de «Staat van de Uitvoering»?

Antwoord

Binnen het Rijk wordt op dit moment gebruik gemaakt van Het Functiegebouw Rijk. Het Functiegebouw Rijk (FGR) bestaat uit 8 functiefamilies, die samen ongeveer 65 functiegroepen omvatten. Elke functiegroep heeft een eigen functieprofiel met eigen kerncompetenties. Actualisatie van het FGR vindt doorlopend plaats. Zo wordt In een nieuwe versie van het systeem («FUWA-Rijk) «meer recht gedaan aan de intensiteit en de complexiteit van functies in de uitvoering». Dit betekent dat het Kabinet competenties, die belangrijk zijn voor de goede uitvoering (van beleid), zoals het omgaan met directe feedback van burgers/ondernemers en emotioneel zwaar werk, beter waardeert en belangrijker onderdeel maakt van het totale palet van ambtelijke vaardigheden. Op deze manier sluit de (zelf)ontwikkeling en beoordeling van ambtenaren beter aan op de eisen die de samenleving aan de overheid stelt.

Het Kabinet investeert in en verbindt deze vernieuwingen (waar mogelijk) ook met bestaande belangrijke vaardigheden als omgevingsbewustzijn, klantgerichtheid en bestuurssensitiviteit. Door voortdurend de eisen van de samenleving mee te nemen en erop te anticiperen in de ontwikkeling van de ambtenaren én deze te koppelen met bestaande ervaringen en inzichten zorgen we dat zowel de vaardigheden als deze aanpak toekomstbestendig zijn.

Vraag 26

Deelt het kabinet de constatering dat een belangrijke knop voor de verbetering van het functioneren van de overheid als geheel en een betere «Staat van de Uitvoering» samenhangt met het gevoerde personeelsbeleid en de opbouw van het personeelsbestand? In de «Staat van de Uitvoering» staan diverse passages die hieraan raken. Bijvoorbeeld:

  • «(...) bestuurlijke sensitiviteit de belangrijkste competentie is bij de werving van medewerkers. Het is de vraag of de uitvoering daarmee geholpen is. Deze aanpak lijkt de eerder beschreven departementale cultuur te bevestigen, die vooral gericht is op het uit de wind houden van de Minister.»25

  • «In de top van de departementen is ervaring in de uitvoering maar in beperkte mate aanwezig.26

Antwoord

Het kabinet deelt de constatering dat het gevoerde personeelsbeleid en de opbouw van het personeelsbestand belangrijk is voor het verbeteren van het functioneren van de overheid, en daarmee de uitvoering. In de werkagenda van het overheidsbrede programma Werk aan Uitvoering zijn daarom meerdere actiepunten opgenomen die inzetten op meer mobiliteit en personele uitwisseling door alle lagen van de overheid, inclusief tussen de bestuurslagen. Dit is niet in de laatste plaats om kennis en competenties uit te wisselen tussen de departementen onderling, maar zeker ook tussen beleid en uitvoering. Hierdoor kan er meer vanuit wederzijds begrip met elkaar samen gewerkt kan worden aan de grote maatschappelijke opgaven.

Vraag 27

Welke effectieve maatregelen ziet het kabinet voor zich?

Antwoord

Het kabinet bereidt een aantal maatregelen voor om dit vraagstuk aan te pakken, en neemt dit mee in de herijking van het programma Werk aan Uitvoering.

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben begrepen dat het kabinet voornemens is om een kenniscentrum op te zetten binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dat gericht is op het delen van kennis en kunde over bestaande oplossingen in de uitvoeringspraktijk en op het effectiever en efficiënter datagedreven laten werken van overheidsorganisaties. Hierover hebben de leden de volgende vragen:

Vraag 28

Wordt bij het opzetten van dit kenniscentrum externe kennis ingehuurd? Zo ja, hoeveel?

Antwoord

Het opzetten van het kenniscentrum gebeurt door stichting ICTU in opdracht van BZK. ICTU is een onpartijdige advies- en projectenorganisatie binnen de overheid. De projectleider is intern en er worden medewerkers van verschillende overheidsorganisaties intern gedetacheerd, juist om gebruik te maken van de kennis en kunde binnen de overheid. Daarnaast wordt voor 1,5 FTE externe kennis ingehuurd.

