31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie

Nr. 238 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 2 april 2015

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 26 februari 2015 over het behoud van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen (Kamerstuk 31 524, nr. 237).

De vragen en opmerkingen zijn op 12 maart 2015 aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 30 maart 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Wolbert

De adjunct-griffier van de commissie, Boeve

Inhoudsopgave

blz.

       

I

Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

 

1.

Inleiding

2

 

2.

Aanleiding, doel en aanpak

2

 

3.

De positie van de Dutch HealthTec Academy (DHTA)

6

II

Reactie van de Minister

7

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake het behoud van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen. Zij zijn blij dat er een oplossing komt voor het behoud van kleinschalige opleidingen. Deze opleidingen voldoen aan een vraag op de arbeidsmarkt naar goed geschoolde werknemers voor ambachtelijke beroepen. Het is van groot belang dat de opleidingen, die deze vakmensen voorbereiden op deze specialistische functies, in het middelbaar onderwijssysteem geborgd worden. Wel hebben deze leden een aantal vragen over de door de Minister gekozen oplossing.

De leden van de PvdA-fractie hebben met waardering kennisgenomen van de onderhavige brief.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over haar plannen ten aanzien van het behoud van kleinschalige specialistische beroepsopleidingen. Deze leden delen met de Minister de waardering voor de unieke expertise van de kleinschalige ambachten. Zij vragen of het onderbrengen van de kleine opleidingen, die voor deze ambachten opleiden, bij de (grotere) mbo-instellingen, de enige oplossing is voor het voortbestaan van deze opleidingen.

De leden van de D66-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de brief van de Minister over het behoud van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen. De genoemde leden zijn negatief verrast dat de Minister heeft besloten geen landelijke vakinstelling op te richten en daarmee een heldere uitspraak van de Kamer1 naast zich neerlegt. Zij willen de Minister dan ook nog diverse vragen voorleggen.

2. Aanleiding, doel en aanpak

De leden van de VVD-fractie constateren dat de Minister voor een verhoging van de prijsfactoren voor kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen kiest. Dat is op zichzelf een begrijpelijke stap, vinden deze leden, want het gaat vaak over duurdere opleidingen. De leden vragen echter hoe je voorkomt dat er hierdoor een perverse prikkel ontstaat die leidt tot nog meer versnippering. Een hogere bekostiging kan er immers toe leiden dat veel roc's2 deze opleidingen willen gaan aanbieden. Daarnaast vragen deze leden waarom er is gekozen voor een aparte loketfunctie en expertisepunt waar opleidingen kunnen aankloppen indien ze in de knel komen. Zij zouden dit toch ook bij de commissie macrodoelmatigheid kunnen aankaarten? Ook is er een aparte sectorkamer gekomen voor kleinschalige vakopleidingen binnen de SBB3 (sectorkamer 8). Kan deze kamer niet fungeren als loket voor inhoudelijke vragen over de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt? Waarom is er dan nog een aparte opdracht verstrekt aan SBB om met een voorstel te komen, zo vragen de leden.

De leden vragen of het verstandig is dat het Ministerie van OCW bepaalt waar het aanbod voor deze opleidingen vandaan moet komen en of op die manier het beste onderwijsaanbod bereikt wordt. Waarom is er bijvoorbeeld niet gekozen voor een licentiesysteem waarbij meerdere instellingen (publiek en privaat) een voorstel voor een opleiding kunnen indienen en het beste voorstel de licentie krijgt? Deze leden hechten eraan dat, als er gekozen zou worden voor een accreditatiestelsel in het mbo, waarbij naast de kwaliteit ook naar de aansluiting op de arbeidsmarkt en macrodoelmatigheid gekeken zou worden, veel van de pleister die de Minister nu plakt, niet nodig zou zijn. De leden verkrijgen graag een reactie op dit punt.

De Minister geeft aan dat zij vindt dat specifieke opleidingen beter in een breder roc ingebed kunnen worden, omdat zo het voortbestaan van de opleidingen beter kan worden geborgd. Heeft zij het hier specifiek over de financiële situatie of is deze keuze ingegeven vanuit de onderwijskwaliteit? Welke bewijzen heeft zij dat het voortbestaan binnen een groter roc beter is geborgd, zo vragen deze leden.

De leden van de PvdA-fractie maken in hun inbreng opmerkingen over «behoud als uitgangspunt». Kleine studentenaantallen bij kleinschalige ambachtelijke mbo-opleidingen hoeven niet per se te wijzen op een beperkte vraag naar personeel op de arbeidsmarkt en het is daarom ook goed dat de Minister een aanpak kiest met als uitgangspunt dat kleine, unieke opleidingen voor Nederland behouden blijven. De Minister maakt dit behoud ook mogelijk doordat zij de prijsfactor heeft opgehoogd, in ieder geval tot aan 2020 een apart loket- en expertisepunt voor de kleine, unieke opleidingen continueert en € 75 miljoen beschikbaar heeft gesteld voor een betere financiering van technische en andere kostbare mbo-opleidingen. Als sluitstuk wil de Minister via het wetsvoorstel macrodoelmatigheid een meldplicht introduceren indien de laatste instelling besluit een opleiding stop te zetten. Oordeelt de adviescommissie macrodoelmatigheid dat het een opleiding betreft die voor Nederland behouden moet blijven, dan gaan ook aanpassing van de prijsfactor en/of toekenning van een licentie ter voorkoming van ondoelmatige concurrentie, behoren tot de mogelijkheden. Kan de Minister nader toelichten waarom zij hiertoe geen apart regie-orgaan bij wet wil aanwijzen, zoals de verkenner had geadviseerd, zo vragen de leden.

De leden geloven niet dat het onderwijs is gediend met een versnippering van het opleidingenaanbod. Zo zijn zij ook tevreden over het feit dat vijf instellingen in Noord-Nederland een overeenkomst hebben bereikt over de concentratie van de opleiding restauratie (timmerman) zodat de opleiding nu alleen nog wordt aangeboden door het roc Friese Poort. In het algemeen is het wellicht beter wanneer het opleidingenaanbod in het mbo niet langer wordt gekenmerkt door concurrentie tussen de instellingen, maar door samenwerking. Gevolg zou dan kunnen zijn dat instellingen ook niet langer dezelfde opleiding in dezelfde regio aanbieden. Hoe oordeelt de Minister hierover, zo willen de leden weten. Deze leden hechten aan de mogelijkheid om slimme combinaties te maken van kleine, unieke opleidingen met andere opleidingen en vinden het ook van belang dat kleine, unieke opleidingen soms, vanwege de behoefte van de regionale arbeidsmarkt worden aangeboden op specifieke locaties. De argumenten van de verkenner om niet een aparte vakinstelling met één of meerdere opleidingslocaties in het leven te roepen voor kleine, unieke opleidingen zijn dan ook overtuigend voor de leden. Geldt dit eveneens voor stakeholders in het mbo-veld, zo vragen zij.

De leden van de CDA-fractie lezen in de brief van de Minister dat de kleine opleidingen meer bezig zijn met overleven dan met (structurele) kwaliteitsontwikkeling. Even later stelt de Minister echter dat uit onderzoek blijkt dat er geen verschil in kwaliteit zit tussen kleine en grote opleidingen. Blijkbaar klopt de veronderstelling van de Minister niet met de werkelijkheid. Immers, kleine opleidingen bieden geen slechtere kwaliteit dan grotere instellingen. Dit is dan ook geen reden voor het onderbrengen bij een grotere instelling. De leden verkrijgen graag een reactie op dit punt.

De leden vrezen dat het onderbrengen van deze kleine opleidingen bij de grotere instellingen geen duurzame oplossing zal brengen. Immers, voor deze instelling zijn deze kleine opleidingen niet financieel aantrekkelijk, in sommige gevallen zal er misschien wel geld bij moeten. Zal dan niet het gevaar groot zijn dat uiteindelijk deze kleine opleidingen weer worden gesloten? Uiteraard is er de waarborgprocedure die de Minister voorstelt ten aanzien van de laatste opleiding voor het vak, maar deze bescherming is er niet voor opleidingen waar er nog een aantal van zijn. De leden ontvangen graag een reactie. De leden vragen voorts of door het onderbrengen bij een grote instelling niet meer geld zal opgaan aan overhead en dus minder voor onderwijs, dan in de kleine instelling. Is de Minister niet te optimistisch over de schaalvoordelen bij een grotere instelling? De leden vragen de Minister of zij kan motiveren wat het belang van een grote instelling zal zijn om kleine specialistische opleiding onder de hoede te nemen. Deze leden vinden de gedachte van de crossovers interessant, maar vragen of dit niet ook kan als opleidingen apart blijven.

Deze leden merken op dat het uiteraard prima is als opleidingen zelf besluiten dat ze meer willen samenwerken of willen opgaan in een groter geheel, maar zo vragen de leden aan de Minister, waarom kunnen de extra middelen niet ingezet worden voor het zelfstandig blijven van die opleidingen die dat wensen.

