Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201831524 nr. 370

31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie

Nr. 370 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 juni 2018

Inleiding

Publiek-private samenwerking (pps) tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven is belangrijk voor een goede aansluiting van de opleidingen op de arbeidsmarkt. Zo wordt ingespeeld op innovaties en ontwikkelingen in de beroepspraktijk en worden studenten goed voorbereid op de toekomst. De (regionale) beroepspraktijk heeft hoogwaardig vakmanschap nodig om te innoveren en ontwikkelen. Mbo-afgestudeerden die vakvaardigheden en 21e eeuwse vaardigheden beheersen zijn daarvoor onmisbaar. Mbo-scholen die intensief en duurzaam samenwerken met hun regionale partners dragen bij aan stabiele ontwikkeling van regio’s en sectoren. De totstandkoming van deze samenwerking is vaak complex en komt niet vanzelf tot stand, sinds 2014 wordt dit daarom gestimuleerd via de Regeling regionaal investeringsfonds mbo (hierna RIF). Het RIF is de afgelopen jaren succesvol gebleken in haar aanpak en heeft een belangrijke katalysatorfunctie in de regio om dit soort samenwerkingsverbanden te stimuleren.1

De huidige RIF-regeling biedt nog tot en met 2018 de mogelijkheid subsidie voor pps-en aan te vragen. Mijn ambtsvoorganger heeft aangegeven dat een volgend kabinet zal bezien op welke wijze de investering voor het RIF vanaf 2019 voortgezet kan worden.2 In mijn reactie3 op het SER-advies Toekomstgericht Beroepsonderwijs4 heb ik een vervolg op het RIF voor de jaren 2019–2022 aangekondigd. In mijn brief over het programma ter versterking van het beroepsonderwijs vmbo-mbo (sterk beroepsonderwijs)5 heb ik toegezegd uw Kamer voor het zomerreces te informeren over het vervolg van het RIF. Met deze brief kom ik deze toezegging na.

De afgelopen periode heb ik met diverse betrokkenen gesproken en op basis daarvan een voorstel uitgewerkt voor de voortzetting van het RIF voor de periode 2019–2022. In deze brief ga ik in op de doelen van het nieuwe RIF, de beoogde contouren van de nieuwe subsidieregeling RIF, de nieuwe beoordelingscommissie, de aanvraagprocedure en informatiebijeenkomsten. De voortzetting van het RIF levert een belangrijke bijdrage aan het voornemen uit het regeerakkoord dat de eisen van het regionaal arbeidsmarktperspectief worden aangescherpt. Van mbo-scholen wordt immers verwacht dat zij hun opleidingsaanbod afstemmen met het bedrijfsleven en met andere scholen in hun regio. Het RIF draagt ook bij aan het behalen van doelen uit het Bestuursakkoord mbo 2018–20226, zoals het realiseren van innovatie en ontwikkeling in regio’s en branches.

Regionaal Investeringsfonds mbo 2019–2022

Doelen van het RIF

Uit gesprekken met betrokkenen uit het onderwijs, bedrijfsleven, topsectoren, regionale overheden en departementen is naar voren gekomen dat de doelen van het huidige RIF nog onverminderd belangrijk worden gevonden. Er blijft behoefte aan het verder stimuleren van de aansluiting van het mbo op de arbeidsmarkt door het ondersteunen van duurzame publiek-private samenwerking. De ontwikkelingen op de arbeidsmarkt volgen elkaar in steeds hoger tempo op, mede onder invloed van robotisering, technologisering en automatisering. Het blijft voor het mbo dan ook een uitdaging de ontwikkelingen in het bedrijfsleven bij te houden. Dit geldt zeker voor opleidingen die vragen om kapitaalintensieve investeringen en/of die voorbereiden op beroepen met een hoog innovatief karakter.

