Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201631524 nr. 288

31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie

Nr. 288 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 april 2016

Op uw verzoek heeft de Onderwijsraad een advies uitgebracht over de vraag hoe de positie van het vmbo in het Nederlandse onderwijsstelsel versterkt kan worden. Hierbij ontvangt u mede namens de Minister een reactie op het advies Herkenbaar vmbo met sterk vakmanschap, dat de Raad op 19 juni 2015 aan uw Kamer heeft aangeboden. Conform toezegging in de brief van de Minister Een responsief mbo voor hoogwaardig vakmanschap gaat deze brief ook in op onderdelen uit het manifest van de MBO Raad, waarin wordt voorgesteld delen van het vmbo met de havo te integreren.1 2

Deze brief start met een korte samenvatting van zowel het advies van de Onderwijsraad als het genoemde voorstel uit het manifest van de MBO Raad. Vervolgens ga ik nader in op de hoofdpunten van beide adviezen en geef ik aan welke overwegingen de Minister en ik daarbij hebben. Deze hoofdpunten zijn samengevat onder drie thema’s: organiseerbaarheid, herkenbaarheid en imago van het vmbo. Gezien de mogelijk vergaande consequenties van de voorgestelde stelselwijzigingen en in het licht van het debat met uw Kamer, is daar nog een vierde thema aan toegevoegd: de toegankelijkheid binnen het stelsel, inclusief de waarborging van op- en doorstroommogelijkheden.3

Het streven van de Minister en mij is dat leerlingen en studenten de route kunnen volgen die het beste bij hen past, waardoor ze goed voorbereid de arbeidsmarkt op gaan en kunnen participeren in de samenleving. Om dat te bereiken dient het onderwijs aantrekkelijk en van hoge kwaliteit te zijn, en zo ingericht dat verschillende talenten optimaal ontwikkeld kunnen worden. Het uitgangspunt is dat onderwijskansen gebaseerd moeten zijn op wat je kan, niet op het sociale milieu waarin je wordt geboren.

De complexiteit van de problematiek en de verstrekkendheid van de voorgestelde oplossingsrichtingen, vragen om een grondige analyse en afweging. Daarom heb ik een verkenning van de verschillende mogelijkheden gestart, zowel op inhoudelijke aspecten als op draagvlak. In het slot van deze brief licht ik toe hoe dit proces is vormgegeven, de wijze waarop het onderwijs, leerlingen, ouders, studenten, docenten en experts daarbij betrokken worden, en wanneer de uitkomsten kunnen worden verwacht.

1. De adviezen samengevat

Onderwijsraad: Herkenbaar vmbo met sterk vakmanschap

In zijn advies geeft de Raad aan dat de positie van het vmbo in het Nederlandse onderwijsstelsel dreigt te worden ondermijnd. De Raad constateert dat hier meerdere ontwikkelingen aan ten grondslag liggen. Het afnemende aantal leerlingen zet in toenemende mate de organiseerbaarheid van beroepsgericht onderwijs onder druk, met name in de basis- en kaderberoepsgerichte leerwegen. Een tweede zorg betreft de afnemende aantrekkelijkheid van het vmbo. De Raad geeft aan dat de complexe structuur van het vmbo niet bevorderlijk is voor de herkenbaarheid. Ook stelt de Raad dat beroepsgericht leren kampt met een negatief imago. Tevens wordt stilgestaan bij de weerslag die grootstedelijke problematiek heeft op de algemene beeldvorming over het vmbo.

De Raad constateert dat de afgelopen jaren is ingezet op het oplossen van bovengenoemde problemen, maar dat meer maatregelen nodig zijn. De invoering van profielen in het vmbo noemt de Raad als belangrijke stap in de goede richting. Om de optelsom van problemen het hoofd te bieden, stelt de Raad voor de structuur van het huidige vmbo te vereenvoudigen van vier leerwegen naar twee opleidingen: vakmanschap en mavo. Vervolgens is het advies om de beide opleidingen explicieter een eigen gezicht te geven. De opleiding vakmanschap ontstaat uit een clustering van de basis- en kaderberoepsgerichte leerwegen. In deze opleiding krijgen leerlingen vanaf het eerste leerjaar een brede praktische vakmanschapsbasis mee. De opleiding mavo clustert de gemengde en de theoretische leerwegen. Alle leerlingen in deze opleiding volgen ook een beroepsgericht vak. Daarnaast ziet de Raad het inrichten van opstroomklassen voor leerlingen met een havo-ambitie als veelbelovende optie om de aansluiting tussen vmbo en havo te verbeteren.

