31 568 Staatkundig proces Nederlandse Antillen

Nr. 149 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 19 januari 2015

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie en de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties hebben op 13 november 2014 overleg gevoerd met Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie en Staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie over:

  • de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 10 februari 2014 ter aanbieding van het Inspectierapport Stichting Reclassering Caribisch Nederland van de Raad voor de rechtshandhaving (Kamerstuk 29 270, nr. 88);

  • de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 3 april 2014 met beleidsreacties op het rapport van de Raad voor de rechtshandhaving naar aanleiding van een doorlichting van de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland en de Stichting Reclassering Caribisch Nederland (Kamerstuk 29 270, nr. 90);

  • de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 2 juli 2014 over de stand van zaken inzake de veiligheids- en justitieketen in Caribisch Nederland (Kamerstuk 31 568, nr. 141);

  • de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 20 oktober 2014 ter aanbieding van de brief van de Raad voor de rechtshandhaving over het politieonderwijs ten behoeve van het Korps Politie Caribisch Nederland (Kamerstuk 29 628, nr. 472);

  • de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 22 oktober 2014 ter aanbieding van de beleidsreactie en het rapport van de Raad voor de rechtshandhaving over de politiecellen op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Kamerstuk 24 587, nr. 605).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Jadnanansing

De voorzitter van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties, Recourt

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Hessing-Puts

Voorzitter: Jadnanansing

Griffier: Verstraten

Aanwezig zijn vier leden der Kamer, te weten: Jadnanansing, Van Laar, Van Nispen en Van Oosten,

en Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie en Staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministerie.

Aanvang 14.07 uur.

De voorzitter: Ik open dit algemeen overleg over de justitieketen BES-eilanden. We hebben een spreektijd van vijf minuten per woordvoerder afgesproken plus twee interrupties. Ik heet de Minister van harte welkom. De Staatssecretaris is in aantocht. Hij komt binnen enkele minuten. Ook heet ik natuurlijk de mensen op de publieke tribune welkom, evenals mijn collega's.

Ik geef graag het woord aan de heer Van Nispen van de SP voor zijn bijdrage in eerste termijn.

De heer Van Nispen (SP): Voorzitter. Iedereen op de eilanden doet zijn uiterste best om ervoor te zorgen dat het recht zo goed mogelijk wordt gehandhaafd, maar dat blijkt niet altijd even gemakkelijk. De kleine schaal van de eilanden zorgt voor een aantal praktische problemen. Dat is een situatie die natuurlijk altijd zal blijven bestaan, maar het ontslaat ons niet van de plicht om voortdurend naar oplossingen te zoeken.

Neem de reclassering. Die doet hard haar best om ex-gedetineerden zo goed mogelijk te begeleiden naar een terugkeer in de maatschappij. Ik zie dat de mensen van de reclassering hard werken en creatief zijn in het vinden van oplossingen voor praktische problemen. Maar een gedisciplineerde verslaglegging en voortgangsgesprekken met gedetineerden worden nogal eens verwaarloosd. Ook is er weinig tijd voor scholing. Kan Nederland daar meer in ondersteunen?

De reclassering moet haar belangrijke werk doen met een zeer klein team, dat ook nog eens vaak van samenstelling verandert. Daarmee verdwijnt opgebouwde kennis snel en worden nieuwe medewerkers behoorlijk in het diepe gegooid. Hoe komt het dat het team van reclasseringsambtenaren zo vaak van samenstelling verandert? Ook bij het justitiële jeugdbeleid speelt dit probleem. Wat kan de Staatssecretaris of de Minister doen om ervoor te zorgen dat de teams stabieler worden?

Ik maak mij zorgen dat er maar één reclasseringsambtenaar is voor Saba én Sint-Eustatius. De ene helft van de maand zit hij op het ene eiland en de andere helft op het andere. Hij moet dus voortdurend heen en weer reizen. Dat maakt het toezicht evenals de uitvoering van de werkstraffen ingewikkeld. Dit wordt door de raad een «bijzonder kwetsbare situatie» genoemd. Zou het niet verstandig zijn om een extra reclasseringsambtenaar aan te stellen? Indien dit qua capaciteit echt overdreven is, kan ik mij voorstellen dat je de fte terugschroeft. In ieder geval moet er een tweede persoon worden geïnstalleerd.

Ook aan de justitiële inrichtingen valt het een en ander te verbeteren. Een van die zaken die verbetering behoeven is het doorverwijzen naar medisch-specialistische hulp. Het traject dat moet worden doorlopen via de Dienst Justitiële Inrichtingen in Nederland is moeizaam en tijdrovend. Is de Minister het met mij eens dat dit problematisch kan zijn, zeker wanneer er sprake is van een spoedgeval? Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat iedereen die dat nodig heeft, snel goede zorg krijgt?

Hoe staat het met de geplande nieuwbouw van de cellen op Bonaire en Sint-Eustatius? Die zal naar verwachting problemen oplossen, maar deze nieuwbouw zal pas plaatsvinden in 2016, dus dat duurt nog wel even. Wat gebeurt er tot die tijd met de knelpunten in de gebouwen op Bonaire, bijvoorbeeld het ontbreken van netten, en met het geheel ontbreken van detentiecapaciteit op Saba en Sint-Eustatius?

De zorg voor arrestanten is op dit moment in handen van de politie. Dat heeft gevolgen voor het normale politiewerk, want dat moet gewoon doorgaan. Er komen nieuwe arrestantenbewaarders. Dat is mooi, maar ik begrijp ook dat de politie wordt ingezet om psychiatrische patiënten op te vangen, omdat het ziekenhuis daartoe geen mogelijkheden heeft. Vindt de Minister dit, net als ik, onwenselijk? Het vraagt immers veel van de politie, maar het is ook niet goed voor deze patiënten, die geen bewaking nodig hebben maar zorg. Is het niet verstandig om ervoor te zorgen dat het ziekenhuis de juiste faciliteiten krijgt, zodat de politie op dit punt wordt ontlast en de patiënten de zorg krijgen die zij nodig hebben?

Het contact van arrestanten met een advocaat verloopt problematisch; advocaten komen alleen voor de rechtszitting van Sint-Maarten naar de eilanden. Ik snap dat dit te maken heeft met de afstand, maar het feit dat advocaten de kosten voor rechtsbijstand zeer traag vergoed krijgen, draagt er ook aan bij. Wat kan Nederland doen om dit te verbeteren, zodat iedereen garantie heeft op een eerlijk proces met adequate rechtsbijstand? Daar hoort dan ook die vergoeding bij, op tijd.