De leden van de D66-fractie wijzen er op dat door de begrotingsafspraken 2014 vanaf 2015 structureel € 75 miljoen extra beschikbaar is gekomen voor een betere financiering van technische en andere kostbare mbo-opleidingen. De genoemde leden willen weten of deze middelen ook specifiek bestemd zijn voor instandhouding van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen. Zijn de positieve financiële consequenties van deze extra middelen meegenomen in de analyse van de optie voor een landelijke vakinstelling? Zo nee, waarom niet, zo vragen de leden. De leden constateren dat er extra bekostiging is van kleinschalige opleidingen door aanpassing van de bekostigingsfactor. Op welke wijze wordt geborgd dat de geoormerkte gelden voor de kleinschalige opleidingen (bekostigingsfactor 1,8) in de nieuwe situatie ook daadwerkelijk worden aangewend voor uitvoering van deze opleidingen? Voorts willen de leden graag weten op welke wijze de Minister de duurzame instandhouding van kleine unieke opleidingen, zoals die nu zijn opgenomen in de DHTA4, en het meld- en expertisepunt voor kleinschalige beroepen en opleidingen garandeert, wanneer deze overgaan naar MBO Amersfoort respectievelijk stichting SBB. Acht de Minister het haar verantwoordelijkheid om er op toe te blijven zien dat de landelijke kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen en het meld- en expertisepunt voor heel Nederland herkenbaar blijven en voldoende eigen regel- en financiële ruimte behouden, onder andere om in nauwe samenwerking met branches en beroepsgroepen het onderwijs in te richten? Zo ja, op welke wijze krijgt deze specifieke verantwoordelijk dan gestalte, zo vragen deze leden. Zo nee, waarom niet? Is de Minister van mening dat zij een rol heeft in de wettelijke borging van het kleinschalig, specialistisch beroepsonderwijs? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe dan, zo vragen zij.

De leden merken op dat in het huidige arrangement (Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 9.1.5, lid 2) sprake is van een grote verwevenheid, synergie en efficiëntie bij de uitvoering van de verschillende activiteiten (kenniscentrum taken, meld- en expertisepunt en uitvoering van beroepsonderwijs). Hoe borgt de Minister een efficiënte en adequate afstemming tussen de verschillende activiteiten nu dit wetsartikel komt te vervallen? Welke instrumenten zet de Minister daarbij dan in? Is de Minister bereid maatregelen te nemen om te voorkomen dat het aanbod van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen in de verdrukking komt? Zo ja, waaruit bestaan die maatregelen dan? Zo nee, waarom niet? Is de Minister bereid om daarbij specifieke waarborgen in wet- of regelgeving op te nemen? Zo ja, waaruit bestaan die dan? Zo nee, waarom niet? De genoemde leden merken daarbij op dat uitvoering van artikel 9.1.5, lid 2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs een wettelijke taak is van de kenniscentra. Waarom neemt SBB dit niet over?

De leden constateren dat de SBB in de brief over kleine unieke opleidingen geen uitspraak doet over een mogelijke landelijke vakinstelling. Kan de Minister toelichten wat het standpunt van de SBB is over een eventuele landelijke vakinstelling? Graag willen de genoemde leden ook weten of de Minister de bij de opleidingen van de DHTA betrokken branches en beroepsgroepen betrekt bij het vinden van een oplossing voor de DHTA en het meld- en expertisepunt voor kleinschalige, specialistische beroepen en opleidingen. Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan de Minister aangeven waaruit die betrokkenheid blijkt en wat het resultaat ervan is? Op welke wijze heeft de Minister in haar beleidskeuze rekening gehouden met het feit dat het hier gaat om branches met een lage organisatiegraad? Welke aanvullende maatregelen zijn getroffen om deze branches hierin op te vangen? De leden vragen voorts of besluitvorming van MBO Amersfoort en SBB niet strijdig zal zijn met dat wat nodig is voor behoud van specialistisch vakmanschap. Is de Minister voornemens dat te monitoren? Zo ja, kan zij aangeven hoe ze dat wil doen? Zo nee, waarom niet? Welke mogelijkheden heeft de Minister om in te grijpen als dit niet conform de afspraken verloopt?

Ook willen de genoemde leden graag weten hoe de Minister voorkomt dat de specifieke expertise, die er nu is voor het uitvoeren van onderwijs en projecten voor specialistisch vakmanschap, niet verdwijnt? De leden lezen dat de Minister het loket- en expertisepunt, dat nu uitgevoerd wordt door de SVGB5, wil continueren. Kan de Minister aangeven waarom ze de huidige synergie van taken van het loket- en expertisepunt en de uitvoering van onderwijs niet continueert en welke taken ze precies voor ogen heeft voor dit loket- en expertisepunt? Kan de Minister ook ingaan op de vraag of zij verwacht dat er na 2020 behoefte zal (blijven) bestaan aan de functie van het loket- en expertisepunt? Kan de Minister aangeven hoe het na 2020 structureel wordt geregeld?

De genoemde leden ontvangen graag een toelichting hoe de Minister de rol van SBB ziet met betrekking tot de uitvoering van projecten in het kader van de Regeling Cofinanciering Sectorplannen? Kan SBB het sectorplan kleinschalig specialistisch vakmanschap, dat op dit moment wordt uitgevoerd, overnemen? Indien dit niet mogelijk is, hoe garandeert de Minister de continuering van dit project? Kan de Minister toelichten op welke termijn de regeling over toekenning van licenties in werking treedt? Tot slot ontvangen de genoemde leden graag een toelichting of ook de Ministers van Economische Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook betrokken zijn bij dit beleidsvoorstel. Zo nee, waarom niet?

3. De positie van de Dutch HealthTec Academy (DHTA)

De leden van de VVD-fractie merken op dat met de wetswijziging inzake de overgang van de wettelijke taken van kenniscentra naar de SBB, de wettelijke basis onder de DHTA is weggevallen. Nu wordt besloten de opleidingen onder te brengen bij MBO Amersfoort. De leden willen weten waarom er niet is gekozen om DHTA toe te voegen aan de wettelijk aangewezen vakinstellingen. De Minister geeft aan dat het voortbestaan beter is geborgd binnen bestaande mbo-instellingen. Betekent dit dat zij sowieso af wil van de kleinschalige vakinstellingen? Of geldt dit alleen voor dit specifieke geval en waarom, zo vragen deze leden. Betekent dit ook dat andere roc's deze opleidingen nu niet meer aan mogen bieden? Zo ja, moet dit dan niet wettelijk geregeld worden (bijvoorbeeld middels een licentie voor het MBO Amersfoort). Zo nee, hoe wordt nieuwe versnippering voorkomen, zo vragen de leden.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat MBO Amersfoort vanaf 2015–2016 het gehele opleidingenaanbod van DHTA zal verzorgen, terwijl elders de zittende studenten hun opleidingen kunnen afmaken, ook al onder verantwoordelijkheid van MBO Amersfoort. De Minister is bereid om bij te dragen aan een transitiebudget dat nodig is om de opleidingen van het Koning Willem I College en roc Zadkine over te nemen. De leden vragen of de Minister kan toelichten wat de overname van de opleidingen gaat betekenen voor het betrokken onderwijspersoneel.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister in het licht van hun eerdere opmerkingen ook de positie van de Dutch HealthTec Academy mee te nemen. Waarom is het niet mogelijk om deze Academy als aparte instelling te laten verdergaan? Vreest de Minister niet dat, ook al zal de DHTA met een herkenbare positionering binnen het MBO Amersfoort worden voortgezet, het juist minder studenten zal aantrekken, omdat deze juist hebben gekozen voor een kleinschalige instelling, zo vragen deze leden.

De leden van de D66-fractie ontvangen graag een heldere toelichting en uiteenzetting van de Minister waarom zij er toe besluit de eerdergenoemde motie van het lid Van Meenen niet uit te voeren. Deze motie, gesteund door een ruime meerderheid van de Kamer, heeft een helder verzoek aan de regering, namelijk de inrichting van landelijke vakinstellingen voor kleinschalig uniek vakmanschap, waarin onder andere de Dutch HealthTec Academy wordt opgenomen.

De leden merken op dat de Minister stelt dat vanwege de beperkte schaal van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen het lastig voor mbo-instellingen is om deze opleidingen budgettair rendabel aan te bieden. Desalniettemin kiest de Minister ervoor dat de opleidingen van de Dutch HealthTec Academy vanaf studiejaar 2015–2016 verzorgd gaan worden door MBO Amersfoort, een regionaal opleidingscentrum. De Minister motiveert dit door te stellen dat het voortbestaan van deze opleidingen binnen een bestaande mbo-instelling beter is geborgd. Kan de Minister deze tegenstrijdigheid helder toelichten? Kan de Minister ook aangeven of overwogen is om de opleidingen van de DHTA onder te brengen bij een vakschool of een samenwerkingsverband van vakscholen, die overwegend al een landelijk bereik hebben? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is geen gebruik gemaakt van deze optie? Is de Minister op de hoogte dat twee vakinstellingen de intentie hebben uitgesproken voor een samenwerkingsschool met de DHTA te willen verkennen? Is deze optie ook onderzocht op haalbaarheid en doeltreffendheid?