Als aandachtspunten voor de implementatie geeft de Raad mee dat het raadzaam is om de stelselherziening stapsgewijs in te voeren en de opleidingen te laten ontwikkelen door het onderwijsveld. Aanvullend benoemt de Raad voor de toekomst twee thema’s. Zo verdienen kwetsbare jongeren binnen de opleiding vakmanschap extra aandacht. Daarnaast geeft de Raad mee dat het sleutelen aan afzonderlijke opleidingen zonder de gevolgen te bezien voor het hele stelsel is af te raden. Daarom zal dit thema ook terugkomen in toekomstige adviezen van de Raad die gaan over een veerkrachtig onderwijsbestel.

MBO Raad: toekomstbestendig mbo

Veel knelpunten die de MBO Raad noemt, komen overeen met de probleemanalyse uit het advies van de Onderwijsraad over het vmbo. Het manifest van de MBO Raad en de tien bouwstenen voor een toekomstbestendig mbo hebben als basis het mbo, maar kijken nadrukkelijk breder. Voor het versterken van de aantrekkelijkheid van het beroepsonderwijs in zijn geheel en om daarbinnen goede doorlopende leerlijnen te realiseren, worden voorstellen gedaan die betrekking hebben op primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs.

Beide adviezen vragen aandacht voor meer evenwicht tussen cognitieve en praktische vaardigheden. Doel is dat jongeren zich breed ontwikkelen en beter voorbereid zijn op te maken keuzes. In het manifest start dit in het basisonderwijs, omdat daar (nog) voorkomen kan worden dat het beroepsonderwijs wordt gezien als het onderwijs waar je heen «moet» als je niet «goed genoeg» bent voor havo/vwo. De MBO Raad pleit voor opleidingskeuzes die aansluiten bij de manier van leren van individuele leerlingen. In het manifest wordt voorgesteld al in het primair onderwijs praktische talenten meer te waarderen, zodat een schooladvies voor het vmbo positiever wordt ervaren. Daarnaast wordt voorgesteld vmbo en havo meer met elkaar te verbinden en op termijn de theoretische, de gemengde en de kaderberoepsgerichte leerwegen van het vmbo met de havo te integreren tot «voorbereidend beroepsonderwijs» (vbo).

Het voorstel wijkt hiermee af van de clustering in het advies van de Onderwijsraad, waarin kaderleerlingen samengaan met leerlingen uit de basisberoepsgerichte leerweg en waarin de havo niet wordt meegenomen. Het manifest geeft aan dat binnen dit voorbereidende beroepsonderwijs differentiatie wel mogelijk gemaakt dient te worden, zodat leerlingen examen kunnen doen op verschillende niveaus, gekoppeld aan gedifferentieerde doorstroomrechten.

Ook wordt in het manifest gesteld dat jongeren langer de tijd moeten krijgen om te kiezen voor een passende beroepsopleiding. Leerlingen zouden daarom niet op twaalfjarige leeftijd in niveaus ingedeeld moeten worden, maar pas nadat ze een gedifferentieerd maatwerkdiploma hebben gehaald op het vbo. Hiermee wordt ingezet op meer flexibele leerroutes naar mbo en hbo. De MBO Raad doet deze voorstellen om jongeren met een langere verblijfsduur in het voorbereidende onderwijs een bredere algemene ontwikkeling mee te geven, meer bewust praktische en cognitieve talenten te laten ontplooien en beter voor te bereiden op het vervolgonderwijs.