Tot slot. De kans is levensgroot dat reclasseringsambtenaren, politieagenten en gevangenismedewerkers regelmatig te maken krijgen met bekenden. Dat stelt de integriteit van deze mensen op de proef. Bij de reclassering zijn ze alert op de problemen die dit met zich mee kan brengen, maar dat heeft niet kunnen voorkomen dat zich een ernstig integriteitsincident heeft voorgedaan. Hetzelfde geldt voor de justitiële inrichting, waar de afgelopen jaren veel medewerkers betrokken waren bij integriteitsincidenten. Maar ook in de politiecellen waren incidenten, waardoor twee bewakers op non-actief zijn gesteld. In die zaak hadden gevangenen tegen alle regels in de beschikking over een mobiele telefoon. Er is dus veel aandacht nodig voor de integriteit; er zijn te veel incidenten. Hoe gaan de Minister en de Staatssecretaris ervoor zorgen dat het aantal incidenten structureel afneemt?

De heer Van Oosten (VVD): Voorzitter. Ter voorbereiding op dit debat heb ik een CBS-notitie tot mij genomen, met de heel fraaie titel Caribisch Nederlander voelt zich meestal veilig. Ik vind dat een fraaie vaststelling om mee te starten. Dit rapport dateert van vorig jaar en ik neem aan dat er tussentijds niet heel veel is veranderd. Interessant vind ik dan wel dat er desondanks toch een flinke gevangenis op Bonaire staat. Ik begrijp dat nieuwbouw staat gepland. Hoe gaat het daarmee? In hoeverre zal de omvang van de voorgenomen gevangenis noodzakelijk blijken te zijn, zeker gerelateerd aan de cijfers?

Het is volgens mij uniek op de wereld dat het Caribisch politiekorps geografisch zo enorm verspreid is. Het is bij wijze van spreken alsof de politie in Maastricht ook een taak te vervullen heeft in Marseille. Daar zit 900 kilometer tussen. Dit brengt mij op de vraag of het Korps Politie Caribisch Nederland dan juist geen voortrekkersrol zou kunnen spelen, bijvoorbeeld waar het gaat om digitalisering. Ik hoor graag van de Minister of digitalisering een bijdrage zou kunnen leveren en welke stappen daar reeds in zijn gezet. Ik kan mij voorstellen dat moderne communicatiemiddelen heel effectief kunnen zijn om optimale service te bieden aan de mensen op de eilanden.

Mijn volgende vraag betreft het politieonderwijs. We hebben hierover de nodige documenten ontvangen. De Minister heeft als korpsbeheerder de Politieacademie opdracht gegeven om het politieonderwijs, dus de opleiding van het Korps Politie Caribisch Nederland, te evalueren. De bevindingen zijn, naar ik begrijp, overwegend positief, maar er zouden ook een paar verbeterpunten zijn. De belangrijkste aanbeveling betreft het werkend leren. Hoe wordt deze aanbeveling in het korps opgepakt? Heeft het onderbrengen van de Politieacademie onder de Politiewet nog gevolgen voor het Korps Politie Caribisch Nederland?

Mijn laatste vraag betreft de politiecellen op de BES-eilanden. Ook mijn collega heeft hier al iets over gevraagd. Er is een aantal verbetertrajecten in gang gezet. Hoe gaan we ervoor zorgen dat het onderbrengen van politiearrestanten niet leidt tot meer druk op de capaciteit voor de basiszorg op Sint-Eustatius en Saba?

De heer Van Laar (PvdA): Voorzitter. Armoede, gebrekkige economische groei en beperkt onderwijs zijn elementen die criminaliteit bevorderen. Het is daarom terecht dat de regering in het kader van dit algemeen overleg wijst op deze belangrijke beleidsterreinen. De beste aanpak van criminaliteit is immers het voorkomen van deze zaken. Armoedebestrijding, economische groei en goed onderwijs voor iedereen vormen dan ook de beste preventie. De regering komt nog met een visie op het justitieel jeugdbeleid. Mijn fractie is daarin zeer geïnteresseerd. Op dit moment lijkt het een probleem om goed personeel te krijgen. Hoe gaat men daarmee om?

Veel delicten worden aangemerkt als prioritair, waaronder mensenhandel en -smokkel. De PvdA is daar tevreden over, maar de vraag is natuurlijk welke resultaten er worden bereikt door deze prioritering. Wij horen enkel over toenemende illegale prostitutie en een verslechtering van de situatie van de prostituees sinds 2010. Worden er statistieken bijgehouden over de geprioriteerde delicten? Kan de Kamer een overzicht krijgen van deze gegevens, met in ieder geval een inhoudelijke toelichting op de resultaten van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel op de eilanden?

Uit het rapport van de Raad voor de rechtshandhaving maken wij op dat de medewerkers die zich met de terugkeer van gedetineerden bezighouden, dus met hun re-integratie in de samenleving, gedreven en enthousiast zijn. Wij willen deze medewerkers met hun positieve houding complimenteren. Aan de andere kant is er nog ruimte voor professionalisering. Hoe wordt daar invulling aan gegeven? Kan er bijvoorbeeld ondersteuning komen vanuit de expertise die er in Europees Nederland is?

De uitvoering van de werkstraffen lijkt goed te gaan. Er zijn in principe genoeg plaatsen, maar de raad is van mening dat de werkmeester en de andere medewerkers beter voorgelicht moeten worden over de manier waarop zij met deviant gedrag van gestraften moeten omgaan. Moeten wij ons zorgen maken over de veiligheid van de medewerkers? Zo nee, waar richt deze opmerking van de raad zich dan op? Zoals mijn collega al zei, moet de werkmeester op Saba zijn tijd verdelen tussen Saba en Sint-Eustatius. Is dat niet anders te organiseren?

De PvdA is benieuwd hoeveel cliënten de re-integratie nu heeft. Hoeveel mensen hebben een werkstraf en hoeveel mensen re-integreren onder toezicht in de samenleving?

De eilanden vragen meer ruimte om zelf te beslissen over de overplaatsing van gedetineerden als daarvoor een dringende noodzaak bestaat. Zij willen dat pas achteraf laten toetsen. De reactie van de regering op deze vraag vindt de PvdA een beetje cryptisch. Die schrijft: het is uiteraard geenszins de bedoeling dat vanwege procedurele eisen het overplaatsingsproces langer duurt dan nodig. Dat is nu echter wel het geval. Kan de regering verduidelijken wat zij bedoelt? Gaat zij inderdaad achteraf toetsen, of blijft zij vooraf toetsen en daarmee vertraging inbouwen?

