Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201631524 nr. 289

31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie

Nr. 289 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 april 2016

Inleiding

In brief van 3 maart jl.1 heeft de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mij gevraagd een brief aan uw Kamer te sturen en daarin de vragen te beantwoorden zoals gesteld door de leden van de verschillende fracties, ter voorbereiding op een debat over de vakcolleges. De aanleiding voor uw vragen was publiciteit over de vakcolleges naar aanleiding van artikelen in het NRC Handelsblad d.d. 27 februari jl. In deze brief zal ik antwoord geven op de gestelde vragen.

Vakcollege

Het vakcollege is een onderwijsconcept met als doel het aantrekkelijker maken van vmbo en mbo en de keuze voor techniek, en later ook zorg. Het concept sluit aan bij een behoefte van leerlingen, ouders, onderwijs en bedrijfsleven om het onderwijs dichter bij de beroepspraktijk in te richten, via een doorlopende leerlijn tot en met de arbeidsmarkt.

Sinds 2008 hebben zich tientallen vmbo-scholen aangesloten bij dit franchiseconcept, dat werd aangeboden door een particuliere organisatie (een besloten vennootschap) genaamd de Werkmaatschappij en later de Vakcollegegroep. Deelnemende scholen betaalden een bijdrage aan deze bv en ontvingen hiervoor onder andere leermiddelen, communicatiemiddelen, toegang tot het landelijk netwerk van vakcolleges, advies op maat en een uitgebreid aanbod van trainingen. Men kocht diensten en producten in van de Vakcollegegroep. De Vakcollegegroep moet gezien worden als een private onderwijsondersteunende partij waarvan onderwijsinstellingen diensten konden afnemen. Dat is gebruikelijk voor onderwijsinstellingen, dit gebeurt voor lesmethoden, maar ook voor bijvoorbeeld apparatuur en scholing van personeel.

Net als andere Ministeries geeft OCW maatschappelijke initiatieven soms een impuls door een subsidie te verlenen. De ontwikkeling van de vakcolleges sloot aan op beleid vanuit het Ministerie van OCW gericht op het tegengaan van voortijdig schoolverlaten, het aantrekkelijker maken van het vmbo en het mbo in een doorlopende leerlijn en de keuze voor techniek. De vakcolleges sloten ook aan bij de doelstellingen van de Ministeries van Defensie, EZ en VWS om jongeren arbeidsmarktrelevant op te leiden voor de zorg en de techniek. De vakcolleges hebben met dat doel subsidie ontvangen van de Ministeries van Defensie, EZ, OCW, en VWS.

Van deze subsidies is na toetsing vastgesteld dat aan de subsidieverplichtingen is voldaan. De subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd en er is verantwoording over afgelegd. Hiervan is geen geld naar de aandeelhouders gegaan, enkel naar subsidiabele activiteiten.2

Het bestedingsdoel van de subsidies was het veelbelovende onderwijsconcept van de vakcolleges, ontstaan uit een privaat initiatief, breder te ontwikkelen, te implementeren en publiek beschikbaar te maken. De door OCW beschikbaar gestelde subsidie aan de Vakcollegegroep in 2011–2012 is verstrekt voor een specifiek project, «De Sterkste schakel». Dit project is door de vakcollegegroep uitgevoerd en over de subsidie heeft verantwoording plaatsgevonden. De met de subsidie ontwikkelde instrumenten in het kader van samenwerking vmbo-mbo zijn niet alleen beschikbaar gesteld aan de aangesloten vakcolleges, maar tevens aan andere geïnteresseerde scholen.

Gelet op het feit dat mijn ministerie geen bemoeienis heeft gehad met de bedrijfsmatige opbouw van de Vakcollegegroep vind ik het niet aan mij om uitspraken te doen over gedragingen of intenties van personen die bij de Vakcollegegroep betrokken waren. Dit laat onverlet dat ik waarde hecht aan transparantie en eisen stel aan een heldere verantwoording door organisaties die subsidie ontvangen. Deze casus heeft mij er nogmaals van doordrongen dat het van groot belang is dat bij publieke en private samenwerkingsverbanden er ook vooraf maximale transparantie over de bedrijfsmatige opbouw getoond dient te worden. Wanneer een organisatie uiteindelijk niet kan voldoen aan de verantwoordingsvereisten, wordt zij gekort op de subsidie.