2. Reactie op de adviezen

Het vmbo binnen het Nederlands onderwijsbestel

Het vmbo heeft in het totale onderwijsstelsel een andere positie dan havo en vwo. Niet alleen omdat vmbo-diploma’s niet leiden tot startkwalificaties, maar ook omdat de leerwegen van het vmbo oorspronkelijk zijn ingericht vanuit verschillende pedagogisch-didactische varianten. Daarnaast bereidt het vmbo leerlingen voor op zowel het middelbaar beroepsonderwijs als op het volgen van onderwijs binnen het voortgezet onderwijs (havo). Deze tweesprong in voorbereiding speelt met name in de theoretische leerweg, maar heeft ook betekenis voor de invulling van de gemengde leerweg. Tot slot zijn de doorstroomperspectieven van alle vmbo-leerlingen zeer breed, zowel wat betreft doorstroom naar mbo-domeinen en -opleidingen als naar mbo-niveaus. Deze diversiteit in niveaus en bijbehorende complexiteit speelt niet voor leerlingen die van havo of vwo komen. Tegelijkertijd is een deel van die complexiteit onlosmakelijk verbonden aan de mogelijkheid tot stapelen en doorstromen naar hogere onderwijsniveaus. Een wezenlijk onderdeel van het Nederlandse stelsel dat in de beleving van de Minister en mijzelf te allen tijde voor leerlingen behouden moet blijven, juist om ook «laatbloeiers» optimaal kansen te bieden.

Het vmbo is ontstaan in de jaren negentig van de vorige eeuw, in een periode waarin een ruime meerderheid van de leerlingen doorstroomde naar het voorbereidend beroepsonderwijs. De arbeidsmarkt had behoefte aan smal opgeleide jongeren. Discussies over uitstroomniveaus en startkwalificaties speelden nog nauwelijks. Inmiddels zijn deze randvoorwaarden veranderd en zien we dat de aantrekkelijkheid van het beroepsonderwijs onder druk staat. Organiseerbaarheid, herkenbaarheid, imago en toegankelijkheid zijn punten van een breder te voeren discussie over de inrichting van het vmbo.

De geschetste probleemanalyses in beide adviezen zijn herkenbaar. Benoemde problemen spelen echter niet in gelijke mate op elk niveau, in elke regio of op elke school of instelling. Op vmbo-scholen met weinig leerlingen en in krimpregio’s is organiseerbaarheid een grote zorg. Herkenbaarheid wordt ook wisselend ervaren. Scholen die sterk verankerd zijn in hun omgeving en scholen met een duidelijke beroepsonderwijshistorie hebben nauwelijks te maken met herkenbaarheidsvraagstukken. Deze scholen hebben ook geen imagoprobleem, maar staan juist goed aangeschreven. Gezien de diversiteit van ervaren problemen, zal een verbetering van de positie van het beroepsonderwijs dan ook niet tot stand gebracht kunnen worden met enkele eenvoudige maatregelen. Ook hier gaat het om maatwerk. In gesprek met scholen, instellingen en andere experts willen de Minister en ik daarom bekijken wat de mogelijkheden zijn om de geconstateerde knelpunten aan te pakken en onderzoeken in hoeverre eventuele wijzigingen in het stelsel kunnen bijdragen aan het oplossen van knelpunten. Hierbij zullen we de internationale blik op ons stelsel, die we dit voorjaar verwachten vanuit een stelsel review van de OESO, eveneens betrekken.

De adviezen van de Onderwijsraad en de MBO Raad gaan vooral in op de vorm van het onderwijs, zoals die een plaats heeft binnen het stelsel. Vorm en inhoud zijn echter onlosmakelijk met elkaar verbonden. Trajecten zoals de invoering van profielen in de bovenbouw van het beroepsgerichte vmbo en de herziening van de kwalificatiestructuur in het mbo laten dit ook zien. Tijdens de gesprekken over het vmbo zullen we dan ook de samenhang met deze trajecten en met Onderwijs2032 meenemen.

Organiseerbaarheid

De Onderwijsraad stelt dat de invoering van de nieuwe profielen in de bovenbouw van het beroepsgerichte vmbo een goede eerste stap in de juiste richting is, omdat de nieuwe profielen versnippering tegengaan en een oplossing bieden voor de organiseerbaarheid bij dalende leerlingenaantallen. Ook ik zie de nieuwe profielen nadrukkelijk slechts als een eerste stap in een groter proces: het vmbo is immers veel meer dan het beroepsgerichte curriculum in de bovenbouw van drie leerwegen. De onderbouw, algemeen vormende vakken en de theoretische leerweg zijn tevens cruciale onderdelen van het vmbo.