De doelen van het huidige RIF blijven dan ook de leidende uitgangspunten voor de nieuwe regeling 2019–2022. Het RIF beoogt de aansluiting van het onderwijs op de behoeften van de arbeidsmarkt te verbeteren door duurzame pps-en te stimuleren tussen onderwijs en bedrijfsleven. Met het RIF stimuleert het kabinet ook provincies en gemeenten (indien gewenst vanuit de pps) te investeren in het beroepsonderwijs.

Succes huidige RIF

Gelet op de uitkomsten van de tussentijdse evaluatie7, het monitorverslag

2014–2017 (bijlage 1)8, gesprekken met pps-en en andere betrokkenen ligt een vervolg op het RIF voor de hand. De eerste periode van het RIF (2014–2017) heeft laten zien dat de samenwerking tussen onderwijs, arbeidsorganisaties en andere stakeholders wezenlijk versterkt wordt met een beperkte investering van de rijksoverheid. Innovatieve samenwerking is van de grond gekomen en heeft tot concrete resultaten geleid. Zonder subsidie vanuit het Rijk zou dit niet of minder snel en minder concreet zijn gebeurd. Daarbij is het draagvlak in de regio voor de samenwerking groot, mede vanwege de vereiste cofinanciering vanuit het bedrijfsleven van minimaal een derde deel van de meerjarenbegroting. Twee concrete voorbeelden van succesvolle RIF-projecten zijn Beyond en het World Horti Center (zie kader).

Beyond

Beyond is een uniek samenwerkingsverband met partners vanuit onderwijs, uitzendbranche, logistiek en overheden. Beyond richt zich op de ontwikkeling van logistieke competenties door het ontwikkelen van een doorlopende leerlijn logistiek medewerker van de entree-opleiding tot mbo niveau 3, met «ervaringsleren» als belangrijk didactisch middel. Ook richt het project zich op het organiseren van professionaliseringsmogelijkheden (bijscholing) binnen de deelnemende bedrijven en scholen.

De primaire focus van Beyond is het opscholen van werknemers. Inmiddels zijn al 150 diploma’s afgegeven aan werknemers en verloopt het zijinstroom-(entree)traject succesvol. Hierbij worden kwetsbare doelgroepen door gemeenten naar een voortraject van de pps geleid om in een bbl-entree opgeleid te worden.

Door te werken aan de primaire doelen van de pps, het ontwikkelen en uitvoeren van nieuwe opleidingen in co-creatie, het verbeteren van het imago van de logistiek en het ontwikkelen van een doorlopende leerlijn levert Beyond een belangrijke bijdrage aan de economische structuur van Zuid-Limburg.

Onderwijsvernieuwing en technologie binnen het World Horti Center

Het Lentiz | MBO Westland World Horti Center zorgt niet alleen voor verbinding tussen de verschillende scholen en de beroepspraktijk, maar ook tussen werelden binnen dat werkveld: tussen agro en techniek. Met de ontwikkeling van het Center zit het bedrijfsleven ook fysiek dicht op het onderwijs. Dit geeft mooie kansen om nieuwe opleidingen en keuzedelen te ontwikkelen om zo de Greenport en food-professional van de toekomst op te leiden. Een voorbeeld van een crossover die wordt ontwikkeld is Groene Mechatronica, maar ook ontstaat er een nieuwe opleiding rondom Voeding & Gezondheid.

Doordat mbo, hbo en bedrijven op één locatie zitten komt de samenwerking ook steeds beter tot uiting. Zo ontstaan bijvoorbeeld nieuwe mogelijkheden om onderzoekende vaardigheden onder studenten te ontwikkelen. Een tekenend voorbeeld is de ontwikkeling waarin de tuinbouw met steeds minder en ander licht de groei beïnvloedt. Dit is een innovatieve duurzame ontwikkeling waar betrokken mbo-studenten en docenten een bijdrage aan leveren.