Vragen van de leden van de VVD-fractie

1.

In reactie op de artikelen stellen Hans de Boer en Hans Kamps dat het realiseren van beter technisch onderwijs alleen snel en efficiënt kon plaatsvinden door een publiek-private constructie. Deelt de Minister die mening? Vindt de Minister dit niet een kwalijk signaal voor de responsiviteit van het mbo? Deelt de Minister de mening dat publiek-private constructies een belangrijke rol kunnen spelen bij het realiseren van beter technisch onderwijs?

In het algemeen ben ik van mening dat publiek-private samenwerking in het onderwijs een belangrijke rol kan spelen bij het realiseren van beter onderwijs. Het ministerie stimuleert dit ook, bijvoorbeeld via het Regionaal investeringsfonds mbo. Samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven kan bijdragen aan de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.

In het geval van de Vakcollegegroep was er echter geen sprake van publiek-private samenwerking, doch van een private partij die diensten aanbood aan onderwijsinstellingen. Deze instellingen hebben er zelf voor gekozen de diensten af te nemen. Ik ben van mening dat onderwijsconcepten zowel in publieke, publiek-private of private constructies ontwikkeld kunnen worden. Wel is daarbij van belang dat scholen en bedrijven gezamenlijk goede afspraken maken over de betrokkenheid en inzet van beide partijen. Zo mag bijvoorbeeld geen sprake zijn van concurrentievervalsing of kruissubsidiering.

2.

Deelt de Minister de kwalificatie van hoogleraar Hans van den Heuvel, integriteitsexpert, dat in deze casus sprake is van belangenverstrengeling van het zuiverste water»? Graag ontvangen deze leden een toelichting.

Het is niet helder waar de dhr. van den Heuvel in zijn uitspraak op doelt. Ik vond en vind de vakcolleges een mooi concept en ik vind het dan ook terecht dat mijn departement de afgelopen jaren zich hier enthousiast over heeft getoond. Ik hoop dan ook dat het ook in de toekomst een belangrijke bijdrage zal kunnen blijven leveren aan de verdere ontwikkeling van het beroepsonderwijs in Nederland. Tegelijkertijd constateer ik dat het terugblikken op dit hele proces vanaf 2008 vragen oproept. Ik verwacht van private partijen dat zij transparant zijn en zorgen voor een goede verantwoording over ontvangen subsidie, waarbij duidelijk sprake is van gescheiden publieke en private geldstromen.

3.

In artikelen lezen deze leden dat Hans de Boer en Hans Kamps medio 2013 voor USG People lobbyden om het Vakcollege aan het Ministerie van OCW te verkopen. Maakten Hans de Boer en Hans Kamps uitdrukkelijk bekend voor USG te lobbyen? Hebben Hans de Boer en Hans Kamps daarbij nadrukkelijk aangegeven financiële belangen te hebben in de vorm van aandelen die zij bezaten? Hebben Hans de Boer en Hans Kamps bij het Ministerie van OCW ook bekend gemaakt dat zij voor zich zelf aan het lobbyen waren? Graag ontvangen deze leden een toelichting op deze vragen.

4.

Is het waar dat het Ministerie van OCW niet wist dat toen Hans de Boer voorzitter werd van VNO-NCW weliswaar zijn aandelen had afgestaan en dat Hans de Boer en Hans Kamps zouden delen in de opbrengst van de verkoop van het Vakcollege? Hoe verklaart de Minister dat? Had het Ministerie van OCW dit moeten weten en hadden Hans de Boer en Hans Kamps dit dan moeten laten weten?

In antwoord op de vragen 3 en 4, kan ik aangeven dat het ministerie nooit betrokken is geweest bij de bedrijfsmatige opbouw van het vakcollege-concept. Begin 2014 heeft USG samen met de heren De Boer en Kamps contact gezocht met OCW om interesse te peilen voor een mogelijke overdracht van het concept aan het ministerie. Hiertoe heeft een aantal gesprekken tussen OCW en de betrokkenen plaatsgevonden. Deze gesprekken hadden altijd een zakelijke insteek over nut en noodzaak van de vakcolleges. Vanuit het ministerie is naar aanleiding van deze gesprekken aan USG duidelijk gemaakt dat een overdracht aan OCW niet tot de mogelijkheden behoorde. Het belangrijkste argument hierbij is dat er in deze casus geen sprake kon zijn van het aanschaffen van het intellectueel eigendom van de vakcolleges.