De invoering van profielen is een eerste noodzakelijke stap om ervoor te zorgen dat gevarieerd beroepsgericht onderwijs blijft bestaan. De komende tijd wordt duidelijk welke keuzes scholen maken in hun aanbod, en welke consequenties dit heeft voor het onderwijsaanbod en daarmee samenhangende keuzemogelijkheden van leerlingen. Keuzes die gemaakt worden in het onderwijsaanbod op het vmbo vergen ook een doorkijk naar de aansluiting met (regionaal) vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt.

De door de Onderwijsraad aangedragen herindeling van vier leerwegen naar twee opleidingen roept de vraag op in hoeverre het voor scholen beter organiseerbaar wordt als de basis- en kaderberoepsgerichte leerwegen formeel samengevoegd worden. Vanwege geringe leerlingenaantallen bundelen vmbo-scholen voor diverse vakken op dit moment al hun basis- en kaderklassen. Hierbij ondervinden zij geen juridische belemmeringen. Het is dan ook de vraag in hoeverre het formaliseren van deze situatie voor scholen een verbetering betekent biedt voor organiseerbaarheidsvraagstukken waar scholen voor vmbo basis en kader tegenaan lopen.

In het voorstel van de MBO Raad worden de niveaus van kaderberoepsgericht tot en met havo gecombineerd, waarbij de leerlingen dit vbo afsluiten met gedifferentieerde maatwerkdiploma’s. Schematisch weergegeven oogt dit simpeler. Voor de organiseerbaarheid voor scholen brengt dit juist een behoorlijke complexiteit met zich mee. Gedifferentieerd lesgeven is een vaardigheid die de afgelopen jaren groeiende aandacht krijgt. Uit diverse onderzoeken (o.a. door de Inspectie van het Onderwijs) blijkt dat deze complexe vaardigheid helaas nog niet tot het standaard handelingsrepertoire van alle leraren behoort. Een stap om drie verschillende niveaus bij elkaar te brengen in één opleiding vraagt veel van leraren én leerlingen.

De Onderwijsraad wijst in zijn recente advies Maatwerk binnen wettelijke kaders tevens op risico’s voor doorstroom naar het vervolgonderwijs en voor de waarde en betekenis van diploma’s. In onze recente Kamerbrief over flexibilisering in het voortgezet onderwijs hebben we aangegeven dat er ook maatwerkmogelijkheden zijn binnen de huidige wettelijke kaders, waarvan nog onvoldoende gebruik wordt gemaakt. In deze brief zijn tevens aanvullende maatregelen aangekondigd.4 5

Herkenbaarheid

Zoals de Onderwijsraad terecht stelt, zit het vmbo complex in elkaar met vier leerwegen, drie niveaus en een grote verscheidenheid aan vakken. Exemplarisch is de verwarring die regelmatig ontstaat over de theoretische leerweg van het vmbo, en de mavo. Programmatisch en juridisch zijn ze hetzelfde, in de beeldvorming lijken het voor sommigen twee verschillende schoolsoorten.

Behalve het vmbo, kent ook het mbo verschillende niveaus en een grote verscheidenheid aan opleidingen. De combinatie van beide maakt het voor leerlingen en hun ouders complex. De Minister heeft dit thema ook geadresseerd in de brief Een responsief mbo voor hoogwaardig vakmanschap. Hierin vroeg zij ook aandacht voor de herkenbaarheid van het mbo, waaronder het herpositioneren van de verschillende niveaus en een bijpassende naamgeving. Juist vanuit het belang van aansluiting vmbo-mbo en doorstroomperspectieven voor leerlingen vinden de Minister en ik het noodzakelijk om de ontwikkelingen in het mbo te betrekken bij de verkenning.

Met de verstevigde verankering van LOB in het vmbo en de versterking van loopbaanleren wordt bevorderd dat jongeren bewuste keuzes leren maken, zowel tijdens hun schoolloopbaan als daarna. Met de experimenten van de vakmanschaproute en de beroepsroute wordt het makkelijker voor vmbo-scholen en mbo-instellingen om een gezamenlijke doorlopende leerroute in te richten en onderwijsinhouden beter met elkaar te verbinden, of zelfs opleidingen te integreren.

