Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201631524 nr. 293

31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie

Nr. 293 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 26 mei 2016

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft één fractie de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 1 april jl. inzake reactie op twee moties over de beroepspraktijkvorming in het mbo (Kamerstuk 31 524, nr. 286). Bij brief van 25 mei 2016 heeft de Minister deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Wolbert

De adjunct-griffier van de commissie, Boeve

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de onderhavige brief. Zij onderkennen het grote belang van de beroepspraktijkvormingscomponent binnen het middelbaar beroepsonderwijs en daarom is het hen al lange tijd een doorn in het oog dat teveel jongeren in het middelbaar beroepsonderwijs hun opleiding staken omdat zij geen beroepspraktijkvormingsplaats weten te vinden. In dit stadium roept de brief van de Minister vooral vragen op bij deze leden.

In het verleden hebben de leden gepleit voor een stagegarantie voor mbo’ers. Zij waren van oordeel dat daarmee recht zou worden gedaan aan de wettelijke eindverantwoordelijkheid van de onderwijsinstellingen voor het vinden van een beroepspraktijkvormingsplaats voor hun deelnemers. Deelt de Minister nu de mening van de leden dat een sluitende aanpak van de beroepspraktijkvorming materieel een stagegarantie impliceert?

Eerder stelde de Minister tijdens het notaoverleg van 22 september 2014 over de initiatiefnota van het lid Jadnanansing dat zij geen voorstander was van een stagegarantie1. Bij het plenaire debat over het wetsvoorstel inzake overgang van de wettelijke taken van de kenniscentra naar SBB in december 20142 drukte de Minister zich nog stelliger uit en noemde zij een stagegarantie zelfs «niet mogelijk». De leden waren en zijn niet overtuigd door de overwegingen die de Minister destijds naar voren bracht. In hoeverre betekent de sluitende aanpak van de beroepspraktijkvorming dat de Minister nu tot voortschrijdend inzicht is gekomen?

In feite stelt de Minister dat zij uitvoering geeft aan de motie van het lid Jadnanansing c.s.3 door te stellen dat de beroepspraktijkvorming «zoals die met de recente veranderingen georganiseerd is, een sluitende aanpak kent.» Dit zou dus betekenen dat het probleem al is verholpen. Hoezeer dat ook een hartenwens is van de leden van deze fractie, toch hebben zij de stellige indruk dat hier een papieren werkelijkheid voor de echte werkelijkheid wordt gehouden. Kan de Minister toelichten in hoeverre zij het probleem nu daadwerkelijk heeft opgelost en in hoeverre zij het slechts heeft weg gedefinieerd?

De leden constateren dat formele regelgeving lang niet altijd garandeert dat betrokkenen hun rechten weten te halen. Lang niet alle burgers zijn even mondig en van jongeren die een entreeopleiding of mbo niveau 2 volgen, kan men niet verwachten dat deze even goed kunnen opkomen voor zichzelf als studenten in het hoger onderwijs. In hoeverre houdt de Minister hiermee rekening, zo vragen de leden.

De leden onderkennen dat ook discriminatie een rol kan spelen bij de problematiek van het vinden van een beroepspraktijkvormingsplaats. Zij zijn het ermee eens dat de Minister elke vorm van discriminatie, onaanvaardbaar, onacceptabel, onrechtvaardig en bovendien verboden noemt. Nu is discriminatie bij het aanbod van stageplaatsen soms wel goed aantoonbaar, zoals in november 2015 bleek bij een christelijke eigenaar van een agrarische groothandel uit Drachten die een homoseksuele expliciet een stageplaats weigerde vanwege zijn seksuele voorkeur, maar vaak is dit ook niet zo eenvoudig aan te tonen. De Minister wil op zoek naar effectieve manieren om discriminatie en negatieve beeldvorming bij het zoeken naar een beroepspraktijkvormingsplaats te voorkomen en daarmee de positie van migrantenjongeren op de stage- en leerbanenmarkt te verbeteren. Op welke termijn kan de Kamer verwachten dat de Minister iets van haar bevindingen kan melden?

De leden zijn het zeer eens met de stelling van de Onderwijsinspectie: «Ook tijdens de stage blijft de onderwijsinstelling verantwoordelijk voor het leerproces van de studenten.»4 Het baart deze leden daarom ook veel zorgen dat de Onderwijsinspectie moet constateren «dat juist de begeleiding vanuit de school regelmatig tekortschiet.» Ook deze begeleiding vormde een belangrijk element binnen de initiatiefnota van het lid Jadnanansing.5 Wat heeft de Minister op dit punt ondernomen en wat gaat de Minister nog op dit punt ondernemen, zo vragen de leden van deze fractie.

II Reactie van de Minister

De leden van PvdA-fractie vragen of ik de mening van de leden deel, dat een sluitende aanpak van de beroepspraktijkvorming materieel een stagegarantie impliceert en in hoeverre de sluitende aanpak betekent dat ik tot voortschrijdend inzicht ben gekomen over de stagegarantie.

