Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201731524 nr. 304

31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie

Nr. 304 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 november 2016

Tijdens het vragenuur van dinsdag 11 oktober heeft u verzocht om een brief met daarin aanvullende informatie over het traject De Werkschool en de publieke middelen die verstrekt zijn aan de consultant (Handelingen II 2016/17, nr. 10, item 19). Middels deze brief verstrekken wij u de verzochte informatie.

De Werkschool

In 2010 hebben toenmalig (demissionair) Minister Rouvoet en Staatssecretaris Van Bijsterveldt de Commissie Werkscholen ingesteld. Op basis van het advies van de commissie besloot het kabinet Rutte I in 2011 subsidie te verlenen aan de in de tussentijd opgerichte Stichting De Werkschool, met als doel het oprichten van regionale Werkscholen in het land.1 De start van Stichting De Werkschool werd in juni van dat jaar gemeld aan de Tweede Kamer.2 De formele subsidieaanvraag moest nog worden goedgekeurd, maar de Stichting ging, met kennisgeving van het departement, alvast aan de slag. Het ministerie wist dat B&A werd ingezet door de Stichting, en waarschuwde dat de inhuur van B&A binnen de grenzen van de aanbestedingsregels moest blijven. In november 2011 werd de subsidieaanvraag uiteindelijk met terugwerkende kracht goedgekeurd door toenmalig Minister van Bijsterveldt. Daarbij werd nogmaals nadrukkelijk aangegeven dat de Stichting zich diende te houden aan de Europese aanbestedingsregels.

Naar aanleiding van het eerste financieel verslag van de stichting, kwam het ministerie er in maart 2012 achter dat de stichting haar werkzaamheden en subsidie volledig had overgedragen aan De Werkschool BV, op grond van wat werd aangeduid als een concessieovereenkomst. Deze BV had vervolgens 90 procent van de werkzaamheden laten uitvoeren door de B&A BV, zonder dat deze werkzaamheden waren aanbesteed. De Auditdienst Rijk (ADR) werd ingeschakeld, er werd een juridische analyse gedaan van de concessieovereenkomst, en de periodieke bevoorschotting van de subsidie werd stopgezet. Na de uitkomsten van deze onderzoeken werd de casus voorgelegd aan de landsadvocaat.

Bij het aantreden van kabinet Rutte II in november 2012 is afgesproken dat dit dossier door Minister Schippers, als plaatsvervangend Minister van OCW, zou worden afgehandeld. Dit vanwege het feit dat Minister Bussemaker, vóór haar aantreden als Minister van OCW, in de Raad van Advies van B&A heeft gezeten en, ofschoon zij geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij De Werkschool, zij alle schijn van belangenverstrengeling wilde voorkomen. Op basis van het advies van de landsadvocaat heeft Minister Schippers in november dat jaar aan stichting De Werkschool gemeld dat zij voornemens was de subsidie stop te zetten en lager vast te stellen. Na een onafhankelijk accountantsonderzoek en hoor en wederhoor, nam Minister Schippers in maart 2013 het definitieve besluit om de subsidie stop te zetten en lager vast te stellen op € 1.072.462. Daarmee werd een bedrag van € 762.538 aan subsidie in mindering gebracht op de € 1.835.000 die de stichting bij beschikking was verleend voor de periode tot 1 november 2012 (het formele go-no-go moment). De stichting had in totaal € 1.125.00 aan voorschot ontvangen (de bevoorschotting was immers al eerder stopgezet), dus is er uiteindelijk € 52.538 teruggevorderd en door de stichting terugbetaald. De subsidie die wel is toegekend aan de stichting, bevat alleen declaraties waarvan de accountant heeft geoordeeld dat ze zijn opgesteld in overeenstemming met de Regeling OCW-subsidies en de subsidiebeschikking.

Voor meer informatie verwijzen we u naar bijgevoegde brief aan Stichting De Werkschool met het besluit tot beëindiging en terugvordering subsidie (bijlage 1) 3, en de controleverklaring van de accountant (bijlage 2)4. Tevens verwijzen we u naar stukken over de werkschool die in het kader van de Wob reeds openbaar zijn gemaakt5. Bij de openbaarmaking van deze stukken is een meer gedetailleerde tijdlijn bijgevoegd over het traject de werkschool, die inzicht geeft in de reeks stappen die zijn gezet gedurende dit traject. Zie hiervoor bijlage 36.

Vakcolleges

Over de feiten rondom de Vakcolleges wordt u verwezen naar een eerdere brief van 15 april 2016 die op uw verzoek gestuurd is ter voorbereiding op het nog te plannen debat over de Vakcolleges (Kamerstuk 31 524, nr. 289). In deze brief is antwoord gegeven op de gestelde vragen in uw brief van 3 maart 2016.