Vraag 29

Is het kabinet het met de leden van GroenLinks-PvdA eens dat het belangrijk is om te investeren in eigen kunde en kennis van de overheid?

Antwoord

Ja, het kabinet onderschrijft het standpunt dat het belangrijk is om te investeren in eigen kennis en kunde van de overheid. Zoals het kabinet in de «Reactie op het ROB-signalement «Gezag herwinnen: over de gezagswaardigheid van het openbaar bestuur» stelt, is het belangrijk om te werken aan een kwalitatief hoogwaardig ambtelijk apparaat. Dit draagt bij aan het beeld van een bekwame overheid.

Eén van de focuspunten van het personeelsbeleid is daarnaast «permanent ontwikkelen»: inspelen op de noodzaak tot voortdurende ontplooiing en persoonlijke ontwikkeling, de vergrijzing en het steeds veranderende werk, door medewerkers zich in gelijk tempo met hun vakgebied te laten ontwikkelen. Leren en ontwikkelen is een noodzaak, niet een vrijblijvendheid. Het zorgt ervoor dat medewerkers op korte termijn én voor de lange termijn inzetbaar zijn en blijven, en dat de overheid een toereikende kennispositie op haar werkterreinen behoudt. Het vermogen om aan te passen en de kracht om te vernieuwen komt in de eerste plaats uit onze mensen. Daarnaast vergroot permanent leren en ontwikkelen de loopbaanontwikkelingsmogelijkheden. Als werkgever verwachten we daarom van goed functionerende medewerkers dat zij zich continu ontwikkelen.

Vraag 30

Hoe kijkt het kabinet in algemene zin aan tegen de inzet van consultants binnen de overheid?

Antwoord

In algemene zin geeft externe inhuur ministeries en hun uitvoeringsorganisaties flexibiliteit bij een veranderende vraag naar capaciteit. Inhuur vindt vooral plaats bij piekbelasting en opdrachten met een tijdelijk en/of specialistisch karakter. In deze gevallen kan er vanuit doelmatigheidsoverwegingen gekozen worden voor het inhuren van externen. Daarnaast is externe inhuur een oplossing wanneer het op korte termijn niet lukt om het benodigde personeel in dienst te nemen (arbeidsmarktkrapte). Zo blijft het lastig voor het Rijk om goed ICT-personeel aan zich te binden, waardoor daarop ingehuurd moet worden. In 2022 betrof het grootste deel van de inhuur binnen het Rijk uitvoerende (34%) of ICT-gerelateerde werkzaamheden (42%).

Het kabinet ziet dat de koppeling tussen beleid en uitvoering onder druk kan komen te staan door de inzet van commerciële partijen, waaronder consultants. Dit vraagt om aandacht voor eigen kennis en kunde, het stimuleren van langetermijndenken en ambtelijk vakmanschap. Tegelijkertijd staat de arbeidsmarkt onder druk en zijn er grote opgaven die om onze inzet vragen. De bijdrage van consultants kan dan ook waardevol zijn. Naast het opvangen van capaciteitstekorten kan de inzet van externen ook voor nieuwe perspectieven zorgen en voorkomen dat de overheid te veel naar binnen kijkt. Die waarde mag echter nooit ten koste gaan van de structurele inzet op expertise en kennis en kunde binnen de overheid.

In hun jaarverslag lichten departementen toe hoe ze de inhuur terugdringen. Het gaat dan onder meer om verambtelijking van externe medewerkers, het scherper prioriteren van inzet op projecten en meer gebruik maken van rijkstrainees en flexpools. Binnen het Rijk lopen daarnaast diverse departementale en interdepartementale initiatieven, vanuit het perspectief van strategisch personeelsbeleid, op instroom en behoud van medewerkers. Voorbeelden zijn:

  • Aantrekkelijk werkgeverschap via marktconform pakket aan arbeidsvoorwaarden;

  • Rijksbrede wervingscampagnes;

  • Rijksbreed studenten- en startersbeleid

  • Verschillende traineeships

  • Traject om te komen tot set innovatieve rijksbrede korte termijn maatregelen.