De sluitende aanpak verwijst naar het stelsel waarin verschillende partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor een succesvol verloop van de bpv. Zoals ik tijdens het notaoverleg van 22 september 2014 over de initiatiefnota van het lid Jadnanansing en in mijn schriftelijke reactie op deze initiatiefnota heb aangegeven, kan een instelling niet eenzijdig garant staan voor bpv-plekken. Er is altijd de medewerking van de leerbedrijven nodig. Want hoewel de mbo-instelling een zorgplicht heeft voor wat betreft de beschikbaarheid van een bpv-plaats en dus alles in het werk moet stellen om studenten naar een bpv-plek te begeleiden, is de onderwijsinstelling geen eigenaar van de bpv-plek. Het leerbedrijf bepaalt zelf voor welke studenten zij bpv-plekken kunnen aanbieden. Ook bedrijfseconomische omstandigheden bepalen of een bpv-plek kan worden opengesteld of niet. Daarom wil ik dat alle betrokken partijen tezamen gestimuleerd worden om hun verantwoordelijkheid te nemen. Samenwerking in de driehoek student, praktijkbegeleider (leerbedrijf), bpv-begeleider (mbo-instelling) en de inzet van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) voor het verwerven van bpv-plekken blijft dus belangrijk. Juist omdat het soms veel inspanning kan vragen van alle betrokken partijen om een geschikte bpv-plek te vinden. Op basis van gegevens van SBB constateer ik dat met de huidige aanpak driekwart van de tekorten op korte termijn kan worden opgelost na overleg tussen SBB en onderwijsinstellingen in de regio. Voor de resterende meldingen is vaak meer inspanning vereist voordat deze zijn opgelost. Hoewel geen sprake is van een bij wet geregelde stagegarantie, is wel sprake van een sluitende aanpak die moet waarborgen dat voor elke jongere een passende bpv-plek gevonden wordt.

De leden vragen mij in hoeverre ik het probleem daadwerkelijk heb opgelost en in hoeverre ik het slechts heb weg gedefinieerd.

Ik heb het probleem niet weg gedefinieerd en heb alleen willen schetsen dat de oplossing zit in het samenspel tussen mbo-instellingen, studenten, het bedrijfsleven en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Elk van de betrokken partijen heeft zijn of haar verantwoordelijkheid. Ik heb geprobeerd om de wijze waarop ik dit samenspel zie, te beschrijven in de onderhavige brief (Kamerstuk 31 524, nr. 286). Waar de PvdA-fractie naar op zoek lijkt, is één partij die we kunnen aanspreken als het niet goed gaat. Helaas ben ik van mening dat dat niet mogelijk is. Ik ben wel van mening dat de partijen gezamenlijk aangesproken kunnen worden, onder andere via SBB.

De leden vragen in hoeverre ik rekening houd met mbo-jongeren die minder goed voor zichzelf kunnen opkomen dan studenten in het hoger onderwijs (bijvoorbeeld jongeren die een entreeopleiding of mbo-niveau-2 volgen), omdat formele regelgeving niet altijd garandeert dat betrokkenen hun rechten weten te halen.

Bij het vormgeven van beleid en regelgeving houd ik steeds voor ogen dat er jongeren zijn die minder goed voor zichzelf kunnen opkomen. De instellingen hebben vervolgens de zorg voor hun studenten. Daar kunnen zij op worden aangesproken. En ik zal dat ook doen. Vanwege de kwetsbare groep jongeren op niveau 1, heeft de entreeopleiding een aparte positie die ook wordt benadrukt door de aparte bekostiging. Instellingen ontvangen voor de entreeopleiding een hoger bedrag per student. Dit hogere budget is expliciet bedoeld om extra voorbereidende en ondersteunende activiteiten te kunnen bieden aan studenten. De wijze waarop instellingen de begeleiding van de studenten voor de entreeopleiding en niveau 2 hebben ingericht kan verschillen. Het is aan de instelling om te bepalen hoe zij dit organiseren. De MBO Raad geeft aan dat instellingen over het algemeen stevig investeren in de bpv voor deze doelgroep. De MBO Raad geeft ook aan dat dat tevens te maken heeft met het feit dat een deel van deze doelgroep naar de arbeidsmarkt zal uitstromen en instellingen ze daar goed op willen voorbereiden. Instellingen ontvangen in het kader van de kwaliteitsafspraken extra middelen om op maat in hun onderwijs te kunnen investeren en hen te prikkelen hun onderwijsopbrengsten te verhogen (investeringsbudget en resultaatafhankelijk budget). Om in aanmerking te komen voor het investeringsbudget, hebben mbo-instellingen een kwaliteitsplan opgesteld op basis van zes landelijk geformuleerde beleidsthema’s. De kwaliteit van de bpv is daar één van. Daarnaast kunnen instellingen vanaf 2017 aanspraak maken op een resultaatafhankelijk budget voor de bpv op basis van verbeterplannen die zij zelf opstellen. Onderdeel van de verbeterplannen, is een analyse van de uitgangssituatie van de bpv, minimaal waar het gaat om de aspecten matching en begeleiding. Als uit de analyse van de school blijkt dat voor deze doelgroep extra matching en/of begeleiding nodig is, dan kan daar via de verbeterplannen op worden ingezet.

