Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 31497 nr. 512 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 31497 nr. 512 |
Vastgesteld 20 mei 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over de brief van 5 februari 2026 inzake verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (Kamerstuk 31 497, nr. 510).
De vragen en opmerkingen zijn op 26 februari 2026 aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport voorgelegd. Bij brief van 20 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp
Inhoudsopgave
|
I. |
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties |
2 |
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie |
2 |
|
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie |
3 |
|
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie |
3 |
|
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie |
5 |
|
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie |
6 |
|
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie |
7 |
|
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie |
7 |
|
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie |
9 |
|
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower |
9 |
|
|
II. |
Reactie van de Minister |
10 |
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (ZiO) en de voortgang van de maatregelen om onderwijs, jeugdhulp en langdurige zorg beter te integreren op cluster 3 en 4 scholen.
De leden van de D66-fractie waarderen de inspanningen van het kabinet om versnippering van zorg en ondersteuning in scholen te verminderen en het proces voor ouders en leerlingen te vereenvoudigen. Zij vragen hoe de Minister waarborgt dat het collectieve aanbod van zorg en ondersteuning in scholen flexibel genoeg blijft om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van individuele leerlingen zonder dat dit de collectieve voordelen ondermijnt.
De leden van de D66-fractie vragen in dat verband of de Minister bereid is te borgen dat afspraken over samenwerking en contractering van jeugdhulp en Wlz-zorg binnen cluster 3 en 4 minimaal op regionaal niveau en bindend worden vormgegeven, gelet op de regionale functie van deze scholen en zorgaanbieders. Tevens vragen zij of de Minister voornemens is heldere landelijke kaders te stellen die in iedere regio de beschikbaarheid en collectieve financiering van ZiO waarborgen, zodat administratieve lasten verminderen en zorg beter kan worden geïntegreerd in het onderwijs.
De leden van de D66-fractie vragen tevens hoe de Minister toeziet op de effectieve samenwerking tussen basis, gemeenten en zorgkantoren, en welke maatregelen genomen worden om te voorkomen dat regionale verschillen leiden tot ongelijke toegang tot zorg en ondersteuning voor leerlingen in verschillende delen van het land.
De leden van de D66-fractie benadrukken dat Ernstig Meervoudig Beperkte (EMB) leerlingen afhankelijk zijn van structurele en goed georganiseerde ondersteuning in de klas. Continuïteit van zorg is essentieel om hun ontwikkeling, leerproces en welzijn te waarborgen. De leden van de D66-fractie vragen hoe de Minister de zorg voor Ernstig Meervoudig Beperkte (EMB) leerlingen na 2026 waarborgt, gezien de tijdelijke looptijd van de huidige regeling.
Tot slot vragen de leden van de D66-fractie hoe de verbeteraanpak zich verhoudt tot de bredere ambitie van inclusief onderwijs. Op welke wijze wordt ZiO niet alleen binnen het gespecialiseerd onderwijs, maar ook in het regulier onderwijs structureel en collectief verankerd, zodat ondersteuning daadwerkelijk in de klas beschikbaar is en niet afhankelijk blijft van lokale convenanten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Genoemde leden stellen de volgende vragen aan de Minister.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de ervaringen met zorgarrangeurs overwegend positief zijn, al zijn er nog punten waarop verbetering nodig zijn. Kan de Minister aangeven of zij toepassing van de zorgarrangeur breder in de zorg van toegevoegde waarde acht? Zo ja, waar denkt zij dat de zorgarrangeur kan bijdragen aan de werking van het zorgstelsel? Zo nee, waarom niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met teleurstelling de brief over de Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd gelezen. Genoemde leden hadden gehoopt dat er meer verregaande en concretere stappen genomen zouden worden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de ambities van het kabinet als het gaat om de route naar inclusief onderwijs. Staat de doelstelling nog dat in 2035 verreweg de meeste scholen de overstap naar inclusief onderwijs hebben gemaakt? Gebeurt er voldoende om dit doel te halen? Hoe dragen de ambities in deze brief bij aan het terugdringen van het aantal kinderen dat thuiszit of een vrijstelling heeft onder 5b?
Kan de Minister reflecteren op de tien maatregelen die in november 2018 door de toenmalige bewindspersonen van VWS en OCW samen zijn opgesteld en als doel hadden om kinderen die zorg nodig hebben meer onderwijskansen te bieden? Waar staan we nu? Kan de Minister dit voor de tien maatregelen afzonderlijk beschrijven? Vindt de Minister dat de afgelopen jaren voldoende is gedaan om de ambities die destijds zijn uitgesproken te halen? Staan deze ambities nog steeds? Zo ja, wat gaat de Minister extra doen, gezien het feit dat het aantal kinderen dat thuiszit zonder passend onderwijs is gestegen, net als het aantal vrijstellingen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat zowel in de Jeugdwet als in de onderwijswetgeving zal worden geregeld dat gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren overleg voeren over het zoveel mogelijk in samenhang aanbieden van onderwijsondersteuning, langdurige zorg en jeugdhulp op gespecialiseerde scholen (cluster 3 en 4). Genoemde leden zijn positief dat wettelijk geregeld wordt dat er overleg gevoerd moet worden. Zij vragen zich wel af of enkel dit genoeg is om er echt voor te zorgen dat zorg in de onderwijstijd verbeterd wordt. Kan de Minister hierop reflecteren en aangeven hoe zij denkt dat dit alle knelpunten zal oplossen? Kan de Minister ook aangeven wat de gevolgen zijn voor de administratieve lasten en de tijd die gaat zitten in de coördinatie en daarmee ook de kosten? Zijn er kwalitatieve of kwantitatieve gegevens over de tijd die professionals kwijt zijn aan overleg, administratie en coördinatie in verhouding tot de tijd die zij hebben om leerlingen te ondersteunen? Ook zijn deze leden benieuwd hoe ouders of een vertegenwoordiging van ouders betrokken worden bij het maken van bestuurlijke afspraken over zorg in onderwijstijd? Op welke manier worden schoolbesturen, schoolteams en zorgaanbieders betrokken bij deze afspraken? Zijn zij rechtstreeks partner bij de afspraken? Aangezien zij het beste in staat zijn te bepalen wat nodig is, in samenspraak met ouders en leerlingen? Worden afspraken die worden gemaakt tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren openbaar gemaakt? Hoe bindend zijn de afspraken die worden gemaakt? Deze leden lezen ook dat wordt aangemoedigd dat afspraken zo veel mogelijk op regionaal niveau worden gemaakt, waarom is er niet voor gekozen voor enkel regionale afspraken? Op welke manier wordt geborgd dat de wensen van leerlingen zelf kunnen worden meegenomen?
Kan de Minister ingaan op de afzonderlijke taken en verantwoordelijkheden van scholen, gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren? Waar ligt de uiteindelijke verantwoordelijkheid dat een kind naar school kan met de benodigde zorg? Hoe voorkomt de Minister dat naar elkaar gewezen kan worden zonder dat er een oplossing komt?
Wie is verantwoordelijk als een kind hulpmiddelen nodig heeft om onderwijs te krijgen, zoals een aangepaste stoel, spraakhulpmiddelen of audiovisuele hulpmiddelen? Is dat de school, het samenwerkingsverband, de gemeente of het zorgkantoor? Kan de Minister dit aan de hand van een voorbeeld toelichten? Waar ligt de eindverantwoordelijkheid voor voldoende aangepast lesmateriaal voor kinderen met een beperking of specifieke ondersteuningsbehoefte?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er ruimte voor maatwerk blijft met een individueel persoonsgebonden budget (pgb). Hoe wordt deze ruimte voor maatwerk geborgd binnen deze aanpak als collectieve zorg niet passend is? Wanneer wordt collectieve zorg «niet passend» geacht? Is het binnen deze aanpak mogelijk om afspraken te maken over de «passendheid» van collectieve zorg op scholen, bijvoorbeeld in het handelingsdeel van een toelaatbaarheidsverklaring (TLV)? Hebben ouders daar instemmingsrecht op? Genoemde leden krijgen signalen dat ouders zich zorgen maken over het beschikbaar maken van jeugdhulp in onderwijs als vrij toegankelijke voorziening. Kan de Minister uitleggen hoe de rechten van deze ouders geborgd zijn bij een vrij toegankelijke voorziening? Hoe wordt geborgd dat er voldoende pgb voor zorg thuis overblijft bij een collectieve inzet op school, ook als een kind om bepaalde redenen niet naar school kan? Hoe zal geborgd worden dat een ouder niet aansprakelijk gesteld gaat worden als een deel van het budget dat overgeheveld wordt voor zorg in onderwijstijd niet besteed wordt aan de zorg van het kind, omdat die door ziekte niet op school aanwezig kan zijn of omdat er van meer weken zorg tijdens onderwijstijd wordt uitgegaan dan het aantal lesweken per jaar? Deze leden stellen deze vragen naar aanleiding van zorgen van ouders.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de huidige EMB-bekostiging wordt verlengd tot en met 2026. Daarmee wordt een acuut probleem opgelost, maar is er nog steeds onzekerheid en onduidelijkheid voor de toekomst. Wat zal er na 2026 gebeuren? Waarom wordt er geen structurele oplossing geboden? In 2025 is de motie Westerveld1 aangenomen over landelijke aanmelding en bekostiging van EMB-leerlingen via het Rijk. Hoe is deze motie uitgevoerd? Waarom wordt de route van landelijke aanmelding en bekostiging niet ingezet, aangezien dit duidelijkheid en stabiliteit zal geven voor ouders en scholen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Minister met deze brief de aangenomen motie2 van de leden Kwint en Westerveld als afgedaan ziet. Deze leden zien echter niet helemaal in de brief de relatie met toelaatbaarheidsverklaringen (TLV), waar expliciet in de motie om gevraagd werd. Kan de Minister dit nog nader verduidelijken? De leden vragen dit omdat zij nog steeds signalen krijgen van ouders dat er problemen zijn met TLV’s.
Tenslotte zijn deze leden ook benieuwd naar de samenhang tussen regulier en gespecialiseerd onderwijs. Zij maken zich al jaren sterk voor een groei van plekken waar beide gecombineerd worden, zoals bijvoorbeeld bij Samen naar Schoolklassen. Kan de Minister uitleggen waarom er niet gekozen is om bijvoorbeeld ook verplicht regionale afspraken te maken over de inzet van zorg binnen het regulier onderwijs, zodat er tot duurzame (financiële) borging gekomen kan worden van initiatieven als Samen naar Schoolklassen en andere innovatieve oplossingen voor zorg in regulier onderwijs?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie danken de voormalige Staatssecretarissen VWS en OCW voor het verstrekken van het evaluatieonderzoek naar de zorgarrangeurs, de eindevaluatie van het experiment Wlz-zorg in onderwijstijd en de brief over de Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (ZiO).
Deze leden constateren dat zowel uit de evaluatie van de zorgarrangeurs als uit de eindevaluatie van het Wlz-experiment blijkt dat knelpunten rond organisatie en financiering van zorg in onderwijstijd hardnekkig zijn. Tegelijkertijd worden verschillende instrumenten voortgezet of beëindigd. Daarover hebben de leden van de PVV-fractie enkele vragen.
In de brief wordt een wetswijziging aangekondigd die overleg en samenwerking tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden en zorgkantoren verplicht stelt, inclusief een geschillenregeling. De leden van de PVV-fractie vragen wat het beoogde tijdpad voor indiening en inwerkingtreding is van deze wetswijziging. Ook vragen deze leden hoe wordt gemonitord of de verplichte overlegstructuur daadwerkelijk leidt tot concrete regionale afspraken. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister welke sancties of interventiemogelijkheden bestaan indien partijen niet tot afspraken komen, ondanks de geschillenregeling. Ook vragen genoemde leden op welke wijze de evaluatie vijf jaar na inwerkingtreding wordt vormgegeven.
Voor cluster 1 en 2 wordt aangesloten bij het Landelijk Transitiearrangement (LTA). De leden van de PVV-fractie vragen de Minister wat de looptijd is van deze tijdelijke werkwijze. Ook vragen deze leden op welke wijze wordt beoordeeld of het LTA daadwerkelijk leidt tot verbeterde toegankelijkheid en minder bureaucratie voor cluster 1 en 2-scholen. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of parallel wordt onderzocht of op langere termijn een structurele integrale financieringsoplossing mogelijk is.
De EMB-regeling blijft tot en met 2026 gehandhaafd. De leden van de PVV-fractie vragen wat er gebeurt na 2026 met de middelen die nu via de EMB-regeling beschikbaar worden gesteld. Deze leden vragen tevens of voorafgaand aan het aflopen van de regeling een evaluatie wordt uitgevoerd en zo ja, wanneer de Kamer deze ontvangt.
De leden van de PVV-fractie constateren dat meerdere trajecten naast elkaar lopen: zorgarrangeurs, wetswijziging, LTA, EMB-regeling en beëindiging van het Wlz-experiment. Deze leden vragen de Minister in één overzicht te schetsen hoe deze instrumenten zich tot elkaar verhouden in termen van doel, doelgroep, financieringsstroom en tijdpad. De leden van de PVV-fractie vragen ook wie uiteindelijk stelselverantwoordelijkheid draagt voor de samenhang tussen onderwijs, Jeugdwet en Wlz in onderwijstijd.
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de reactie van het veld op de brief inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden de volgende aanvullende vragen. De reactie stelt dat de voorgestelde verbeteraanpak onvoldoende structureel is en ruimte laat voor blijvende rechtsongelijkheid tussen regio’s. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe zij voorkomt dat kinderen afhankelijk blijven van regionale bestuurlijke bereidheid in plaats van landelijke borging van rechten.
De leden vragen waarom, ondanks herhaalde signalen uit evaluaties en praktijk, niet wordt gekozen voor een structurele, collectieve financieringsoplossing voor zorg in onderwijstijd over domeinen heen. Welke inhoudelijke of financiële belemmeringen staan een dergelijke oplossing volgens de Minister in de weg?
De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt geborgd dat schoolbesturen en zorgaanbieders binnen cluster 3 en 4 daadwerkelijk volwaardig en rechtstreeks betrokken worden bij regionale afspraken, zoals in de reactie wordt bepleit, en waarom dit niet expliciet wettelijk wordt vastgelegd.
Ten aanzien van de EMB-leerlingen vragen de leden van de PVV-fractie waarom opnieuw is gekozen voor verlenging van een tijdelijke regeling, terwijl de Kamer eerder heeft uitgesproken te willen komen tot landelijke, structurele bekostiging. Wanneer kunnen scholen en ouders duidelijkheid verwachten over een definitieve oplossing?
Genoemde leden vragen hoe de Minister reflecteert op het beëindigen van het experiment Wlz-zorg in onderwijstijd, terwijl dit experiment juist werd gezien als een noodzakelijke stap richting collectieve financiering. Waarom is geen alternatief instrument geïntroduceerd om deze beweging voort te zetten?
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie hoe de verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd zich verhoudt tot de bredere ambitie richting inclusief onderwijs. Welke concrete stappen worden gezet om te voorkomen dat ZiO beperkt blijft tot het gespecialiseerd onderwijs en niet structureel wordt geborgd in het regulier onderwijs.
De leden van de PVV-fractie zien uit naar de beantwoording van de gestelde vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheid aanvullende vragen te stellen over de brief inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Genoemde leden willen specifiek ingaan op de voorstellen die in de brief worden genoemd om de samenwerking te verbeteren tussen verschillende organisaties die betrokken zijn bij zorg in onderwijstijd.
De Minister stelt dat een samenwerkingsverband zorgt voor het realiseren van een dekkend aanbod van ondersteuningsvoorzieningen. Vervolgens is de gemeente aan zet voor het aanbieden van jeugdhulp en het zorgkantoor voor langdurige zorg voor leerlingen met een Wlz-indicatie. Kan de Minister uiteenzetten of er overlap kan zitten tussen ondersteuningsvoorzieningen vanuit het samenwerkingsverband en vanuit de gemeente? Is hier een duidelijke afbakening tussen? Of verschilt dit per school en per samenwerkingsverband?