Vraag 31

Is het kabinet voornemens om rijksbreed te investeren in kennis en kunde om zo de afhankelijkheid van derden te verminderen voor het goed functioneren van haar rechtsstatelijke taak?

Antwoord

Zoals genoemd in de kabinetsreactie op het ROB-signalement «Gezag herwinnen over de gezagswaardigheid van het openbaar bestuur» (Kamerstuk 33 047, nr. 26) investeert het kabinet rijksbreed in arbeidsmarktstrategieën om kennis en kunde in huis te halen. Hiernaast investeert het kabinet rijksbreed in ambtelijk vakmanschap. Op die manier worden zowel het vergroten van inhoudelijke expertise als het vergroten van praktische vaardigheden centraal gezet. De afhankelijkheid van derden kan hierdoor verminderen, ook al zijn resultaten niet altijd op de korte termijn zichtbaar.

Vraag 32

Is het kabinet het met deze leden eens dat het voor de uitvoering van de publieke taak en het handhaven van publieke waarden het van fundamenteel belang is dat de (rijks)overheid een sterke en daarmee inhoudelijk deskundige partij moet zijn binnen het maatschappelijk krachtenveld?

Antwoord

Het handhaven van publieke waarden is de belangrijkste zorg van de Rijksoverheid. Per departement krijgt dit natuurlijk een andere invulling. Sinds dit jaar is de Ontwikkelagenda Rijksdienst gepresenteerd, genaamd «Waardenvol werken voor Nederland». Een passage uit deze Ontwikkelagenda luidt:

«Het is onze taak in de huidige context de grote maatschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden. Onze opgave is mensen structureel recht doen in de praktijk. We willen daarbij wendbaar, open, integer, responsief, effectief en betrouwbaar zijn, met oog voor belangrijke publieke waarden, zoals rechtmatigheid en doelmatigheid. Daarvoor gaan we als overheid op een andere manier te werk.»

De vraag is echter wat voor «partij» de Rijksoverheid dan moet zijn om deze brede publieke taak op een krachtige manier uit te kunnen voeren. Het kabinet kiest daarbij voor een iets andere benadering dan de Eerste Kamer leden. Een sterke Rijksoverheid komt volgens het kabinet tot uitdrukking in het vermogen van ambtenaren om te werken volgens de bedoeling én publieke waarde toe te voegen. Dat vraagt van ambtenaren om allereerst de mensen en de opgave centraal te stellen bij alles wat ze doen en daarna te beoordelen met wat voor inhoud het een en ander te benaderen. Het verschil zit wellicht in een nuance. Als we de inhoudelijke deskundigheid van de Rijksoverheid vooropstellen, dan bestaat het gevaar dat we (wederom) te veel vanuit de klassieke, departementale hokjes naar de maatschappelijke uitdagingen kijken. En juist van dat hokjes-denken wil het kabinet af, omdat we merken dat hokjes structureel geen recht doen aan de complexiteit die mensen in de praktijk ervaren.

Wel staat vast dat de overheid in ieder geval meer gebruik moet maken van de kennis die in de samenleving aanwezig is: bij burgers, ondernemers en wetenschappers. Uit een recente internationale vergelijking27 blijkt dat landen die voor beleidsontwikkeling putten uit gevarieerdere bronnen dan alleen het eigen ambtenarenapparaat, een beter presterende publieke sector hebben.

Vraag 33

Is het kabinet het met de leden eens dat dit ook geldt voor het goed functioneren van de democratische rechtsstaat?

Antwoord

Als de leden met «dit» bedoelen dat het voor het functioneren van de democratische rechtsstaat van belang is dat de (rijks)overheid een sterke en daarmee inhoudelijk deskundige partij moet zijn binnen het maatschappelijk krachtenveld, dan geldt «ja, mits...».

