Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202031511 nr. 35

31 511 Beleidsdoorlichting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Nr. 35 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BASIS- EN VOORTGEZET ONDERWIJS EN MEDIA

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 september 2019

Conform de uitwerking1 van de motie van het lid Harbers2 informeer ik u met deze brief over de opzet en vraagstelling van de beleidsdoorlichting van artikel 15: Media van de begroting van OCW.

Er is bij deze beleidsdoorlichting sprake van een bijzondere situatie. De beleidsdoorlichting media valt namelijk samen met de uitwerking van de aangekondigde maatregelen in mijn visiebrief voor de publieke omroep.3 Ik zou willen dat de beleidsdoorlichting toegevoegde waarde heeft bij die uitwerking op kortere termijn. Maar met de uitwerking van mijn visiebrief zijn we er nog niet. Het mediaveld is complex, internationaal en snel veranderend. Ook in de verdere toekomst zullen volgende kabinetten hun beleid moeten bepalen. Ook daaraan zou deze beleidsdoorlichting moeten bijdragen.

Daarom stel ik een bredere beleidsdoorlichting voor met een gefaseerde en thematische aanpak, met de mogelijkheid om niet alleen terug te kijken (verantwoorden) maar ook vooruit te kijken (leren, verbeteren). Met deze aanpak wil ik aansluiten bij de lessen die zijn getrokken uit de Operatie Inzicht In Kwaliteit.4

Ik zal de contouren van deze aanpak in het vervolg van deze brief verder toelichten en enkele thema’s bespreken uit de beleidsdoorlichting die mij voor ogen staan en die aansluiten bij mijn visiebrief. In de mediabegrotingsbrief van dit najaar volgt dan een meer uitgewerkt plan van aanpak. Dat geeft ook ruimte om inzichten uit ons debat bij het AO van 11 september a.s. hierin mee te nemen.

Doelstelling artikel 15

De algemene doelstelling is het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod, dat toegankelijk blijft voor alle lagen van de bevolking.

Als Minister borg ik vier publieke belangen in het mediabeleid, waar ik verantwoordelijk voor ben: onafhankelijkheid, verscheidenheid, kwaliteit en toegankelijkheid. Ik heb specifieke zorg voor het stelsel van landelijke, regionale en lokale publieke omroepen en de daarvoor relevante wet- en regelgeving.

Ik financier de landelijke en regionale publieke omroep, en enkele andere aan de omroep verbonden instellingen. Ik stimuleer een onafhankelijke en kwalitatief goede journalistieke infrastructuur en bevorder mediawijsheid. Als regisseur ben ik verantwoordelijk voor de wetgeving ten aanzien van de taak en organisatie van de publieke omroep en voor wetgeving voor commerciële media en de omroepdistributie.5

Afbakening en aanpak

De vorige beleidsdoorlichting mediabeleid bestreek de jaren 2010–2013 en had betrekking op het gehele beleidsartikel media.6 Bij die eerdere doorlichting lag het accent op terugkijken en verantwoorden.

Mijn aanpak voor de komende doorlichting gaat uit van een agenda van verschillende onderzoeken op verschillende tijdstippen in de periode najaar 2019 – medio 2021. In beginsel wordt het gehele beleidsartikel media doorgelicht (uitgaven in 2019: ca. 1 mld., ontvangsten ca. 150 miljoen).7 Mijn aanpak bestaat uit de volgende elementen:

  • De onderzoeken leveren in zijn geheel een overkoepelend beeld op van het beleidsterrein en de ontwikkelingen in het beleid sinds de vorige beleidsdoorlichting. Het sluitstuk is daarmee een synthese waarin overkoepelend gekeken wordt naar lessen over de doeltreffendheid en doelmatigheid, inclusief beleidsalternatieven.

  • De onderzoeken kijken naar doeltreffendheid en doelmatigheid, de «klassieke» thema’s uit de beleidsdoorlichting, maar evenzeer naar de methoden en maatstaven om deze vast te stellen.

  • Hoewel er veel (evaluatie) onderzoek beschikbaar is (zie bijlage8) is belangrijk goed te kijken of het beschikbare onderzoek voldoende dekkend is voor het mediabeleid. Wat weten we al? Waar zitten witte vlekken? Waar moeten we werken aan betere monitoring?