Minder keuzes bieden, vergroot de herkenbaarheid. Van vier leerwegen naar twee opleidingen zoals de Onderwijsraad voorstelt, oogt overzichtelijker, evenals wellicht het brede «vbo» van de MBO Raad. Hoewel de Minister en ik het beoogde doel, namelijk een beter imago voor het beroepsonderwijs en betere toeleiding naar het mbo, onderschrijven, zijn de voorgedragen oplossingsrichtingen echter ingrijpend en de consequenties vooralsnog moeilijk te voorspellen. Dergelijke wijzigingen dienen grondig te worden afgewogen, zowel op de inhoudelijke aspecten als op draagvlak. De stap naar een oplossing in het samenvoegen van onderwijssoorten of leerwegen, met behoud van doorstroomperspectief voor leerlingen, verbeterde organiseerbaarheid op schoolniveau én een verbeterd imago, wordt in mijn beleving onvoldoende onderbouwd. Daarnaast mag een verbetering van de herkenbaarheid niet ten koste gaan van de doorstroomperspectieven van jongeren. De Minister en ik zetten niet voor niets in op meer maatwerk door de aansluiting met het vervolgonderwijs te versterken.

Beeldvorming

Het imago van, ofwel de beeldvorming over het beroepsonderwijs vraagt aandacht. Het beroepsonderwijs verdient het bewust gekozen te worden door jongeren. Niet omdat havo/vwo niet haalbaar blijkt, maar juist omdat ons beroepsonderwijs goed is en past bij de talenten van veel jongeren. Ruim 50 procent van de vijftienjarigen gaat naar het vmbo. De associatie die gemaakt lijkt te worden tussen kwetsbare jongeren en het gehele beroepsonderwijs is in zijn algemeenheid niet gepast. Het beroepsonderwijs levert immers het vakmanschap waar onze samenleving op «draait». Bovendien staat het Nederlandse beroepsonderwijs internationaal hoog aangeschreven.6

De Minister en ik zijn ervan overtuigd dat kwalitatief hoogwaardig beroepsonderwijs dat aansluit bij veranderende behoeftes van leerlingen, vervolgonderwijs en (regionale) arbeidsmarkt, uiteindelijk zelf het beste uithangbord is. In gesprek met het veld, nadrukkelijk ook met het primair onderwijs, zal aandacht worden besteed aan de manier waarop leerlingen nu worden voorbereid op het vmbo, onder andere via voorlichting door leerkrachten aan leerlingen en ouders. Ook wordt met vmbo-leerlingen gesproken over hun ervaringen.

Wat betreft de voorgestelde stelselwijziging van de Onderwijsraad vragen wij ons af of het samenvoegen van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerwegen het imago van het vmbo ten goede zullen komen, met name voor leerlingen van de kaderberoepsgerichte leerweg. Veel kaderleerlingen vervolgen momenteel hun opleiding op mbo niveau 4, terwijl basisleerlingen doorstromen naar niveau 2. In de beeldvorming, zowel rond vmbo als mbo, wordt onderscheid gemaakt tussen deze niveaus. De vraag is of doorstroom van de kaderberoepsgerichte leerweg naar niveau 4 realistisch blijft wanneer deze leerweg wordt samengevoegd met de basisberoepsgerichte leerweg die gevolgd wordt door meer kwetsbare leerlingen. Een overgang van vier leerwegen naar twee opleidingen maakt de scheidingen tussen niveaus wellicht juist scherper, wat niet alleen een negatief effect kan hebben op de beeldvorming, maar ook op toegankelijkheid en doorstroomperspectieven.

Toegankelijkheid

Het voortgezet onderwijs vormt de schakel tussen het basisonderwijs en het vervolgonderwijs. Een deel van de vmbo-leerlingen stroomt echter door binnen het voortgezet onderwijs alvorens de stap te zetten naar het vervolgonderwijs. Deze mogelijkheid is wezenlijk voor de positionering van het vmbo binnen het stelsel, juist voor toegankelijkheid en doorstroomperspectieven van leerlingen.