Op het vlak van de democratische rechtsstaat moet de Rijksoverheid qua kennisniveau vooroplopen. Elke ambtenaar heeft er op andere manieren mee te maken, maar uiteindelijk is een zekere basiskennis voor elke rijksambtenaar van belang. Zie immers de ambtseed, waarin wordt verwezen naar de Grondwet. Ambtenaren moeten in hun rol snappen hoe zij onze waardevolle democratische rechtsstaat in de praktijk waar kunnen maken en hoe zij dat beter leren doen.

De Rijksoverheid blijft om die reden investeren in het versterken van de democratische instituties. Het vraagt ook dat we het belang van rechtsstatelijke kennis van rijksambtenaren blijven benadrukken. Daarnaast buigt ABD Topconsult zich op dit moment over het leeraanbod binnen de Rijksoverheid, onder andere inzake rechtsstatelijke kennis bij rijksambtenaren. ABD Topconsult zal dus nagaan waar het leeraanbod voor rijksambtenaren momenteel voldoende is en waar het aanvullingen behoeft.

Vraag 34

Kan het kabinet erop reflecteren en motiveren hoe hieraan op korte termijn invulling aan kan worden gegeven, dan wel de praktische invulling kan worden voorbereid, in afwachting van een nieuw kabinet?

Antwoord

Op basis van de bevindingen uit de inventarisatie van het leeraanbod door ABD Topconsult28 over waar het leeraanbod momenteel voldoende is en waar het aanvullingen behoeft kan het kabinet het leeraanbod voor rijksambtenaren gericht versterken.

Vraag 35

Is het kabinet bij de verdere uitwerking verder voornemens meer aandacht te besteden aan de rol die praktische kennis en kunde, kortweg praktijkervaring, dient te krijgen?

Vraag 36

Is het kabinet het met deze leden eens dat ook praktijkervaring in eigen huis van groot belang is voor een realistisch beeld van wat de uitvoerbaarheid van regelgeving nodig heeft? Is het kabinet voornemens om in navolging van het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport rijksbreed ambtenaren mede te werven op grond van praktijkervaring, ook als de benodigde diploma’s voor de functie soms ontbreken? Op welke wijze past het kabinet daar- naast praktijkervaring buiten de eigen organisatie toe? Is het kabinet voornemens dit al vanaf het vroegste stadium te doen?

Antwoord

Op dit moment is er nog geen rijksbreed beleid op dit gebied, naast de mogelijkheid van medewerkers om een EVC-traject (Erkenning Verworven Competenties) te volgen en daarmee een EVC-certificaat te krijgen.

Vraag 37

Tot slot vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op welke wijze het kabinet monitort of de gewenste tegenspraak en kritisch denken vanuit de ambtelijke dienst ook daadwerkelijk leidt tot dit gedrag? Op welke wijze is «zicht» georganiseerd op het belonen dan wel bestraffen van kritische geluiden, (onder meer) ten aanzien van de uitvoerbaarheid binnen de ministeries als dit geluid schijnbaar de politieke besluitvorming in de weg zit?

Antwoord

Vanuit het rijksbrede programma «Grenzeloos Samenwerken» wordt sinds 2 jaar het onderzoek «Waardenbesef Rijk» uitgevoerd. Hierin doen we onder meer onderzoek naar de gewenste cultuurverandering. Eén van de terugkerende vragen, «mijn leidinggevende waardeert professionele tegenspraak van mij als verbetering van de kwaliteit van werk», werd in het meetjaar 2022 op de volgende manier beantwoord: Meer dan 85% is het ermee eens, waarbij 60% aangeeft het er zeer mee eens te zijn. Dat zegt iets over de ruimte die medewerkers ervaren om tegengeluiden te laten horen. Hoe organisaties invulling geven aan het belonen dan wel bestraffen van kritische geluiden vraagt om een kwalitatieve meting. Aan het Amsterdam UMC is recent subsidie toegekend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek naar de doorwerking van dialooginterventies zoals die door het programma Dialoog & Ethiek worden ingezet, waaronder verschillende gespreksvormen waarin ambtenaren met elkaar morele vragen in het werk verkennen. Centrale vraag is of deze interventies leiden tot een meer open gesprekscultuur waarin tegenspraak en kritische geluiden, bijvoorbeeld over de uitvoerbaarheid van een besluit, goed ontvangen wordt. Dit onderzoeksproject loopt naar verwachting tot medio 2026. Voor meer over kritische tegenspraak op gebied van uitvoerbaarheid verwijs ik naar het antwoord op vraag 41.