  • De doorlichting levert een bijdrage aan het beantwoorden van de beleidsvragen op dit moment en in de toekomst.

  • Naast evaluatieonderzoek overweeg ik gebruik te maken van internationale vergelijkingen en scenariostudies. Zo kunnen ook beter alternatieve beleidsopties in beeld worden gebracht. Hierbij wordt ook externe deskundigheid betrokken.

Thema’s

Als bouwstenen voor een overkoepelend beeld van het mediabeleid denk ik op dit moment aan de volgende thema’s om nader te onderzoeken (met indicatieve planning):

  • Samenhang in het mediastelsel. Landelijke, regionale, lokale en sinds kort ook streekomroepen maken deel uit van het publieke omroepstelsel. Het rijk heeft grote betrokkenheid bij de landelijke publieke omroep, en sinds kort ook bij de regionale omroep, maar staat op veel grotere afstand van de lokale omroep. Kan een grotere samenhang binnen het mediastelsel bijdragen aan een beter functioneren? Ik denk onder meer aan een verkenning aan de hand van internationale vergelijking en scenariostudies (eind 2020/begin 2021).

  • Maatschappelijke waarde van de publieke omroep. Hoe kunnen we de algemene waarden die ten grondslag liggen aan ons mediabeleid (onafhankelijkheid, kwaliteit, pluriformiteit, toegankelijkheid) het beste operationaliseren? En wie kan dat het beste doen? Bedient de publieke omroep in voldoende mate alle publieksgroepen in Nederland?9 Zijn er andere vormen van maatschappelijke worteling denkbaar dan de huidige lidmaatschappen van de omroepverenigingen? Ook hier denk aan terugblikken gecombineerd met vooruitkijken (vanaf eerste helft 2020).

  • Doelmatigheid van de publieke omroep. In internationaal perspectief heeft Nederland een relatief goedkope publieke omroep. Maar wat mogen onafhankelijkheid, kwaliteit en pluriformiteit kosten? En wat is de meest doelmatige besteding van middelen binnen de randvoorwaarde van pluriformiteit? Dat is een steeds terugkerende discussie. De Algemene Rekenkamer komt eind 2019 met een rapport over de doelmatigheid van de televisieprogrammering van de NPO. Ik zal de conclusies van de Rekenkamer moeten wegen. Voor het bepalen van consequenties is mogelijk meer onderzoek nodig (vanaf 2020).

  • Het toezicht op het stelsel. Veranderingen in het medialandschap en de implementatie van de Europese media Service Directive (AVMSD) leiden mogelijk tot een heroverweging van takenpakket en governance. Goed toezicht is cruciaal voor een onafhankelijk functionerend mediabestel. Hiernaar wil ik onderzoek laten doen, en ook hier gaat het om terugblikken en vooruitkijken (eind 2019/begin 2020).

Tot slot

Met deze bredere aanpak voor de beleidsdoorlichting wil ik niet alleen terugkijken maar ook vooruitkijken. Met het invullen van witte vlekken, het benoemen van de juiste thema’s en het koppelen van de onderliggende onderzoeken aan actuele beleidsvragen streef ik naar maximale toegevoegde waarde voor de uitwerking van (nieuw) beleid, te beginnen bij de maatregelen uit mijn visiebrief. In mijn mediabegrotingsbrief van dit najaar volgt dan een meer uitgewerkt plan van aanpak.

De Minister van Basisonderwijs, Voortgezet onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Kamerstuk 34 000, nr. 52

X Noot
2

Kamerstuk 34 000, nr. 36

X Noot
3

Kamerbrief over toekomst publieke omroep, 14 juni 2019

X Noot
4

Op 4 februari 2019 is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van deze operatie.

X Noot
5

Rijksbegroting 2019, VIII Onderwijs Cultuur en Wetenschap, Artikel 15 Media

X Noot
6

Rijksbegroting 2019, VIII Onderwijs Cultuur en Wetenschap, Artikel 15 Media

X Noot
7

Stand eerste suppletoire begroting 2019.

X Noot
8

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
9

Zie ook het Rapport Visitatiecommissie Publieke Omroep 2019