De inspectie constateert een rode draad waardoor het werk kan worden belemmerd. De inspectie spreekt over verloop van personeel, geografische afstand en de sociale cohesie op de eilanden. Wij voegen daar de schaal van de eilanden nog aan toe; door de vaak enorm kleine omvang komen er inherent problemen. We kunnen constateren dat lokale justitiemedewerkers al snel gerelateerd zijn aan een verdachte of een andere betrokkene. In hoeverre wordt het werk van justitiemedewerkers hierdoor beïnvloed? Is hier extra aandacht voor? Hoe wordt bijvoorbeeld omgegaan met het verschoningsrecht? Gelden dezelfde gronden als in Nederland? Wordt het werk van de lokale mensen hierdoor extra zwaar? Op welke manier kan aan deze problematiek worden gewerkt? Is er bijvoorbeeld een maximale termijn waarop je als lokale medewerker in een bepaalde functie kan werken? Hoe is het roulatiesysteem tussen de eilanden? Bestaan daar vaste afspraken over? Dit geldt niet alleen voor de Justitieketen maar eigenlijk breder, in de gehele context. Het is echter ook zo dat de kennis over de lokale situatie en connecties met de lokale bevolking enorm kunnen helpen. Is er een slimme regeling te bedenken waarbij de voordelen kunnen worden uitgenut maar de nadelen bestreden?

De problemen die zijn gesignaleerd bij het lokale personeel van de kustwacht op Curaçao, zoals bedreigingen, kunnen ook voorkomen op de BES-eilanden. Zijn hier signalen over ontvangen? Zijn er signalen dat de medewerkers het extra moeilijk hebben, juist vanwege de kleine schaal van de eilanden? Hoe zien die signalen er dan uit en hoe wordt daarmee omgegaan?

In hoeverre en op welke schaal wordt personeel tussen Nederland en de Antillen uitgewisseld? Wat is het standpunt van het kabinet daarover, bijvoorbeeld waar het de politie betreft? Wij krijgen signalen dat politieagenten op Saba, die over het algemeen niet van Saba komen, slecht geworteld zijn in de samenleving en daardoor moeilijk signalen oppikken. Zij wachten op een melding en gaan daar dan ook wel op af, maar zij komen op deze manier niet het kinder- en jongerenmisbruik op het spoor waarover geen melding komt, maar dat wel veel voorkomt op de eilanden.

De vergadering wordt van 14.19 uur tot 14.29 uur geschorst.

Minister Opstelten: Voorzitter. Ik dank de leden voor de vragen en opmerkingen die zij aan het adres van de Staatssecretaris en mij hebben gericht.

Ik wil toch nog even opmerken dat er op de drie eilanden van Caribisch Nederland veel is gebeurd sinds 10-10-10. Er is veel werk verzet. Ik noem een paar punten: de vergroting van de politiecapaciteit, de nieuwbouw van het politiebureau in Kralendijk, de inrichting van Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES, het op sterkte brengen van de voogdijraad BES, maar ook de realisatie van een veilige en humane Justitiële Inrichting Caribisch Nederland. We kunnen ook constateren dat een aantal zaken aandacht nog behoeft. Ik denk dan met name aan de realisatie van de notariaatsfunctie op de Bovenwindse Eilanden en de inrichting van het Veiligheidshuis op Bonaire.

Het OM heeft een zestal prioriteiten benoemd aangaande veiligheid en criminaliteit: geweldscriminaliteit, jeugdcriminaliteit, inbraken, drugssmokkel, corruptie, en mensenhandel en mensensmokkel. De leden hebben deze ook benoemd. Deze thema's hebben natuurlijk hun weerslag gekregen in de jaarplannen, onder andere die van het Korps Politie Caribisch Nederland.

Met name de heren Van Nispen en Van Laar vragen hoe wordt omgegaan met integriteit, gezien de kleinschaligheid. Wij herkennen dat allemaal; als je daar geweest bent, heb je daar beelden bij. Ik heb hier een aantal opmerkingen bij. Ten eerste is het juist vanwege de kleinschaligheid van belang dat de capaciteit optimaal wordt benut. Ten tweede is kennis van de lokale omstandigheden een pre. De heer Van Laar vroeg hiernaar in verband met het politieoptreden op Saba. Ten derde is er, juist vanwege kleinschaligheid, een roulatiesysteem. Dat is onvermijdelijk en noodzakelijk. Ten vierde zijn de rechters van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en de officieren van justitie ook bevoegd op andere eilanden. Daarom is het, ten vijfde, gemakkelijker om te verschonen. Als zesde punt wil ik noemen dat integriteit een belangrijk aandachtspunt is en als zevende punt dat bij de integriteitskwestie indien nodig het Bureau Veiligheid en Integriteit wordt ingezet. Ten slotte heeft de directie van de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland, locatie Bonaire (JICN) veel aandacht voor integriteit door het onderwerp expliciet te laten bespreken in het teamoverleg. De Staatssecretaris zal daar nog nader op ingaan. Als onderdeel van de opleiding is het natuurlijk heel belangrijk. Kortom, er is op alle fronten aandacht voor de integriteit.

Ik kom te spreken over de integriteit van de arrestantenzorg. In 2013 is een medewerker op Saba geschorst. Dit betrof geen medewerker van de KMar of de politie, maar een medewerker van het voormalige vrijwilligerskorps. Deze medewerker wordt niet meer ingezet. Gezien de schaal vergt dit onderwerp natuurlijk voortdurende aandacht.

Er is gevraagd of het onderbrengen van arrestanten kan leiden tot de inzet van de basispolitiezorg op Saba en Sint-Eustatius. De Kamer moet zich realiseren dat insluiting op Saba en Sint-Eustatius eerder uitzondering dan regel is. Indien mogelijk vindt bij inverzekeringstelling overbrenging naar Sint-Eustatius plaats. In het uitzonderlijke geval dat na de inverzekeringstelling een inbewaringstelling plaatsvindt, vindt overbrenging naar Bonaire plaats. Dat transport kost inderdaad capaciteit. Als wordt ingezet op detentietaken kan dit inderdaad een capaciteitsprobleem opleveren wat betreft de bpz-taken. Om dit te voorkomen zijn er freelancemedewerkers aangetrokken die de arrestantenzorg op zich kunnen nemen. Daarnaast ben ik als korpsbeheerder in gesprek met de korpschef Justitiële Inrichting Caribisch Nederland en de DJI over een structurele en pragmatische oplossing. Dit geldt in voorkomende gevallen ook voor psychiatrische patiënten, die zo nodig naar Curaçao gaan. De heer Van Nispen vroeg hiernaar.