De leden constateren dat MBO Amersfoort zich bereid heeft verklaart vanaf studiejaar 2015–2016 het gehele opleidingsaanbod van de DHTA te verzorgen. De genoemde leden vragen de Minister toe te lichten of dit betekent dat het MBO Amersfoort dit ook daadwerkelijk zal doen. Kan zij toelichten wanneer daar duidelijkheid over is? Wat gaat de Minister doen als MBO Amersfoort alsnog besluit het gehele opleidingsaanbod van de DHTA niet te verzorgen? Wat gebeurt er dan met het opleidingsaanbod? Kan de Minister tevens toelichten of MBO Amersfoort voornemens is om de huidige locatie van de DHTA de komende vijf jaar te handhaven? Zo nee, waarom niet? Kan zij inzicht verschaffen hoeveel kosten zijn gemoeid met een eventuele verplaatsing van de opleidingen, en door wie deze worden betaald?

De Minister voert een aantal argumenten van financiële aard aan om haar besluit te motiveren, zo stellen de leden vast. Kan de Minister inzicht verschaffen in de kosten die gemoeid zijn bij het in stand houden van kleinschalige opleidingen in respectievelijk een landelijke vakinstelling, een vakschool of een samenwerkingsverband van vakscholen in relatie tot de gekozen optie van MBO Amersfoort, zo vragen zij.

De opleidingen, die nu worden verzorgd door de DHTA, worden ondergebracht bij een regionaal opleidingscentrum. De leden ontvangen graag een toelichting op welke manier de landelijke uitstraling van deze opleidingen wordt geborgd, en daarbij voldoende betrokkenheid en zeggenschap van de branches over het onderwijs en voldoende autonomie voor het uitvoeren van activiteiten behoudt.

De leden constateren dat de DHTA heeft aangegeven nu al met aanzienlijke financiële tekorten te kampen op korte en langere termijn. Op grond van welke gegevens is de Minister tot dit oordeel gekomen? Is de Minister in haar analyse van de gegevens ook uitgegaan van de synergie tussen expertisepunt en onderwijsuitvoering? Kan de Minister aangeven op welke gegevens zij haar oordeel heeft gebaseerd? In de huidige constructie mag de DHTA geen bol6-opleidingen uitvoeren, hoewel daar wel (aantoonbare) behoefte aan is voor bepaalde beroepen waarvoor de DHTA haar opleidingen uitvoert. Zijn de positieve financiële consequenties, die het mogen uitvoeren van bol-opleidingen door de DHTA tot gevolg zouden hebben, meegenomen in de analyse van de gegevens? Zo nee, waarom niet, zo vragen de genoemde leden.

II Reactie van de Minister

1. Inleiding

Ik dank de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor hun inbreng over mijn brief inzake het behoud van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen (Kamerstuk 31 524, nr. 237).

Specialistisch vakmanschap vormt een essentiële schakel in onze samenleving. Dit unieke vakmanschap is niet alleen van grote economische waarde in de vorm van omzet en banen, maar deze beroepen hebben vaak ook een grote culturele en historische waarde, alsmede waarde voor consumenten, gezondheid en welzijn. Op de arbeidsmarkt is dan ook veel behoefte aan de unieke kennis en vaardigheden van deze beroepsgroep. Krimp, vergrijzing en onbekendheid met specialistisch vakmanschap zorgt echter voor een terugloop in het aantal werknemers en studenten. Hierdoor komen deze beroepen en opleidingen soms in de knel.

Uniek vakmanschap zoals pianotechnicus, prothesemaker, schoenhersteller of restauratietechnicus verdient waardering en aandacht. Mbo-scholen wil ik beter in staat stellen om dit onderwijs in de etalage te zetten. Daarom neem ik verschillende maatregelen. Allereerst stel ik meer geld beschikbaar voor de specialistische opleidingen. Daarnaast krijgen mbo-scholen de mogelijkheid om zich exclusiever te onderscheiden als dé plek voor een specifieke vakopleiding. En ik introduceer een «nieuw slot op de deur», zodat deze opleidingen nooit zomaar helemaal kunnen verdwijnen, zolang er vraag blijft vanuit de arbeidsmarkt. Mijn aanpak heb ik uiteengezet in de brief over het behoud van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen van 26 februari 2015 (Kamerstuk 31 524, nr. 237).

Daarnaast ga ik in mijn brief over het behoud van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen specifiek in op de situatie rondom de DHTA. In mijn brief heb ik aangegeven intensief te werken aan een robuuste borging van de opleidingen en het loket- en expertisepunt van de SVGB-DHTA, waarbij het belang van het behoud van de opleidingen, de betrokken studenten en werknemers uiteraard zwaar weegt. Mijn inzet is altijd, en dus ook de afgelopen tijd, gericht geweest op de continuïteit van de opleidingen die momenteel door SVGB-DHTA worden verzorgd in Nieuwegein, zodat er voor studenten en docenten in de kern niets verandert. Er zijn de afgelopen weken in hoog tempo stappen gezet om de onzekerheid bij studenten en personeel weg te nemen. Inmiddels kan ik uw Kamer mededelen dat het gelukt is – als laatste stap in het proces – om gezamenlijk met SVGB-DHTA, MBO Amersfoort en mijn ministerie de overgang van DHTA zo vorm te geven dat elk van de partijen zich daarin kan vinden. Ik ben er van overtuigd dat daarmee de belangen van de studenten en het onderwijsgevende personeel, en de betreffende opleidingen maximaal zijn geborgd. Alle betrokken partijen hebben daartoe ook – meer dan – hun steentje bijgedragen. Ook de betrokken branches hebben direct en indirect via de SVGB hun inbreng gehad als het ging over de toekomst van de opleidingen die door de DHTA verzorgd worden. Ik heb de betrokken branches van de DHTA medio februari hiertoe geconsulteerd. Hun inbreng is ook meegenomen in de gekozen vormgeving en positionering van de DHTA – MBO Amersfoort.

MBO Amersfoort zal de DHTA-opleidingen voortzetten en heeft de intentie uitgesproken om – als nieuwe huurder- de komende jaren de opleidingen te blijven verzorgen op de huidige locatie met behoud van de «merknaam» DHTA en met inbegrip van de circa 30 voltijdbanen die aan deze taak zijn verbonden. Het betreft het gehele opleidingsaanbod van de DHTA – dus zowel de eigen opleidingen van MBO Amersfoort die de DHTA in opdracht verzorgt, als ook de opleidingen die DHTA verzorgt in opdracht van Koning Willem I College en ROC Zadkine. Ook zal MBO Amersfoort zorg dragen voor directe betrokkenheid en afstemming met de betrokken branches, zoals het dat nu ook al doet voor de eigen opleidingen.

Een en ander is in financieel opzicht mogelijk door de verhoging van de prijsfactor voor de kleine unieke opleidingen die ik recentelijk heb doorgevoerd. Door de aanpassing van de prijsfactor van 1,3 naar de hoogste categorie 1,8 is voor de opleidingen die door het DHTA worden verzorgd circa 4 miljoen euro beschikbaar. Dat is circa 1 miljoen euro meer dan voor de aanpassing van de prijsfactor.

Daarnaast zal MBO Amersfoort de overhead van DHTA de komende jaren aanmerkelijk moeten beperken om tot een duurzame, robuuste bedrijfsvoering te komen. Integratie in de bedrijfsvoering van MBO-Amersfoort als geheel kan hiervoor mede uitkomst bieden (denk hierbij bijvoorbeeld aan leerling administratie en ICT). Verder zal MBO-Amersfoort een transitiebudget ter beschikking worden gesteld om integratie van de DHTA binnen MBO-Amersfoort vorm te geven en eventuele fricties op te lossen. Door in te zetten op handhaving van opleidingen op de huidige locatie zijn ook de investeringen die branches over de jaren hebben gedaan geborgd. Ik heb vertrouwen dat MBO-Amersfoort zo de condities kan scheppen om de opleidingen duurzaam te kunnen verzorgen.

SVGB/DHTA en MBO Amersfoort hebben heden hun personeel daarover geïnformeerd.