De leden vragen mij op welke termijn de Kamer kan verwachten dat ik iets van mijn bevindingen kan melden over effectieve manieren om discriminatie en negatieve beeldvorming bij het zoeken naar een bpv-plek te voorkomen en daarmee de positie van migrantenjongeren op de stage- en leerbanenmarkt te verbeteren.

Om een beter beeld te hebben van de problematiek rondom discriminatie bij het vinden van een bpv-plek, zet ik in samenwerking met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en SBB hiernaar een onderzoek in gang. De bevindingen hiervan worden verwacht in september. Tegelijkertijd ben ik op zoek naar effectieve manieren om discriminatie en negatieve beeldvorming bij het vinden van een bpv-plek te voorkomen. Binnen de City Deals6 die ik samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als onderdeel van de aanpak jeugdwerkloosheid in gang zet, gaat het zowel om het vergroten van de bewustwording bij scholen, werkgevers en jongeren zelf, als het overbruggen van negatieve beeldvorming. De City Deals worden vanaf september uitgevoerd door gemeenten, scholen, UWV, intermediairs en werkgevers. Als maatregelen aantoonbaar succesvol zijn worden ze ingezet bij meer scholen en gemeenten in Nederland. Tot slot heeft het kabinet nog een toezegging openstaan van een gezamenlijke reactie op de verkenning van het Verwey Jonker Instituut naar de rol van discriminatie op de mbo-stagemarkt7. Deze brief kan de Kamer nog deze maand verwachten.

Naar aanleiding van de melding van de onderwijsinspectie in het Onderwijsverslag 2014/2015 dat «…de begeleiding vanuit de school regelmatig tekortschiet» en het feit dat het punt over begeleiding een belangrijk element vormde binnen de initiatiefnota van het lid Jadnanansing (Kamerstuk 33 880, nr. 2), vragen de leden wat ik op dat punt heb ondernomen en wat ik nog ga ondernemen op dit punt.

Allereerst wil ik, om misverstanden te voorkomen, aangeven dat deze vraag betrekking heeft op bevindingen die de onderwijsinspectie deed bij de niet-bekostigde opleidingen. Bij de niet-bekostigde instellingen is geconstateerd dat met name de begeleiding door de onderwijsinstelling zelf tekort schiet. De inspectie geeft aan dat hier per onderwijsinstelling verschillende oorzaken voor zijn, maar dat het onderwijsteam deze begeleiding vaker weinig prioriteit en tijd gaf.

In zijn algemeenheid zien we dat de bpv bij bekostigde instellingen beter op orde is. De leden van de PvdA-fractie verwijzen naar de initiatiefnota van het lid Jadnansning en haar opmerkingen over bpv-begeleiding daarin. Die opmerkingen hadden met name betrekking op bevindingen van de onderwijsinspectie in 2009. Om de kwaliteit van de bpv-begeleiding vanuit instellingen te verbeteren, zijn sindsdien – naast de al lopende instrumenten en maatregelen – verschillende extra activiteiten ondernomen. De onderwijsinspectie heeft destijds een servicedocument opgesteld waarin duidelijk wordt waar de inspectie in haar toezicht op de bpv met name op let. Dit servicedocument vormt een waardevolle handreiking voor instellingen. Daarnaast hebben de MBO Raad, Colo (nu SBB), MKB-NL, VNO-NCW en mijn ministerie in 2009 in gezamenlijkheid het bpv-protocol opgesteld. Het bpv-protocol heeft tot doel om de taken en verantwoordelijkheden zoals opgenomen in de Wet educatie beroepsonderwijs (WEB), verder te concretiseren en de betrokken partijen heldere en concrete handvatten te bieden om een succes te maken van de bpv. Bij de totstandkoming van het bpv-protocol werd ook de afspraak gemaakt om met de bpv-monitor in 2011 de voortgang te monitoren. Uit deze bpv-monitor kwam een aantal aandachtspunten naar voren, maar werd ook duidelijk waar de sector vooruitgang heeft geboekt. We gaan nu door met die verbeterslag. Om de kwaliteit van de bpv nog verder te verbeteren, geef ik op dit moment uitvoering aan de kwaliteitsafspraken, waar de bpv onderdeel van uitmaakt. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd per brief op 18 maart geïnformeerd (Kamerstuk 31 524, nr. 275).


X Noot
1

Kamerstuk 33 880, nr. 10, blz. 16.

X Noot
2

Wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake overgang van de wettelijke taken van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (Kamerstuk 34 026)

X Noot
3

Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 39.

X Noot
4

De Staat van het Onderwijs. Onderwijsverslag 2014/2015 d.d. 13 april 2016, blz. 159, Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 140.

X Noot
5

Kamerstuk 33 880, nr. 2.

X Noot
7

Kennisplatform Integratie en Samenleving (maart 2016). Mbo en de stagemarkt, wat is de rol van discriminatie?