Er is ook gevraagd naar verbetering van het praktijkleren politieonderwijs. De heer Van Laar vraagt hoe het werkend leren in het korps wordt opgepakt. Verbeterpunten zijn met name gericht op de adequate begeleiding van de studenten in de praktijkperiode van het werkend leren. De Politieacademie zorgt voor extra docentbegeleiding tijdens deze praktijkperiode voor het ter plekke opleiden van de praktijkbegeleider.

Heeft het onderbrengen van de Politieacademie onder de Politiewet nog gevolgen voor het korps? Nee, in de Politiewet is geborgd dat de Politieacademie ook het Korps Politie Caribisch Nederland kan en mag bedienen.

De heer Van Oosten had een vraag over digitaal werken en de digitalisering. Digitaal werken en digitalisering liggen voor de hand met zulke grote afstanden. Het is waar dat gebieden die ver uit elkaar liggen, vragen om goede afstemming en samenwerking. De hoofdzaak daarbij is niet de informatiedeling. Die komt en wordt beter met bijvoorbeeld de nieuwe recherchemodule die binnenkort in gebruik wordt genomen. Het belangrijkste aspect, echter, is de beschikbaarheid van de mensen voor onder andere recherchetaken en de arrestantenzorg. Dit soort zaken gaat niet via internet, maar vraagt om goede onderlinge samenwerking tussen onder andere de korpsen en het Recherche Samenwerkingsteam (RST). Ik ben dan ook blij dat deze samenwerking goed verloopt, zoals onder andere bij de verschillende opsporingsonderzoeken is gebleken. Digitalisering is een kernaandacht in het korps maar is natuurlijk voor de prioriteiten die men stelt niet altijd dé oplossing; er is meer nodig, zoals ik zojuist al aangaf.

De heer Van Laar had een vraag over de uitwisseling van personeel en signalen uit Saba met betrekking tot huiselijk geweld. Het politiepersoneel rouleert tussen de eilanden. Daarnaast hebben wij er op 10-10-10 voor gekozen om op de Bovenwindse Eilanden naast lokale capaciteiten ook KMar capaciteit in te zetten voor de politietaak, vanwege de kleinschaligheid van de gemeenschappen daar. Deze combinatie van lokaal personeel en KMar leidinggevend personeel is van groot belang ter borging van de objectiviteit en de integriteit, gegeven de grote betrokkenheid.

Misbruik binnen gezinnen en huiselijk geweld is een onderwerp dat door de politie serieus wordt genomen en wordt aangepakt. Het grootste probleem is de sociaal-cultureel bepaalde geringe bereidheid van de bevolking zelf om aangifte te doen in dergelijke zaken. De beide gezaghebbers van Saba en Sint-Eustatius hebben gepleit voor een voortgezette inzet van de KMar.

Komt er een voorziening voor psychiatrische patiënten die nu nog in de politiecellen zitten? Het gaat om heel kleine aantallen. In 2013 betrof het op Saba twee mensen en in 2014 tot nu toe drie. Op Sint-Eustatius betrof het in 2013 nul mensen en in 2014 tot nu toe drie. Het is bijna niet te doen om voor dergelijke kleine aantallen voorzieningen te realiseren in de ziekenhuizen op de Bovenwindse Eilanden. De beste oplossing is op termijn een detentievoorziening op de BES. Daar is de Staatssecretaris mee bezig. Hij zal daar zo dadelijk iets over zeggen.

De heer Van Oosten haalde een CBS-onderzoek aan, dat het beeld schetste dat men zich meestal veilig voelt op de eilanden. Ik weet niet of de heer Van Oosten er geweest is. Ik kan zeggen dat dit beeld momenteel toch onderzocht wordt. Het WODC is namelijk bezig met onderzoek naar de achtergronden van de detentieratio in Caribisch Nederland. De bedoeling van dit onderzoek is om meer inzicht te krijgen in de achtergronden van de detentieratio door de belangrijkste factoren die daarop van invloed zijn te identificeren. Het WODC zal ook deze CBS-cijfers expliciet betrekken bij het onderzoek. Dit onderzoek zal naar verwachting medio 2015 openbaar gemaakt worden.

De heer Van Laar wil weten of er statistieken worden bijgehouden van de geprioriteerde delicten. De verschillende jaarverslagen bieden informatie over de prestaties van de strafrechtketen in Caribisch Nederland. Ik vind het beeld echter beperkt, vandaar mijn opmerkingen eerder over het WODC-onderzoek. Hierbij wordt ook bekeken hoe de aanwezige kwantitatieve informatie en het huidige registratiesysteem kunnen worden gebruikt om optimaal inzicht te verkrijgen in recente ontwikkelingen rond de strafrechtketen. Daar komt dan het volledige beeld van de detentieratio aan bod.

De bestrijding van mensenhandel en mensensmokkel wordt prioritair opgepakt door alle landen van het Koninkrijk. Het in 2011 ondertekende memorandum of understanding wordt uitgevoerd. Momenteel vindt hier een evaluatie van plaats, die wordt uitgevoerd door de vier landen binnen het Koninkrijk. In de brief van 13 mei 2014 staat al dat ik de Kamer hierover zal informeren.

In 2012 heeft op Bonaire een strafrechtelijk onderzoek gedraaid naar mensenhandel in de zin van financiële uitbuiting en arbeidsuitbuiting van prostituees. Het zal nog wel even duren voordat deze zaak op zitting komt, omdat er nog getuigen gehoord moeten worden in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek, onder andere in Colombia. Op Sint-Eustatius is een taskforce ingericht die op grond van een gezamenlijk handhavingsbeleid controles uitvoert gericht op het bestrijden van uitbuitingssituaties. Naar aanleiding van een in 2014 op Sint-Eustatius gedraaid strafrechtelijk onderzoek is in september een bestuurlijke rapportage opgesteld.

Wordt het werk van de justitiemedewerkers beïnvloed door de kleinschaligheid van de eilanden? Hoe wordt hier extra aandacht aan besteed? Ik heb hier al iets over gezegd, maar het is een belangrijk punt. Juist vanwege die aspecten van kleinschaligheid is het van groot belang dat de aanwezige capaciteit op de eilanden optimaal wordt benut. Het is van belang dat de organisaties gemakkelijk kunnen samenwerken. Naast dat we uiteraard kwalitatief goede en ervaren mensen proberen te vinden, is ook kennis een van de zaken waarmee men rekening moet houden in selectieprocedures voor functies bij organisaties op het terrein van Veiligheid en Justitie. Hierdoor kunnen de organisaties als politie, OM, reclassering en Voogdijraad effectiever functioneren. Echter, juist vanwege de kleinschaligheid is roulatie van belang. Dat spreekt voor zich. Maximumtermijnen voor het functioneren van lokale medewerkers in bepaalde functies zijn moeilijk te geven. Het verschilt per persoon en per situatie. In het algemeen duren uitzendingen van medewerkers uit Europees Nederland drie jaar met een mogelijke uitloop naar vijf jaar.