Al het overheidshandelen is toetsbaar op behoorlijk bestuur, dus ook de uitvoering. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur lijken de laatste jaren op de achtergrond te zijn geraakt. Onder meer het Toeslagenschandaal en de fraudelijst bij de Belastingdienst laten zien dat deze beginselen niet meer een leidraad zijn. Ten tijde van de laatste kabinetsformatie heeft de ambtenarenvakbond CMHF een noodkreet geuit over de staat van de ambtelijke dienst.29 Zij roepen op tot een deltaplan om de vakkennis van ambtenaren op een hoger niveau te brengen, met onder meer een leergang voor jonge en oudere ambtenaren gericht op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Vraag 38

Kan het kabinet aangeven hoe zij deze algemene beginselen waardeert?

Vraag 39

Is het kabinet het met de leden eens dat deze algemene beginselen leidend moeten zijn bij al het overheidshandelen, dus ook en juist in de uitvoering?

Vraag 40

Indien die laatste vraag bevestigend wordt beantwoord, wat is het kabinet voornemens te doen om te bewerkstelligen dat deze algemene beginselen door de uitvoering ook daadwerkelijk en proactief worden toegepast? Is het kabinet voornemens de vakkennis van de ambtenaren werkzaam in die uitvoering ook op dit punt te vergroten, waartoe de vakbond in 2021 al opriep? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?

Antwoord

Het kabinet onderschrijft het belang van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Al het overheidshandelen is toetsbaar op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dus ook het handelen van de uitvoering. Het kabinet is het eens met de Eerste Kamer leden dat de algemene beginselen leidend moeten zijn bij al het overheidshandelen. En dus ook daar waar de overheid ingrijpt in het leven van mensen. Om decentrale overheden en uitvoeringsinstanties hierbij te helpen is de zogeheten Awb-toolbox ontwikkeld door het kantoor van de Landsadvocaat (Kamerstukken II 2019/20, 26 643, nr. 644 + bijlage). In deze Awb-toolbox is op een rijtje gezet op welke wijze de juridische ruimte van de Algemene wet bestuursrecht voor het bieden van maatwerk kan worden benut. Verder wordt thans gewerkt aan het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb, dat beginselgeleid overheidshandelen als uitgangspunt heeft en beoogt de Awb meer mensgericht te maken. In het kader van het programma Werk aan uitvoering zal worden bezien hoe de huidige mogelijkheden die de Awb biedt, beter onder de aandacht kunnen worden gebracht. Verder zal het programma ondersteuning bieden bij de voorbereiding van de invoering van de beoogde aanpassingen van de Awb als het gaat om opleiding (hoe de kennis en kunde van de nieuwe Awb op peil te krijgen en te houden).

Betrokkenheid uitvoering bij beleid

De «Staat van de Uitvoering» roept ertoe op de uitvoering vanaf het prille begin bij de beleidsvorming te betrekken. Het kabinet ondersteunt deze aanbeveling. Uiteraard is het belangrijk om de uitvoe-ring vanaf het begin aan tafel te hebben. Maar belangrijker is nog dat de suggesties/kennis van de uitvoerders serieus worden meegewogen bij de uiteindelijke besluitvorming. Meepraten alleen is niet genoeg. Daarom ontvangen de leden graag een reflectie van het kabinet op onderstaande mogelijke aanpassing in de positionering van de uitvoeringsorganisaties:

  • Uitvoeringsorganisaties expliciet vragen om een onafhankelijk advies op de eindversie van de beslisnota aan Minister/Staatssecretaris. En deze adviezen ook aan de beide Kamers sturen.

Antwoord 41

Het is bestaand beleid om de beslisnota behorend bij een Kamerstuk aan de Kamers te sturen. Een dergelijke beslisnota bevat het gewogen eindadvies van ambtenaren waarop de bewindspersoon het besluit baseert. In gevallen dat een uitvoeringsorganisatie door het Kabinetsbeleid wordt geraakt, draagt deze uitvoeringsorganisatie bij aan dit advies. Daarbij moet ook worden ingegaan op de uitvoerbaarheid, bijvoorbeeld door middel van de uitkomsten van een uitvoeringstoets.