Ten slotte werd voor OCW begin 2015 duidelijk dat USG en de voormalige aandeelhouders in een notarieel contract de afspraak hadden vastgelegd dat zij door USG «ridderlijk zouden worden behandeld» bij een eventuele verkoop. Gedurende het hierboven geschetste proces speelde dit echter geen rol in de besluitvorming aangezien van verkoop aan OCW nooit sprake is geweest.

5.

In een reactie op de berichtgeving zou het Ministerie van OCW hebben gesteld dat het niet relevant was dat Hans de Boer en Hans Kamps niet bekend hadden gemaakt dat zij een financieel belang verzwegen tijdens hun lobbyactiviteiten omdat de verkoop niet is doorgegaan. Was het bij een verkoop wel relevant geweest?

Voorop staat dat de verkoop van de aandelen van een bv of een onderwijsconcept, zoals het vakcollege-concept, aan het ministerie niet aan de orde was en is. Zoals ik reeds in de inleiding heb aangegeven laat dit onverlet dat ik waarde hecht aan transparantie en eisen stel aan een heldere verantwoording door organisaties die subsidie ontvangen.

6.

In aansluiting op de vorige vraag, zou de Minister kunnen aangeven hoe het delen in de opbrengst aansluit bij de reactie van Hans de Boer en Hans Kamps dat niet persoonlijk gewin, maar beter technisch onderwijs het doel van het Vakcollege was?

Zie het antwoord op vraag 3/4 en 5.

7.

Hoeveel publieke middelen zijn door het Ministerie van OCW, direct of indirect via bijvoorbeeld Platform Bèta Techniek, geïnvesteerd in het Vakcollege sinds de oprichting tot nu?

Aan de Vakcollegegroep bv is eenmalig door OCW € 300.000 subsidie verstrekt. Daarnaast is in de periode van 2005 tot en met 2016 indirect bijgedragen aan de ontwikkeling van het vakcollege-concept. Het merendeel hiervan is naar vmbo-scholen gegaan voor de ontwikkeling van de vakcolleges. In onderstaande tabel vindt u een overzicht van de verstrekte onderwijssubsidies met een relatie met de vakcolleges.

  • 1. Subsidie aan de vakcollegescholen:

    • Van 2005 tot 2010 voerde het Platform Bèta Techniek (PBT) het vmbo-ambitieprogramma uit. Als onderdeel van dit programma heeft PBT meerjarig (2007–2009) de ontwikkeling van vakcolleges ondersteund. In 2007 ontvingen uit het Ambitieprogramma de 13 startende vmbo vakcolleges een startsubsidie van elk € 30.000–. Ook is door PBT geïnvesteerd in communicatiemateriaal, leermiddelen, kwaliteitsborging en monitoring voor de scholen.

    • Van 2009 tot 2012 heeft het Platform Beroepsonderwijs3 € 780.407,– beschikbaar gesteld voor het project «Het Vakcollege – Integraal Leerplankader» aan een aantal scholen. Het project werd uitgevoerd door het Hondsrug College te Emmen in samenwerking met de Nieuwe Veste (Coevorden), het Drenthe College (Emmen), het Technisch College Velsen, het NOVA College, het Teylingen College (Voorhout) en het ROC van Leiden.

  • 2. Subsidie voor de ontwikkeling van leerplannen doorlopende leerlijnen vmbo-mbo:

    • Van 2008 tot 2010 ontving Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) een meerjarige subsidie van in totaal €221.800,– voor de ontwikkeling van een leerplankader vanaf leerjaar 1 en 2 van het vmbo, en het leerplankader «leren en werken».

    • In 2013 en 2014 heeft OCW subsidie verleend aan SLO voor het project genaamd Van landelijke vernieuwingen naar een toekomstbestendig doorlopend beroepsgericht onderwijsprogramma voor de vakcolleges Techniek (€ 89.550,–). Voor de invoering van de profielen in het vmbo heeft SLO samen met vakcollegescholen onderzoek uitgevoerd naar consequenties van drie nieuwe technische profielen t.b.v. de doorlopende leerlijn vanaf de onderbouw tot en met de bovenbouw. Dit heeft een analyse opgeleverd van de samenhang tussen kerndoelen en de eindtermen van drie nieuwe techniekprofielen in het vmbo (BWI, PIE, M&T).