De heer Van Laar vroeg tot slot naar signalen over dreigementen aan het adres van het kustwachtpersoneel op Bonaire. Hier is sprake van een misverstand. In augustus heeft zich op Bonaire een incident voorgedaan, waarbij een grote groep Bonairianen drie Curaçaoënaars aanviel. Later bleken deze Curaçaoënaars kustwachters te zijn. Er is aangifte gedaan en een onderzoek gestart. Vervolgens hebben de vakbonden op Curaçao een korte werkonderbreking van kustwachtpersoneel georganiseerd vanwege vermeende onveiligheid. Het incident bleek echter niets met de kustwacht als zodanig te maken te hebben. Er is dus geen sprake van signalen van bedreigingen van de kustwacht of het kustwachtpersoneel.

Tot zover mijn antwoord in eerste termijn.

De heer Van Laar (PvdA): De Minister zegt dat overal goed over nagedacht is. Alles gaat goed. De bestrijding van mensenhandel heeft prioriteit en er is een zaak geweest. Dan wreekt zich toch de situatie dat de informatie die ter plekke verzameld is, daarmee niet in overeenstemming is. Het lijkt ook niet beter te gaan. Kijk alleen maar naar de prostitutie. De legale bordelen worden om legitieme redenen gesloten. Daardoor zien wij prostitutie ontstaan in allerlei «snacks», zoals kleine barretjes op de eilanden genoemd worden. Daarop is geen controle. Het systeem voor 10-10-10 was dat prostituees voor drie of zes maanden op de eilanden konden werken en daarna weer naar een ander eiland gingen. Dat systeem is afgeschaft omdat Nederland dat niet kent, maar daarvoor is geen systeem in de plaats gekomen. Wij zien nu dat vrouwen daar zonder vergunning of verblijfstitel werken en weer van de eilanden af zijn zodra misstanden aan het licht komen. Er kan dus ook nooit vervolgd worden. De situatie wordt dus alleen maar erger. Herkent de Minister dat beeld? Zo ja, is er dan geen extra inzet nodig om de situatie te kenteren?

Minister Opstelten: Ik heb alleen gezegd dat het prioriteit heeft. Ik heb een paar zaken genoemd: er is een MoU getekend en de vier landen geven dit prioriteit. Daarmee is niet gezegd dat alles goed loopt. Als je daar bent geweest, weet je dat ook. Daarom verdient dit continue aandacht. Ik denk dat ik hetzelfde verhaal als de heer Van Laar zou houden als ik op zijn stoel zat. Ik ben dus nog niet tevreden, maar het korps en het Openbaar Ministerie op de BES-eilanden zijn helemaal op sterkte, zowel kwantitatief als kwalitatief. Hier is veel aandacht voor. Ik zal niet nalaten om dit voortdurend te benadrukken en om hierop kritisch te blijven doorvragen.

De heer Van Laar (PvdA): De vraag is of dat voldoende is. Moeten wij niet naar het probleem kijken? Het probleem persisteert en wordt erger. Wat hebben wij in Nederland geleerd? Hoe kunnen wij dat daar toepassen? Welke lokale oplossingen zijn mogelijk? Er is nu geen contact met vrouwen voordat zij aan het werk gaan, terwijl dat nu in Nederland verplicht wordt gesteld in de vorm van een goed gesprek waarin vrouwen op hun rechten en plichten worden gewezen. Er is eigenlijk geen systeem waardoor vrouwen vanuit andere landen of eilanden nu legaal aan het werk kunnen gaan op de eilanden. Moet daarvoor geen systeem bedacht worden, zodat wij die vrouwen in beeld krijgen en de controle makkelijker wordt? Ik geloof best dat de keten aan de achterkant uitgerust is om dit op te pakken, maar het simpele feit is dat die vrouwen alweer weg zijn voordat er überhaupt een melding komt dat er ergens misstanden zijn.

Minister Opstelten: Ik kan hier nog het volgende over zeggen. Het gaat hier om de vraag of de relevante ketenpartners allemaal met elkaar aan de slag zijn. De schaal is overzichtelijk, dus het moet mogelijk zijn om daar misstanden te herkennen. Er is een werkgroep en de afgelopen drie jaar is een aantal multidisciplinaire controleacties uitgevoerd. Ik heb een paar zaken genoemd. In overleg met het OM wordt niet alleen ingezet op opsporingsonderzoek, maar de diverse diensten zetten ook in op het opwerpen van barrières voor ongewenste gedragingen. Ten behoeve van de Europese Dag tegen Mensenhandel zijn op 18 oktober reclamecampagnes uitgevoerd. Daarin zijn informatiefolders verspreid. Ook zijn toen radiointerviews en krantenartikelen aan dit onderwerp gewijd. Wij zullen dit voortdurend aandacht blijven geven. Waar het zinvol is om nog andere instrumenten in te zetten, zullen wij dat niet nalaten.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter. Ook ik bedank de leden voor hun opmerkingen. De Minister heeft in zijn voorwoord de problematiek in zijn algemeenheid al geschetst. Wij praten over een populatie van zo'n 23.000 mensen die gezamenlijk op die drie eilanden wonen. Dat is een kleine gemeente in Nederland. Door de feitelijke omstandigheden en structuren zijn problemen weleens wat groter. De detentieratio is bijvoorbeeld groter. Zoals de Minister al zei, doet het WODC daar nu onderzoek naar. In het voorjaar van 2015 zullen wij daarover berichten. Waarom is op Bonaire een relatief grote gevangenis nodig? Dat heeft in hoge mate te maken met het feit dat er hogere straffen worden opgelegd. Ook worden er vaak celstraffen opgelegd voor delicten waarbij in Nederland vaak voor een taakstraf of een andere vorm van afdoening wordt gekozen. Het feit dat de detentieratio veel hoger ligt, heeft daar dus ook mee te maken. Er zitten dus ook veel meer mensen in detentie.