Zowel in de Jeugdwet als in de onderwijswetgeving zal worden geregeld dat gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren overleg voeren over het zoveel mogelijk in samenhang aanbieden van onderwijsondersteuning, langdurige zorg en jeugdhulp op gespecialiseerde scholen (cluster 3 en 4). De leden van de CDA-fractie vinden dit een goed voornemen en begrijpen dat hiermee de onrust in de klas (door verschillende zorg en hulpverleners) kan worden tegengaan.
In de brief stelt de Minister dat de langdurige zorg een verzekering is met individuele aanspraken die na een indicatie, individueel kunnen worden ingezet. Daarom willen deze leden graag meer uitleg over hoe deze twee uitersten, zoveel als mogelijk in samenhang aanbieden van ondersteuning, zich tot elkaar verhouden? Hoe werkt dit in praktijk uit als ouders staan op dit individuele recht of inzet via een pgb? Gezien het feit dat het NZa experiment Wlz zorg in onderwijstijd niet geslaagd is vragen deze leden zich of hieruit lessen te trekken zijn om meer «collectieve zorg» op cluster 3 en 4 scholen te organiseren.
De betrokken partijen worden aangemoedigd afspraken zo veel mogelijk op regionaal niveau te maken, en bij voorkeur collectief te organiseren en financieren. Dit vinden deze leden een begrijpelijk uitgangspunt maar hoe wil de Minister vervolgens regelen dat er duidelijkheid is tussen de afbakening per regio? Bij welke regio-indeling wordt er aangesloten? De Minister is voornemens dit voorstel op te nemen in het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdhulp, gezien de noodzaak voor verbetering op een zo kort mogelijke termijn. In welke onderwijswetgeving wil de Minister bovenstaande opnemen? Hoe verhoudt het convenant «Stevige lokale teams» zich tot de Reikwijdtewet?
In de brief lezen de leden van de CDA-fractie dat in het convenant is opgenomen dat schoolbesturen en gemeenten afspraken maken over de inzet en de aanwezigheid van het lokale team op school voor ondersteuning in de context van de school. Het doel hiervan is zoveel mogelijk kinderen in de reguliere omgeving onderwijs te laten volgen. Wat is de huidige stand van zaken van dit convenant? Worden er concrete afspraken gemaakt om zoveel mogelijk kinderen regulier onderwijs te laten volgen.
Het verlengen van de huidige EMB-bekostiging tot en met 2026 voorkomt een acuut probleem maar schuift de structurele oplossing opnieuw vooruit. De leden van de CDA-fractie zijn geïnteresseerd welke structurele oplossing(en) de Minister voor zich ziet. Ziet de Minister hierbij een rol voor de samenwerkingsverbanden? De groep leerlingen met ernstig meervoudige beperkingen is toch een duidelijke en afgebakende doelgroep?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake de Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Deze leden hebben geen vragen aan de Minister.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de Minister. Deze leden zijn blij dat na vele jaren van moeitevolle afstemming en onduidelijkheid eindelijk stapjes gezet kunnen worden om de afstemming tussen zorg en onderwijs te verbeteren. Zij hopen op een voortvarende uitvoering van de voornemens, die tot duidelijke kaders en aanspraken moeten leiden.
De leden van de SGP-fractie vragen een toelichting op de positie van schoolbesturen in de beoogde gezamenlijke afspraken over collectieve financiering. Deze leden lezen in de brief dat vooral gemeenten, zorgkantoren en samenwerkingsverbanden in overleg moeten treden, terwijl de verantwoordelijkheid voor het daadwerkelijk organiseren van zorg voor de leerling berust bij het bevoegd gezag van de scholen. Wat is binnen de voorgestelde ontwikkeling hun positie in het samenwerkingsverband en ten opzichte van externe partners zoals gemeenten en zorgkantoren en de afspraken die gemaakt worden?
De leden van de SGP-fractie merken op dat de voorgestelde aanpassingen van de wetgeving in de brief specifiek betrekking hebben op gespecialiseerde scholen. Deze leden vragen een toelichting op deze beperking. Waarom worden reguliere scholen, zeker in het licht van de inzet op inclusiever onderwijs, op voorhand buiten beschouwing gelaten als het gaat om de afstemming met de Jeugdwet en de Wlz?
De leden van de SGP-fractie zouden graag meer duiding ontvangen van de inhoud van de wettelijke aanpassingen. De brief lijkt te suggereren dat enkel een algemene overlegplicht voor de betrokken partijen wordt geregeld. Daarmee bestaat het risico dat nog steeds onvoldoende duidelijke kaders en afspraken worden gecreëerd en dat basale aanspraken in sommige regio’s niet gerealiseerd kunnen worden. Deze leden vragen een nadere toelichting.
Het is de leden van de SGP-fractie nog niet duidelijk hoe binnen de beoogde collectieve financiering de verhouding is tussen de zorg die nu bijvoorbeeld op basis van de Wlz op school wordt verleend en in de thuissituatie. Deze leden wijzen erop dat in de afgelopen jaren vaak een spanning bestond tussen de behoefte van ouders om een indicatie zoveel mogelijk te benutten voor de ondersteuning thuis en dat scholen aanspraak wilden maken op (een deel van) het budget om de ondersteuning in de klas te financieren. In hoeverre gaat de wetswijzigingen hierover duidelijkheid scheppen en wordt in ieder geval de noodzaak en de mogelijkheid van schimmige constructies vermeden?
De leden van de SGP-fractie vragen de Minister in te gaan op de samenhang tussen de Leerplichtwet en de bekostiging van zorg in onderwijs. Zij wijzen erop dat de kaders en de uitvoering van de Leerplichtwet ook een belangrijke schakel vormen als het gaat om de mogelijkheid om (collectieve) financiering van zorg in onderwijs te kunnen realiseren. Kan de Minister aangeven welke concrete knelpunten zij ziet op dit snijvlak en welke oplossingen hiervoor voorgesteld worden? Op welke wijze en wanneer wordt voorzien in een duidelijker regeling om op betrouwbare en professionele wijze vast te stellen in hoeverre een kind in staat is onderwijs te volgen en om volledige vrijstellingen tot het minimale te beperken?
Naar aanleiding van «Positie clusters 1 en 2». De leden van de SGP-fractie delen de constatering dat de voorgenomen wetsaanpassingen niet passend zijn voor de clusters 1 en 2. Deze leden vragen of de Minister kan bevestigen dat er geen voornemens zijn om de status van deze clusters aan te passen, gezien de bijzondere, specialistische aard van de ondersteuning.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de Minister in de brief ten aanzien van de clusters 1 en 2 enkel ingaat op de afstemming tussen de financiering op basis van de Jeugdwet en het onderwijs en dat de afstemming tussen de Wlz en het onderwijs buiten beschouwing blijft. Zij vragen een toelichting op de afstemming tussen de Wlz en het onderwijs voor de clusters 1 en 2. Ziet de Minister ook de wenselijkheid om voor deze clusters collectieve financiering mogelijk te maken op grond van de Wlz?
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen over de brief van de voormalige Staatssecretarissen van VWS en OCW over de Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (ZiO).
Kan worden aangegeven hoe de in deze brief geschetste verbeteraanpak overeenkomt met de aanpak die in de Kamerbrief van juli 2023 is geschetst (Kamerstuk 31 497, nr. 466)? Wat zijn de resultaten geweest van de acties uit deze eerdere brief?
Ten aanzien van de aanpassing van wetgeving voor cluster 3 en 4 zien de leden van de ChristenUnie-fractie dat dit een stap in de goede richting is om meer samenwerking en afstemming af te dwingen. Tegelijk maken deze leden zich zorgen over de slagkracht en effectiviteit van een lokaal overleg met lokale scholen. Ziet de Minister ook dat schoolbesturen met mandaat (die geregeld gemeenteoverstijgend actief zijn) aan tafel dienen te zitten om het overleg effectief te laten zijn? En op welke manier kan afgedwongen worden dat er regionaal wordt overlegd omdat cluster 3 en 4 onderwijs de lokale setting meestal overstijgt? Heeft de Minister dit overwogen? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van het stimuleren van bestuurlijke afspraken op regionaal of lokaal niveau voor cluster 3 en 4, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of is overwogen om het maken van afspraken te verplichten. Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van de bekostiging voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking vinden de leden van de ChristenUnie-fractie het teleurstellend dat er nog steeds geen structurele oplossing is. Is de Minister voornemens om daar wel aan te werken?
De leden van de ChristenUnie-fractie houden vast aan de ambitie om Zorg in Onderwijstijd ook in het regulier onderwijs te introduceren en te borgen. Heeft de Minister deze ambitie ook, zo vragen deze leden.
Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie welke impact wordt verwacht van deze verbeteraanpak ten aanzien van thuiszitters. Worden zij met de voorgestelde aanpak uiteindelijk beter begeleid en naar onderwijs geleid?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de brief inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Genoemde leden hebben op dit moment geen nadere vragen of opmerkingen aan de Minister.
D66-fractie
De leden van de D66-fractie waarderen de inspanningen van het kabinet om versnippering van zorg en ondersteuning in scholen te verminderen en het proces voor ouders en leerlingen te vereenvoudigen. Zij vragen hoe de Minister waarborgt dat het collectieve aanbod van zorg en ondersteuning in scholen flexibel genoeg blijft om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van individuele leerlingen zonder dat dit de collectieve voordelen ondermijnt.
De betrokken partijen binnen cluster 33 en 44 onderwijs, gemeenten, scholen samenwerkingsverbanden passend onderwijs en mogelijk zorgkantoren en ouders, worden aangemoedigd om onderwijsondersteuning, zorg en jeugdhulp in onderwijstijd zo veel mogelijk in samenhang in te zetten. Daartoe moeten in ieder geval afspraken worden gemaakt over de basisjeugdhulp en de langdurige zorg die worden ingezet door respectievelijk de gemeente(n) en het zorgkantoor (uiteraard voor zover daar aanleiding toe is) en over de wijze van contractering of subsidiëring ervan. In dat kader kunnen bijvoorbeeld afspraken worden gemaakt over de inkoop, financiering en organisatie. Voor wat betreft jeugdhulp is het streven is dat op deze scholen basisjeugdhulp beschikbaar is. Er hoeft voor leerlingen dan in principe geen afzonderlijke aanvraag meer ingediend te worden voor jeugdhulp en scholen krijgen te maken met minder verschillende zorgverleners in de klas. Dit vermindert de administratieve lasten voor ouders en scholen en draagt bij aan meer rust in de klas. Tegelijk blijft er ruimte voor maatwerk wanneer basisjeugdhulp niet passend is. Zoals in de Kamerbrief5 is toegelicht, blijft het mogelijk om via een maatwerkvoorziening of individueel persoonsgebonden budget (pgb) jeugdhulp te organiseren wanneer de inzet van basisjeugdhulp onvoldoende toereikend of passend is voor een jeugdige. Wanneer op een cluster 3- of 4-school basisjeugdhulp wordt aangeboden, kan een leerling die deze hulp nodig heeft hiervan gebruikmaken zonder een afzonderlijke aanvraag in te dienen. Wanneer deze hulp passend is voor de hulpvraag van de jeugdige, ligt een pgb voor diezelfde hulpvraag op school niet meer voor de hand, omdat er dan een vrij toegankelijke voorziening beschikbaar is. Dit staat los van de jeugdhulp of zorg die thuis nodig is. Als de collectieve inzet van jeugdhulp of langdurige zorg onvoldoende toereikend of passend is, blijft het mogelijk om aanvullende ondersteuning individueel te organiseren, bijvoorbeeld via een pgb of zorg in natura.
De leden van de D66-fractie vragen in dat verband of de Minister bereid is te borgen dat afspraken over samenwerking en contractering van jeugdhulp en Wlz-zorg binnen cluster 3 en 4 minimaal op regionaal niveau en bindend worden vormgegeven, gelet op de regionale functie van deze scholen en zorgaanbieders. Tevens vragen zij of de Minister voornemens is heldere landelijke kaders te stellen die in iedere regio de beschikbaarheid en collectieve financiering van ZiO waarborgen, zodat administratieve lasten verminderen en zorg beter kan worden geïntegreerd in het onderwijs.
Scholen in het gespecialiseerd onderwijs (cluster 3 en 4) hebben vaak een bovenregionale functie en werken daarom met meerdere gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en soms ook zorgkantoren samen.
Om te bevorderen dat beter in samenhang wordt voorzien in onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg wordt in het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet, dat op 16 februari 2026 in internetconsultatie is gegaan, geregeld dat gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren verplicht met elkaar overleggen over de inzet van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op deze scholen. Om te borgen dat er in de praktijk afspraken worden gemaakt, voorziet het conceptwetsvoorstel in een geschillenregeling.
Het staat partijen vrij dit overleg regionaal te voeren. Er is echter bewust voor gekozen dit niet wettelijk voor te schrijven en partijen in de praktijk de mogelijkheid te geven het overleg zodanig vorm te geven dat voor hen het meest passend is. Daarbij speelt ook mee dat Jeugdregio’s, onderwijsregio’s van samenwerkingsverbanden en zorgkantoorregio’s geografisch niet altijd samenvallen. Bovendien is de inkoop basisjeugdhulp niet op regionaal niveau georganiseerd. Naast bovengenoemde meer praktische redenen geldt verder dat gemeenten hiermee zoveel mogelijk beleidsvrijheid wordt gelaten.
Om de administratieve lasten te verminderen en te bevorderen dat zoveel mogelijk in samenhang wordt voorzien in onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg zet ik ook in op praktische ondersteuning aanvullend op het conceptwetsvoorstel. Zo is er door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) een Leidraad Zorg in Onderwijstijd (ZiO)6 opgesteld en zijn er zorgarrangeurs die praktische ondersteuning kunnen bieden aan scholen in het gespecialiseerd onderwijs. Tevens wordt met o.a. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), onderwijskoepels en Zorgverzekeraars Nederland verkend of er modelafspraken ontwikkeld kunnen worden om de veldpartijen te ondersteunen. Dergelijke modelafspraken ondersteunen de praktijk en bieden een stevige basis om in het overleg verder uit te werken of aan te passen aan de context van de school.
De leden van de D66-fractie vragen tevens hoe de Minister toeziet op de effectieve samenwerking tussen samenwerkingsverbanden, gemeenten en zorgkantoren, en welke maatregelen genomen worden om te voorkomen dat regionale verschillen leiden tot ongelijke toegang tot zorg en ondersteuning voor leerlingen in verschillende delen van het land.
Ik vind het belangrijk dat kinderen naar school kunnen gaan, ook als zij onderwijsondersteuning, jeugdhulp of langdurige zorg nodig hebben. Voor scholen en ouders is het lang niet altijd makkelijk de juiste hulp of zorg te regelen, doordat voor de organisatie en financiering van deze ondersteuning meerdere instanties nodig zijn.
Effectieve samenwerking beoog ik te realiseren door in het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs, en zorgkantoren te verplichten om met elkaar te overleggen over het in samenhang inzetten van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg. Daartoe worden in ieder geval afspraken gemaakt over de basisjeugdhulp en de langdurige zorg die worden ingezet door respectievelijk de gemeente(n) en het zorgkantoor (uiteraard voor zover daar aanleiding toe is) en over de wijze van contractering of subsidiëring daarvan. In dat kader kunnen bijvoorbeeld afspraken worden gemaakt over de inkoop, financiering, verantwoording en organisatie van ZiO. Dit is van belang gezien de geldstromen uit verschillende wettelijke kaders (onderwijs, Jeugdwet en Wet langdurige zorg). Vanzelfsprekend is dit niet enkel de taak van de gemeente waar de betreffende school staat, maar ook van de gemeente wiens inwoners onderwijs volgen bij de scholen van het samenwerkingsverband en daar jeugdhulp krijgen en van het zorgkantoor dat verantwoordelijk is voor de langdurige zorg aan leerlingen op de betreffende school. Partijen worden gestimuleerd om, waar dat passend is, afspraken op regionaal niveau te maken. Om te borgen dat er in de praktijk afspraken worden gemaakt, voorziet het conceptwetsvoorstel in een geschillenregeling.