  • 3. Subsidie aan de Vakcollegegroep bv voor het bevorderen van de doorlopende leerlijn naar het mbo:

    • In het schooljaar 2011–2012 heeft OCW subsidie verleend voor het project genaamd «De Sterkste schakel» (€ 300.000,–) aan de Vakcollegegroep voor de vormgeving van leerjaar 4, dat de schakel vormt tussen het vmbo en het mbo-deel van de opleiding. Dit project heeft geleid tot de ontwikkeling van diverse producten die aan alle vmbo- en mbo-scholen zonder aanvullende kosten beschikbaar zijn gesteld, waaronder een handreiking. De producten en uitkomsten hiervan zijn algemeen beschikbaar voor alle scholen en niet voorbehouden aan scholen die deelnamen aan het vakcollegeconcept.

  • 4. Subsidie aan de nieuwe stichting:

    • In 2015 heeft OCW subsidie verleend aan de nieuw opgerichte Stichting Vakmanschap Beroepsonderwijs ( € 974.930,–), met als doel de regionale samenwerking tussen mbo-instellingen en toeleverende vmbo-scholen te versterken, zodat de meerwaarde van de vakcolleges (vakroutes) optimaal benut kan worden. Deze nieuwe zelfstandige onafhankelijke stichting is in augustus 2015 opgericht. Het concept van de vakcolleges is door USG aan deze stichting overgedragen voor een symbolisch bedrag van één euro, die door de nieuwe stichting aan USG is betaald.

    • De subsidie van OCW is bestemd voor het doorontwikkelen van het vakcollege-concept in 10 regio’s tot en met mbo-niveau 2 en 3.

8.

Was het Ministerie van OCW bij het verstrekken van de subsidie aan het Vakcollege op de hoogte van het feit dat ook USG aandeelhouder was en dat de intentie was dat USG de aandelen over zou nemen? Zo nee, zou dit van invloed zijn geweest op de subsidie?

OCW heeft eenmalig, namelijk in 2011–2012, subsidie verstrekt aan de Vakcollegegroep, waarvan op dat moment een groot deel van de aandelen in handen waren van USG. Het ministerie was hier destijds van op de hoogte. Dit heeft overigens geen invloed gehad op de subsidie aangezien deze subsidie is verleend voor specifieke activiteiten die ten gunste kwamen aan het onderwijs, en niet aan de bv zelf, of aan USG.

Voor de subsidie aan de stichting in 2015 geldt dat USG geen aandeelhouder meer is.

9.

Was de scholenraad op de hoogte van het feit dat USG aandeelhouder was, of waren zij in de veronderstelling dat USG slechts «sponsor» was? Heeft het Ministerie van OCW ooit met de scholenraad gesproken over de betrokkenheid van USG en het feit dat zowel Hans de Boer als Hans Kamps ook financiële belangen hadden bij dit concept?

Het is niet aan mij om te beantwoorden of de scholenraad op de hoogte was van het feit dat USG aandeelhouder was. De scholenraad was geen gesprekspartner voor het ministerie. Het ministerie had contact met de directeur van de Vakcollegegroep en de individuele scholen.

10.

Waarom werd het concept van de Vakcolleges niet door het Ministerie van OCW verder ontwikkeld en bij de scholen onder de aandacht gebracht?

Het is aan scholen zelf om een keuze te maken voor een onderwijsconcept zoals het Vakcollege. Het ministerie heeft hierbij nooit een bepalende rol. OCW heeft wel met belangstelling en waardering de ontwikkeling en toepassing van het concept gevolgd.

11.

Bij welke opdrachten van of via het Ministerie van OCW is Hans Kamps de afgelopen vijf jaar allemaal betrokken geweest?

Hans Kamps is in de periode van 2010–2016 actief betrokken geweest bij de volgende initiatieven/opdrachten van OCW:

Stichting de Werkschool

In 2011 heeft OCW samen met de Ministeries van SZW, VWS en VenJ subsidie gegeven aan Stichting De Werkschool voor het opzetten van regionale netwerken ten behoeven van de toeleiding naar arbeid van leerlingen uit het praktijkonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs. Hans Kamps was voorzitter van deze stichting.4

Vakcollegegroep bv

In 2011–2012 heeft OCW een subsidie verleend t.a.v. de Vakcollegegroep bv waarvan Hans Kamps een van de oprichters was.