Reflectie op ervaringen elders

In de «Staat van de Uitvoering» wordt geconstateerd dat «een belangrijke belemmering voor goed beleid de verkokering van de Rijksoverheid is. In een verkokerde dienst is samenwerking over de grenzen van de organisatie niet vanzelfsprekend. Enkele goede voorbeelden en initiatieven daargelaten is de ongeschreven regel eerder die van non-interventie».30 Ook de «ministeriële verantwoordelijkheid kan een belemmering zijn voor ambtenaren om integraal, opgavegericht en coöperatief te handelen. Als alternatief wordt er regelmatig gewezen op de voordelen van het Zweedse model, waarin relatief grote uitvoeringsorganisaties aangestuurd worden vanuit kleine beleidsdepartementen en waar Ministers gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor besluiten. De departementale verkokering werkt door in de sturing van uitvoeringsorganisaties. Organisatie- of domeinoverstijgende samenwerking is zelden expliciet onderdeel van de opdracht aan uitvoeringsorganisaties. Ze worden daar dus ook niet op beoordeeld».31

  • Graag een reflectie van het kabinet op dit alternatief?

  • Is het kabinet bereid om de voor- en nadelen hiervan op een rijtje te zetten?

Antwoord 42

De institutionele setting in Zweden kent verschillende structuren en overlegorganen, zoals interministeriële werkgroepen. Het land maakt vaak gebruik van interministeriële raden en werkgroepen op verschillende niveaus om beleidsvorming en coördinatie over horizontale prioriteiten (klimaat, innovatie en digitaal) te ondersteunen. Deze samenwerking tussen agentschappen, sectoren en bestuurlijke niveaus is verankerd in het systeem. Zo voeren de agentschappen een dialoog over de concrete verdeling van de verantwoordelijkheid. Deze manier van werken gaat verkokering tegen en verbetert de samenwerking tussen ministeries en uitvoeringsorganisaties. De recent door de Organisation for Economic Co-operation and Development gepubliceerde Public Governance Monitor of Sweden schetst Zweedse good practices en de punten waar het land nog op kan verbeteren. Over het geheel genomen scoort de Zweedse publieke sector consistent goed in internationale vergelijkingen. In 2024 zullen bij de verdere ontwikkeling van een nieuwe sturingsfilosofie voor de (centrale) overheid nieuwe vormen van sturing en verantwoorden worden ontwikkeld, waarbij de maatschappelijke opgave en het realiseren van waarden die we als samenleving zinvol vinden, centraal staan. Inzichten vanuit internationale praktijken uit o.a. Zweden worden hierbij betrokken.

Vragen van de leden van de fractie van de PVV

Vraag 43

Kunt u aangeven wat het kabinet heeft gedaan en/of nog van plan is te gaan doen om waterschappen, provincies en veiligheidsrisico’s te stimuleren om ook een «Stand van de Uitvoering» uit te voeren, mocht dat nog niet zijn gebeurd?

Antwoord

Binnen het Programma Werk aan Uitvoering wordt gekeken naar mogelijkheden om organisaties die nog geen standen hebben opgeleverd meer te stimuleren om deze op te gaan leveren. De waterschappen, provincies en veiligheidsregio’s horen hierbij.

Vraag 44

Op welke manier wordt gewaarborgd inzake het komen tot een gedegen beleidsvoorbereiding, waarbij aandacht is voor perspectieven van mensen en bedrijven en uitvoerbaarheid naast die van rechtmatigheid en doelmatigheid en waarbij er ook serieus aandacht is voor meningen en informatie die mogelijk haaks staan op nu geldende uitgangspunten?

Antwoord

Het perspectief van mensen en bedrijven is bij de totstandkoming van nieuw beleid volgens het Beleidskompas het startpunt. Het Beleidskompas wordt op dit moment binnen alle ministeries geïmplementeerd en vervangt sinds maart 2023 het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (IAK).