Het conceptwetsvoorstel staat niet op zichzelf maar moet in samenhang worden bezien met andere maatregelen. Ik zet daarnaast bijvoorbeeld in op praktische ondersteuning voor scholen, samenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en zorgpartijen om het organiseren van zorg op school te vereenvoudigen. Zo is er door het NJi in 2025 een eerste versie van de Leidraad ZiO7 gepubliceerd. De Leidraad helpt partijen bij het maken van goede bestuurlijke (regionale) afspraken. Ook bieden zorgarrangeurs praktische ondersteuning met subsidie vanuit OCW en VWS. Tevens wordt met o.a. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), onderwijskoepels en Zorgverzekeraars Nederland verkend of modelafspraken ontwikkeld kunnen worden. Dergelijke modelafspraken ondersteunen de praktijk en bieden een stevige basis om in het overleg verder uit te werken of aan te passen aan de context van de school.
Het ontstaan van regionale verschillen zijn inherent aan een decentraal stelsel en kunnen met het oog op maatwerk en aansluiten bij de lokale context ook wenselijk zijn. Dat moet echter niet leiden tot ongelijke toegang tot zorg en ondersteuning voor leerlingen. Bij bovengenoemde praktische ondersteuning is daar aandacht voor.
De leden van de D66-fractie benadrukken dat Ernstig Meervoudig Beperkte (EMB) leerlingen afhankelijk zijn van structurele en goed georganiseerde ondersteuning in de klas. Continuïteit van zorg is essentieel om hun ontwikkeling, leerproces en welzijn te waarborgen. De leden van de D66-fractie vragen hoe de Minister de zorg voor Ernstig Meervoudig Beperkte (EMB) leerlingen na 2026 waarborgt, gezien de tijdelijke looptijd van de huidige regeling.
De huidige regeling voor leerlingen met een Ernstige Meervoudige Beperking (EMB) bestaat sinds 2015 en is vanaf 2020 tijdelijk verhoogd met € 5 miljoen per jaar vanuit het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz), waardoor in totaal jaarlijks € 10 miljoen beschikbaar is voor scholen om ondersteuning en zorg voor EMB-leerlingen in de klas te organiseren. Deze tijdelijke verhoging loopt tot en met 2026. Voorafgaand aan besluitvorming over het toekomstig kader wordt de huidige regeling geëvalueerd. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de wijze waarop scholen de middelen inzetten en in hoeverre de regeling bijdraagt aan het doel om zorg en ondersteuning voor EMB-leerlingen goed te organiseren. Op basis van deze evaluatie wordt bezien of en hoe de regeling moet worden aangepast.
Daarnaast blijft gelden dat leerlingen met een Wlz-indicatie aanspraak houden op zorg op grond van de Wet langdurige zorg, ongeacht of deze zorg nodig is tijdens of buiten onderwijstijd.
Tot slot vragen de leden van de D66-fractie hoe de verbeteraanpak zich verhoudt tot de bredere ambitie van inclusief onderwijs. Op welke wijze wordt ZiO niet alleen binnen het gespecialiseerd onderwijs, maar ook in het regulier onderwijs structureel en collectief verankerd, zodat ondersteuning daadwerkelijk in de klas beschikbaar is en niet afhankelijk blijft van lokale convenanten.
De verbeteraanpak ZiO zie ik als een stap richting de bredere ambitie van inclusief onderwijs. Zowel binnen het gespecialiseerd onderwijs als het regulier onderwijs is het belangrijk dat scholen, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en gemeenten samenwerken en afspraken maken over onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op school.
Ook in het regulier onderwijs is goede samenwerking tussen onderwijs, jeugdhulp en zorg van belang. Daarom zijn verschillende onderdelen van de verbeteraanpak breder toepasbaar dan alleen het gespecialiseerd onderwijs. De Jeugdwet voorziet hier deels al in. Zo is er een algemene verplichting voor het college om met samenwerkingsverbanden te overleggen over het gemeentelijk beleidsplan in verband met de afstemming van en effectieve samenwerking met het onderwijs. Daarnaast is het college bij het treffen van een individuele voorziening (aanvullende jeugdhulp) specifiek verplicht om zo nodig te overleggen met het bevoegd gezag van de school waar de jeugdige schoolgaand is. Het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet voorziet breder op het versterken van de samenwerking tussen onderwijs, gemeenten waar het langdurige zorg betreft zorgkantoren. Het convenant «Stevige lokale teams» bevordert dat gemeenten en schoolbesturen afspraken maken over de inzet en aanwezigheid van lokale teams op school. Daarmee wordt beoogd dat ondersteuning voor leerlingen, ook in het regulier onderwijs, beter beschikbaar komt in en rond de school.
VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie lezen dat de ervaringen met zorgarrangeurs overwegend positief zijn, al zijn er nog punten waarop verbetering nodig zijn. Kan de Minister aangeven of zij toepassing van de zorgarrangeur breder in de zorg van toegevoegde waarde acht? Zo ja, waar denkt zij dat de zorgarrangeur kan bijdragen aan de werking van het zorgstelsel? Zo nee, waarom niet?
Zorgarrangeurs ondersteunen scholen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs bij het organiseren van onderwijsondersteuning, langdurige zorg en jeugdhulp op school. Zij brengen de behoeften van scholen en samenwerkingsverbanden in kaart en verbinding op basis daarvan benodigde partijen om onderwijsondersteuning, langdurige zorg en jeugdhulp op school te organiseren, realiseren en financieren.
Uit het evaluatie-onderzoek van Kohnstamm8 blijkt dat de inzet van zorgarrangeurs effectief is binnen hun afgebakende opdracht. Deze professionals zijn specialist op het snijvlak onderwijs en zorg. Met ondersteuningsvragen over (passende en complexe) jeugdhulp zijn andere professionals aan zet. Zo kan een beroep gedaan worden op de lokale teams, Regionale Expertise Teams (RET) en Bovenregionale Expertisenetwerken (BEN).
GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de ambities van het kabinet als het gaat om de route naar inclusief onderwijs. Staat de doelstelling nog dat in 2035 verreweg de meeste scholen de overstap naar inclusief onderwijs hebben gemaakt? Gebeurt er voldoende om dit doel te halen? Hoe dragen de ambities in deze brief bij aan het terugdringen van het aantal kinderen dat thuiszit of een vrijstelling heeft onder 5b?
De doelstelling dat in 2035 verreweg de meeste scholen inclusief onderwijs bieden, staat. De verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (ZiO) draagt bij aan deze ambitie. Zowel in het gespecialiseerd onderwijs als in het regulier onderwijs is het belangrijk dat scholen, samenwerkingsverbanden en gemeenten samenwerken en afspraken maken over onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op school.
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik werken samen met onderwijs- en zorgpartijen aan goede scholen voor iedereen, zodat alle kinderen dichtbij huis naar school kunnen en daar de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben. Daarmee wordt ook gewerkt aan de randvoorwaarden om deze ambitie te realiseren.
Er zijn al een aantal stappen gezet. Zo is vanuit OCW en VWS een beleidskader opgesteld waarin is uitgewerkt hoe een inclusieve school er uitziet en wat ervoor nodig is om dit te realiseren. Er wordt gewerkt aan het in kaart brengen van de gevolgen voor wetgeving, bekostiging en toezicht. Ondertussen worden scholen die al aan de slag willen hierin extra ondersteund via de beleidsregel Inclusieve leeromgeving9. Hiermee krijgen scholen voor regulier en gespecialiseerd onderwijs meer ruimte om intensief samen te werken. Zo kunnen leerlingen van het gespecialiseerd onderwijs de overstap maken naar het regulier onderwijs waarbij zij ondersteund worden door personeel uit het gespecialiseerd onderwijs. Verder verkennen OCW en VWS samen met de belangrijkste stakeholders hoe de ondersteuning in en om de school vormgegeven dient te worden om een inclusieve leeromgeving te creëren.
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik informeren uw Kamer nader (per Kamerbrief) over de beweging naar inclusief onderwijs in aanloop naar het commissiedebat Passend Onderwijs van 27 mei 2026.
De vrijstelling vanwege richtingsbezwaren (5b.) ontstaat als ouders zwaarwegende bezwaren hebben tegen de richting van het scholenaanbod in de omgeving. Het beroep op deze vrijstelling wordt gedaan voordat het kind de leerplichtige leeftijd heeft bereikt. Hierdoor komen deze kinderen dus niet in aanraking met het onderwijs(systeem). De verbeteraanpak ZiO draagt niet bij aan het terugdringen van het aantal ouders dat hier een beroep op doet, aangezien het om een andere groep kinderen gaat. Wel zou het kunnen bijdragen aan minder vrijstellingen op basis van lichamelijke of psychische gronden (5a.).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Minister kan reflecteren op de tien maatregelen die in november 2018 door de toenmalige bewindspersonen van VWS en OCW samen zijn opgesteld en als doel hadden om kinderen die zorg nodig hebben meer onderwijskansen te bieden? Waar staan we nu? Kan de Minister dit voor de tien maatregelen afzonderlijk beschrijven? Vindt de Minister dat de afgelopen jaren voldoende is gedaan om de ambities die destijds zijn uitgesproken te halen? Staan deze ambities nog steeds? Zo ja, wat gaat de Minister extra doen, gezien het feit dat het aantal kinderen dat thuiszit zonder passend onderwijs is gestegen, net als het aantal vrijstellingen?
De ambities uit 201810 om kinderen die zorg nodig hebben meer onderwijskansen te bieden staan nog steeds. Sindsdien is met veel inzet gewerkt aan de tien maatregelen die destijds door de bewindspersonen van VWS en OCW zijn aangekondigd om kinderen die zorg nodig hebben meer onderwijskansen te bieden. Daarbij zijn op verschillende onderdelen concrete stappen gezet en is een belangrijk deel van de maatregelen uitgevoerd. Tegelijk is in de praktijk gebleken dat de knelpunten op het snijvlak van onderwijs en zorg complex zijn en niet met één maatregel of één stelselwijziging kunnen worden opgelost. Dat heeft ertoe geleid dat op een aantal onderdelen meer tijd nodig was voor onderzoek, afstemming met onderwijs- en zorgpartners en een zorgvuldige keuze voor uitvoerbare vervolgstappen.
De stand van zaken per maatregel is als volgt.
1. Betere financiering van zorg in onderwijstijd voor kinderen met complexe casuïstiek
Voor deze maatregel zijn verschillende oplossingsrichtingen onderzocht, waarbij gebleken dat een integrale landelijke financieringsregeling voor ZiO over de verschillende domeinen heen op dit moment niet eenvoudig realiseerbaar is. Uit het onderzoek Naar collectieve financiering van Zorg in Onderwijstijd11 door DSB/Oberon en praktijkervaring12 bleek tevens dat er nu nog geen eenduidig en breed gedragen model bestaat voor een dergelijke financieringsconstructie. Om de betrokken partijen voldoende ruimte te bieden om te doen wat nodig is en een disproportionele inbreuk op de beleidsvrijheid van gemeenten te voorkomen, is daarom gekozen in te zetten op het versterken van de samenwerking tussen onderwijs en zorg en het maken van bestuurlijke afspraken tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren. Daarbij speelt ook mee dat jeugdregio’s, onderwijsregio’s van samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoorregio’s geografisch niet altijd samenvallen en dat de inkoop en inzet van basisjeugdhulp niet op regionaal niveau is georganiseerd. Deze samenwerking beoog ik te realiseren door in het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs, en zorgkantoren te verplichten om met elkaar te overleggen over het in samenhang inzetten van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg. Aanvullend wordt praktische ondersteuning geboden die beschikbaar is vanuit onder andere de zorgarrangeurs, de Leidraad ZiO en de verkenning of er modelafspraken ontwikkeld kunnen worden.
2. Koers uitzetten door een kwartiermaker
Naar aanleiding van het advies van de kwartiermaker is het programma Met Andere Ogen opgezet en zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd naar knelpunten op het snijvlak van onderwijs en zorg, onder andere door Berenschot en DSP/Oberon. De inzichten uit deze onderzoeken hebben onder meer geleid tot de huidige verbeteraanpak ZiO. Deze maatregel heeft daarmee bijgedragen aan de ontwikkeling van concrete beleidsmaatregelen gericht op betere samenwerking en organisatie van ZiO.
3. Betere communicatie over maatwerk
Om ouders en professionals beter te informeren over mogelijkheden voor maatwerk binnen de bestaande wet- en regelgeving is het platform Ruimte in Regels13 ontwikkeld. Op deze website worden voorbeelden en informatie gedeeld over hoe maatwerk in de praktijk kan worden toegepast. De informatie wordt onderhouden door het Steunpunt Passend Onderwijs en wordt regelmatig geactualiseerd.
4. Meer subsidie voor onderwijsconsulenten en betere samenwerking met cliëntondersteuning
De subsidie voor Stichting Onderwijsconsulenten is door OCW en VWS verhoogd en verlengd tot en met 2027. Stichting Onderwijsconsulenten ondersteunen ouders, scholen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs bij complexe vraagstukken rond passend onderwijs. Daarnaast wordt gewerkt aan een verdere versterking van de samenwerking met onder meer de Ouder- en Jeugdsteunpunten, clientondersteuning en de regionale expertteams.
5. Subsidie voor Gedragswerk
Gedragswerk ontvangt van OCW een structurele instellingssubsidie. Hiermee ondersteunt Gedragswerk scholen en regio’s bij het oplossen van complexe vraagstukken rondom onderwijs en (zorg)ondersteuning.
6. Aanjager voor betere aansluiting tussen actietafels voor thuiszitters en regionale expertteams
Om de samenwerking tussen verschillende partijen rond thuiszittende leerlingen te versterken, is ingezet op het verbeteren van de aansluiting tussen actietafels voor thuiszitters, regionale expertteams en jeugdregio’s.
Vanaf 2018 heeft voormalig aanjager van het Thuiszitterspact ingezet op het beter op elkaar laten aansluiten van de thuiszitterstafels en de expertteams in de jeugdregio’s. In 2019 hebben voormalig Ministers van OCW, VWS en J&V het rapport «De kracht om door te zetten» met de Kamer gedeeld.14 De aanbevelingen uit het rapport zijn verwerkt in het wetsvoorstel doorbraakaanpak uit de verbeteraanpak passend onderwijs. Dit wetsvoorstel is in 2020 in internetconsultatie gebracht. In de consultatie zijn twijfels en kritiek naar voren gekomen over met name het gebrek aan maatwerkmogelijkheden waardoor er geen echt passend aanbod kan worden gecreëerd, de focus op verzuim en niet op het probleem waar verzuim door wordt veroorzaakt, de positie van ouders en leerlingen en het gevaar op dwang en drang richting ouders en (het gebrek aan) onafhankelijkheid van het samenwerkingsverband en de gemeente. Het gebrek aan maatwerkmogelijkheden wordt nu geadresseerd in het wetsvoorstel Maatwerk in funderend onderwijs. In het wetsvoorstel Terugdringen schoolverzuim worden ook concrete oplossingen aangedragen o.a. door het onderwijskundig perspectief te betrekken bij de afweging of een vrijstelling van de leer- of kwalificatieplicht passend is. Met de overige punten wordt rekening gehouden in het voorstel voor een uitwerkingsvorm voor doorzettingsmacht in passend onderwijs. Zo is de positie van ouders en leerlingen ten opzichte van het wetsvoorstel Doorbraakaanpak steviger neergezet, is er expliciet ruimte voor dialoog door eerst «doorzettingskracht»15 verplicht in te zetten voordat doorzettingsmacht wordt overwogen. Door transparantie van het besluit bij doorzettingsmacht in passend onderwijs te garanderen en door met het veld nader uit te werken dat bij het inzetten van doorzettingsmacht het samenwerkingsverband hier een feedback-loop aan verbindt, zodat het niet alleen voor de individuele casus tot een oplossing leidt, maar ook tot structurele aanpassingen van het aanbod.