Raamovereenkomsten B&A Groep

Het Ministerie van OCW heeft in deze periode met de B&A Groep twee raamovereenkomsten voor beleidsgerichte onderzoeksopdrachten afgesloten voor vier jaar, op basis van een Europese aanbestedingsprocedure. Onder deze raamovereenkomst zijn vervolgens door OCW opdrachten aan B&A Groep gegund middels zogenaamde nadere overeenkomsten. Het betreft onderzoek naar de beleving van regeldruk en onderzoek voor kwaliteitsnormen en toetsingskaders voor kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang. Daarnaast zijn er opdrachten gegund aan B&A Groep, die niet binnen de reikwijdte van de raamovereenkomst vallen. Het gaat in deze gevallen om het afsluiten van drie dienstverleningsovereenkomsten: 1. Masteropleidingen in het hbo, 2. Ondersteuning bij de communicatieaanpak taal en rekenen en 3. Werkconferentie referentiekader taal en rekenen.

Beoordelings- en interviewteam kwaliteitsafspraken mbo

Hans Kamps is één van de zes leden van het beoordelings- en interviewteam kwaliteitsafspraken van MBO in Bedrijf (2015–2018) die de kwaliteitsplannen van mbo-instellingen beoordeelt ter advisering aan de Minister van OCW.5

ROC Leiden

Hans Kamps is in 2015 als gezant aangesteld om namens de Minister oplossingen te verkennen en tot een plan van aanpak te komen voor de problematiek van ROC Leiden. Hans Kamps heeft als gezant van de Minister met de bestuurders van ROC Leiden, ID College, ROC Mondriaan, Nova College en de MBO Raad gewerkt om op een gepaste wijze, die het beste is voor studenten, ouders en personeel in de regio Leiden, uitvoering te geven aan de motie Van Meenen (Kamerstuk 33 495, nr. 71).

12.

Hoe beoordeelt de Minister het feit dat Hans Kamps soms als haar gezant optreedt (ROC Leiden), soms als onafhankelijke marktpartij (Vakcollege) en ook betrokken is bij de kwaliteitsafspraken in het mbo? Is dit niet verwarrend voor de scholen? Hoe voorkomt de Minister belangenverstrengeling?

Het gebeurt vaker dat consultants en experts verschillende opdrachten tegelijkertijd uitvoeren. Dit kunnen opdrachten zijn voor private en publieke partijen. In de context van het onderwijs is het van belang dat de opdracht en rol van de mensen transparant is voor de scholen.

Met MBO in Bedrijf heb ik de afspraak gemaakt dat indien leden van het beoordelingsteam mbo enige vorm van betrokkenheid hebben bij een instelling, zij niet degenen zijn die de beoordeling van desbetreffende instelling doen. In het geval van Hans Kamps had dit ook specifiek betrekking op zijn aanstelling als gezant voor ROC Leiden.

13.

Deelt de Minister de mening dat er niets mis is met de betrokkenheid van private partijen, zoals USG, mits dit transparant is en leidt tot een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt?

Ja, die mening deel ik.

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

14.

Wat is er waar van de berichtgeving dat het uitzendconcern USG People in 2011 de initiatiefnemers van het Vakcollege elk voor € 1 miljoen heeft uitgekocht en dezen zó aan dit initiatief fors onderwijsgeld hebben opgestreken?

Bij de overdracht van de aandelen naar USG in 2011 is de rijksoverheid niet betrokken geweest. De middelen afkomstig van subsidies (zie het antwoord op vraag 7) hebben geen deel uitgemaakt van deze transactie. Dat blijkt uit de verantwoording. Daaruit blijkt dat de besteding van deze subsidies volgens de geldende richtlijnen heeft plaatsgevonden. Zoals gebruikelijk, is voor de verantwoording van de subsidie van OCW aan de Vakcollegegroep een apart activiteitenverslag met een financieel verslag gevraagd, inclusief accountantscontrole.

15.

Komen zulke constructies vaker voor bij onderwijsinitiatieven?

Zie het antwoord op vraag 1.

16.

Welke rol heeft het Ministerie van OCW gespeeld bij de verkoop van de publieke taak van vmbo-onderwijs aan de private onderneming USG?

Ik neem aan dat u doelt op de overdracht van de aandelen van de Vakcollegegroep bv aan USG in 2011. OCW is hier niet bij betrokken geweest.

17.