Ik hecht aan een compact loket- en expertisepunt voor klein en uniek vakmanschap waar de betrokken branches en kleine, unieke opleidingen die in de knel (dreigen) te komen terecht kunnen. Dit loket- en expertisepunt is een aanvulling op de directe wettelijk taken die bij SBB zijn belegd. Het loket- en expertisepunt zal intensief met SBB samenwerken op het terrein van klein en uniek vakmanschap (binnen de Sectorkamer Specialistisch Vakmanschap). Positionering bij de commissie macrodoelmatigheid ligt niet meteen voor de hand vanwege de beperktere scope van het loket- en expertisecentrum en ook de ontwikkelkant van de werkzaamheden; een rol die minder bij deze commissie past. Tot aan het evaluatiemoment van de wet macrodoelmatigheid mbo in 2020 zal ik zorgen voor financiële dekking ervan. Het loket- en expertisepunt zal vooralsnog worden gehuisvest bij de DHTA MBO-Amersfoort. In 2018–2019 zal ik opdracht geven om een evaluatie over het functioneren van het loket- en expertisepunt uit te voeren, waarbij ook de taakafbakening met Sectorkamer Specialistisch Vakmanschap van de SBB en de relatie met commissie macrodoelmatigheid aan bod zal komen.

De specifieke expertise die nu is opgebouwd, zal dus behouden blijven en worden voortgezet bij de uitvoering van het opleidingsaanbod van de DHTA door MBO Amersfoort, de Sectorkamer Specialistisch Vakmanschap bij SBB en door het loket- en expertisepunt. Uiteraard zal ik de komende jaren een vinger aan de pols houden of de betrokken partijen gevolg geven aan hetgeen nu is afgesproken.

2. Aanleiding, doel en aanpak

De leden van de VVD-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat door de verhoging van de prijsfactoren een perverse prikkel ontstaat die leidt tot nog meer versnippering van het opleidingsaanbod.

De wet macrodoelmatigheid mbo introduceert een zorgplicht doelmatigheid die onderwijsinstellingen verplicht zich ervan te vergewissen of het verzorgen van een beroepsopleiding door de instelling, gelet op het geheel van voorzieningen op het gebied van het beroepsonderwijs, doelmatig is. Bovendien is via deze wet geregeld dat mbo-instellingen (vanaf schooljaar 2015–2016) het starten en stoppen van opleidingen anderhalf jaar van te voren moeten melden bij DUO. Mocht het starten van een nieuwe (kleine, unieke) opleiding leiden tot ondoelmatige versnippering van het opleidingsaanbod dan kan, op basis van deze melding aan DUO, hierover het gesprek op gang komen tussen onderwijs en bedrijfsleven, bijvoorbeeld binnen Sectorkamer Specialistisch Vakmanschap van de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven (SBB). Als het gesprek binnen de SBB niet tot een oplossing leidt, dan kunnen partijen een geschil over het opleidingsaanbod aandragen bij de onafhankelijke adviescommissie macrodoelmatigheid. Deze commissie adviseert mij vervolgens welke stappen genomen dienen te worden. Daarbij zal ik de mogelijkheid hebben om de licentie voor een opleiding bij één of meerdere onderwijsinstelling(en) in te trekken. Hierdoor wordt ondoelmatige versnippering van het opleidingsaanbod voorkomen.

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie waarom er is gekozen voor een apart loket- en expertisepunt. Zij zouden dit toch ook bij de commissie macrodoelmatigheid kunnen aankaarten? En waarom kan de Sectorkamer voor Specialistisch Vakmanschap niet fungeren als loket voor inhoudelijke vragen over de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt? Waarom is er dan nog een aparte opdracht verstrekt aan SBB om met een voorstel hiervoor te komen?

Uitgangspunt van mijn aanpak voor het behoud van kleinschalig, uniek beroepsonderwijs is dat onderwijs en bedrijfsleven samen afstemmen over de inrichting van het opleidingsaanbod. Gegeven dat uitgangspunt vind ik het van belang dat betrokken partijen een beroep kunnen doen op kennis voor de instandhouding van deze opleidingen. In dat kader vind ik een compact loket- en expertisepunt cruciaal voor de borging van specialistisch vakmanschap. Zodoende hebben betrokken branches en kleine, unieke opleidingen die in de knel (dreigen) te komen een heldere plek waar zij terecht kunnen. Zo is er tijdig zicht op bedreigde opleidingen en worden instellingen en branches ondersteund om te werken aan duurzaam onderwijs. Dit loket- en expertisepunt is een aanvulling op de directe wettelijk taken die bij SBB zijn belegd en zal om die reden in een onafhankelijke stichting vorm krijgen. Als zelfregulering onvoldoende soelaas biedt, dan kunnen onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven een knelpunt over bijvoorbeeld een ondoelmatige situatie in het aanbod van een kleinschalig, unieke opleiding onder de aandacht brengen van de adviescommissie macrodoelmatigheid. Deze commissie adviseert mij vervolgens welke stappen genomen dienen te worden.

De leden van de VVD-fractie vragen of het verstandig is dat het Ministerie van OCW bepaalt waar het aanbod voor kleine, unieke opleidingen vandaan moet komen. En of op die manier het beste onderwijsaanbod bereikt wordt? De leden van de VVD-fractie vragen waarom er bijvoorbeeld niet gekozen is voor een licentiesysteem waarbij meerdere instellingen (publiek en privaat) een voorstel voor een opleiding kunnen indienen en het beste voorstel de licentie krijgt?

Zoals ik in het antwoord op de vorige vraag van de leden van de VVD-fractie heb aangegeven, is het uitgangspunt van mijn aanpak dat onderwijs en bedrijfsleven samen afstemmen over de inrichting van het opleidingsaanbod. Binnen de kwalificatiestructuur hebben onderwijsinstellingen de ruimte om in overleg met het bedrijfsleven door de overheid bekostigde opleidingen te starten. Ik vind dit een kracht van het Nederlandse beroepsonderwijs.

In mijn aanpak introduceer ik een extra waarborg voor het geval dat een laatste mbo-instelling in Nederland besluit te stoppen met het aanbieden van een kleine, unieke opleidingen. Als het gesprek tussen onderwijs en bedrijfsleven niet tot een passende oplossing heeft geleid, dan wordt de casus voorgelegd aan de adviescommissie macrodoelmatigheid.

Als de commissie oordeelt dat de opleiding behouden moet blijven dan moet de commissie onderzoeken welke opties er zijn om de opleiding in de lucht te houden. Daarbij kan de commissie verkennen of een andere onderwijsinstelling in staat is om de opleiding over te nemen. Uiteindelijk zal de commissie mij, in een transparante procedure, adviseren over de meest geschikte oplossing voor het behoud van de opleiding. Dit kan betekenen dat een licentie voor de desbetreffende opleiding wordt toegekend aan één of meer instellingen. Hierdoor kan deze instelling zich profileren als dè plek in Nederland voor die specifieke kleine, specialistische opleiding. Ik kom hiermee tegemoet aan de wens van de leden van de VVD-fractie.

Deze leden van de VVD-fractie vragen of, als er zou worden gekozen voor de invoering van een accreditatiestelsel in het mbo, veel van de maatregelen die nu worden genomen, niet nodig zouden zijn.

Ook in een accreditatiestelsel kunnen knelpunten ontstaan met betrekking tot de continuïteit van het opleidingsaanbod. De accreditatie richt zich immers primair op de kwaliteit van het onderwijs. Voor de waarborg van kwaliteit kent het middelbaar beroepsonderwijs de Inspectie van het Onderwijs. Het hoger onderwijs kent naast een accreditatiestelsel ook een toets vooraf voor nieuwe opleidingen in het stelsel. In die toets vooraf wordt onder meer de doelmatigheid van het aanbod en de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt beoordeeld. Voor het mbo heeft uw Kamer recent het wetsvoorstel macrodoelmatigheid aangenomen. In dit wetsvoorstel worden de zorgplichten arbeidsmarktperspectief en doelmatigheid geïntroduceerd. Ik heb voor het mbo bewust niet gekozen voor een toets vooraf. Een toets vooraf kan – zeker in combinatie met de kwalificatiestructuur en de wet macrodoelmatigheid – zorgen voor onnodige regeldruk en administratieve lasten bij onderwijsinstellingen. Een accreditatiesysteem houdt immers in dat instellingen voor het aanbieden van elke opleiding een accreditatie moeten aanvragen. In het kader van de motie van de leden Jadnanansing en Lucas over de versterking van de flexibiliteit van het beroepsonderwijsbestel (Kamerstuk 33 880, nr. 5) zal ik voor de zomer uw Kamer mijn visie doen toekomen over flexibiliseren van het beroepsonderwijsbestel.

De leden van de VVD-fractie vragen een nadere onderbouwing voor de constatering dat specifieke opleidingen beter in een breder roc ingebed kunnen worden. De leden van de VVD-fractie vragen of deze constatering specifiek voortkomt uit de financiële situatie of dat deze keuze is ingegeven vanuit de onderwijskwaliteit? Welke bewijzen zijn er dat het voortbestaan binnen een groter roc beter is geborgd?