Beide adviezen onderstrepen het belang van doorstroomperspectieven voor leerlingen. Die doorstroomperspectieven zijn een kenmerk van ons onderwijsgebouw in zijn geheel. Het is cruciaal dat doorstroomkansen zo open mogelijk blijven. Juist door geplaatst te worden op het passende niveau moeten leerlingen de mogelijkheid krijgen om zich optimaal te ontwikkelen mét de mogelijkheid tot opstromen en stapelen.

Ook in uw Kamer spreken zowel de Minister als ik met enige regelmaat over toegankelijkheid en doorstroomkansen. De onderwijsinspectie signaleert dat deze onder druk staan. Naar aanleiding van het begrotingsdebat OCW is bijvoorbeeld de motie Grashoff ingediend waarin u de regering verzoekt om een plan van aanpak waarmee vo-scholen worden gestimuleerd om brede brugklassen te behouden.7 Dat geldt ook voor de motie Van Meenen c.s. waarin om een Onderwijsraadadvies wordt gevraagd over hoe we ons onderwijsbestel zo kunnen inrichten, dat gelijke kansen, opstroom, doorstroom en maatwerk weer de norm worden.8 Uw Kamer heeft op 29 februari een reactie op de motie Grashoff c.s. ontvangen. Uw geuite zorgen over toegankelijkheid en doorstroomkansen nemen de Minister en ik mee bij het verkennen van de voorstellen van zowel de Onderwijsraad als de MBO Raad.

De Onderwijsraad besteedt in zijn advies met name aandacht aan de doorstroomkansen vanuit de nieuw in te richten mavo-opleiding waarin wordt voorgesteld om voor alle leerlingen standaard een beroepsgericht vak toe te voegen aan het curriculum ten behoeve van betere aansluiting met het mbo. Daarnaast is de Onderwijsraad voorstander van het creëren van havo-kansklassen op alle mavo’s. Dat betekent een extra complexiteit in de organiseerbaarheid voor scholen. De Onderwijsraad gaat in zijn advies niet nader in op de overgang van vmbo-tl naar havo. Ook de MBO Raad vraagt om meer aandacht voor beroepsgerichte vakken voor de nieuw in te richten stroom in het voorbereidende beroepsonderwijs. Net als de Onderwijsraad is de argumentatie hier gericht op een betere voorbereiding op het vervolgonderwijs. In onze beleving gaan beide adviezen onvoldoende in op nog een tweede belangrijk argument: het aansluiten bij de talenten van leerlingen. Leerlingen leren op verschillende manieren. Bij sommige leerlingen past een theoretische leerroute. Andere leerlingen leren vanuit de praktijk of juist door de afwisseling van beide.

Toekomstbestendig vmbo

De vraag is of, bovenop de nu lopende veranderingen en vernieuwingen, de voorgestelde stelselwijzigingen effectief zouden bijdragen aan het oplossen van geschetste problemen. Daarnaast zijn consequenties en risico’s, onder andere wat betreft de doorstroomperspectieven nog onvoldoende in beeld of onderbouwd.

Tegelijk bevatten het advies en het voorstel uit het manifest herkenbare bouwstenen voor het verbeteren van de positie van het vmbo die vragen om een nadere verkenning. De Minister en ik herkennen en onderschrijven de wens om het beroepsonderwijs beter herkenbaar en aantrekkelijker te maken. Meer beroepsgerichte aandacht, ook voor leerlingen die algemeen vormend onderwijs volgen, onder meer om zich te oriënteren op vervolgonderwijs, is de reden waarom de afgelopen periode is ingezet op de versterking van loopbaanoriëntatie en – begeleiding. Ook kan het advies van de Onderwijsraad om het curriculum van de theoretische leerweg niet enkel algemeen vormend in te vullen, rekenen op mijn bijval. Dit thema sluit eveneens aan bij het amendement Straus dat is aangenomen met het wetsvoorstel nieuwe profielen.9

Het samenvoegen van de gemengde en theoretische leerwegen zou een einde kunnen betekenen aan de onduidelijkheid die bestaat over de vmbo-niveaus. Tegelijkertijd betekent het niet per definitie een reductie van de aansluitingsproblematiek richting mbo of richting havo. Een eerste indruk van het combineren van kader tot en met havo is dat dit gepaard zal gaan met nieuwe complexiteit en problematiek waarbij de vraag gesteld moet worden in hoeverre sprake zou zijn van een verbeterde situatie. Kortom, voldoende aspecten die om een nadere verkenning vragen.