Hoe beoordeelt de Minister de «dubbele petten» van de directeur van het Vakcollege die medeeigenaar is en als medewerker van het Platform Bèta Techniek het Vakcollege laat subsidiëren? Zou zoiets zich nu zomaar kunnen herhalen?

Dit is een onwenselijke situatie. Uit navraag bij het Platform Bèta Techniek (PBT) blijkt dat de in de vraag bedoelde persoon in de periode van 2008 tot en met 2010 tenminste twee werkgevers had: naast zijn parttime aanstelling van 2005 – 2010 als werknemer bij PBT was hij sinds 2008 directeur van de Vakcollegegroep bv. PBT werd pas in 2011, nadat de arbeidsovereenkomst met de in de vraag bedoelde persoon was beëindigd, op de hoogte gebracht van diens aandeelhouderschap en de overname van de aandelen door USG.

PBT werkte in die jaren samen met de Vakcollegegroep. Subsidies ter stimulering van techniekinstroom in het vmbo in het kader van het zogenaamde Ambitieprogramma werden echter niet rechtstreeks toegekend aan de Vakcollegegroep bv maar aan de scholen zelf (zie vraag 7). Daarnaast heeft PBT in het kader van het Ambitieprogramma ingezet op ontwikkel- en communicatieactiviteiten uitgevoerd ten behoeve van de vakcolleges.

Ik ben van mening dat herhaling van het hiervoor genoemde voorkomen moet worden omdat het onwenselijk is dat persoonlijke belangen van medewerkers kruisen met de inzet van PBT ten behoeve van partijen zoals de vakcolleges. Ik zal met PBT bestuurlijke afspraken maken om te waarborgen dat deze situatie zich in de toekomst niet meer voor kan doen.

18.

Hoe beoordeelt de Minister de constructie van de verplichte inschrijving van studenten bij de website Vakgilde, met als verholen oogmerk dat het uitzendconcern USG zijn marktaandeel fors kon laten groeien?

Het Vakgilde als zodanig is nooit tot stand gekomen, mede vanwege de betrokken scholen zelf die dit niet zagen zitten. OCW had geen betrokkenheid bij de bedrijfsmatige opbouw van het vakcollege-concept en het Vakgilde.

Ten aanzien van het opbouwen van een databestand met leerlinggegevens ben ik van mening dat dat enkel kan indien betrokken personen daar toestemming voor geven. Verplichte inschrijving van leerlingen bij een uitzendbureau acht ik uit den boze.

19.

Heeft USG de 65 participerende scholen als het ware in gijzeling genomen toen zij niet voelden voor de verplichte inschrijving bij Vakgilde met als intentie dat de risico’s van dit ondernemersavontuur mochten worden afgekocht met publieke gelden van OCW?

Uit mijn informatie blijkt juist dat toen de scholen aangaven het model van het Vakgilde niet te zien zitten dat dit model ook is losgelaten. USG heeft vervolgens zelf besloten om het concept over te dragen aan een onafhankelijke zelfstandige stichting en daarmee kon het concept van de vakcolleges behouden blijven voor het onderwijs.

Vraag van de leden van de SP-fractie

20.

Welke lessen trekt de Minister hieruit als het gaat om het voorkomen van vermenging van privaat en publiek geld?

Ik heb recent uw kamer het rapport van de Inspectie van het onderwijs «Private activiteiten van bekostigde instellingen» aangeboden met mijn beleidsreactie (Kamerstukken II, 2014/2015, Kamerstuk 28 753, nr. 37). Hieruit komt naar voren dat bekostigde onderwijsinstellingen volgens de inspectie weinig moeite hebben met beleid en regelgeving voor hun private activiteiten. Hoewel zij zich daardoor niet beperkt voelen in hun handelingsvrijheid, geven ze tegelijkertijd wel aan dat de regels niet erg duidelijk zijn. Uit het rapport komt verder naar voren dat de instellingen zich bewust zijn van de risico’s. Ze voeren zelf beleid om die risico’s te beheersen.

Wat betreft de private partijen die activiteiten ontplooien merk ik op dat ik niet de bevoegdheid heb om regels te stellen aan private organisaties die diensten aanbieden aan onderwijsinstellingen.

Vragen van de leden van de CDA-fractie

21.

Zijn de initiatiefnemers en/of aandeelhouders van het Vakcollege in de periode dat zij verbonden waren aan het Vakcollege op enigerlei wijze betaald voor hun verrichtingen bij het Vakcollege met publieke middelen?