In aansluiting op het advies van de onafhankelijk verkenner ben ik er van overtuigd dat een reguliere mbo-instelling een betere plek is voor het behoud van kleine, unieke opleidingen. Een zelfstandige, landelijke vakinstelling is namelijk financieel erg kwetsbaar. Daar komt bij dat regionale spreiding wordt bemoeilijkt door kleine, unieke opleidingen binnen één instelling te bundelen. Binnen een reguliere mbo-instelling kunnen, met behoud van de eigen identiteit, op grond van organiseerbaarheid betere combinaties tussen kleine en grote opleidingen worden gemaakt. Ook bieden verschillende opleidingsmogelijkheden meer mogelijkheden tot het ontstaan van cross-overs.

De leden van de PvdA-fractie vragen nadere toelichting waarom er geen apart regie-orgaan bij wet kan worden aangewezen, zoals de verkenner had geadviseerd.

Anders dan het advies van de verkenner ben ik niet voornemens om een apart regieorgaan bij wet aan te wijzen dat als enige de licentie krijgt om deze opleiding bekostigd te laten aanbieden. Volgens de verkenner zou dit regieorgaan de opleiding niet zelf uitvoeren, maar zou deze op een (kosten)effectieve wijze onderbrengen bij een bestaande instelling. Ik vind het juist belangrijk dat kleine, unieke opleidingen zijn ingebed in het bestaande stelsel. Ik wil geen nieuwe actoren in het toch al complexe stelsel van het beroepsonderwijs introduceren.

De leden van de PvdA-fractie stellen dat het wellicht beter is wanneer het opleidingsaanbod in het mbo niet langer wordt gekenmerkt door concurrentie, maar juist door samenwerking. De leden vragen mijn oordeel hierover.

Intensieve samenwerking tussen mbo-instellingen moedig ik aan. Dit komt de doelmatigheid en de kwaliteit van het onderwijs ten goede. In mijn brief «Ruim baan voor vakmanschap» (Kamerstuk 31 524, nr. 207) heb ik daarom maatregelen aangekondigd die samenwerking tussen instellingen moeten faciliteren. Ik ga voorstellen doen om vanaf 1 augustus 2017 in de wet een bestuurlijk model voor een mbo-samenwerkingsschool op te nemen. Binnen dit model zal het eenvoudiger worden voor instellingen om samen programma’s aan te bieden.

De leden van de PvdA-fractie vragen of stakeholders in het mbo-veld de argumenten om geen aparte vakinstelling in het leven te roepen overtuigend vinden.

De lijn van mijn brief over het behoud van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen van 26 februari 2015 (Kamerstuk 31 524, nr. 237) heb ik afgestemd met de MBO Raad, de SBB en MKB Nederland. Deze partijen kunnen zich vinden in de kernpunten van mijn aanpak. Daarmee constateer ik dat vertegenwoordigers van het onderwijs en het bedrijfsleven positief tegenover mijn aanpak staan.

De leden van de CDA-fractie stellen dat de veronderstelling, dat kleinere opleidingen slechtere kwaliteit bieden dan grotere instellingen, kennelijk niet strookt met de werkelijkheid. Immers, kleine opleidingen bieden geen slechtere kwaliteit dan grotere instellingen. De leden van de CDA-fractie stellen dat dit dan ook geen reden is voor het onderbrengen bij een grotere instelling. De leden verkrijgen graag een reactie op dit punt.

In mijn brief over het brief over het behoud van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen van 26 februari 2015 (Kamerstuk 31 524, nr. 237) heb ik aangegeven dat SOS Vakmanschap constateert dat kleine, unieke opleidingen meer bezig zijn met overleven dan met structurele (kwaliteits-)ontwikkeling. Deze opleidingen zijn namelijk vaak bezig met het oplossen van ad hoc (financiële) problemen, en kunnen daardoor weinig aandacht besteden aan verduurzaming. Mijn aanpak is er nu juist op gericht om bescherming te bieden aan de kleine, unieke opleidingen, waardoor zij zich kunnen richten op verduurzaming en structurele (kwaliteits-)ontwikkeling ten behoeve van kleinschaligheid.

De leden van de CDA-fractie vrezen dat het onderbrengen van deze kleine opleidingen bij de grotere instellingen geen duurzame oplossing zal brengen voor opleidingen waar er nog een aantal van zijn en vragen mij op dit punt om een reactie.

Ik ben van mening dat het organisatorisch onderbrengen van kleine, unieke opleidingen bij een mbo-instelling goede waarborgen biedt voor duurzame borging, mits men de eigen identiteit en het kleinschalige, specialistische karakter kan behouden. Met de wet macrodoelmatigheid mbo wordt bovendien voorkomen dat een opleiding ongemerkt kan verdwijnen. Zo wordt met deze wet geregeld dat mbo-instellingen anderhalf jaar van te voren aan DUO melden wanneer zij het voornemen hebben om te stoppen met een opleiding. Onder het stoppen van een opleiding wordt verstaan het niet langer openstellen van de opleiding voor nieuwe deelnemers. Dit geldt vanzelfsprekend ook als het niet gaat om de laatste (kleine, unieke) opleidingen in Nederland. Op basis van deze melding zal vervolgens het gesprek tussen onderwijs en bedrijfsleven kunnen plaatsvinden.

De leden van de CDA-fractie vragen of door het onderbrengen bij een grote instelling niet meer geld zal opgaan aan overhead, dan in de kleine instelling. De leden van de CDA-fractie vragen of ik niet te optimistisch ben over de schaalvoordelen bij een grotere instelling en of ik kan motiveren wat het belang van een grote instelling zal zijn om kleine specialistische opleiding onder de hoede te nemen.

In mijn antwoord op een eerdere vraag van de VVD-fractie heb ik reeds aangegeven waarom ik vind dat kleine, unieke opleidingen organisatorisch het beste zijn geborgd binnen een breder roc. Met kleinschalige, unieke opleidingen kan een mbo-instelling zich ook profileren. Om die reden zie ik in de praktijk ook dat veel mbo-instellingen kleine, unieke opleidingen in hun portfolio hebben. Bovendien heb ik in mijn brief over het behoud van kleinschalig, specialistisch beroepsonderwijs verschillende maatregelen aangekondigd die de borging van deze opleidingen stimuleren. Zo creëer ik bijvoorbeeld de mogelijkheid om de prijsfactor van kleine, unieke opleiding(en) te verhogen, waardoor de bekostiging die opleiding(en) op een hoger niveau komt te liggen. Zodoende blijft het voor instellingen aantrekkelijk om deze relatief kostbare opleidingen aan te bieden. Een breder roc kan dus niet zomaar stoppen met het verzorgen van kleinschalige opleidingen.

In mijn brief van oktober 2014 over «uitgaven aan overhead in het onderwijs» (Kamerstuk 34 000, nr. 18) heb ik toegelicht waarom ik overtuigd ben dat de bekostiging die de overheid aan onderwijsinstellingen verstrekt, moet worden uitgegeven aan onderwijs. Maar niet alle onderwijsuitgaven kunnen naar het geven van onderwijs (primair proces) gaan. Er moeten ook uitgaven plaatsvinden aan activiteiten die het verzorgen van onderwijs mogelijk maken, ondersteunen en versterken (overhead in de meest ruime zin). Wel moeten deze indirecte uitgaven zo laag mogelijk zijn. Het primaire proces is en blijft de centrale activiteit en de overhead moet hiermee in gepaste verhouding zijn. Instellingen kunnen eigen keuzes maken hoe de bekostiging in te zetten, afhankelijk van schoolomvang, onderwijsaanpak, aanwezige kwaliteit van personeel en dergelijke. Door instellingen meer mogelijkheden te bieden om samen te werken, bevorder ik ook de doelmatigheid van het onderwijs. In mijn brief «Ruim baan voor vakmanschap» (Kamerstuk 31 524, nr. 207) heb ik maatregelen aangekondigd die het eenvoudiger maken voor instellingen om samen programma’s aan te bieden. Het is overigens niet per definitie zo dat een grotere instelling relatief meer of minder overhead heeft dan een kleinere instelling. Het streven is dat uitgaven aan overhead zo laag mogelijk zijn en dat zo veel mogelijk middelen naar het primaire proces gaan ongeacht de grootte van de mbo-instelling.

De leden van de CDA-fractie vinden de gedachte van de crossovers interessant, maar vragen of dit niet ook kan als opleidingen apart blijven.

Inbedding van kleine, unieke opleidingen binnen bredere onderwijsinstellingen bevordert de inhoudelijke kruisbestuiving tussen opleidingen. Doordat verschillende disciplines binnen één onderwijsinstelling samenkomen is de kans groter dat innovatieve crossovers tussen opleidingen ontstaan. Studenten en docenten komen sneller met elkaar, en elkaars vakgebied, in aanraking waardoor nieuwe kansen ontstaan. En dat is ook nodig. Zeker gezien de toenemende vraag naar opkomende cross-sectorale beroepen die de grenzen tussen verschillende sectoren overstijgen. Ik denk bijvoorbeeld aan het Deltion College waar studenten van de Game-opleiding en de Mode-opleiding samen een kostuum ontwerpen dat een computer aanstuurt door middel van sensoren in de kleding. Vakoverstijgend werken en verbindingen leggen tussen verschillende vakken en disciplines stimuleert de persoonlijke ontwikkeling en geeft studenten een heldere blik op relevante ontwikkelingen buiten hun eigen vakgebied.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de extra middelen niet ingezet kunnen worden voor het zelfstandig blijven van die opleidingen die dat wensen.