Ook de Centra voor innovatief vakmanschap (CIV’s), die kunnen worden gezien als voorloper van het RIF, blijken effectief in het verbeteren van de aansluiting van het mbo op de arbeidsmarkt. Uit de Auditrapportage 2017 Centra voor innovatief vakmanschap (bijlage 2)9 komt naar voren dat de centra de ambitie waarmaken om de afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt te versterken. De centra zijn een sleutel voor onderwijsvernieuwing in het mbo. De auditcommissie stelt in haar rapport vast dat de centra hun meerwaarde hiermee hebben aangetoond. Maar hun ontwikkeling is nog niet af, de meeste centra hebben hun volle potentie nog niet bereikt. Een vervolg op het RIF kan bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de centra.

Een bewonderingswaardige ontwikkeling is dat de huidige centra van mbo én hbo hun eigen netwerk hebben gevormd, genaamd Katapult. Katapult is het netwerk van de 149 samenwerkingsverbanden tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven. Katapult heeft als doelstelling om de samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven te verbeteren. Het is een open netwerk, gericht op kennisdeling, waarin onderwijs, praktijkgericht onderzoek en ondernemerschap met elkaar worden verbonden.

Om de pps-ontwikkeling in het mbo van de afgelopen jaren actief te ondersteunen en ook bestaande centra de mogelijkheid tot verduurzaming en opschaling te geven zet ik het investeringsfonds de komende jaren voort.

Beoogde contouren subsidieregeling RIF 2019–2022

Uit ervaringen van de afgelopen jaren blijkt dat de regeling op een aantal punten kan worden aangepast om het RIF nog effectiever en efficiënter te maken. Hieronder ga ik eerst in op de aspecten die in de nieuwe regeling ongewijzigd blijven ten opzichte van de huidige. Vervolgens schets ik de contouren die nieuw zijn ten opzichte van de bestaande regeling. Afsluitend ga ik in op de financiële kaders en de nieuwe beoordelingscommissie.

Wat blijft?

  • Een samenwerkingsverband van onderwijs10, bedrijfsleven en eventueel regionale overheden kan subsidie van het Rijk aanvragen voor een voorstel voor duurzame publiek-private samenwerking om te zorgen voor aantrekkelijk en eigentijds mbo-onderwijs dat ruimte biedt aan regionale verschillen en een veranderde arbeidsmarkt.

  • De voorstellen voor duurzame samenwerking dienen betrekking te hebben op bekostigde mbo-opleidingen. Aanvragen voor alle opleidingsdomeinen en niveaus kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage vanuit het RIF.

  • Een aanvraag wordt beoordeeld door een externe commissie van experts uit onderwijs en bedrijfsleven op basis van criteria, waaronder de duurzaamheid van het samenwerkingsverband en de afstemming met mbo-scholen die vergelijkbare opleidingen aanbieden.

  • Bij toekenning bedraagt de subsidie van het Rijk een derde van de totale begroting van de aanvraag. Voorwaarde is dat de overige twee derde door de regio (te weten: het bedrijfsleven en de regionale overheden) wordt gefinancierd.

Wat wijzigt?

  • De eerste periode van het RIF (2014–2017) heeft laten zien dat projecten die zijn ontstaan met subsidie vanuit het RIF, (nog) niet altijd hun volledige potentie hebben bereikt. Er is ruimte om door te groeien en het bereik van de projecten uit te bouwen.11 Om dit te realiseren komt er in de nieuwe regeling RIF een mogelijkheid tot het aanvragen van subsidie voor opschaling van projecten die eerder subsidie vanuit het RIF hebben gekregen. Een opschaler is een vervolg op een afgerond en aantoonbaar succesvol12 RIF-project. Met een opschaling wordt dan volop ingezet op aanzienlijke verdieping en verbreding van het project door meer mbo-opleidingen (en meer studenten en docenten), scholen (vmbo, mbo en/of hbo), regionale partners, onderzoek en innovatie met het project te bereiken. In het nieuwe RIF kan er dus subsidie worden aangevraagd voor twee soorten projecten: (1) nieuw te vormen pps-en en (2) opschalers.