Ook heeft Gedragswerk samen met de aanjager in 2021 werkateliers georganiseerd om te onderzoeken hoe de impasse van thuiszitten te doorbreken. Op basis van deze ateliers hebben Gedragswerk en Marc Dullaert het rapport De kracht om door te zetten in de praktijk uitgebracht, waarin zij de adviezen uit het eerste rapport aanvullen. Onder andere om aan individueel maatwerk te werken en dit wettelijk mogelijk te maken, om «casusregie» te regelen met ruimte en kracht en om financiële speelruimte te scheppen voor passende ontwikkeltrajecten met verantwoordingsafspraken.
Op verschillende manieren zijn de Ministeries van OCW en VWS aan de slag gegaan met deze aanvullende adviezen. Onder andere door deze adviezen te werkwerken in het wetsvoorstel maatwerk in funderend onderwijs en het traject om doorzettingsmacht in het onderwijs wettelijk te regelen.
Verder is de voormalig Minister van OCW is in 2020 gestart met de verbeteraanpak passend onderwijs. Deze aanpak bevat onder andere maatregelen om verzuim en schooluitval te voorkomen en de verbinding tussen onderwijs en zorg te verbeteren. Ook zijn er diverse organisaties die ondersteunen om tot een oplossing te komen wanneer partijen er bij complexe situatie er onderling niet uitkomen. Zo kan een beroep gedaan worden op Stichting Onderwijsconsulenten en Gedragswerk, die daarvoor subsidie ontvangen. Ook wordt in de jeugdregio’s gewerkt met Regionale Expert Teams16 (RET’s). Met het Ministerie van OCW wordt verkend op welke manier het onderwijs steviger verbonden kan worden met jeugdwelzijn en waar nodig jeugdhulp. Uw Kamer ontvangt voorafgaand aan het debat van 27 mei 2026 een brief over de voortgang van de verbeteraanpak passend onderwijs.
7. Doorzettingsmacht bij complexe casuïstiek
In de praktijk komen complexe situaties voor waarbij het lastig is om voor leerlingen passende oplossingen te vinden. Diverse samenwerkingsverbanden hebben zelf afspraken gemaakt over hoe zijn tot een oplossing komen (bijv. een consensustafel) of op welke manier zij doorzettingsmacht voor het onderwijs hebben belegd, om impasses te doorbreken. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie is op dit moment bezig met een traject dat regelt dat samenwerkingsverbanden een verplichte doorzettingsmacht moeten organiseren voor het onderwijs.
Veel leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte hebben naast ondersteuning vanuit het onderwijs ook jeugdhulp nodig. Omdat het onderwijs- en jeugdhulpaanbod niet altijd integraal genoeg benaderd worden, zet ik samen met mijn collega van OCW in op het verder versterken van de samenwerking tussen onderwijs en zorg juist ook als het aanbod moeilijk tot stand komt. In de Kamerbrief die u ontvangt vooruitlopend op het commissie debat passend onderwijs op 27 mei 2026 wordt u hier nader over geïnformeerd.
8. Arrangementen voor kinderen die niet volledig onderwijs kunnen volgen
Om meer ruimte te creëren voor maatwerk op het snijvlak van onderwijs en zorg loopt sinds 2023 het experiment Onderwijszorgarrangementen. Binnen dit experiment is ruimte voor flexibiliteit in onder meer onderwijstijd, onderwijslocatie en de combinatie van onderwijs en zorg. Inmiddels hebben ruim 3.000 leerlingen hier gebruik van gemaakt of doen dat op dit moment. De ervaringen uit dit experiment worden gemonitord en gebruikt bij het ontwikkelen van wetgeving die meer ruimte voor maatwerk mogelijk maakt. Het wetsvoorstel hiertoe is voor de zomer 2026 gereed voor internetconsulatie.
9. Aanpassen Leerplichtwet
Om te voorkomen dat leerlingen onnodig volledig worden vrijgesteld van onderwijs wordt gewerkt aan het verbeteren van de procedure rond vrijstellingen op medische of psychische gronden (Leerplichtwet, 5 onder a). Daarbij wordt onder andere het onderwijskundig perspectief van het kind betrokken. Deze aanpassingen zijn meegenomen in het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim.
Het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim regelt dat een arts, pedagoog of psycholoog het onderwijskundig perspectief – afgegeven door het samenwerkingsverband – betrekt bij de verklaring die nodig is voor een vrijstelling van de leer- of kwalificatieplicht op grond van lichamelijke of psychische gronden.
Het wetsvoorstel is op 7 april aangenomen door uw Kamer. De behandeling door de Eerste Kamer wordt verwacht rond de zomer, met een beoogde inwerkingtreding van 1 januari 2027.
10. Heldere informatie over medisch handelen
Om duidelijkheid te bieden over de rol van onderwijspersoneel bij medische handelingen is in samenwerking met betrokken partijen een factsheet ontwikkeld en beschikbaar gesteld voor scholen en ouders17.
Uit het voorgaande blijkt dat voor een groot deel van de tien maatregelen concrete stappen zijn gezet en dat verschillende maatregelen inmiddels zijn uitgevoerd of structureel zijn ingebed. Een aantal trajecten loopt nog, met name waar wetgeving of stelselafstemming nodig is. De ambities uit 2018 staan daarmee nog steeds, maar de invulling daarvan is in de afgelopen jaren deels veranderd op basis van onderzoek, praktijkervaringen en de bredere ontwikkelingen rond de Hervormingsagenda Jeugd, passend onderwijs en de beweging naar inclusiever onderwijs.
Dat verdere inzet nodig blijft, blijkt uit het nog steeds zorgwekkende aantal thuiszitters en vrijstellingen. Daarom wordt langs verschillende sporen verder gewerkt aan betere samenwerking tussen onderwijs en zorg, aan meer ruimte voor maatwerk en aan het terugdringen van schoolverzuim en onnodige vrijstellingen. Uw Kamer wordt hierover via de gebruikelijke voortgangsrapportages geïnformeerd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat zowel in de Jeugdwet als in de onderwijswetgeving zal worden geregeld dat gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren overleg voeren over het zoveel mogelijk in samenhang aanbieden van onderwijsondersteuning, langdurige zorg en jeugdhulp op gespecialiseerde scholen (cluster 3 en 4). Genoemde leden zijn positief dat wettelijk geregeld wordt dat er overleg gevoerd moet worden. Zij vragen zich wel af of enkel dit genoeg is om er echt voor te zorgen dat zorg in de onderwijstijd verbeterd wordt. Kan de Minister hierop reflecteren en aangeven hoe zij denkt dat dit alle knelpunten zal oplossen?
De plicht voor samenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en zorgkantoren om te overleggen over het in samenhang voorzien in onderwijsondersteuning, langdurige zorg en basisjeugdhulp op cluster 3- en 4-scholen geeft een belangrijke impuls om de knelpunten die nu spelen bij ZiO weg te nemen. Daartoe worden in ieder geval afspraken gemaakt over de basisjeugdhulp en de langdurige zorg die worden ingezet door respectievelijk de gemeente(n) en het zorgkantoor (uiteraard voor zover daar aanleiding toe is) en over de wijze van contractering of subsidiëring daarvan.
Daarbij is ook de inzet van langdurige zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) onderdeel van de samenwerking. Voor leerlingen met een Wlz-indicatie blijft het zorgkantoor verantwoordelijk voor de inzet van deze zorg, waarbij in het overleg wordt afgestemd hoe deze zorg zo goed mogelijk kan aansluiten op het onderwijs en de overige ondersteuning op school.
Voor de inzet van jeugdhulp is het streven dat op deze scholen basisjeugdhulp beschikbaar is. Leerlingen hoeven dan in principe geen afzonderlijke aanvraag meer in te dienen voor jeugdhulp en scholen krijgen te maken met minder verschillende zorgverleners in de klas. Dit vermindert de administratieve lasten voor ouders en scholen en draagt bij aan meer rust in de klas.
Door de verplichting om te overleggen over het maken van afspraken voor ZiO, inclusief richtlijnen waarover afspraken gemaakt moeten worden en het concreet benoemen van de partijen (school, samenwerkingsverband, gemeente en indien van toepassing zorgkantoor) die deze afspraken moeten maken, wordt een belangrijke stap gezet in het wegnemen van de vrijblijvendheid. Dit wordt in de praktijk als een van de grootste knelpunten ervaren. Alleen een wettelijke overlegplicht is niet voldoende om de knelpunten op te lossen. Daarom staat het conceptwetsvoorstel nadrukkelijk niet op zichzelf, maar moet het in samenhang worden bezien met de praktische ondersteuning die beschikbaar is vanuit onder andere de zorgarrangeurs, de Leidraad ZiO en de verkenning of er modelafspraken ontwikkeld kunnen worden. Deze ondersteuning maakt de opstart van ZiO eenvoudiger door de beschikbare handvatten en ervaringen uit andere regio’s.
Kan de Minister ook aangeven wat de gevolgen zijn voor de administratieve lasten en de tijd die gaat zitten in de coördinatie en daarmee ook de kosten? Zijn er kwalitatieve of kwantitatieve gegevens over de tijd die professionals kwijt zijn aan overleg, administratie en coördinatie in verhouding tot de tijd die zij hebben om leerlingen te ondersteunen?
De voorgestelde verbeteraanpak ZiO is erop gericht dat betrokken partijen vooraf afspraken maken over de inzet van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op school. Er zijn op dit moment geen landelijke kwantitatieve gegevens beschikbaar over de tijd die professionals besteden aan overleg, administratie en coördinatie in verhouding tot de tijd die zij besteden aan het ondersteunen van leerlingen.
Uit pilots en praktijkvoorbeelden uit regio’s waar dergelijke afspraken inmiddels zijn gemaakt, blijkt wel dat de tijdsinvestering die nodig is om tot afspraken te komen uiteindelijk kan leiden tot een afname van administratieve lasten, tijdsinvestering en kosten. Hieruit blijkt dat alle betrokken partijen gebaat zijn bij een constructieve samenwerking waarin heldere afspraken gemaakt worden rondom ZiO. Op plekken waar ZiO wordt toegepast, kunnen lokaal wel kwalitatieve en soms kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn. Deze hebben echter betrekking op specifieke situaties en zijn niet zonder meer representatief voor andere regio’s.
Ook zijn deze leden benieuwd hoe ouders of een vertegenwoordiging van ouders betrokken worden bij het maken van bestuurlijke afspraken over zorg in onderwijstijd? Op welke manier worden schoolbesturen, schoolteams en zorgaanbieders betrokken bij deze afspraken? Zijn zij rechtstreeks partner bij de afspraken? Aangezien zij het beste in staat zijn te bepalen wat nodig is, in samenspraak met ouders en leerlingen? Worden afspraken die worden gemaakt tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren openbaar gemaakt? Hoe bindend zijn de afspraken die worden gemaakt? Deze leden lezen ook dat wordt aangemoedigd dat afspraken zo veel mogelijk op regionaal niveau worden gemaakt, waarom is er niet voor gekozen voor enkel regionale afspraken? Op welke manier wordt geborgd dat de wensen van leerlingen zelf kunnen worden meegenomen?
Het samenwerkingsverband passend onderwijs is voor ouders, leerlingen en scholen/schoolbesturen het aanspreekpunt bij het maken van afspraken in het kader van ZiO. Ouders kunnen daarnaast via de reguliere medezeggenschap betrokken worden bij de vormgeving van deze afspraken. Zo heeft de ondersteuningsplanraad instemmingsrecht voor zover de afspraken raken aan het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband18.
Schoolbesturen en scholen worden bij het maken van de afspraken vertegenwoordigd door het samenwerkingsverband. Van het samenwerkingsverband wordt verwacht dat het de te maken afspraken met hen afstemt. Zorg- en jeugdhulpaanbieders worden niet direct bij de afspraken betrokken. Zorgkantoren en gemeenten zullen, wanneer duidelijk is welke zorg en jeugdhulp noodzakelijk is, respectievelijk zorg- en jeugdhulpaanbieders contracteren die deze hulp kunnen bieden.
De afspraken die in het overleg worden gemaakt, binden de deelnemende partijen. Met o.a. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), onderwijskoepels en Zorgverzekeraars Nederland zal worden verkend of er modelafspraken ontwikkeld kunnen worden. Dergelijke modelafspraken ondersteunen de praktijk en bieden een stevige basis om in het overleg verder uit te werken of aan te passen aan de context van de school. Een verplichting om de afspraken als zodanig openbaar te maken, is niet opgenomen in het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet.
Het staat partijen vrij dit overleg op regionaal niveau te voeren. Er is echter bewust voor gekozen dit niet wettelijk voor te schrijven en partijen in de praktijk de mogelijkheid te geven het overleg zodanig vorm te geven dat voor hen het meest passend is. Daarbij speelt ook mee dat jeugdregio’s, onderwijsregio’s van samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoorregio’s geografisch niet altijd samenvallen. Bovendien is de inkoop van basisjeugdhulp niet op regionaal niveau georganiseerd. Naast bovengenoemde meer praktische redenen geldt voorts dat gemeenten hiermee zoveel mogelijk beleidsvrijheid wordt gelaten.
Kan de Minister ingaan op de afzonderlijke taken en verantwoordelijkheden van scholen, gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren? Waar ligt de uiteindelijke verantwoordelijkheid dat een kind naar school kan met de benodigde zorg? Hoe voorkomt de Minister dat naar elkaar gewezen kan worden zonder dat er een oplossing komt?
De verantwoordelijkheid dat een kind naar school kan met de benodigde ondersteuning ligt in eerste instantie bij de school (zorgplicht), waar nodig in samenwerking met het samenwerkingsverband. Wanneer de reguliere en extra onderwijsondersteuning ontoereikend zijn gebleken, kan in afstemming met de gemeente (in geval van jeugdhulp) of het zorgkantoor (in geval van langdurige zorg) en ouders bekeken worden welke aanvullende hulp of langdurige zorg nodig is, zodat het kind onderwijs kan (blijven) volgen.
Een samenwerkingsverband passend onderwijs zorgt er samen met de aangesloten schoolbesturen voor dat alle kinderen en jongeren zo passend mogelijk onderwijs en ondersteuning ontvangen. Een samenwerkingsverband heeft de inspanningsverplichting voor het realiseren van een dekkend aanbod van ondersteuningsvoorzieningen en besluit onder andere over de toelaatbaarheid tot gespecialiseerd onderwijs. De gemeente is aan zet voor het aanbieden van jeugdhulp en het zorgkantoor voor langdurige zorg voor leerlingen met een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
Om te voorkomen dat partijen naar elkaar wijzen zonder dat er een oplossing komt, wordt in het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet voorgesteld dat samenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en zorgkantoren verplicht worden te overleggen over ZiO voor scholen in cluster 3 en 4 van het speciaal onderwijs. Om te bevorderen dat partijen in de praktijk tot afspraken komen, bevat het conceptwetsvoorstel daarnaast een geschillenregeling voor het geval partijen er onderling niet uitkomen. Ook zijn er aanvullende instrumenten beschikbaar, zoals de Leidraad ZiO en de inzet van zorgarrangeurs, die partijen ondersteunen bij het organiseren van passende zorg en ondersteuning voor leerlingen.
Wie is verantwoordelijk als een kind hulpmiddelen nodig heeft om onderwijs te krijgen, zoals een aangepaste stoel, spraakhulpmiddelen of audiovisuele hulpmiddelen? Is dat de school, het samenwerkingsverband, de gemeente of het zorgkantoor? Kan de Minister dit aan de hand van een voorbeeld toelichten?
Het kabinet vindt het belangrijk dat alle kinderen goed mee kunnen doen in het onderwijs. Voor leerlingen die daarvoor hulpmiddelen nodig hebben, moeten deze beschikbaar zijn. Welke partij verantwoordelijk is voor een hulpmiddel hangt af van het type hulpmiddel en het doel waarvoor het wordt gebruikt.