Ik zal nu wat dieper ingaan op de onderscheiden vragen. Allereerst heeft de heer Van Nispen wat opmerkingen gemaakt over de reclassering. Ik was toen nog niet binnen, maar heb zijn opmerkingen wel meegekregen. Met de Stichting Reclassering Caribisch Nederland is een meerjarenplan opgesteld. Daarin zit een opleidingsprofiel voor nieuwe medewerkers. Ook zit er een opleidingsprogramma aan vast, dat in 2015 verder wordt ontwikkeld. Het is inderdaad moeilijker om het niveau dat wij van de reclassering in Nederland verwachten, in die kleine gemeenschappen ook te bereiken. Er zijn inderdaad aanloopproblemen geweest. Wel denken wij dit in 2015 verder gestalte te kunnen geven. Toen ik de Stichting Reclassering Caribisch Nederland om een meerjarenplan vroeg, heb ik ook gevraagd om aan te geven welke stappen zij wil bereiken: wanneer wil je waar zijn met wat? Dat heeft de stichting ook gedaan. Wij zullen wel strak moeten monitoren of alle geplande ontwikkelingen ook daadwerkelijk zo gaan.

De heer Van Laar heeft een vraag gesteld over de werkmeester op Saba en Sint-Eustatius, die gedeeld moet worden. De Minister is in 2013 op Saba geweest. Er heeft werving plaatsgevonden, maar die heeft uiteindelijk niet tot de juiste persoon geleid, want degene die geworven was, is weer weggegaan. Dan moet je opnieuw beginnen. Het is nogal ingewikkeld om op eilanden als Sint-Eustatius en Saba de goede mensen voor dat werk te vinden. Dat is een van de oorzaken van het probleem met de werkmeester. Overigens komt het niet vaak voor dat wij in een algemeen overleg zaken op het niveau van één werkmeester bespreken; daarmee wil ik trouwens niks ten nadele van de vraag van de heer Van Laar zeggen. In Nederland lopen bij de reclassering honderden werkmeesters rond. Ik ben het met de heer Van Laar eens dat die ene werkmeester dan wel goed moet zijn. Als hij zijn aandacht over twee eilanden moet verdelen, wordt het ingewikkeld.

Hoe zou de rechtsbijstand aan gedetineerden kunnen worden verbeterd? Ook de verdachten op de BES-eilanden hebben recht op gratis rechtsbijstand. Zij krijgen die van een advocaat die piket draait. Die situatie is dus niet anders dan in Nederland. Als een gedetineerde een klacht indient, gaat het iets anders. Dat loopt dan niet langs de lijn van de advocatuur die rechtsbijstand geeft. Een gedetineerde krijgt in zo'n geval hulp van een klachtencommissie. Daarvoor is geen advocaat nodig. In de regelgeving wordt ervan uitgegaan dat de klachtencommissie de benodigde expertise heeft om klachten binnen de inrichting op te lossen. Ik denk ook dat dit zo is, want wij hebben de klachtencommissie wel door de DJI laten trainen. In de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland op Bonaire gaat dat ook steeds beter. Als een gedetineerde een procedure zou willen aanspannen, bijvoorbeeld over een onrechtmatige daad, kan hij wel een advocaat aanvragen.

De heer Van Nispen heeft gevraagd of het verlenen van medische spoedhulp altijd via de Dienst Justitiële Inrichtingen in Nederland verloopt. Als men van Bonaire naar een ander land reist, bijvoorbeeld Curaçao, Aruba of Sint-Maarten, moet dat wel onder mijn verantwoordelijkheid plaatsvinden. Dat wordt dus wel voorgelegd, maar zeker in spoedsituaties wordt dit telefonisch gedaan en achteraf geformaliseerd. Dat is de afgelopen periode ook wel voorgevallen. Maar als gevangenen voor medische hulp van Bonaire naar andere landen reizen, wordt dat dus wel voorgelegd.

In reactie op de heer Van Laar wil ik ook iets zeggen over de onderlinge regeling tussen de landen, tussen de BES, Sint-Maarten, Curaçao en Aruba. Die regeling leidt er regelmatig toe dat gedetineerden van het ene eiland op het andere eiland worden ondergebracht. Als de procureur-generaal op Curaçao of Aruba bijvoorbeeld het vermoeden heeft dat een gedetineerde niet op de juiste wijze in Willemstad of Oranjestad kan verblijven, komt het voor dat een gedetineerde wordt overgebracht naar Bonaire. Het komt ook voor dat wij een gedetineerde op Bonaire hebben – soms iemand die daar oorspronkelijk al gedetineerd zat, soms iemand die in eerste van Curaçao, Sint-Maarten of Aruba kwam – en dat uiteindelijk ook de detentie op Bonaire geen haalbare kaart blijkt, hoewel de kwaliteit van de inrichting in Kralendijk wel beter wordt. Als de situatie van een gedetineerde in het Caribisch gebied niet kan worden opgelost, komt het voor dat deze wordt overgebracht naar Nederland. Dat is de afgelopen jaren een paar keer daadwerkelijk gebeurd. Iedere keer wordt zo'n zaak aan mij voorgelegd. Na advies ingewonnen te hebben, wordt dan beoordeeld of het noodzakelijk is om de gedetineerde over te brengen. Er zijn ook verzoeken geweest van de procureur-generaal op Curaçao en de hoofdofficier op Bonaire om mensen in Nederland te detineren, omdat op de eilanden niet kon worden ingestaan voor hun veiligheid. In ieder geval op Bonaire heeft zo'n verzoek soms wel te maken met de kleinschaligheid.

De heer Van Laar en de heer Van Nispen willen dat de teams in het justitieel jeugdbeleid stabieler worden. Wij hebben hier wel een visie op. Hoe proberen wij de teams stabieler te krijgen en hoe proberen wij adequaat personeel op de goede plaats te krijgen? Wij moeten voor al die functies in dezelfde vijver vissen. Soms betekent dit dat mensen dubbele taken krijgen, bij meerdere organisaties. Als wij kwalitatief goede personen hebben die niet noodzakelijkerwijs 36 of 40 uur per week in één organisatie hoeven te werken, kunnen wij ze soms in meerdere organisaties inzetten, waarbij wij functies van meerdere organisaties coördineren. Bovendien doen wij aan gezamenlijke werving. Als de politie, justitiële inrichtingen en andere organisaties mensen nodig hebben, wordt soms ook wel gezamenlijk geworven. In Europees Nederland wordt niet alleen binnen de rijksoverheid naar belangstellenden gezocht, maar bijvoorbeeld ook bij de Bureaus Jeugdzorg. Wij bekijken of daar kandidaten zijn die wij in de voogdijraad of bij de reclassering kunnen inzetten. Wij proberen hier dus ook breder naar te kijken.

De Minister heeft al iets gezegd over het onderzoek naar de detentieratio. Waarom is er zo'n flinke gevangenis nodig voor 17.000 inwoners op Bonaire? Ik heb daar zelf ook al iets over gezegd. Ik hoop in het begin van het voorjaar, in maart of april, de cijfers van het WODC openbaar te kunnen maken. Die zal ik vergezeld van een beleidsreactie naar de Kamer sturen.