Het macrobudget voor het mbo is vanaf 2015 met 75 miljoen euro verhoogd om mbo-instellingen (inclusief groen mbo) in staat te stellen kwalitatief goede technische of andere kostbare opleidingen aan te (blijven) bieden. Om te zorgen dat deze middelen bij de daarvoor bestemde opleidingen terechtkomen, is besloten de prijsfactoren aan te passen. Een onafhankelijke commissie heeft een advies uitgebracht over de wenselijke prijsfactoren in het mbo, zodat het voor mbo-instellingen aantrekkelijk blijft om technische en andere kostbare opleidingen aan te bieden waar de arbeidsmarkt om vraagt.

Ik ben geen voorstander van een aparte vakinstelling voor kleinschalig, specialistisch vakmanschap met één of enkele opleidingslocaties. Eén van de redenen daarvoor is dat een zelfstandige, landelijke vakinstelling financieel erg kwetsbaar is. De financiële problematiek bij de DHTA is daarvoor ook een indicatie. Ik heb er daarom voor gekozen om de extra middelen in te zetten om technische en andere kostbare opleidingen financieel meer solide te kunnen verzorgen in plaats van een financieel kwetsbare instelling als de DHTA in de lucht te houden. Bovendien wordt de regionale afstemming lastiger en zou een groot deel van de 75 miljoen euro opgaan aan bedrijfsvoering in plaats van onderwijs.

De leden van de D66-fractie vragen of de aanvullende middelen (75 miljoen euro vanaf 2015) ook specifiek bestemd zijn voor instandhouding van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen. En of de positieve financiële consequenties van deze extra middelen meegenomen in de analyse van de optie voor een landelijke vakinstelling?

Het beschikbare bedrag voor kleine unieke opleidingen is door de aanpassing van de prijsfactor naar de hoogste categorie met circa 1 miljoen euro toegenomen en bedraagt daarmee circa 1,6% van de additionele 70,8 miljoen euro (OCW-deel, 4,2 mln. van de 75 mln. is toegevoegd aan het macro budget voor de aoc’s). De aanpassing van de prijsfactoren is inderdaad meegenomen bij de beoordeling van de analyse van de optie voor een landelijke vakinstelling. Door de aanpassing van de prijsfactor van 1,3 naar de hoogste categorie 1,8 is alleen al voor de opleidingen die door het DHTA worden verzorgd circa 4 miljoen euro beschikbaar. Dat is circa 1 miljoen euro meer dan voor de aanpassing van de prijsfactor.

De leden van de D66-fractie vragen op welke wijze wordt geborgd dat de geoormerkte gelden voor de kleinschalige opleidingen (bekostigingsfactor 1,8) ook daadwerkelijk worden aangewend voor uitvoering van deze opleidingen?

Deze middelen zijn structureel toegevoegd aan het macrobudget voor het mbo. Dit betekent dat deze middelen ook in de toekomst beschikbaar zijn voor deze opleidingen. Mbo-instellingen zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de verzorgde opleidingen; zij verantwoorden zich over gemaakte keuzes in het jaarverslag en de Onderwijsinspectie ziet toe op de kwaliteit. Mocht ik signalen ontvangen dat de bekostiging op een ondoelmatige wijze worden aangewend dan zal ik passende maatregelen nemen.

De leden van de D66-fractie willen graag weten op welke wijze de duurzame instandhouding van kleine unieke opleidingen, zoals die nu zijn opgenomen in de DHTA, en het meld- en expertisepunt voor kleinschalige beroepen en opleidingen worden gegarandeerd. En wanneer deze overgaan naar MBO Amersfoort respectievelijk stichting SBB?

Deze vraag heb ik in mijn inleidende toelichting over de positie van de DHTA reeds beantwoord.

De leden van de D66-fractie vragen of ik het als mijn verantwoordelijkheid acht om er op toe te blijven zien dat de landelijke kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen en het meld- en expertisepunt voor heel Nederland herkenbaar blijven en voldoende eigen regel- en financiële ruimte behouden, onder andere om in nauwe samenwerking met branches en beroepsgroepen het onderwijs in te richten. Zo ja, op welke wijze krijgt deze specifieke verantwoordelijk dan gestalte?

Ja, ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om er op toe te zien dat kleinschalige, specialistische opleidingen en het loket- en expertisepunt herkenbaar blijven en voldoende eigen regel- en financiële ruimte behouden. Het loket- en expertisepunt is een aanvulling op de directe wettelijk taken die bij SBB zijn belegd en zal om die reden in een onafhankelijke stichting vorm krijgen. Het loket- en expertisepunt zal intensief met SBB samenwerken op het terrein van kleinschalig, uniek vakmanschap.

Er zal in het schooljaar 2018–2019 een onafhankelijke evaluatie plaatsvinden in het functioneren van het loket- en expertisepunt. Bij de evaluatie van de Wet macrodoelmatigheid mbo 2020 zal ik het functioneren van de genomen maatregelen betrekken.

De leden van de D66-fractie vragen naar mijn rol in de wettelijke borging van het kleinschalig, specialistisch beroepsonderwijs?

In mijn brief over het behoud van kleinschalig, specialistisch vakmanschap heb ik mijn aanpak ten aanzien van de borging van de kleine, unieke mbo-opleidingen uiteengezet. Uit die aanpak blijkt dat ik een belangrijke rol heb in de borging van het kleinschalig, specialistisch beroepsonderwijs.

De leden van de D66-fractie vragen hoe efficiënte en adequate afstemming tussen de verschillende activiteiten van de SVGB en het loket- en expertisepunt gestalte krijgt nu het wetsartikel 9.1.5, lid 2 komt te vervallen? En welke instrumenten ik daarvoor inzet?

De taken van het kenniscentrum SVGB zijn ondergebracht in de Sectorkamer Specialistisch Vakmanschap van de SBB. Het loket- en expertisepunt is een aanvulling op de directe wettelijk taken die bij SBB zijn belegd en zal om die reden in een onafhankelijke stichting vorm krijgen. Het loket- en expertisepunt zal intensief met SBB samenwerken op het terrein van kleinschalig, uniek vakmanschap waardoor synergie en efficiëntie tussen de verschillende activiteiten blijft bestaan.

De leden van de D66-fractie vragen of ik bereid ben maatregelen te nemen om te voorkomen dat het aanbod van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen in de verdrukking komt.

In mijn brief over het behoud van kleinschalig, specialistisch vakmanschap heb ik uiteengezet welke maatregelen ik neem om de instandhouding van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen veilig te stellen.

De leden van de D66-fractie vragen of ik bereid ben om specifieke waarborgen in wet- of regelgeving op te nemen om te voorkomen dat het aanbod van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen in de verdrukking komt.

Hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord op de vorige vraag van diezelfde leden van de D66-fractie.

De leden van de D66-fractie merken op dat uitvoering van artikel 9.1.5, lid 2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs een wettelijke taak is van de kenniscentra. De leden van de D66-fractie vragen waarom SBB dit niet overneemt?

Het verzorgen van opleidingen in opdracht (in een mandaatconstructie) van een instelling behoort naar mijn oordeel niet tot de wettelijke taken van een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven; die wettelijke taken zijn omschreven in artikel 1.5.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). Waar het echter in de huidige wet wel is toegestaan dat een kenniscentrum taken uitvoert in opdracht van een instelling, kent het wetsvoorstel «overgang van de wettelijke taken van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven» die mogelijkheid niet. Ik vind het niet bij de rol van de SBB passen om zelf zorg te dragen voor de uitvoering van onderwijs. De taken van SBB zijn opgenomen in het voorgestelde artikel 1.5.1, eerste lid; het is SBB niet toegestaan om andere taken uit te voeren.

De leden van de D66-fractie vragen of ik kan toelichten wat het standpunt van de SBB is over een eventuele landelijke vakinstelling?

De SBB heeft zich in de adviezen over kleine, unieke opleidingen van maart 2013 en december 2014 niet uitgesproken over een eventuele landelijke vakinstelling. Voor zover bekend heeft de SBB zich ook anderszins niet uitgesproken over een landelijke vakinstelling.

De leden van de D66-fractie willen graag ook weten of ik de bij de opleidingen van de DHTA betrokken branches en beroepsgroepen betrek bij het vinden van een oplossing voor de DHTA en het meld- en expertisepunt voor kleinschalige, specialistische beroepen en opleidingen.