In de praktijk zijn er verschillende routes waarlangs hulpmiddelen kunnen worden verstrekt:
1. Via het onderwijs: scholen kunnen hulpmiddelen aanschaffen vanuit de Rijksbekostiging, bijvoorbeeld onderwijshulpmiddelen zoals voorleessoftware of andere ondersteunende leermiddelen.
2. Via de zorgverzekering (Zorgverzekeringswet): zorgverzekeraars vergoeden hulpmiddelen die medisch noodzakelijk zijn, zoals een hoortoestel.
3. Via de gemeente: gemeenten kunnen in bepaalde gevallen via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015)19 voorzieningen verstrekken die nodig zijn voor zelfredzaamheid en participatie, zoals een rolstoel of aangepaste stoel.
4. Via het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen: Het UWV verstrekt – in opdracht van OCW – intermediaire voorzieningen (zoals een gebaren- of schrijftolk), meeneembare voorzieningen (zoals een brailleleesregel) en vervoersvoorzieningen20 in het onderwijsdomein. Het UWV verstrekt deze voorzieningen gratis indien de kosten boven een drempelbedrag uitkomen (voor 2026 ligt dit op € 195,94).
In het gespecialiseerd onderwijs ontvangen scholen doorgaans zelf bekostiging om bepaalde voorzieningen te organiseren, waardoor leerlingen daar meestal geen beroep doen op de voorzieningen die UWV verstrekt in het onderwijs.
Waar ligt de eindverantwoordelijkheid voor voldoende aangepast lesmateriaal voor kinderen met een beperking of specifieke ondersteuningsbehoefte?
De verantwoordelijkheid voor het beschikbaar stellen van passend lesmateriaal ligt in eerste instantie bij het schoolbestuur. Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs en stellen middelen beschikbaar waarmee scholen en leraren in passend lesmateriaal kunnen voorzien.
Het samenspel tussen onderwijs, markt en overheid moet ervoor zorgen dat leerlingen over geschikt lesmateriaal beschikken. Op grond van artikel 23, zesde lid, van de Grondwet hebben scholen vrijheid in de keuze van hun leermiddelen. Scholen en leraren kopen deze materialen doorgaans in op de markt (al dan niet via gezamenlijke aanbestedingen). Het is daarbij aan marktpartijen om te voorzien in aanbod dat aansluit bij de vraag vanuit het onderwijs.
Daarnaast maken leraren ook gebruik van open en eigen lesmateriaal, bijvoorbeeld via de Impuls Open Leermateriaal en GOpen.
Het Ministerie van OCW ondersteunt schoolbesturen via de lumpsumbekostiging en is stelselverantwoordelijk. Wanneer sprake is van marktfalen of knelpunten in toegankelijkheid of kwaliteit kan OCW aanvullend optreden. Zo wordt Dedicon ondersteund, die schoolboeken voor blinde en slechtziende leerlingen toegankelijk maakt en ondersteuning biedt voor leerlingen met dyslexie. Ook doet OCW via een nulmeting onderzoek naar de toegankelijkheid van leermiddelen en wat nodig is om leermiddelen voor alle leerlingen beter toegankelijk te maken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er ruimte voor maatwerk blijft met een individueel persoonsgebonden budget (pgb). Hoe wordt deze ruimte voor maatwerk geborgd binnen deze aanpak als collectieve zorg niet passend is? Wanneer wordt collectieve zorg «niet passend» geacht? Is het binnen deze aanpak mogelijk om afspraken te maken over de «passendheid» van collectieve zorg op scholen, bijvoorbeeld in het handelingsdeel van een toelaatbaarheidsverklaring (TLV)? Hebben ouders daar instemmingsrecht op? Genoemde leden krijgen signalen dat ouders zich zorgen maken over het beschikbaar maken van jeugdhulp in onderwijs als vrij toegankelijke voorziening. Kan de Minister uitleggen hoe de rechten van deze ouders geborgd zijn bij een vrij toegankelijke voorziening? Hoe wordt geborgd dat er voldoende pgb voor zorg thuis overblijft bij een collectieve inzet op school, ook als een kind om bepaalde redenen niet naar school kan? Hoe zal geborgd worden dat een ouder niet aansprakelijk gesteld gaat worden als een deel van het budget dat overgeheveld wordt voor zorg in onderwijstijd niet besteed wordt aan de zorg van het kind, omdat die door ziekte niet op school aanwezig kan zijn of omdat er van meer weken zorg tijdens onderwijstijd wordt uitgegaan dan het aantal lesweken per jaar?
De gemeente heeft op grond van de Jeugdwet een jeugdhulpplicht. De door de gemeente te treffen jeugdhulpvoorziening kan zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening (basisjeugdhulp) zijn als een individuele voorziening (aanvullende jeugdhulp). De gemeente bepaalt zelf welke voorzieningen vrij toegankelijk zijn en welke voorzieningen niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben. Deze niet vrij toegankelijke voorzieningen veronderstellen altijd een verleningsbeslissing21 op basis van een beoordeling door de gemeente van de persoonlijke situatie en behoeften van de aanvrager. De gemeente geeft daartoe een beschikking af met de mogelijkheid van bezwaar en beroep. Daarmee is tevens de rechtsbescherming van de jeugdige en diens ouders gewaarborgd.22 Als basisjeugdhulp geen uitkomst biedt, kan dus altijd een aanvraag worden gedaan voor een maatwerkvoorziening of een pgb. Op deze manier beoog ik te waarborgen dat er ruimte blijft voor maatwerk wanneer de inzet van basisjeugdhulp in een individueel geval niet passend is.
Wanneer op een cluster 3- of 4-school basisjeugdhulp wordt aangeboden, kan een leerling die deze hulp nodig heeft hiervan gebruikmaken zonder een afzonderlijke aanvraag in te dienen. Dit vermindert de administratieve lasten en beperkt het aantal verschillende zorgverleners in de klas, zodat de rust in de klas behouden blijft voor leerlingen en leraren. Wanneer een gemeente basisjeugdhulp aanbiedt op school en deze hulp passend is voor de hulpvraag van de jeugdige, ligt een pgb voor diezelfde hulpvraag niet voor de hand, omdat dan een vrij toegankelijke voorziening beschikbaar is.
Wanneer een jeugdige daarnaast ook jeugdhulp thuis nodig heeft, zal de gemeente in overleg met ouders bezien of en in welke mate basisjeugdhulp of aanvullende jeugdhulp buiten onderwijstijd nodig is, dan wel hoe hoog het pgb moet zijn om buiten onderwijstijd in de hulpvraag te voorzien. Voor de bekostiging vanuit de Jeugdwet geldt geen aanwezigheidsvereiste. Voor de bekostiging vanuit de Wlz geldt een aanwezigheidsvereiste. Nu het experiment van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is beëindigd, kan worden teruggevallen op de situatie zoals deze gold vóór het experiment. Zorgaanbieders kunnen met zorgkantoren prijsafspraken maken binnen het maximumtarief, zodat dit redelijkerwijs niet of nauwelijks van invloed hoeft te zijn op het pgb dat voor zorg thuis beschikbaar is.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de huidige EMB-bekostiging wordt verlengd tot en met 2026. Daarmee wordt een acuut probleem opgelost, maar is er nog steeds onzekerheid en onduidelijkheid voor de toekomst. Wat zal er na 2026 gebeuren? Waarom wordt er geen structurele oplossing geboden? In 2025 is de motie Westerveld23 aangenomen over landelijke aanmelding en bekostiging van EMB-leerlingen via het Rijk. Hoe is deze motie uitgevoerd? Waarom wordt de route van landelijke aanmelding en bekostiging niet ingezet, aangezien dit duidelijkheid en stabiliteit zal geven voor ouders en scholen?
De huidige regeling voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking (EMB) is ingevoerd in 2015. In 2019 is door de toenmalige bewindspersonen van VWS en OCW besloten het budget voor deze regeling tijdelijk te verhogen met € 5 miljoen per jaar vanuit het Wlz-kader. Hierdoor is vanaf 2020 in totaal € 10 miljoen per jaar beschikbaar voor scholen om ondersteuning en zorg voor EMB-leerlingen in de klas te organiseren. Deze tijdelijke verhoging loopt tot en met 2026.
Alvorens een beslissing te nemen over het toekomstig kader voor de EMB-regeling zal deze eerst worden geëvalueerd. Op dit moment is onvoldoende duidelijk voor welk deel van de Wlz-leerlingen met een EMB middelen worden aangevraagd, hoe scholen deze middelen inzetten en in hoeverre de regeling bijdraagt aan het doel om ondersteuning voor EMB-leerlingen goed te organiseren. Op basis van deze evaluatie wordt bezien of en hoe de regeling moet worden aangepast.
De motie Westerveld verzoekt de regering om beleidsopties te verkennen voor onder meer een systeem van landelijke aanmelding en rechtstreekse bekostiging door het Rijk voor leerlingen met een EMB. Deze verkenning wordt momenteel uitgevoerd. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de effecten voor ouders en scholen, de uitvoerbaarheid voor partijen in het veld en DUO en de gevolgen voor de organisatie van ondersteuning. Over deze beleidsopties gaat de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie binnenkort in gesprek met partijen uit het veld. Uw Kamer wordt vóór de zomer van 2026 geïnformeerd over de uitkomsten en eventuele vervolgstappen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Minister met deze brief de aangenomen motie24 van de leden Kwint en Westerveld als afgedaan ziet. Deze leden zien echter niet helemaal in de brief de relatie met toelaatbaarheidsverklaringen (TLV), waar expliciet in de motie om gevraagd werd. Kan de Minister dit nog nader verduidelijken? De leden vragen dit omdat zij nog steeds signalen krijgen van ouders dat er problemen zijn met TLV’s.
Het samenwerkingsverband is verantwoordelijk voor het afgeven van een toelaatbaarheidsverklaring (TLV). De TLV bevat de formele beslissing, de duur en inhoudelijke onderbouwing waarom gespecialiseerd onderwijs nodig is en het niveau van onderwijsondersteuning. De TLV heeft daarmee betrekking op de onderwijskundige ondersteuning van een leerling en de bekostiging daarvan binnen het onderwijs.
De TLV staat daarmee los van de inzet van zorg. De school heeft in samenwerking met het samenwerkingsverband de taak om te zorgen voor passende onderwijsondersteuning. Scholen voor gespecialiseerd onderwijs ontvangen daarvoor ondersteuningsbudget van het samenwerkingsverband op basis van de TLV van de leerling. Jeugdhulp (op grond van de Jeugdwet) en langdurige zorg (op grond van de Wet langdurige zorg) worden echter via andere wettelijke kaders georganiseerd. Er is daarom geen directe relatie tussen de verstrekking van een TLV en de inzet van jeugdhulp of langdurige zorg voor leerlingen in het onderwijs.
De motie van de leden Kwint en Westerveld verzocht de regering om in samenspraak met onderwijs, ouders en deskundigen de knelpunten in de financiering van onderwijs voor zorgleerlingen in relatie tot de TLV’s in kaart te brengen en verbeteringen voor te stellen, met als uitgangspunt dat de schoolgang van een kind nooit mag betekenen dat het minder zorg kan krijgen.
In de afgelopen jaren is hieraan uitvoering gegeven door verschillende onderzoeken, pilots en praktijkinitiatieven rond ZiO. Zo is onder meer in pilots binnen de huidige wet- en regelgeving gewerkt aan het zo collectief mogelijk organiseren van ZiO. Daarnaast ondersteunen zorgarrangeurs – met subsidie van de Ministeries van OCW en VWS – scholen, samenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en zorgpartijen bij het organiseren en financieren van ondersteuning en zorg op school. Deze trajecten hebben inzicht gegeven in de knelpunten die in de praktijk worden ervaren bij de organisatie en financiering van zorg tijdens schooltijden.
Op basis van deze inzichten is onder meer een Leidraad ZiO opgesteld en wordt met de verbeteraanpak ZiO ingezet op het maken van regionale afspraken en bij voorkeur collectieve organisatie en financiering van zorg op school. Met het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt daarnaast geregeld dat gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren verplicht met elkaar overleggen over het zoveel mogelijk in samenhang aanbieden van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op gespecialiseerde scholen (cluster 3 en 4).
Tenslotte zijn deze leden ook benieuwd naar de samenhang tussen regulier en gespecialiseerd onderwijs. Zij maken zich al jaren sterk voor een groei van plekken waar beide gecombineerd worden, zoals bijvoorbeeld bij Samen naar Schoolklassen. Kan de Minister uitleggen waarom er niet gekozen is om bijvoorbeeld ook verplicht regionale afspraken te maken over de inzet van zorg binnen het regulier onderwijs, zodat er tot duurzame (financiële) borging gekomen kan worden van initiatieven als Samen naar Schoolklassen en andere innovatieve oplossingen voor zorg in regulier onderwijs?
Alle kinderen hebben, indien nodig, recht op passende ondersteuning om onderwijs te kunnen volgen, ongeacht of zij regulier of gespecialiseerd onderwijs volgen. De Jeugdwet voorziet hier deels al in. Zo is er een algemene verplichting voor het College om met samenwerkingsverbanden passend onderwijs te overleggen over het gemeentelijk beleidsplan in verband met de afstemming van en effectieve samenwerking met het onderwijs. Daarnaast is het College bij het treffen van een individuele voorziening (aanvullende jeugdhulp) specifiek verplicht om zo nodig te overleggen met het bevoegd gezag van de school waar de jeugdige schoolgaand is. Met het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt in aanvulling daarop ingezet op de samenwerking tussen lokale teams en scholen. Daartoe wordt zowel in de Jeugdwet als in onderwijswetgeving voorzien in een wederzijdse plicht voor gemeenten en schoolbesturen om respectievelijk in het beleids- en schoolplan beleid te maken over de samenwerking tussen scholen en de lokale teams. Daarmee wordt beoogd de samenwerking tussen het (regulier) onderwijs en de lokale teams te versterken, zodat scholen laagdrempelig het lokale team kunnen betrekken bij vragen en hulp. Daarnaast bevat het conceptwetsvoorstel een onderdeel dat specifiek is gericht het gespecialiseerd onderwijs (cluster 3 en 4), omdat de inzet van ZiO daar het meest voorkomt en de knelpunten in de praktijk het meest zichtbaar zijn. De voorgestelde maatregelen sluiten het regulier onderwijs niet uit en kunnen ook daar worden toegepast.
Het wetsvoorstel geeft ruimte om op regionaal niveau afspraken te maken. Deze afspraken zien onder meer op collectieve inkoop en kunnen zowel betrekking hebben op het regulier als het gespecialiseerd onderwijs. Hetzelfde geldt voor de afspraken die zijn opgenomen in het op 23 maart jl. ondertekend convenant «Stevige Lokale Teams». Daarnaast biedt de Leidraad ZiO handvatten die ook in het reguliere onderwijs gebruikt kunnen worden.
PVV-fractie
In de brief wordt een wetswijziging aangekondigd die overleg en samenwerking tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden en zorgkantoren verplicht stelt, inclusief een geschillenregeling. De leden van de PVV-fractie vragen wat het beoogde tijdpad voor indiening en inwerkingtreding is van deze wetswijziging. Ook vragen deze leden hoe wordt gemonitord of de verplichte overlegstructuur daadwerkelijk leidt tot concrete regionale afspraken. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister welke sancties of interventiemogelijkheden bestaan indien partijen niet tot afspraken komen, ondanks de geschillenregeling. Ook vragen genoemde leden op welke wijze de evaluatie vijf jaar na inwerkingtreding wordt vormgegeven.
Het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet is op 16 februari 2026 in internetconsultatie gegaan. Beoogd wordt het wetsvoorstel eind dit jaar aan uw Kamer aan te bieden.