Zoals al staat beschreven in de brief heeft het ministerie in 2011–2012 een eenmalige subsidie verleend aan de Vakcollegegroep waarvan de consultant een van de oprichters was. Deze subsidie (€ 300.000) is verstrekt voor een specifiek project, «De Sterkste schakel» voor de vormgeving van leerjaar 4, dat de schakel vormt tussen het vmbo en het mbo-deel van de opleiding. Dit project heeft geleid tot de ontwikkeling van diverse producten die aan alle vmbo- en mbo-scholen zonder aanvullende kosten beschikbaar zijn gesteld, waaronder een handreiking. De producten en uitkomsten hiervan zijn algemeen beschikbaar voor alle scholen en niet voorbehouden aan scholen die deelnamen aan het vakcollege-concept. Dit project is door de vakcollegegroep uitgevoerd en over de subsidie heeft verantwoording plaatsgevonden. De met de subsidie ontwikkelde instrumenten in het kader van samenwerking vmbo-mbo zijn niet alleen beschikbaar gesteld aan de aangesloten vakcolleges, maar tevens aan andere geïnteresseerde scholen. Van deze subsidies is na toetsing vastgesteld dat aan de subsidieverplichtingen is voldaan. De subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd en er is verantwoording over afgelegd. Hiervan is geen geld naar de aandeelhouders gegaan, enkel naar subsidiabele activiteiten.

ROC Leiden

De consultant is als gezant aangesteld om, namens de Minister van onderwijs, oplossingen te verkennen en om, samen met de betrokken mbo-instellingen, tot een plan van aanpak te komen voor een toekomstbestendig middelbaar beroepsonderwijs in de regio Leiden. Bij de uitwerking diende in ieder geval rekening gehouden te worden met de motie Van Meenen.7 In de afweging die gemaakt is bij de keuze voor de gezant is gekeken naar de volgende kwaliteiten:

  • Gezaghebbendheid bij betrokken actoren (ROC’s).

  • Ervaring/expertise van de specifieke persoon in organieke veranderingen van deze aard en omvang.

  • Ervaring met het onderwijsveld.

Naast de consultant zijn ook andere personen, in overleg tussen ambtenaren en de Minister, in overweging genomen om de rol van gezant te vervullen. In totaal zijn zeven personen in overweging genomen. Gezien de urgentie, was een snelle beschikbaarheid een belangrijke voorwaarde. Daarnaast was voor een snelle en goede oplossing draagvlak van bestuurders nodig. De consultant kon op dit draagvlak rekenen. Gezien de urgentie van de situatie in Leiden is alles overwegende gekozen om de kwaliteiten van de consultant en de tijd die vrijgemaakt kon worden door hem doorslaggevend te laten zijn in deze casus. De bestuurders hebben aangegeven dat de consultant de rol van gezant zeer goed heeft uitgevoerd.

De consultant heeft voor zijn rol als gezant ongeveer € 124.000 ontvangen volgens de gangbare regels van vergoedingen. Voor verdere informatie over afspraken rondom de inhuur van de gezant verwijzen we u naar stukken die in het kader van de Wob reeds openbaar gemaakt zijn.8

Andere geldstromen

Naast bovenstaande onderwerpen heeft het Ministerie van OCW met de B&A Groep, waar de consultant aandeelhouder van is, in de periode 2008–2012 twee raamovereenkomsten voor beleidsgerichte onderzoeksopdrachten afgesloten met meer dan 50 verschillende leveranciers op basis van een Europese aanbestedingsprocedure. Onder deze raamovereenkomsten zijn vervolgens door het Ministerie van OCW opdrachten aan B&A Groep gegund middels zogenaamde nadere overeenkomsten. Deze opdrachten hebben bij elkaar een contractwaarde van ongeveer € 156.000. Voor meer informatie hierover verwijzen we u naar de brief van 15 april 2016 met daarin de beantwoording van vragen ten behoeve van het debat over vakcolleges.9

In de hiervoor genoemde brief van 15 april 2016 kunt u ook lezen dat de consultant één van de zes leden van het beoordelings- en interviewteam kwaliteitsafspraken van MBO in Bedrijf is. We kunnen u mededelen dat de consultant deze functie inmiddels niet meer vervult.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

De subsidie aan Stichting De Werkschool werd verstrekt door het Ministerie van OCW, met bijdragen vanuit de Ministeries van SZW, VenJ en VWS.

X Noot
2

Kamerstuk 31 524, nr. 112.

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
4

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
6

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
7

Kamerstuk 33 495, nr. 71.

X Noot
9

Kamerstuk 31 524, nr. 289.