De heer Van Oosten en de heer Van Laar hebben vragen gesteld over de nieuwbouw op Bonaire. Wij verwachten dat de nieuwbouwlocatie op Bonaire medio 2016 helemaal operationeel is. Wij kunnen de aanbestedingsprocedure hoogstwaarschijnlijk dit jaar geheel afronden. Parallel aan het nieuwbouwproject op Bonaire denkt DJI na over een efficiënte manier om de capaciteit op Sint-Eustatius te garanderen; op Saba speelt dit niet. Ik heb in 2011 overleg gevoerd met de gezaghebber en de toenmalige gedeputeerde op Sint-Eustatius over de vraag of daar detentiecapaciteit moest komen. Het lijkt heel duur te zijn, maar voor het kerstreces hoop ik de Kamer te kunnen informeren hoe wij dit invulling gaan geven. Je kunt denken aan een heel kleine detentiefaciliteit met heel weinig capaciteit. Je kunt ook denken aan behoorlijk opgepimpte politiecellen waar mensen maar 48 uur mogen verblijven. Als ze dan langer dan 48 in hechtenis zijn, worden ze overgebracht naar Bonaire.

Hoe zit het met het justitieel jeugdbeleid? De agenda voor justitieel jeugdbeleid verloopt langs een aantal stappen. Wij beginnen met inventarisatie van de gekozen oplossingen en vraagstukken in de achterliggende jaren. Met de analyse proberen wij de gaten in de civiele en de strafrechtelijke jeugdketen zichtbaar te maken. De inbedding moet echt binnen het justitieel jeugdbeleid van het Caribisch gebied plaatsvinden, van preventie tot repressie. Wij proberen niet alleen aan repressie te doen, maar wij proberen ook de preventiekant invulling te geven. Ik denk bijvoorbeeld aan een samenhang met de Taskforce Kinderrechten en Huiselijk Geweld. Wij betrekken de ambtelijk vertegenwoordigers van openbare lichamen daar ook bij. Wij investeren dus ook aan de voorkant van de justitiële jeugdketen. V en J wil niet het afvoerputje zijn in de zin dat wij op de eilanden een grotere toename van jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringszaken krijgen als wij het niet goed regelen. Dat moeten wij niet laten gebeuren. Dat zou een vertekend beeld geven.

De heer Van Nispen (SP): Iets eerder had de Staatssecretaris het over de nieuwbouw op Bonaire en de cellen op Sint-Eustatius. In de brief van de Minister van 2 juli dit jaar lees ik: «Op Sint Eustatius wordt een nieuwe inrichting met 18 plaatsen voor gedetineerden van Sint Eustatius en Saba gebouwd.» Begrijp ik de Staatssecretaris goed dat dit eigenlijk nog helemaal niet vaststaat en dat nog wordt nagedacht of die plaatsen er wel moeten komen?

Staatssecretaris Teeven: Toen de Minister dat in juli schreef, was dit juist, maar daarna hebben wij aan de hand van aanbesteding moeten constateren dat er exceptionele kosten verbonden waren aan die achttien plaatsen. Dat ging over een detentiefaciliteit van achttien plaatsen waar je mensen langer dan 48 uur kon vasthouden. Daarom zijn wij nu aan het kijken naar goedkopere oplossingen. Minder detentieplaatsen zou een mogelijke oplossing zijn, maar dat brengt met zich mee dat je mensen misschien eerder naar Bonaire brengt. Wij zijn nu wat scherper de afweging aan het maken. Moeten er achttien plaatsen komen, al dan niet goedkoper uitgevoerd, waar we mensen niet oneindig lang in detentie kunnen houden, bijvoorbeeld maximaal zes maanden? Of moeten wij naar een situatie waarin wij mensen maximaal 48 uur in een politiecel zetten, waarbij zij bij langere detentie naar Bonaire moeten worden overgebracht? Wij zijn de prijsverhouding aan het bekijken. De prijs voor de achttien plaatsen die de Minister in zijn brief noemt, was exceptioneel hoog in relatie tot wat er zou worden geleverd. Wij moeten even bekijken of wij het beter, efficiënter, goedkoper en misschien ook nog sneller kunnen doen. Dit betekent wel dat mensen op Sint-Eustatius die verdacht worden van een strafbaar feit en langer in hechtenis geplaatst moeten worden dan 48 of 72 uur, naar Bonaire moeten worden overgebracht. Daaraan zit ook een prijskaartje vast. Dat is de andere kant van het plaatje. Die vergelijking moet even worden gemaakt. Dit verklaart het verschil tussen de brief van de Minister en wat ik u nu mededeel.

De heer Van Laar (PvdA): Is het niet veel logischer om de gedetineerden op Sint-Maarten onder te brengen? Het is formeel een ander land, maar het is hetzelfde Koninkrijk. Als het om achttien plaatsen gaat, moeten er toch afspraken te maken zijn dat daar een vaste vleugel voor deze gedetineerden kan worden ingericht? Je zou zeggen dat dit in ieder geval een hoop kosten scheelt. Waarom zou dat niet kunnen? Is dat onderzocht?

Staatssecretaris Teeven: Ja, dat is onderzocht en het kan niet. De Pointe Blanche-gevangenis op Sint-Maarten verkeert in slechte staat. Dat betekent dat de kwaliteit daar moet worden vergroot. Er zijn ook klachten geweest van de Committee for the Prevention of Torture over de detentieomstandigheden op Sint-Maarten. Er moet dus veel aan die cellen worden gedaan. Bovendien is er ondercapaciteit op Sint-Maarten. In het kader van de onderlinge regeling moet Sint-Maarten juist heel vaak mensen naar Bonaire en Curaçao overbrengen. Er is dus geen capaciteit om die enkeling die langer dan 48 op 72 uur gehecht is op Sint-Eustatius of Saba, onder te brengen op Sint-Maarten. Dat vinden wij op dit moment ook niet verantwoord. Ik ben daar dus voor gaan liggen en heb gezegd dat het dan beter is dat ze naar Bonaire gaan.