Scholen in het gespecialiseerd onderwijs (cluster 3 en 4) hebben vaak een bovenregionale functie en werken daarom met meerdere gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en soms ook zorgkantoren samen. Om te bevorderen dat zorg en ondersteuning beter in samenhang worden georganiseerd, wordt in het conceptwetsvoorstel geregeld dat gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren verplicht met elkaar overleggen over de inzet van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op deze scholen. Voor dit overleg wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande overlegstructuren, zoals het op overeenstemming gericht overleg (OOGO). Met de voorgestelde wetswijziging worden partijen verplicht met elkaar in overleg te treden en een geschillenregeling te treffen voor het geval zij er onderling niet uitkomen. Daarnaast zijn er ondersteunende instrumenten beschikbaar, zoals de Leidraad Zorg in Onderwijstijd (ZiO) en de inzet van zorgarrangeurs, die partijen helpen bij het organiseren van passende zorg en ondersteuning. Partijen worden daarbij aangemoedigd om, waar dat passend is, afspraken op regionaal niveau te maken.
De verwachting is dat deze combinatie van verplichte samenwerking, ondersteuning en een geschillenregeling partijen stimuleert om tot goede afspraken te komen. De doeltreffendheid en effecten van de voorgestelde bepalingen worden binnen vijf jaar na inwerkingtreding geëvalueerd, conform aanwijzing 5.58 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Daarbij wordt onder meer bezien of de samenhangende inzet van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg is verbeterd, of de administratieve lasten zijn verminderd en of er meer rust in de klas is ontstaan.
Voor cluster 1 en 2 wordt aangesloten bij het Landelijk Transitiearrangement (LTA). De leden van de PVV-fractie vragen de Minister wat de looptijd is van deze tijdelijke werkwijze. Ook vragen deze leden op welke wijze wordt beoordeeld of het LTA daadwerkelijk leidt tot verbeterde toegankelijkheid en minder bureaucratie voor cluster 1 en 2-scholen. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of parallel wordt onderzocht of op langere termijn een structurele integrale financieringsoplossing mogelijk is.
Een deel van het jeugdhulpaanbod voor de leerlingen op cluster 1 en 2 scholen viel reeds onder het Landelijk Transitiearrangement (LTA), waardoor toevoegen van jeugdhulp in onderwijstijd aan het LTA voor deze doelgroep logisch en passend is. Hierdoor wordt ook voor deze leerlingen vereenvoudiging van financiering en organisatie van jeugdhulp gerealiseerd. De toetreding tot het Landelijk Transitiearrangement (LTA) is afgelopen zomer gerealiseerd. Uit de evaluatie25 afgelopen januari blijkt dat dit, voor een relatief beperkte groep van gemiddeld circa 60 kinderen per jaar, heeft geleid tot betere toegankelijkheid en minder administratieve lasten. Dit komt doordat bestuurlijke afspraken zijn gemaakt over onder meer de inzet van zorgaanbieders, de intensiteit van de zorg, het tarief en de facturatie. In afstemming met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is geen looptijd gekoppeld aan deze tijdelijke oplossing. Afgesproken is om binnen het traject Inclusief Onderwijs, gezamenlijk actief te kijken of er ruimte is voor verdere vereenvoudiging van organisatie en financiering van zorg en ondersteuning op cluster 1 en 2 scholen.
De EMB-regeling blijft tot en met 2026 gehandhaafd. De leden van de PVV-fractie vragen wat er gebeurt na 2026 met de middelen die nu via de EMB-regeling beschikbaar worden gesteld. Deze leden vragen tevens of voorafgaand aan het aflopen van de regeling een evaluatie wordt uitgevoerd en zo ja, wanneer de Kamer deze ontvangt.
Voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking (EMB) is het van extra groot belang dat onderwijs en zorg goed op elkaar aansluiten. Vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is structureel € 5 miljoen beschikbaar om scholen te ondersteunen bij het bieden van onderwijs aan leerlingen met een EMB. Vanaf 2020 is dit bedrag tijdelijk verhoogd met € 5 miljoen vanuit het Wet langdurige zorg (Wlz)-kader, waardoor in totaal jaarlijks € 10 miljoen beschikbaar was.
Over het budgettaire kader voor de EMB-regeling na 2026 is nog geen definitief besluit genomen. Voorafgaand daaraan wordt de huidige regeling geëvalueerd. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de wijze waarop scholen de middelen inzetten en in hoeverre de regeling bijdraagt aan het doel om leerlingen met een EMB passende ondersteuning te bieden in het onderwijs. Op basis van deze evaluatie wordt bezien of aanpassingen in de regeling nodig zijn en hoe het toekomstige budgettaire kader eruit zal zien. Voor het eind van dit jaar wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en de verdere besluitvorming.
De leden van de PVV-fractie constateren dat meerdere trajecten naast elkaar lopen: zorgarrangeurs, wetswijziging, LTA, EMB-regeling en beëindiging van het Wlz-experiment. Deze leden vragen de Minister in één overzicht te schetsen hoe deze instrumenten zich tot elkaar verhouden in termen van doel, doelgroep, financieringsstroom en tijdpad. De leden van de PVV-fractie vragen ook wie uiteindelijk stelselverantwoordelijkheid draagt voor de samenhang tussen onderwijs, Jeugdwet en Wlz in onderwijstijd.
|
Zorg- arrangeurs |
Conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet |
LTA |
EMB-regeling |
Wlz-experiment |
|
|---|---|---|---|---|---|
|
Doel |
Praktische ondersteuning bij organisatie en financiering van zorg in onderwijstijd (ZiO) |
Verankeren verplicht overleg over afspraken samenhangende inzet onderwijsondersteuning, langdurige zorg en jeugdhulp en de wijze van financiering cluster 3 en 4. |
Vereenvoudiging van financiering en organisatie van jeugdhulp tijdens schooltijden |
Extra middelen voor gespecialiseerde scholen om aanvullende ondersteuning te bieden aan leerlingen met EMB |
Het verbeteren van de bekostiging en organisatie van Wlz-zorg in onderwijstijd, onder meer door inzicht te verkrijgen in de omgang met afwezigheid van leerlingenredelijke |
|
Doel- groep |
Scholen, samenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en zorgkantoren |
Scholen, gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs cluster 3 en 4 en zorgkantoren |
Leerlingen in cluster 1 en 2 met auditieve/visuele beperking en vaak ook EMB (±60 leerlingen) |
Leerlingen met ernstige meervoudige beperking (IQ < 35) met intensieve zorgbehoefte |
Zorgaanbieders en zorgkantoren betrokken bij leerlingen met Wlz-indicatie |
|
Financierings-stroom |
Subsidie VWS en OCW |
n.v.t. (wettelijke borging) |
Jeugdwet en onderwijsfinanciering |
€ 5 mln onderwijsbekostiging (OCW), tijdelijk aangevuld met € 5 mln vanuit VWS |
n.v.t. (aanpassing binnen bestaande bekostigingsregels) |
|
Tijdspad |
2020–2027, met mogelijkheid tot verlenging |
Indiening wetsvoorstel Tweede Kamer eind 2026 |
Reeds gerealiseerd |
Structurele regeling, tijdelijke VWS-middelen t/m 2026 |
Tot september 2025 |
Het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet biedt geen oplossing voor de cluster 1 en 2 leerlingen, omdat zij geen onderdeel van een samenwerkingsverband zijn. Een deel van het jeugdhulpaanbod voor deze leerlingen viel reeds onder het TLA, waarmee door ZiO toe te voegen aan het LTA ook voor deze leerlingen een verbetering gerealiseerd kan worden. Met de combinatie van zorgarrangeurs, het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet en het toetreden van cluster 1- en 2-scholen tot het Landelijk Transitiearrangement (LTA) wordt beoogd dat zorg en ondersteuning voor leerlingen die dit nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen beter wordt georganiseerd.
Het streven is dat op cluster 3 en 4 scholen in het gespecialiseerd onderwijs basisjeugdhulp beschikbaar is. Leerlingen hoeven dan in principe geen afzonderlijke aanvraag meer in te dienen voor jeugdhulp en scholen krijgen te maken met minder verschillende zorgverleners in de klas. Dit vermindert de administratieve lasten voor ouders en scholen en draagt bij aan meer rust in de klas.
Door zorg en ondersteuning beter te organiseren en sneller beschikbaar te maken, wordt het voor kinderen die naast onderwijs ook jeugdhulp of langdurige zorg nodig hebben makkelijker om onderwijs te volgen en naar school te gaan.
Het Wlz-experiment was gekoppeld aan het DSP/Oberon-onderzoek en gericht op het verkrijgen van duidelijkheid over de redelijke afwezigheidscomponent voor Wlz-zorg geleverd tijdens schooltijden. Hieruit blijkt dat betrokken partijen vooral op zoek zijn naar een passend tarief, wat binnen de bestaande wet- en regelgeving gerealiseerd kan worden als zorgaanbieders en zorgkantoren onderling prijsafspraken maken binnen het maximumtarief.
Doordat bij ZiO drie stelsels en daarmee wetten en bijbehorende financieringsstromen samenkomen, is er voor het geheel niet één stelselverantwoordelijke aan te wijzen. Net zoals in de praktijk betreft het een intensieve en constructieve samenwerking, met de intentie de stelsels zo goed mogelijk op elkaar te laten aansluiten en elkaar te laten aanvullen.
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de reactie van het veld op de brief inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden de volgende aanvullende vragen. De reactie stelt dat de voorgestelde verbeteraanpak onvoldoende structureel is en ruimte laat voor blijvende rechtsongelijkheid tussen regio’s. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe zij voorkomt dat kinderen afhankelijk blijven van regionale bestuurlijke bereidheid in plaats van landelijke borging van rechten.
Gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren hebben ieder een eigen wettelijke verantwoordelijkheid om de juiste ondersteuning, hulp en/of zorg voor een jeugdige te organiseren. Scholen hebben, in samenwerking met het samenwerkingsverband, de taak ervoor te zorgen dat leerlingen de juiste onderwijsondersteuning krijgen in het kader van passend onderwijs. Gemeenten hebben een jeugdhulpplicht en zorgkantoren zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van langdurige zorg. In elke regio moeten deze partijen, ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid, ervoor zorgen dat jeugdigen toegang hebben tot passende zorg, hulp en (onderwijs)ondersteuning. Om te voorkomen dat het op overeenstemming gericht overleg (OOGO) niet tot afspraken leidt, wordt voorgeschreven dat betrokken partijen een geschillenregeling treffen.
De leden vragen waarom, ondanks herhaalde signalen uit evaluaties en praktijk, niet wordt gekozen voor een structurele, collectieve financieringsoplossing voor zorg in onderwijstijd over domeinen heen. Welke inhoudelijke of financiële belemmeringen staan een dergelijke oplossing volgens de Minister in de weg?
Uit het rapport van DSP/Oberon26 blijkt dat er geen eenduidig, eenvoudig en breed gedragen beeld bestaat over de inrichting van een collectieve financieringsconstructie en over de vraag welke partij een dergelijke voorziening zou moeten beheren. De belemmeringen blijken vooral te liggen in de financiering en organisatie van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg.
Een financiële en stelselmatige belemmering ligt daarnaast in het feit dat het bundelen van middelen uit verschillende domeinen een complexe en omvangrijke stelselwijziging zou vereisen, die veel tijd en middelen vraagt. Tegelijkertijd vraagt de praktijk juist om snelheid, vereenvoudiging en vermindering van administratieve lasten. Met de voorgestelde aanpak beoog ik aan deze behoefte van de praktijk tegemoet te komen.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt geborgd dat schoolbesturen en zorgaanbieders binnen cluster 3 en 4 daadwerkelijk volwaardig en rechtstreeks betrokken worden bij regionale afspraken, zoals in de reactie wordt bepleit, en waarom dit niet expliciet wettelijk wordt vastgelegd.
Schoolbesturen en schoolteams worden bij het maken van afspraken vertegenwoordigd door het samenwerkingsverband passend onderwijs. Van het samenwerkingsverband wordt verwacht dat deze afspraken met de schoolbesturen en schoolteams afstemt.
Zorg- en jeugdhulpaanbieders worden niet rechtstreeks bij de afspraken betrokken. Zorgkantoren en gemeenten zullen, zodra duidelijk is welke langdurige zorg en jeugdhulp noodzakelijk is, respectievelijk zorg- en jeugdhulpaanbieders contracteren die deze hulp kunnen bieden.
Er is niet voor gekozen om de betrokkenheid van schoolbesturen en zorgaanbieders expliciet wettelijk vast te leggen, omdat het niet noodzakelijk is dat deze partijen bij ieder overleg of beslismoment rechtstreeks aanwezig zijn. Schoolbesturen kunnen zich desgewenst laten vertegenwoordigen, waardoor de werkdruk beperkt blijft en besluitvorming efficiënt kan plaatsvinden.
Ten aanzien van de EMB-leerlingen vragen de leden van de PVV-fractie waarom opnieuw is gekozen voor verlenging van een tijdelijke regeling, terwijl de Kamer eerder heeft uitgesproken te willen komen tot landelijke, structurele bekostiging. Wanneer kunnen scholen en ouders duidelijkheid verwachten over een definitieve oplossing?
Voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking (EMB) is het van belang dat onderwijs en zorg goed op elkaar aansluiten. Vanuit het onderwijs is structureel € 5 miljoen beschikbaar om scholen te ondersteunen bij het bieden van onderwijs aan deze leerlingen. De huidige EMB-regeling bestaat sinds 2015 en is in 2020 tijdelijk aangevuld met middelen vanuit het Wlz-kader.
De Kamer heeft eerder aandacht gevraagd voor een structurele oplossing. In het kader van de verbeteraanpak ZiO zijn verschillende oplossingsrichtingen verkend om de organisatie en financiering van ZiO te vereenvoudigen. Daarbij is gebleken dat een integrale landelijke financieringsregeling voor ZiO over de verschillende domeinen heen op dit moment niet eenvoudig realiseerbaar is. Daarom is ervoor gekozen om in te zetten op versterkte samenwerking tussen scholen, samenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en zorgkantoren, zodat zij gezamenlijk afspraken kunnen maken over de beschikbaarheid van ZiO.
De huidige EMB-regeling wordt geëvalueerd voordat een besluit wordt genomen over het budgettaire kader voor de periode na 2026. Op basis van deze evaluatie wordt bezien of aanpassingen in de regeling wenselijk zijn en hoe de ondersteuning voor EMB-leerlingen ook op langere termijn het best kan worden vormgegeven. Zodra hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden, worden scholen hierover geïnformeerd, zodat zij ook ouders tijdig duidelijkheid kunnen geven.
De motie Westerveld27 verzoekt de regering om beleidsopties te verkennen voor onder meer een systeem van landelijke aanmelding en rechtstreekse bekostiging door het Rijk voor leerlingen met een EMB. Deze verkenning wordt momenteel uitgevoerd. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de effecten voor ouders en scholen, de uitvoerbaarheid voor partijen in het veld en DUO en de gevolgen voor de organisatie van ondersteuning. Over deze beleidsopties gaat de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie binnenkort in gesprek met partijen uit het veld. Uw Kamer wordt vóór de zomer van 2026 geïnformeerd over de uitkomsten en eventuele vervolgstappen.
Genoemde leden vragen hoe de Minister reflecteert op het beëindigen van het experiment Wlz-zorg in onderwijstijd, terwijl dit experiment juist werd gezien als een noodzakelijke stap richting collectieve financiering. Waarom is geen alternatief instrument geïntroduceerd om deze beweging voort te zetten?
Mijn ambtsvoorganger heeft besloten om het advies van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) op te volgen om het experiment niet te verlengen. Volgens de NZa was niet te verwachten dat een eventuele verlenging van de looptijd van het experiment in de huidige vorm (tot nog maximaal twee jaar) zou leiden tot nieuwe inzichten. De belangstelling voor het experiment was zeer beperkt en heeft helaas te weinig informatie opgeleverd om vast te stellen wat een redelijke vergoeding zou zijn voor doorlopende kosten tijdens de afwezigheid van leerlingen.