De betrokken branches bij de opleidingen die de DHTA uitvoert zijn medio februari geconsulteerd. In mijn aanpak heb ik nadrukkelijk rekening gehouden met hun wensen, zoals een herkenbare positionering van het onderwijs binnen MBO Amersfoort. Over de situatie rondom de DHTA ben ik verder ingegaan in mijn inleidende toelichting.

De leden van de D66-fractie vragen of besluitvorming van MBO Amersfoort en SBB niet strijdig zal zijn met dat wat nodig is voor behoud van specialistisch vakmanschap. De leden vragen of ik voornemens ben dat te monitoren? Zo ja, kan ik dan aangeven hoe ik dat wil doen? Zo nee, waarom niet? De leden vragen welke mogelijkheden ik heb om in te grijpen als dit niet conform de afspraken verloopt?

Deze vraag heb ik in mijn inleidende toelichting over de positie van de DHTA reeds beantwoord.

De leden van de D66-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat de specifieke expertise, die er nu is voor het uitvoeren van onderwijs en projecten voor specialistisch vakmanschap, niet verdwijnt.

De specifieke expertise die nu is opgebouwd, zal worden voortgezet bij de uitvoering van het opleidingsaanbod van de DHTA door MBO Amersfoort en het loket- en expertisepunt.

De leden van de D66-fractie vragen mij aan te geven waarom de huidige synergie van taken van het loket- en expertisepunt en de uitvoering van onderwijs niet wordt continueert en welke taken ik precies voor ogen heb voor dit loket- en expertisepunt?

Ik hecht aan een compact loket- en expertisepunt voor klein en uniek vakmanschap waar de betrokken branches en de kleine, unieke opleidingen die in de knel (dreigen) te komen terecht kunnen. Op die manier is er tijdig zicht op bedreigde opleidingen en worden instellingen en branches ondersteund om te werken aan duurzaam onderwijs.

De leden van de D66-fractie vragen of ik ook in kan gaan op de vraag of ik verwacht dat er na 2020 behoefte zal (blijven) bestaan aan de functie van het loket- en expertisepunt. En of ik kan aangeven hoe het na 2020 structureel wordt geregeld?

Ik zal het functioneren van het loket- en expertisepunt bezien bij het evaluatiemoment van de wet macrodoelmatigheid mbo in 2020. Ik kan hier nu niet op vooruit lopen. De SBB is gevraagd om voor de langere termijn rekening te houden met financiering van het loket- en expertisepunt.

De leden van de D66-fractie ontvangen graag een toelichting over de rol van de SBB met betrekking tot de uitvoering van projecten in het kader van de Regeling Cofinanciering Sectorplannen. Kan de SBB het sectorplan kleinschalig, specialistisch vakmanschap, dat op dit moment wordt uitgevoerd, overnemen? Indien dit niet mogelijk is, hoe wordt de continuering van dit project gegarandeerd?

Bij de uitvoering van projecten in het kader van de Regeling Cofinanciering Sectorplannen zie ik geen rol weggelegd voor de SBB. Dit zou kunnen leiden tot belangenverstrengeling en past niet in de wettelijke taken die de SBB gaat uitvoeren. Meest voor de hand ligt dat de opvolger de taken overneemt of een andere partij uit het samenwerkingsverband. In de aanvullende besprekingen met SVGB-DHTA en MBO Amersfoort zal dit onderwerp verder worden besproken in overleg met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Agentschap SZW.

De leden van de D66-fractie vragen op welke termijn de regeling over toekenning van licenties in werking treedt?

Voor het toekennen van licenties aan instellingen is wijziging van de WEB vereist. Het streven is dat deze wijziging in werking treedt op 1-1-2017.

De leden van de D66-fractie vragen of de Ministers van Economische Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook betrokken zijn bij dit beleidsvoorstel.

De Staatssecretaris van Economische Zaken is betrokken geweest bij de totstandkoming van mijn brief over het behoud van kleinschalig, specialistisch vakmanschap. Dit gezien het feit dat dit ook het agrarisch onderwijs betreft. Met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is contact geweest vanwege de relatie met het sectorplan voor kleinschalig, specialistisch vakmanschap.

3. De positie van de Dutch HealthTec Academy (DHTA)

De leden van de VVD-fractie willen weten waarom er niet is gekozen om DHTA toe te voegen aan de wettelijk aangewezen vakinstellingen.

De studenten van de DHTA zijn ingeschreven bij (in hoofdzaak) MBO Amersfoort, ROC Zadkine en Koning Willem I College. De bekostiging vloeit dan ook naar deze instellingen. De verantwoordelijkheid voor de opleidingen in kwestie ligt dan ook nu al bij die instellingen. Om die reden ben ik in ook met deze instellingen in gesprek gegaan over hoe het onderwijsaanbod te continueren. Uit deze gesprekken is gezamenlijk met betrokken partijen, tot de oplossing gekomen om alle opleidingen die nu verzorgd worden bij de DHTA, onder te brengen bij MBO Amersfoort met behoud van de eigen identiteit van de DHTA.

De leden van de VVD-fractie vragen of ik af wil van de kleinschalige vakinstellingen. Of geldt dat dit alleen geldt voor dit specifieke geval en waarom?

Vanzelfsprekend wil ik niet af van kleinschalige vakinstellingen. De bestaande vakinstellingen verzorgen over het algemeen onderwijs van een hoogwaardige kwaliteit dat goed aansluit op de vraag van de arbeidsmarkt.

De leden van de VVD-fractie vragen of dit betekent dat andere roc’s deze opleidingen nu niet meer aan mogen bieden. Zo ja, moet dit dan niet wettelijk geregeld worden? Zo nee, hoe wordt nieuwe versnippering voorkomen?

In de brief «Ruim baan voor vakmanschap: een toekomstgericht mbo» heb ik aangegeven het wettelijk mogelijk te willen maken dat sommige kwalificaties exclusief door bepaalde categorieën instellingen (d.w.z. vakinstellingen, aoc’s of roc’s) verzorgd mogen worden. In aanvulling daarop heb ik mijn brief over kleinschalige, specialistisch beroepsopleidingen van 26 februari jl. ultiem de mogelijkheid voorgesteld om – als de situatie erom vraagt – een licentie toe te kennen aan een instelling om als enige een kleinschalige, unieke opleiding te verzorgen. Bovendien zijn er de nieuwe regels zoals vastgesteld in de wet macrodoelmatigheid mbo. Om onnodige concurrentie te voorkomen verplicht de wet macrodoelmatigheid mbo instellingen het starten en stoppen van opleidingen anderhalf jaar van te voren moeten melden aan DUO. Op basis hiervan kan het gesprek tussen onderwijs en bedrijfsleven plaatsvinden. Als het gesprek tussen betrokken partijen, bijvoorbeeld binnen de SBB, niet leidt tot een passende oplossing, dan wordt de casus voorgelegd aan de adviescommissie macrodoelmatigheid. Deze kan mij adviseren om de licentie bij één of meerdere instellingen in te trekken als er sprake is van een ondoelmatige situatie. Dit geheel aan maatregelen zal ervoor zorgen dat versnippering van het onderwijsaanbod wordt voorkomen.

De leden van de PvdA-fractie vragen toelichting over wat de overname van de opleidingen door MBO Amersfoort gaat betekenen voor het betrokken onderwijspersoneel.

In mijn inleidende toelichting heb ik aangegeven dat MBO Amersfoort de DHTA-opleidingen zal voortzetten. Dit zal gebeuren met behoud van de «merknaam» DHTA. De circa 30 voltijdbanen van de SVGB-DHTA die aan deze taak zijn verbonden zullen ook overgaan naar MBO Amersfoort.

De leden van de CDA-fractie vragen mij waarom is het niet mogelijk om deze Academy als aparte instelling te laten verder gaan?

Door de SVGB zijn cijfers aangeleverd in verband met een mogelijke transitie naar een landelijke vakinstelling voor 2015–2016. Daarnaast zijn onderbouwingen aangeleverd voor het middellange termijn perspectief. Daaruit blijkt dat, naast de ophoging van de prijsfactor naar 1,8, er nog een zeer aanzienlijk bedrag aan aanvullende middelen nodig zou zijn om uit de rode cijfers te blijven. Een deel daarvan had bovendien geen tijdelijk, maar een structureel karakter. Integratie in de bedrijfsvoering van MBO-Amersfoort kan nu juist een uitkomst bieden voor de financiële problematiek van de DHTA.

De leden van de CDA-fractie vragen of ik vrees dat de DHTA, met een herkenbare positionering binnen het MBO Amersfoort, niet minder studenten zal aantrekken, omdat deze juist hebben gekozen voor een kleinschalige instelling.

Ik vrees niet op voorhand voor een daling als gevolg van de nieuwe positionering van de DHTA. Immers het profiel en de «merknaam» blijven gehandhaafd. Daarmee is en blijft ook het onderwijs kleinschalig georganiseerd. In die zin verandert er niets voor de studenten.