De heer Van Laar (PvdA): Ik kan mij ook voorstellen dat samen met Sint-Maarten bekeken wordt of Nederland daar iets kan realiseren. Nu is er de keuze tussen een blok op Sint-Eustatius zetten of mensen naar Bonaire brengen, maar je zou ook kunnen bekijken of je cellen op het gevangenisterrein van Sint-Maarten kunt realiseren. Daar zijn de randvoorwaarden al aanwezig en vervolgens kun je afspraken maken over de zorg voor gedetineerden, over de manier waarop ze worden opgevangen et cetera. Dan houd je de gedetineerden goed gevangen, maar profiteer je van het feit dat het terrein al bewaakt is en dat er algemene voorzieningen zijn, zoals een maaltijdvoorziening. Dan zou het toch mogelijk moeten zijn om een gevangenis te organiseren die aan de Nederlandse standaarden voldoet, maar niet 900 kilometer verderop ligt?

Staatssecretaris Teeven: Ja, maar dat is onderzocht en dat is dus niet mogelijk. Dit is een goede suggestie en wij hebben daar ook naar gekeken, maar daarbij doen zich andere problemen voor. Je hebt hiervoor de medewerking van de regering van Sint-Maarten nodig. Het wordt dan ook de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie van Sint-Maarten. Dan breng je Nederlandse gevangenen over naar Sint-Maarten. Dat is een andere discussie. Dat zou heel goed kunnen als het een abc'tje was, maar het is echt makkelijker om ofwel een beperkte detentiefaciliteit op Sint-Eustatius te bouwen, ofwel goede politiecellen op Sint-Eustatius te realiseren en de enkele keer dat iemand langer dan 72 uur gehecht moet worden, diegene over te brengen naar Bonaire. Hoewel dat 900 kilometer verderop is, is dat nu sneller en efficiënter te regelen dan op Sint-Maarten.

Ik heb inmiddels al gesproken over de werkmeester, het budget en de overbrenging. Hiermee heb ik alle vragen beantwoord.

De voorzitter: Er zijn nog enkele vragen. Om een tweede termijn te voorkomen, kunnen de leden misschien volstaan met een interruptie.

De heer Van Nispen (SP): Ik wil de Staatssecretaris twee vragen nog iets preciezer stellen.

De Staatssecretaris heeft al iets gezegd over de werkmeester. Kennelijk wordt gezocht naar een nieuwe geschikte persoon, maar dat is puur voor de werkstraf. Het gaat mij ook om het houden van toezicht. Is dat probleem dan ook opgelost? Of zit iemand die op het ene eiland zit, de helft van de maand zonder toezicht omdat de werkmeester dan op het andere eiland is?

Mijn tweede punt gaat over de rechtsbijstand. Advocaten krijgen de kosten voor rechtsbijstand zeer traag vergoed. Kan daar ook naar gekeken worden?

Staatssecretaris Teeven: Misschien moet ik nog iets helderder zijn over de taakverdeling van de werkmeester voor Saba en Sint-Eustatius. Wij bekijken nu de mogelijkheid voor twee halve functies. Dat betekent wel dat het toezicht daar ook in moet zitten, niet alleen maar de werkstraf. Het idee is nu om voor een kortere periode dan een volle werkweek op elk eiland een afzonderlijke functionaris te stationeren.

Ik kom zo dadelijk terug op de vraag over de rechtsbijstand.

De heer Van Laar (PvdA): Ik heb nog een vraag aan de Staatssecretaris over de cultuur en de schaal van de eilanden. Toen de nieuwe gezaghebber op Bonaire aantrad, sprak ik een eilandraadslid dat er veel vertrouwen in had, omdat het een neef van hem was. Meestal is het niet zo'n goed idee als de gezaghebber de neef van een eilandraadslid is, maar hij zei: nee, dat is geen probleem, want het is ook een neef van een belangrijk statenlid van de andere grote partij op het eiland. Het was een neef van iedereen en dan kon het wel. Dat is een beetje het probleem op de eilanden, dat wij ook bij de reclassering zien. Iemand is op zijn minst een neef van een kennis op de eilanden. Heeft de Staatssecretaris daar beeld en geluid bij? Geeft dit in de praktijk problemen? Dat vraag ik ook vooral omdat niet altijd alles vast geregeld is. De professionaliteit laat nog te wensen over; alles is maatwerk. Wordt er niet af en toe te veel maatwerk geboden?

Staatssecretaris Teeven: Ik heb daar wel beeld en geluid bij. Ik onderken wat de heer Van Laar zegt. Iedereen heeft wel een neef die weer familie van een ander is. Dat is onontkoombaar, zeker op de twee kleine eilanden Saba en Sint-Eustatius. Is het een probleem? Dat is vanaf 7.500 kilometer afstand moeilijk te beoordelen. Dit is mij de afgelopen vier jaar eigenlijk nooit als een continu probleem onder de ogen gebracht, maar dat wil niet zeggen dat het allemaal gaat zoals in Nederland. Ik sluit niet uit dat te veel familiebanden problemen kunnen veroorzaken, maar hoe je dat à la minute kunt oplossen, behalve door Nederlanders in te vliegen om het te doen, is een heel andere vraag. Ik onderken dat wij misschien niet alles zien.

De heer Van Laar (PvdA): Ik vraag dit omdat daar waarschijnlijk ook geen systeem bestaat om casussen achteraf na te kijken en te controleren of de besluiten redelijkerwijs uit de casus volgen. Misschien is het een goed idee om een keer zo'n exercitie te doen en te bekijken of besluiten te herleiden zijn tot familie of kennissen. Worden er grosso modo wel dezelfde besluiten genomen in dezelfde gevallen? Is alles vanuit de casus te verklaren of spelen er ook andere invloeden mee? Als je het niet weet, weet je het niet, maar misschien is het goed om dat een keer te weten.

Staatssecretaris Teeven: Allereerst, als de heer Van Laar of zijn fractiegenoten signalen ontvangen dat dingen niet goed gaan, hoor ik dat graag. In een concrete casus kan ik daar wat mee. Nu wij toch bezig zijn met een aantal evaluaties, lijkt het mij inderdaad goed om dit mee te nemen. Dat zal ik dus zeker doen.

De heer Van Nispen vroeg mij zojuist of advocaten lang op hun geld moeten wachten. Die signalen heb ik niet gekregen. Naar mijn weten zijn de advocaten op de BES-eilanden tevreden, ook met de snelheid van uitbetaling van hun vergoeding. Mocht de heer Van Nispen concrete signalen van de orde of van individuele advocaten ontvangen hebben, dan zou ik ze graag krijgen. Dan kan ik daar actie op ondernemen.

De voorzitter: Daarmee zijn wij aan het einde van de eerste termijn gekomen. Met de interrupties is er geen behoefte meer aan een tweede termijn. Ik bedank de Minister, de Staatssecretaris, de ambtenaren, de mensen op de publieke tribune en mijn collega's voor dit overleg.

Sluiting 15.14 uur.

Naar boven