Het experiment is geen noodzakelijke stap richting collectieve financiering van ZiO. De mogelijkheid om vooraf zekerheid te geven over de bekostiging vanuit de Wlz, heeft weliswaar bijgedragen aan het proces om te komen tot een collectieve inkoopafspraak, maar is hiervoor geen voorwaarde. Zorgaanbieders en zorgkantoren kunnen immers bij het maken van een prijsafspraak rekening houden met verwachte afwezigheid van Wlz-leerlingen, uiteraard binnen het maximumtarief dat de NZa heeft vastgesteld. Bij cliëntvolgende bekostiging van extramurale Wlz-zorg houden zorgkantoren en zorgaanbieders reeds rekening met afwezigheid en no-show. De afwezigheid van Wlz-leerlingen kan van jaar tot jaar enigszins verschillen, maar dit behoeft het maken van een collectieve afspraak niet in de weg te staan.
Een overweging voor deelnemers om mee te doen aan het experiment was de daaraan verbonden garantie dat de kosten van afgesproken zorg zou worden vergoed. Een alternatief instrument via de bekostiging acht ik niet noodzakelijk voor het maken van een passende collectieve afspraak. Partijen kunnen bij het maken van een prijsafspraak binnen het maximumtarief voldoende rekening houden met de verwachte afwezigheid van leerlingen en daarmee ook collectieve afspraken mogelijk maken. Deze mogelijkheid is kenbaar gemaakt aan de vertegenwoordigers van cluster 1 en 2. Ook is dit opgenomen in de ZiO Leidraad.
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie hoe de verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd zich verhoudt tot de bredere ambitie richting inclusief onderwijs. Welke concrete stappen worden gezet om te voorkomen dat ZiO beperkt blijft tot het gespecialiseerd onderwijs en niet structureel wordt geborgd in het regulier onderwijs.
De verbeteraanpak ZiO draagt bij aan de beweging naar inclusief onderwijs. Zowel in het speciaal onderwijs als het regulier onderwijs is het belangrijk dat scholen, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en gemeenten samenwerken en afspraken maken over ondersteuning en zorg op school. Het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet bevat voorstellen voor afspraken tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren die ook betrekking kunnen hebben op collectieve inzet van ondersteuning en zorg op school in het reguliere onderwijs.
Ook andere onderdelen van de aanpak zijn breder toepasbaar. Het convenant «Stevige lokale teams» bevat afspraken met de belangrijkste partijen over wat nodig is om lokale teams te laten slagen. Met het conceptwetsvoorstel worden deze afspraken ondersteund. Zo wordt voorgesteld om zowel in de Jeugdwet als in de onderwijswetgeving een wederzijdse plicht op te nemen voor gemeenten en scholen om respectievelijk in het beleidsplan en het schoolplan beleid te maken over de samenwerking tussen scholen en lokale teams. Door deze samenwerking te versterken, kunnen scholen laagdrempelig het lokale team betrekken bij vragen en ondersteuning. Dit draagt eraan bij dat kinderen zoveel mogelijk in hun eigen omgeving kunnen opgroeien en naar school kunnen gaan. Veel jeugdigen en ouders hebben bij vragen over opvoeden en opgroeien namelijk niet direct een zorgantwoord of diagnose nodig, maar advies, hulp en ondersteuning in hun directe omgeving, bijvoorbeeld op school. Een sterke pedagogische basis op school kan er bovendien aan bijdragen dat een deel van de jeugdigen en gezinnen geen jeugdhulp nodig heeft. Daarnaast biedt de Leidraad ZiO handvatten die ook in het reguliere onderwijs gebruikt kunnen worden. Daarmee dragen deze maatregelen eraan bij dat ondersteuning en zorg beter worden georganiseerd in en rond scholen, zowel in het gespecialiseerd als in het reguliere onderwijs.
CDA-fractie
De Minister stelt dat een samenwerkingsverband zorgt voor het realiseren van een dekkend aanbod van ondersteuningsvoorzieningen. Vervolgens is de gemeente aan zet voor het aanbieden van jeugdhulp en het zorgkantoor voor langdurige zorg voor leerlingen met een Wlz-indicatie. Kan de Minister uiteenzetten of er overlap kan zitten tussen ondersteuningsvoorzieningen vanuit het samenwerkingsverband en vanuit de gemeente? Is hier een duidelijke afbakening tussen? Of verschilt dit per school en per samenwerkingsverband?
Het kan per reguliere school, per school voor gespecialiseerd onderwijs en per samenwerkingsverband verschillen wat valt onder de extra ondersteuning die vanuit het onderwijs geboden kan worden. Dit is niet in detail wettelijk vastgelegd. In de praktijk kan er daarom een grijs gebied bestaan tussen ondersteuning vanuit het onderwijs en ondersteuning of zorg vanuit andere domeinen, zoals de Jeugdwet, de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Zorgverzekeringswet (Zvw). Dit blijkt ook uit verschillende onderzoeken naar zorg in onderwijstijd (ZiO)28.
Wanneer een leerling meer nodig heeft dan het onderwijs kan bieden binnen de basisondersteuning of aanvullende ondersteuning, wordt in overleg met ouders bezien of aanvullende zorg vanuit een ander domein nodig is. In sommige gevallen kan daarvoor een persoonsgebonden budget (pgb) worden ingezet, mits het gaat om ondersteuning of zorg die onder de verantwoordelijkheid valt van de Wlz, de Jeugdwet en/of de Zvw en die noodzakelijk is om onderwijs te kunnen volgen. In het geval van de Jeugdwet moet de gemeente als verstrekker instemmen met de inzet van een pgb in het onderwijs.
Omdat de afbakening tussen onderwijs en zorg in de praktijk niet altijd scherp is, wordt met de verbeteraanpak ZiO ingezet op betere samenwerking en afstemming tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren. Door aan de voorkant gezamenlijk afspraken te maken kan op lokaal en regionaal niveau duidelijker worden bepaald welke ondersteuning vanuit onderwijs wordt geboden en wanneer aanvullende zorg nodig is. De Leidraad ZiO biedt hiervoor praktische handvatten en waar nodig kunnen partijen ondersteuning krijgen van zorgarrangeurs.
Voor een nadere toelichting verwijs ik uw Kamer tevens naar de beantwoording van 21 februari 2025 op de Kamervragen van de leden Stoffer (SGP) en Westerveld (GroenLinks-PvdA)29.
In de brief stelt de Minister dat de langdurige zorg een verzekering is met individuele aanspraken die na een indicatie, individueel kunnen worden ingezet. Daarom willen deze leden graag meer uitleg over hoe deze twee uitersten, zoveel als mogelijk in samenhang aanbieden van ondersteuning, zich tot elkaar verhouden? Hoe werkt dit in praktijk uit als ouders staan op dit individuele recht of inzet via een pgb?
Het feit dat de Wlz uitgaat van individuele aanspraken staat niet in de weg om ZiO zoveel mogelijk in samenhang te organiseren. Partijen kunnen hierover collectieve afspraken maken voor leerlingen op een school, terwijl de individuele aanspraak van de leerling op Wlz-zorg in stand blijft. Een vergelijkbare werkwijze is zichtbaar bij dagbehandeling in groepsverband, bijvoorbeeld bij een kinderdagcentrum (KDC). Ook daar worden zorg en ondersteuning in samenhang aangeboden aan een groep kinderen, terwijl de bekostiging plaatsvindt binnen het stelsel van individuele aanspraken in de Wlz.
Wanneer op een school collectieve zorg beschikbaar is, ligt het voor de hand dat deze zorg in onderwijstijd door de betrokken zorgaanbieder wordt geleverd. Dat kan voor ouders en scholen voordelen hebben, omdat minder afzonderlijke organisatie nodig is en de administratieve lasten worden beperkt. Wanneer deze collectieve zorg passend is voor de hulpvraag van de leerling, ligt inzet via een persoonsgebonden budget (pgb) voor diezelfde hulpvraag in beginsel minder voor de hand. Tegelijk blijft maatwerk mogelijk wanneer de collectieve inzet van zorg niet passend of onvoldoende toereikend is. In dat geval kan aanvullende ondersteuning individueel worden georganiseerd, bijvoorbeeld via een pgb of zorg in natura.
Gezien het feit dat het NZa-experiment Wlz zorg in onderwijstijd niet geslaagd is vragen deze leden zich of hieruit lessen te trekken zijn om meer «collectieve zorg» op cluster 3 en 4 scholen te organiseren.
Uit het Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)-experiment met Wlz-zorg in onderwijstijd komt naar voren dat de afwezigheid van leerlingen in de praktijk geen onoverkomelijk knelpunt hoeft te zijn voor de bekostiging van ZiO. Tegelijk is gebleken dat het vooral complex is om over de verschillende domeinen heen tot afspraken te komen en dat dit gepaard kan gaan met administratieve lasten. Deze bevindingen sluiten aan bij eerdere onderzoeken. Juist daarom zet de verbeteraanpak in op betere samenwerking tussen betrokken partijen. Met de voorgestelde samenwerkingsafspraken, ondersteund door onder meer de Leidraad ZiO en de inzet van zorgarrangeurs, wordt het maken van collectieve afspraken over ZiO vergemakkelijkt.
De betrokken partijen worden aangemoedigd afspraken zo veel mogelijk op regionaal niveau te maken, en bij voorkeur collectief te organiseren en financieren. Dit vinden deze leden een begrijpelijk uitgangspunt maar hoe wil de Minister vervolgens regelen dat er duidelijkheid is tussen de afbakening per regio? Bij welke regio-indeling wordt er aangesloten? De Minister is voornemens dit voorstel op te nemen in het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdhulp, gezien de noodzaak voor verbetering op een zo kort mogelijke termijn. In welke onderwijswetgeving wil de Minister bovenstaande opnemen?
De bij het overleg betrokken partijen worden aangemoedigd om, waar nodig, afspraken op regionaal niveau te maken. Er is echter niet voor gekozen om overleg op een specifiek regionaal niveau voor te schrijven, omdat jeugdregio’s, onderwijsregio’s van samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoorregio’s geografisch niet samenvallen. Ook is de inkoop en inzet van basisjeugdhulp niet op regionaal niveau georganiseerd. Gezien de diversiteit aan regio’s is ervoor gekozen dat samenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en zorgkantoren gezamenlijk kunnen bepalen of en zo ja in welke regio zij samenwerken.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe het convenant «Stevige Lokale Teams» zich verhoudt tot de Reikwijdtewet. In de brief lezen de leden van de CDA-fractie dat in het convenant is opgenomen dat schoolbesturen en gemeenten afspraken maken over de inzet en de aanwezigheid van het lokale team op school voor ondersteuning in de context van de school. Het doel hiervan is zoveel mogelijk kinderen in de reguliere omgeving onderwijs te laten volgen. Wat is de huidige stand van zaken van dit convenant? Worden er concrete afspraken gemaakt om zoveel mogelijk kinderen regulier onderwijs te laten volgen?
De aangekondigde aanpassingen van wetgeving richten zich in eerste instantie op het gespecialiseerd onderwijs (cluster 3 en 4), omdat de inzet van ZiO daar het meest voorkomt en de knelpunten in de praktijk het meest zichtbaar zijn. Dit betekent echter niet dat het regulier onderwijs wordt uitgesloten. De inzet van lokale teams sluit in de praktijk met name goed aan bij het regulier onderwijs, omdat leerlingen daar veelal in hun eigen wijk of dorp naar school gaan en ondersteuning dicht bij huis georganiseerd kan worden.
Het convenant «Stevige Lokale Teams» en het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet vullen elkaar aan. In het convenant worden bestuurlijke afspraken gemaakt tussen betrokken partijen over wat nodig is en wat zij van elkaar mogen verwachten om stevige lokale teams te laten slagen. Voor het gespecialiseerd onderwijs (cluster 3 en 4), dat vaak een bovenregionale functie heeft, ligt aansluiting bij lokale teams minder voor de hand. Daarom wordt in het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet juist ingezet op afspraken tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren om de samenwerking rond zorg in onderwijstijd goed te organiseren. In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt daarnaast de entiteit «lokaal team» wettelijk verankerd, waarbij wordt vastgelegd dat er een laagdrempelig en toegankelijk lokaal team is en een aantal basistaken voor lokale teams worden beschreven.
Er is gekozen voor een modulaire opzet van het convenant «Stevige lokale teams»: een bestuurlijke hoofdtekst (lokale teams voor alle inwoners van 0–100 jaar) en aparte modules met aanvullende afspraken per subdomein, waaronder Jeugd, Onderwijs en Kinderopvang en Volwassenen (Wmo en Participatiewet/ schuldhulpverlening). Op 23 maart jl. is het convenant met de jeugdmodule door betrokken partijen ondertekend.
In deze jeugdmodule zijn afspraken opgenomen om de samenwerking tussen het onderwijs en lokale teams te versterken. Hierdoor kunnen scholen het lokale team betrekken bij vragen en ondersteuning, zodat kinderen in hun eigen omgeving kunnen opgroeien en naar school kunnen gaan. De komende periode wordt verder gewerkt aan de specifieke module onderwijs en kinderopvang. Of in het convenant concrete afspraken worden gemaakt om zoveel mogelijk kinderen regulier onderwijs te laten volgen, is afhankelijk van de keuze die de samenwerkende partijen hierover maken. Het convenant biedt hiervoor een kader om afspraken te maken, waarbij de inhoud door de betrokken partijen zelf wordt bepaald.
Het verlengen van de huidige EMB-bekostiging tot en met 2026 voorkomt een acuut probleem maar schuift de structurele oplossing opnieuw vooruit. De leden van de CDA-fractie zijn geïnteresseerd welke structurele oplossing(en) de Minister voor zich ziet. Ziet de Minister hierbij een rol voor de samenwerkingsverbanden? De groep leerlingen met ernstig meervoudige beperkingen is toch een duidelijke en afgebakende doelgroep?
Voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking (EMB) is het van belang dat onderwijs en zorg goed op elkaar aansluiten. Samenwerkingsverbanden passend onderwijs spelen hierbij een rol doordat zij, samen met schoolbesturen, verantwoordelijk zijn voor een dekkend aanbod van ondersteuning in de regio en voor de toelaatbaarheid tot het gespecialiseerd onderwijs.
Met de evaluatie van de huidige EMB-regeling wordt bezien of en zo ja welke knelpunten zich in de praktijk voordoen en in hoeverre de regeling bijdraagt aan het doel om scholen te ondersteunen bij het bieden van passend onderwijs aan deze leerlingen. Op basis van deze evaluatie wordt bezien of aanpassingen in de regeling wenselijk zijn en hoe de ondersteuning voor EMB-leerlingen structureel kan worden vormgegeven.
De bijzondere bekostiging via de EMB-regeling is bedoeld voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking. Het gaat daarbij om leerlingen met een combinatie van een ernstige of zeer ernstige verstandelijke beperking, een lichamelijke beperking en bijkomende stoornissen, voor wie naast extra ondersteuning in het onderwijs ook intensieve zorg nodig is. De regeling is gekoppeld aan leerlingen die zijn ingeschreven in het (voortgezet) speciaal onderwijs en voor wie bekostiging categorie 3 (hoog) wordt ontvangen.
Scholen beoordelen zelf of een leerling tot deze doelgroep behoort. Er is op dit moment geen landelijk volledig overzicht van het exacte aantal leerlingen met een EMB.
De motie Westerveld30 verzoekt de regering om beleidsopties te verkennen voor onder meer een systeem van landelijke aanmelding en rechtstreekse bekostiging door het Rijk voor leerlingen met een EMB. Deze verkenning wordt momenteel uitgevoerd. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de effecten voor ouders en scholen, de uitvoerbaarheid voor partijen in het veld en DUO en de gevolgen voor de organisatie van ondersteuning. Over deze beleidsopties gaat de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie binnenkort in gesprek met partijen uit het veld. Uw Kamer wordt vóór de zomer van 2026 geïnformeerd over de uitkomsten en eventuele vervolgstappen.