  • Uit de eerste periode van het RIF blijkt dat een aantal thema’s nog onvoldoende via RIF-projecten wordt gestimuleerd. Met de nieuwe regeling wordt beoogd dat subsidieaanvragers extra op deze thema’s inzetten, het beoordelingskader van de regeling wordt hierop ingericht. Het gaat hier om: het stimuleren van een leven lang ontwikkelen, het verbeteren van de aansluiting op de arbeidsmarkt van jongeren in een kwetsbare positie (waaronder de entreeopleiding) in het beroepsonderwijs, professionalisering van docenten en het ontwikkelen van onderzoekende vaardigheden (bijvoorbeeld via het inrichten van practoraten).

  • Betrokkenheid en draagvlak van docenten en studenten bij de ontwikkeling en uitvoering van projecten wordt gestimuleerd in de nieuwe regeling en moet dan ook blijken uit de aanvraag.

  • Om in aanmerking te komen voor subsidie uit het RIF dient de aanvraag in lijn te zijn met de Kwaliteitsagenda’s van de betrokken mbo-instelling(en).

  • Projecten die RIF-subsidie ontvangen worden gemonitord. Dit gebeurt echter niet meer jaarlijks met een verantwoording achteraf, zoals in het huidige RIF, maar op basis van een midterm review halverwege het project. Bij deze midterm review bekijkt de beoordelingscommissie of én hoe het project zich verder kan ontwikkelen. Bij de aanvraag dient de aanvrager een projectplan en meerjarenbegroting in voor de gehele subsidieperiode. Deze zijn gedetailleerd voor de eerste helft van het project. Voor de midterm review levert de aanvrager een zelfevaluatie aan en een aangepast plan van aanpak voor de tweede periode.

  • Na afloop van de subsidieperiode vindt er een onderzoek plaats om de afgeronde projecten op concrete effecten te evalueren.

  • Uit de evaluatie van het huidige RIF blijkt dat aanvragers de vergoeding voor transitiekosten voor het doelmatig organiseren van het opleidingsaanbod niet vanzelfsprekend verbinden aan de doelstellingen van het RIF (er is in vier jaar tijd slechts één subsidieaanvraag voor dit thema gekomen). Daarom wordt de transitiekostenvergoeding voor doelmatig organiseren van het opleidingsaanbod niet meer beschikbaar gesteld vanuit het RIF 2019–2022.

Financiële kaders

  • Voor het nieuwe RIF is van 2019 tot en met 2022 € 25 miljoen per kalenderjaar beschikbaar vanuit de rijksoverheid, in totaal dus € 100 miljoen (inclusief uitvoerings-13 en monitoringskosten).

  • Er zijn twee aanvraagmomenten per kalenderjaar: in januari en juni. Het eerste aanvraagmoment start op 1 januari 2019. Er zijn in totaal acht aanvraagmomenten. Als er onderuitputting is binnen het kalenderjaar worden de beschikbare middelen doorgeschoven naar het volgende aanvraagmoment in datzelfde jaar.

  • De aanvragende mbo-instelling vraagt, namens het samenwerkingsverband, een subsidie aan voor minimaal 4 jaar en maximaal 5 jaar.

  • De subsidie vanuit de rijksoverheid is tenminste € 250.000 en ten hoogste € 2 miljoen per project. De gevraagde subsidie in het voorstel moet gebaseerd worden op een realistische schatting van de daadwerkelijke kosten, dit zal in de beoordeling worden meengenomen.

  • Per aanvraagmoment wordt een subsidieplafond vastgesteld. Als het bedrag voor een subsidieperiode overtekend is, wordt de subsidie van het Rijk op basis van een ranking systeem verdeeld over de voorstellen, en gelijk verdeeld over nieuwe pps-en en opschalers.

  • Bij toekenning bedraagt de subsidie ten hoogste een derde van de totale begroting van het voorstel. Minimaal een derde van de meerjarenbegroting wordt door het bedrijfsleven gefinancierd. Regionale overheden kunnen meefinancieren tot maximaal een derde van de totale begroting. Ook de aanvragende mbo-instelling kan meefinancieren tot maximaal 10% van de meerjarenbegroting.