3. Vormgeving verkenning vmbo

In reactie op het advies van de Onderwijsraad en het MBO manifest wordt de komende maanden een verdiepende verkenning uitgevoerd. Een bredere veldraadpleging onder leraren, schoolleiders, ouders, leerlingen en studenten maakt een essentieel deel uit van de verkenning. Hierbij wordt niet alleen het vmbo betrokken, maar ook het basisonderwijs, mbo en havo, en vanuit de arbeidsmarkt het regionale bedrijfsleven.

De hoofdvraag is of het onderwijs nu zo is ingericht, dat talenten van leerlingen optimaal ontwikkeld worden en tot hun recht kunnen komen, zodat leerlingen de route kunnen volgen die het beste bij hen past. In de gesprekken voor deze verkenning wordende geconstateerde problemen uit de adviezen van de Onderwijsraad en de MBO Raad getoetst en mogelijke oplossingsrichtingen, waaronder de stelselwijzigingsvoorstellen van de Onderwijsraad en de MBO Raad. Welke inrichting in leerwegen ondersteunt de toekomstbestendigheid van het vmbo het meest adequaat, en op welke manier kunnen imago, organiseerbaarheid, herkenbaarheid en toegankelijkheid het beste versterkt worden?

Om deze vragen te beantwoorden kijk ik naar de huidige inrichting van het vmbo en het stelsel direct rond het vmbo. Hierbij ga ik nader in op de wijze waarop deze inrichting in praktijk wordt gebracht, inclusief de knelpunten die worden ervaren en de oplossingsmogelijkheden die scholen daar zelf voor aandragen. Ook wordt nadrukkelijk het draagvlak voor de voorgestelde richtingen van de Onderwijsraad en uit het manifest onderzocht. Aangezien deze verkenning echt het functioneren van het stelsel betreft, kan dit niet los gezien worden van andere trajecten zoals Onderwijs2032, de invoering van profielen en het inpassen van lwoo/pro in passend onderwijs. Daarnaast is het ook noodzakelijk om parallelle ontwikkelingen mee te nemen zoals bijvoorbeeld de gevolgen van krimp, vereveningen, de ontwikkelingen in het mbo, de toenemende aandacht voor het waarderen van praktisch talent in aanvulling op cognitief talent en de ontwikkeling van beroepsgerichte mavo’s en havo’s.

Om leerlingen ook in de toekomst een uitstekende startpositie te geven voor opleiding en latere beroepsuitoefening hebben we een veerkrachtig beroepsonderwijs nodig. Over de vraag in hoeverre het vmbo – het fundament van het beroepsonderwijs – voldoende veerkrachtig is, en welke (stelsel)wijzigingen zouden kunnen bijdragen aan de aantrekkelijkheid ervan zal ik uw Kamer eind 2016 rapporteren.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstuk 31 524, nr. 250.

X Noot
2

MBO Raad, april 2015: «Het mbo in 2025 – manifest voor de toekomst van het middelbaar beroepsonderwijs» en daarbij behorend «10 bouwstenen voor een toekomstbestendig mbo» van MBO Raad, NRTO en JOB.

X Noot
3

O.a. motie Grashoff c.s. (Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 77) en motie Van Meenen c.s. (Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 49).

X Noot
4

Onderwijsraad (2015): «Maatwerk binnen wettelijke kaders: eindtoetsing als ijkpunt voor het funderend onderwijs.»

X Noot
5

Kamerstuk 31 289, nr. 285.

X Noot
6

M. Fazekas and I. Litjens, (2014) A Skills beyond School Review of the Netherlands; OECD Reviews of Vocational Education and Training, OECD Publishing.

X Noot
7

Kamerstuk 34 300 VIII, nr.77.

X Noot
8

Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 49.

X Noot
9

Kamerstuk 34 184, nr. 16.