Vraag 45

Wordt er inzake gegevensdeling ten behoeve van de loketfunctie van de overheid op welke manier dan ook gebruik gemaakt van Artificial Intelligence (AI)? Zo ja, op welke manier en kunt u aangeven wat is en/of wordt ondernomen om de risico’s en afhankelijkheid van AI tot een minimum te beperken?

Antwoord

In de gegevensdeling ten behoeve van de loketfunctie van de overheid wordt nu geen gebruik gemaakt van AI.


X Noot
1

Samenstelling:

Croll (BBB) (ondervoorzitter), Marquart Scholtz (BBB), Heijnen (BBB), Griffioen (BBB), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Kluit (GroenLinks-PvdA), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Martens (GroenLinks-PvdA), Vogels (VVD), Van den Berg (VVD), Meijer (VVD), Doornhof (CDA), Van Toorenburg (CDA), Dittrich (D66) (voorzitter), Belhirch (D66), Bezaan (PVV), Nicolaï (PvdD), Van Bijsterveld (JA21), Janssen (SP), Talsma (CU), Van den Oetelaar (FVD), Schalk (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)

X Noot
2

Samenstelling:

Lagas (BBB) (voorzitter), Kroon (BBB),Van Langen (BBB), Fiers (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Janssen-Van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Rovers (GroenLinks-PvdA), Van den Berg (VVD), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Doornhof (CDA), Van Toorenburg (CDA), Dittrich (D66), Van Meenen (D66), Van Hattem (PVV), Nicolaï (PvdD), Nanninga (JA21), Kox (SP), Talsma (CU), Dessing (FVD), Schalk (SGP), Perin-Gopie (Volt), van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL), Kemperman (BBB)

X Noot
3

Kamerstukken I 2022/23, 31 731, L, M en N.

X Noot
4

Kamerstukken I 2022/23, 31 731, L, M en N.

X Noot
5

Staat van de Uitvoering, 2022, p. 8, behorend bij Kamerstukken II, 2022/23, 29 362, nr. 321.

X Noot
6

Kamerstukken I 2022/23, 31 731, M, p. 2.

X Noot
7

Kamerstukken I 2022/23, 31 731, M, p. 4.

X Noot
8

Stand van de Uitvoering; Gemeenten 2023, juli 2023, zie https://vng.nl/sites/default/files/2023-07/stand-van-de-uitvoering-gemeenten-2023.pdf.

X Noot
9

Staat van de Uitvoering, 2022, p. 38, behorend bij Kamerstukken II, 2022/23, 29 362, nr. 321.

X Noot
10

Staat van de Uitvoering, 2022, p. 38, behorend bij Kamerstukken II, 2022/23, 29 362, nr. 321.

X Noot
12

Staat van de Uitvoering, 2022, p. 36, behorend bij Kamerstukken II, 2022/23, 29 362, nr. 321.

X Noot
13

Ibid.

X Noot
15

Kamerstukken I 2022/23, 31 731, M, p. 4.

X Noot
16

Kamerstukken I 2022/23, 31 731, M, p. 8.

X Noot
19

Blok, de L., Brummel, L. (2022). Gefundeerd politiek vertrouwen? Onderzoek naar de relatie tussen overheidsprestaties en het vertrouwen in politieke instituties

X Noot
20

OECD survey on drivers of trust in public institutions (2021).

X Noot
23

«Ervaren kwaliteit overheidsdienstverlening door burgers en ondernemers», Kantar Public-onderzoek juni 2022 voor de Staat van de Uitvoering, pagina 9: «De frequentie van de contacten van burgers met overheidsorganisaties is het hoogst bij werkloos raken, arbeidsongeschikt raken en bij hulp bij schulden».

X Noot
24

Stand van de Uitvoering Gemeenten 2023

X Noot
25

Staat van de uitvoering 2022, p. 40

X Noot
26

Staat van de uitvoering 2022, p. 40

X Noot
28

Dit rapport wordt begin januari 2024 aan het SGO aangeboden.

X Noot
30

Staat van de Uitvoering 2022, p. 38

X Noot
31

Staat van de Uitvoering 2022, p. 38

Naar boven