Ik neem aan dat wordt gedoeld op betalingen van de Vakcollegegroep bv aan betrokkenen. Zoals eerder aangegeven heb ik geen bevoegdheden ten aanzien van de bedrijfsvoering van deze private organisatie.

Bij de besteding van publieke middelen van het vakcollege waar het gaat om subsidie vanuit OCW of andere departementen, bedoeld voor specifieke activiteiten, gelden de aan deze subsidies verbonden voorwaarden. De verantwoording van deze subsidie voldeed aan de gelden richtlijnen. De subsidie is niet gebruikt voor private doeleinden. Zie verder het antwoord op vraag 14.

22.

Kan de Kamer een volledig overzicht krijgen van alle functies bij publieke en publiek-private constructies waar de initiatiefnemers en/of aandeelhouders van het Vakcollege de afgelopen periode bij betrokken waren? Kan daarbij tevens worden aangegeven hoeveel publiek geld hiermee gemoeid is en hoeveel deze personen hieraan verdiend hebben?

Nee, ik beschik niet over een overzicht met deze gegevens.

Vragen van de leden van de D66-fractie

23.

Is er op het Ministerie van OCW of rijksbreed regelgeving over transparantie van (financiële) belangen in dit soort gevallen?

Er zijn duidelijke regels voor onderwijsinstellingen voor de manier waarop zij ontvangen rijksbijdragen doelmatig en rechtmatig moeten besteden. In de verschillende sectorwetten en daarop gebaseerde regelgeving zijn kaders opgenomen om te zorgen dat middelen die bedoeld zijn voor het onderwijs ook daadwerkelijk ten behoeve van het onderwijs besteed worden. Ook de wijze van verantwoording is geregeld. De inspectie houdt toezicht op de naleving hiervan. Er is ook specifieke regelgeving ten aanzien van private activiteiten van bekostigde onderwijsinstellingen.

Ten aanzien van de diensten die private organisaties aanbieden aan onderwijsinstellingen heb ik echter niet de bevoegdheid om regels op te leggen. Wel dienen bekostigde onderwijsinstellingen de kosten die deze private organisaties in rekening brengen te verantwoorden in de jaarverslaggeving die onderhevig is aan accountantscontrole. Zie het antwoord op vraag 24.

24.

Is er regelgeving over het uitkeren van dergelijke winsten aan personen uit publiekonderwijsgeld? Zo nee, waarom niet en zou dit er niet moeten komen?

De regels die vanuit de overheid gesteld worden (in of krachtens WEB, WVO, WOOS en AWB) richten zich tot de subsidieontvangers en gaan over de rechtmatige en doelmatige besteding van rijksbijdragen en subsidies. Scholen en mbo-instellingen ontvangen rijksbijdragen (lumpsum) en incidentele subsidies. Daarmee betalen zij hun personeel, kopen of onderhouden hun gebouwen en kopen zij diensten in.

De regels strekken zich niet uit tot degene die diensten levert aan onderwijsinstellingen (tenzij de leverancier zelf subsidie ontvangt van OCW). Diensten worden wel ingekocht met publiek geld, maar voor de leverancier gaat het om betaling voor geleverde diensten op basis van een privaatrechtelijke contractsverhouding. Voor de leverancier zijn het dus geen publieke middelen; de leverancier van de diensten heeft geen publieke taak. Ik kan geen regels stellen over de wijze waarop de leverancier omgaat met uitkeringen aan zijn aandeelhouders.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Het Ministerie van VWS heeft bij de vaststelling van de subsidie aan het Vakcollege Zorg de subsidie verlaagd met € 0,3 miljoen (–20%) wegens het ontbreken van een urenregistratie. Vanuit het Vakcollege Zorg loopt nog een beroepsprocedure.

X Noot
3

Het Platform Beroepsonderwijs (HPBO) was de uitvoeringsorganisatie van de subsidieregeling het Innovatiearrangement van OCW. De subsidieregeling is in 2011 beëindigd.

X Noot
4

Zie Kamerbrief 26 juni 2011, 31 524 nr. 112 en de Tweede voortgangsrapportage Passend Onderwijs, juni 2013.

X Noot
5

Conform het Bestuursakkoord mbo 2014 en de Regeling kwaliteitsafspraken mbo.