  • Voor RIF-aanvragen waarin de entreeopleiding centraal staat, blijkt het lastiger om cofinanciering te organiseren. Daarom wordt voor deze specifieke aanvragen het subsidieplafond vanuit het Rijk opgehoogd. Bij toekenning bedraagt de subsidie van het Rijk voor deze projecten ten hoogste de helft van de totale begroting van het voorstel. Minimaal 25 procent van de meerjarenbegroting wordt door het bedrijfsleven gefinancierd, om een zekere mate van betrokkenheid te garanderen. Regionale overheden kunnen meefinancieren tot maximaal 25 procent van de begroting. De aanvragende mbo-instelling kan meefinancieren tot maximaal 10 procent van de meerjarenbegroting.

  • Aanvragers die al een andere bijdrage uit ‘s Rijks kas ontvangen voor een vergelijkbaar voorstel, komen op grond van deze regeling niet opnieuw voor subsidie van het Rijk in aanmerking. Het gaat dan bijvoorbeeld om de toegekende voorstellen in het kader van Toptechniek in bedrijf en de middelen die vanuit de Kwaliteitsafspraken aan de mbo-scholen worden toegekend.

Beoordelingscommissie

Op 1 januari 2019 start een nieuwe onafhankelijke beoordelingscommissie RIF met leden uit bedrijfsleven en onderwijs. Ik ben heel blij dat Mirjam Bult bereid is als voorzitter van de beoordelingscommissie op te treden. Mevrouw Bult is vicevoorzitter van het college van bestuur van de Universiteit Twente en gepromoveerd op het gebied van publiek-private samenwerking. Dit najaar wordt het Instellingsbesluit gepubliceerd op grond waarvan de leden van de beoordelingscommissie worden benoemd.

Tot slot

Deze brief is het startsein voor het nieuwe Regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022. In het najaar van 2018 zal de subsidieregeling met bijbehorend beoordelingskader worden gepubliceerd, zodat de eerste projectvoorstellen in januari 2019 subsidie kunnen aanvragen.

Ter voorbereiding op het indienen van de voorstellen worden er vanaf september 2018 informatiebijeenkomsten georganiseerd om de regio’s te ondersteunen in de uitwerking van de voorstellen en de samenwerking aan te jagen. Potentiële aanvragers kunnen dit najaar informatie vinden over de subsidieregeling en de voorlichtingsbijeenkomsten op www.dus-i.nl/subsidies/regionaal-investeringsfonds-mbo.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Kamerstuk 31 524, nr. 310.

X Noot
2

Kamerstuk 31 524, nr. 310.

X Noot
3

Kamerstuk 31 524, nr. 361.

X Noot
4

SER (november 2017), Toekomstgericht Beroepsonderwijs Deel 2: Voorstellen voor een sterk en innovatief beroepsonderwijs.

X Noot
5

Kamerstuk 31 524, nr. 367.

X Noot
6

Kamerstuk 31 524, nr. 351.

X Noot
7

Kamerstuk 31 524, nr. 310.

X Noot
8

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
9

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
10

Naast mbo-scholen kunnen vmbo- en hogescholen ook deel uitmaken van het samenwerkingsverband. De mbo-instelling is de aanvrager.

X Noot
11

Dit blijk uit de monitorrapportage, DUS-I.

X Noot
12

Aantoonbaar succesvol betekent dat er een gedegen (zelf)evaluatie heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de doelstellingen van het project zijn behaald en dat daarover wordt gerapporteerd in het eindverslag van het project dat mede is gefinancierd met middelen uit het huidige RIF. En dat de bestaande activiteiten binnen het project ook zonder subsidie vanuit het RIF voortgezet kunnen worden.

X Noot
13

We streven ernaar deze uitvoeringskosten te beperken tot 6 à 9%.