De leden van de D66-fractie vragen een heldere toelichting en uiteenzetting waarom ik er toe besluit de eerdergenoemde motie van het lid Van Meenen niet uit te voeren.

Met de gevonden oplossing handel ik in de geest van de motie van het lid Van Meenen. Ik zorg er immers voor dat het aanbod van de DHTA herkenbaar en duurzaam wordt georganiseerd. Dat doe ik door het onder te brengen bij een mbo-instelling. In mijn brief over het behoud van kleinschalig, specialistisch beroepsonderwijs heb ik uiteengezet dat kleine, unieke beroepsopleidingen beter zijn geborgd binnen reguliere mbo-instellingen.

De leden van de D66-fractie merken op dat ik stel dat vanwege de beperkte schaal van kleinschalige, specialistische beroepsopleidingen het lastig voor mbo-instellingen is om deze opleidingen budgettair rendabel aan te bieden. Desalniettemin wordt ervoor gekozen dat de opleidingen van de Dutch HealthTec Academy vanaf studiejaar 2015–2016 verzorgd gaan worden door MBO Amersfoort, een regionaal opleidingscentrum. Dit wordt gemotiveerd door te stellen dat het voortbestaan van deze opleidingen binnen een bestaande mbo-instelling beter is geborgd. De leden van de D66-fractie vragen om nadere toelichting over deze tegenstrijdigheid.

In algemene zin is het vanwege de schaal van kleinschalige, unieke opleidingen lastig om het aanbod duurzaam te verzorgen. Mede om die reden zijn ook extra middelen voor onder meer kleinschalige, unieke opleidingen beschikbaar gesteld. Dit in combinatie met de voordelen van het onderbrengen van het aanbod binnen een mbo-instelling en andere maatregelen zoals de wet macrodoelmatigheid mbo, maakt dat ik geen tegenstrijdigheid zie in mijn brief zoals de leden van de D66-fractie stellen.

De leden van de D66-fractie vragen of overwogen is om de opleidingen van de DHTA onder te brengen bij een vakschool of een samenwerkingsverband van vakscholen. En of ik op de hoogte ben dat twee vakinstellingen de intentie hebben uitgesproken om een samenwerkingsschool met de DHTA te willen verkennen? De leden vragen of deze optie is onderzocht op haalbaarheid en doeltreffendheid.

De DHTA voert nu opleidingen uit in opdracht van drie roc’s (MBO Amersfoort, ROC Zadkine en Koning Willem I College). Het lag in dat verband daarom voor de hand dat ik in eerste aanleg een beroep heb gedaan op deze drie roc’s om de opleidingen te continueren. Ik heb nooit een onderbouwd voorstel ontvangen waaruit bleek dat één of meerdere vakinstellingen bereid zijn geweest de opleidingen en de deelnemers «over te nemen». Dat ligt gezien het feit dat het merendeel van de deelnemers was ingeschreven bij MBO Amersfoort – voor een opleiding optiek, ook niet voor de hand.

De leden van de D66-fractie vragen of MBO Amersfoort de opleidingen van de DHTA daadwerkelijk zal overnemen. En wanneer daar duidelijkheid over is?

Voor het antwoord op deze vraag van de leden van de D66-fractie verwijs ik naar mijn inleidende toelichting over de situatie rondom de DHTA.

De leden van de D66-fractie vragen wat ik ga doen als MBO Amersfoort alsnog besluit het gehele opleidingsaanbod van de DHTA niet te verzorgen. Wat gebeurt er dan met het opleidingsaanbod?

Voor het antwoord op deze vraag van de leden van de D66-fractie verwijs ik naar mijn inleidende toelichting over de situatie rondom de DHTA.

De leden van de D66-fractie vragen of MBO Amersfoort voornemens is om de huidige locatie van de DHTA de komende vijf jaar te handhaven? Zo nee, waarom niet?

MBO Amersfoort zal de DHTA-opleidingen voortzetten en heeft de intentie uitgesproken om – als nieuwe huurder – deze opleidingen te blijven verzorgen op de huidige locatie, met behoud van de «merknaam» DHTA en met inbegrip van de circa 30 voltijdbanen die aan deze taak zijn verbonden.

De leden van de D66-fractie naar inzicht in de kosten die zijn gemoeid met een eventuele verplaatsing van de opleidingen. En wie deze kosten draagt?

Het transitiebudget zal in beginsel worden gefinancierd uit het eigen vermogen van de SVGB. Mochten er zich onverhoopt in de bedrijfsvoering van de DHTA (en voor zover niet verwijtbaar) door de MBO Amersfoort nog onverwachte tegenvallers aandienen dan kan MBO Amersfoort met mij in gesprek gaan voor aanvullende eenmalige financiering, wederom mits de reallocatie van het eigen vermogen van SVGB-DHTA en een mogelijke daling van de huurlasten geen alternatieve dekking bieden.

De leden van de D66-fractie vragen of er inzicht kan worden verschaft in de kosten die gemoeid zijn bij het in stand houden van kleinschalige opleidingen in respectievelijk een landelijke vakinstelling, een vakschool of een samenwerkingsverband van vakscholen in relatie tot de gekozen optie van MBO Amersfoort.

Op basis van gegevens van de DHTA ben ik tot de slotsom gekomen dat een landelijke vakinstelling een investering van enkele miljoenen zou vragen. Met de gekozen oplossing geef ik een transitiebudget aan MBO Amersfoort inzake de DHTA, althans voor zover deze niet uit de ontvlechting van het eigen vermogen van de SVGB kan worden gefinancierd. Ik heb geen onderbouwd voorstel ontvangen van een oplossing van een samenwerkingsverband van een aantal vakscholen. Om die reden kan ik ook geen inzicht verschaffen in de daarmee gepaard gaande kosten.

De leden van de D66-fractie ontvangen graag een toelichting op welke manier de landelijke uitstraling van deze opleidingen wordt geborgd, en daarbij voldoende betrokkenheid en zeggenschap van de branches over het onderwijs en voldoende autonomie voor het uitvoeren van activiteiten behoudt.

Voor het antwoord op deze vraag van de leden van de D66-fractie verwijs ik naar mijn inleidende toelichting over de situatie rondom de DHTA.

De leden van de D66-fractie vragen op grond van welke gegevens de conclusie wordt getrokken dat de DHTA met aanzienlijke financiële tekorten kampen op korte en langere termijn.

Door de SVGB zijn cijfers aangeleverd in verband met een mogelijke transitie naar een landelijke vakinstelling voor 2015–2016. Daarnaast zijn onderbouwingen aangeleverd voor het middellange termijn perspectief. Daaruit blijkt dat naast de ophoging van de prijsfactor naar 1,8 er nog een zeer aanzienlijk bedrag aan aanvullende middelen nodig zou zijn om uit de rode cijfers te blijven. Een deel daarvan had bovendien geen tijdelijk, maar een structureel karakter. De SVGB/DHTA heeft mij laten weten verheugd te zijn over de gevonden oplossing die een duurzaam karakter heeft.

De leden van de D66-fractie vragen er bij de analyse van de gegevens ook uitgegaan is van de synergie tussen expertisepunt en onderwijsuitvoering. En of er kan worden aangegeven op welke gegevens dit oordeel is gebaseerd?

Ik ben uiteraard bij de analyse uitgegaan van de synergie tussen het expertisepunt en de onderwijsuitvoering. Deze synergie leidt naar mijn mening echter niet tot een ander oordeel over de financiële soliditeit van een kleinschalige, unieke vakinstelling.

De leden van de D66-fractie vragen af of de positieve financiële consequenties, die het mogen uitvoeren van bol-opleidingen door het DHTA tot gevolg zouden hebben, meegenomen is in de analyse van de gegevens.

In de door de SVGB aangeleverde cijfers zijn forse aannames gemaakt over een toename van het aantal studenten, waaronder een toename als gevolg van het opstarten van BOL-opleidingen. Mogelijkerwijs is er behoefte aan BOL-opleidingen. Er is geen zicht op de kansen van de DHTA om een deel van die markt te veroveren. Elke aanname hierover is in hoge mate speculatief. Immers ook roc’s bieden BOL-opleidingen aan op de opleidingsterreinen waarop de DHTA actief is.


X Noot
1

Motie van het lid Van Meenen over landelijke vakinstellingen voor kleinschalig uniek vakmanschap (Kamerstuk 33 930 VIII, nr. 9).

X Noot
2

Roc: regionaal opleidingencentrum.

X Noot
3

SBB: Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven.

X Noot
4

DHTA: Dutch HealthTec Academy.

X Noot
5

SVGB: Stichting Vakopleidingen voor de Gezondheidstechnische Beroepen en Ambachten.

X Noot
6

bol: beroepsopleidende leerweg.

Naar boven