BBB-fractie
Leden van de BBB-fractie hebben geen nadere vragen gesteld.
SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie vragen een toelichting op de positie van schoolbesturen in de beoogde gezamenlijke afspraken over collectieve financiering. Deze leden lezen in de brief dat vooral gemeenten, zorgkantoren en samenwerkingsverbanden in overleg moeten treden, terwijl de verantwoordelijkheid voor het daadwerkelijk organiseren van zorg voor de leerling berust bij het bevoegd gezag van de scholen. Wat is binnen de voorgestelde ontwikkeling hun positie in het samenwerkingsverband en ten opzichte van externe partners zoals gemeenten en zorgkantoren en de afspraken die gemaakt worden?
Er is een gedeelde verantwoordelijkheid bij het organiseren van (onderwijs) ondersteuning en zorg voor leerlingen op school. Wanneer het ondersteuningsaanbod vanuit het onderwijs ontoereikend is, zijn deze leerlingen voor aanvullende hulp- of zorg aangewezen op hun eigen gemeente of zorgkantoor vanuit de Jeugdwet of de Wet Langdurige zorg. In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt geregeld dat samenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en zorgkantoren overleg voeren over het zoveel mogelijk in samenhang aanbieden van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op school en de wijze van financiering daarvan. Samenwerkingsverbanden worden gevormd door samenwerkende schoolbesturen in het primair en/of voortgezet onderwijs en vertegenwoordigen daarmee de aangesloten scholen in dit overleg.
Schoolbesturen blijven verantwoordelijk voor het organiseren van het onderwijs en de ondersteuning voor leerlingen op hun scholen. Via het samenwerkingsverband zijn zij betrokken bij de afspraken die met gemeenten en zorgkantoren worden gemaakt over de inzet van zorg en ondersteuning op school. De wet staat er daarnaast niet aan in de weg dat schoolbesturen van cluster 3- en 4-scholen rechtstreeks bij het overleg worden betrokken wanneer dat wenselijk is.
Binnen het stelsel van passend onderwijs dragen schoolbesturen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs gezamenlijk verantwoordelijkheid voor een dekkend aanbod van ondersteuning in de regio. Met het wetsvoorstel wordt beoogd dat zij, samen met gemeenten en zorgkantoren, betere afspraken maken over de afstemming tussen onderwijs, jeugdhulp en langdurige zorg voor leerlingen op cluster 3- en 4-scholen.
De leden van de SGP-fractie merken op dat de voorgestelde aanpassingen van de wetgeving in de brief specifiek betrekking hebben op gespecialiseerde scholen. Deze leden vragen een toelichting op deze beperking. Waarom worden reguliere scholen, zeker in het licht van de inzet op inclusiever onderwijs, op voorhand buiten beschouwing gelaten als het gaat om de afstemming met de Jeugdwet en de Wlz?
De aangekondigde aanpassingen van wetgeving richten zich in eerste instantie op het gespecialiseerd onderwijs (cluster 3 en 4), omdat de inzet van zorg in onderwijstijd (ZiO) daar het meest voorkomt en de knelpunten in de praktijk het meest zichtbaar zijn. Dit betekent echter niet dat het regulier onderwijs wordt uitgesloten. De voorgestane acties die ik heb aangekondigd in de Kamerbrief31, sluiten het regulier onderwijs niet uit. In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet zijn bepalingen opgenomen over het maken van (bestuurlijke) afspraken tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren over de inzet van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op cluster 3 en 4 scholen. Deze afspraken worden bij voorkeur op regionaal niveau gemaakt en kunnen ook betrekking hebben op de collectieve inzet van ondersteuning en zorg op scholen in het reguliere onderwijs.
Ook andere onderdelen van de aanpak zijn breder toepasbaar. Zo worden in het op 23 maart ondertekend convenant «Stevige lokale teams» afspraken gemaakt over samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp rond scholen. Daarnaast biedt de Leidraad ZiO handvatten die ook in het reguliere onderwijs gebruikt kunnen worden. Daarmee dragen deze maatregelen eraan bij dat ondersteuning en zorg beter worden georganiseerd in en rond scholen, zowel in het gespecialiseerd als in het reguliere onderwijs.
De leden van de SGP-fractie zouden graag meer duiding ontvangen van de inhoud van de wettelijke aanpassingen. De brief lijkt te suggereren dat enkel een algemene overlegplicht voor de betrokken partijen wordt geregeld. Daarmee bestaat het risico dat nog steeds onvoldoende duidelijke kaders en afspraken worden gecreëerd en dat basale aanspraken in sommige regio’s niet gerealiseerd kunnen worden. Deze leden vragen een nadere toelichting.
In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt voorgesteld samenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en zorgkantoren te verplichten om te overleggen over het in samenhang inzetten van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg. Het voorstel schrijft voor dat dit overleg in ieder geval gericht moet zijn op het maken van afspraken over het bieden van basisjeugdhulp en de wijze waarop de betrokken gemeenten deze hulp financieren. Voor het geval de partijen die deelnemen aan het overleg er onderling niet uitkomen, dienen zij een geschillenregeling te treffen.
De overlegplicht en geschillenregeling staan daarbij niet op zichzelf. Om ervoor te zorgen dat in de praktijk daadwerkelijk afspraken worden gemaakt en om administratieve lasten te verminderen, is er naast de wettelijke verplichtingen ook praktische ondersteuning beschikbaar. Zo is er een Leidraad ZiO en kunnen zorgarrangeurs partijen ondersteunen bij het maken van afspraken.
De ontwikkelingen worden nauwgezet gevolgd. Vijf jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel vindt een evaluatie plaats. Indien blijkt dat de praktijk achterblijft, zullen aanvullende maatregelen worden overwogen.
Het is de leden van de SGP-fractie nog niet duidelijk hoe binnen de beoogde collectieve financiering de verhouding is tussen de zorg die nu bijvoorbeeld op basis van de Wlz op school wordt verleend en in de thuissituatie. Deze leden wijzen erop dat in de afgelopen jaren vaak een spanning bestond tussen de behoefte van ouders om een indicatie zoveel mogelijk te benutten voor de ondersteuning thuis en dat scholen aanspraak wilden maken op (een deel van) het budget om de ondersteuning in de klas te financieren. In hoeverre gaat de wetswijzigingen hierover duidelijkheid scheppen en wordt in ieder geval de noodzaak en de mogelijkheid van schimmige constructies vermeden?
Met het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt beoogd de samenwerking tussen scholen, gemeenten, zorgaanbieders en zorgkantoren te versterken, zodat zorg en jeugdhulp op school transparanter en beter georganiseerd kan worden. In het verplichte overleg maken partijen afspraken over de inzet van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op school en de wijze waarop deze wordt georganiseerd en gefinancierd.
Daarbij blijft de individuele aanspraak van een leerling op zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) onverminderd bestaan. Door gezamenlijk inzicht te hebben in de zorgbehoefte van leerlingen op schoolniveau en hierover afspraken te maken, ontstaat meer duidelijkheid over welke zorg tijdens onderwijstijd collectief wordt georganiseerd en welke zorg daarbuiten plaatsvindt. Ouders maken vervolgens met het zorgkantoor afspraken over de inzet van zorg buiten onderwijstijd. Op deze manier wordt beoogd meer transparantie te creëren en onduidelijkheid over de inzet van zorg te voorkomen.
De leden van de SGP-fractie vragen de Minister in te gaan op de samenhang tussen de Leerplichtwet en de bekostiging van zorg in onderwijs en verzoeken haar toe te lichten welke concrete knelpunten zij ziet op dit snijvlak voor het realiseren van (collectieve) financiering van zorg in onderwijs en welke oplossingen daarvoor worden voorgesteld.
OCW en VWS werken gezamenlijk aan de verbeteraanpak ZiO, zodat leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs de jeugdhulp en/of zorg krijgen die nodig is om onderwijs te kunnen volgen en zich naar hun leerpotentieel kunnen ontwikkelen. Voor een deel van de leerlingen is deze ondersteuning een voorwaarde om naar school te kunnen gaan en daarmee te kunnen voldoen aan de leerplicht.
In de praktijk kunnen knelpunten ontstaan op het snijvlak van onderwijs, zorg en de Leerplichtwet, omdat de afbakening tussen deze domeinen in de wet niet in detail is vastgelegd. Dit blijkt ook uit verschillende onderzoeken naar ZiO32. Daarom wordt met de verbeteraanpak ZiO ingezet op betere samenwerking en afstemming tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren. Door aan de voorkant gezamenlijk afspraken te maken, kan op lokaal en regionaal niveau duidelijker worden bepaald welke ondersteuning vanuit het onderwijs wordt geboden en wanneer aanvullende zorg nodig is.
In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt geregeld dat gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren overleg voeren over het in samenhang voorzien in van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op school. Door deze samenwerking en duidelijke afspraken te versterken, wordt beoogd dat leerlingen sneller de ondersteuning krijgen die nodig is om onderwijs te kunnen volgen en daarmee te voldoen aan de leerplicht.
Met de verbeteraanpak ZiO wordt daarom ingezet op betere samenwerking en afstemming tussen onderwijs en zorg. In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt geregeld dat gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren overleg voeren over het in samenhang organiseren van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op school. Door deze samenwerking en duidelijke afspraken aan de voorkant te versterken, wordt beoogd dat leerlingen sneller de ondersteuning krijgen die nodig is om onderwijs te kunnen volgen en daarmee te voldoen aan de leerplicht.
Daarnaast biedt de Leidraad ZiO praktische handvatten voor het maken van afspraken en kunnen scholen en gemeenten ondersteuning krijgen van zorgarrangeurs bij het organiseren van zorg en ondersteuning op school.
De leden van de SGP-fractie vragen de Minister in te gaan op de samenhang tussen de Leerplichtwet en de bekostiging van zorg in onderwijs. Zij wijzen erop dat de kaders en de uitvoering van de Leerplichtwet ook een belangrijke schakel vormen als het gaat om de mogelijkheid om (collectieve) financiering van zorg in onderwijs te kunnen realiseren. Kan de Minister aangeven welke concrete knelpunten zij ziet op dit snijvlak en welke oplossingen hiervoor voorgesteld worden? Op welke wijze en wanneer wordt voorzien in een duidelijker regeling om op betrouwbare en professionele wijze vast te stellen in hoeverre een kind in staat is onderwijs te volgen en om volledige vrijstellingen tot het minimale te beperken?
Het is een zorgwekkende ontwikkeling dat meer kinderen en jongeren niet deelnemen aan onderwijs. Voor een deel van deze leerlingen is ondersteuning of zorg tijdens schooltijd noodzakelijk om onderwijs te kunnen volgen en daarmee te kunnen voldoen aan de leerplicht. In de praktijk kan het organiseren en financieren van deze ondersteuning complex zijn, omdat onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg vanuit verschillende wettelijke kaders en financieringsstromen worden georganiseerd. Dit kan leiden tot onduidelijkheid over verantwoordelijkheden of vertraging bij het organiseren van passende ondersteuning.
Daarom werkt de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie (OCW) sinds 2022 actief aan de verzuimaanpak. Onderdeel daarvan is onder andere het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim. Dit wetsvoorstel verbetert het zicht op verzuim, verscherpt de preventieve verzuimaanpak van scholen en versterkt de samenwerking met onder andere leerplichtambtenaren en samenwerkingsverbanden.
Het wetsvoorstel bevat daarnaast een maatregel om de procedure bij het vaststellen van een vrijstelling op basis van lichamelijke of psychische gronden te verbeteren. Het borgt in de eerste plaats dat het onderwijskundig perspectief van het kind wordt betrokken in de procedure van de vrijstelling. Dit advies beschrijft de maatwerkmogelijkheden voor de betreffende jongere in de regio, zodat wordt voorkomen dat jongeren die geschikt zijn om schoolonderwijs te volgen langdurig geen enkele vorm van onderwijs ontvangen. In de tweede plaats regelt het wetsvoorstel dat er variatie mogelijk wordt in de duur van een vrijstelling. Door bij beide maatregelen te kijken naar hoe jongeren wél onderwijs kunnen volgen en zich daarbinnen kunnen ontwikkelen, wordt beoogd dat in de toekomst minder vrijstellingen nodig zijn.
Indien verzuim veroorzaakt wordt door bemoeilijkte aansluiting tussen onderwijs en zorg is meer ruimte nodig om deze samen te organiseren. Hiertoe is in 2023 het experiment onderwijszorgarrangementen gestart waar momenteel ruim 3.000 leerlingen gebruik van maken of hebben gemaakt. De mogelijkheid tot het flexibeler inrichten van maatwerk op het snijvlak van onderwijs en zorg zal in de wet worden geborgd. Een voorstel daartoe zal voor de zomer van 2026 in internetconsultatie staan. Dit is aanvullend op de maatregelen genomen in het kader van ZiO gericht op het eenvoudiger inzetten van zorg op school in cluster 3 en 4.
Naar aanleiding van «Positie clusters 1 en 2». De leden van de SGP-fractie delen de constatering dat de voorgenomen wetsaanpassingen niet passend zijn voor de clusters 1 en 2. Deze leden vragen of de Minister kan bevestigen dat er geen voornemens zijn om de status van deze clusters aan te passen, gezien de bijzondere, specialistische aard van de ondersteuning.
Binnen de verbeteraanpak ZiO is het kabinet niet voornemens de status van cluster 1 en 2 aan te passen.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de Minister in de brief ten aanzien van de clusters 1 en 2 enkel ingaat op de afstemming tussen de financiering op basis van de Jeugdwet en het onderwijs en dat de afstemming tussen de Wlz en het onderwijs buiten beschouwing blijft. Zij vragen een toelichting op de afstemming tussen de Wlz en het onderwijs voor de clusters 1 en 2. Ziet de Minister ook de wenselijkheid om voor deze clusters collectieve financiering mogelijk te maken op grond van de Wlz?
De afstemming tussen Wlz-zorg en onderwijs verloopt in de kern op dezelfde manier voor alle onderwijsclusters. Wanneer aanvullende zorg nodig is om onderwijs te kunnen volgen, kan de betrokken zorgaanbieder hiervoor een aanvraag indienen bij het zorgkantoor. Het zorgkantoor beoordeelt deze aanvraag en besluit over de inzet van Wlz-zorg.
Voor cluster 1 en 2 geldt dat scholen en zorginstellingen vaak onderdeel zijn van dezelfde organisatie. Daardoor zijn de lijnen tussen onderwijs en zorg in de praktijk kort en is er binnen de organisatie veel kennis en expertise aanwezig over de specifieke ondersteuningsbehoeften van deze leerlingen. Dit kan de afstemming tussen onderwijs en zorg vergemakkelijken. Tegelijk blijft ook hier gelden dat het zorgkantoor verantwoordelijk is voor de beoordeling en bekostiging van de benodigde Wlz-zorg.
Collectieve afspraken over de beschikbaarheid van Wlz-zorg kunnen voordelen hebben voor scholen, ouders en zorgaanbieders, onder meer doordat administratieve lasten worden verminderd en zorg eenvoudiger kan worden georganiseerd. In de praktijk is daarom verkend of collectieve financiering via de onderwijsbekostiging mogelijk zou zijn. Uit deze verkenning is gebleken dat uitvoering via de reguliere onderwijsbekostiging op grond van de huidige onderwijswetgeving niet haalbaar is. Wel blijft het mogelijk dat partijen in de praktijk collectieve afspraken maken over de organisatie en inzet van Wlz-zorg op school, bijvoorbeeld door gezamenlijk afspraken te maken met zorgaanbieders en zorgkantoren over de beschikbaarheid van ZiO.
ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de huidige verbeteraanpak zich verhoudt tot de aanpak uit de Kamerbrief van juli 2023 (Kamerstuk 31 497, nr. 466) en welke resultaten inmiddels zijn bereikt.
In de Kamerbrief uit 2023 is gekoerst op een vereenvoudiging van zorg in onderwijstijd (ZiO) middels collectieve inzet, binnen de huidige stelsels en met behoud van de bestaande financiële kaders. Om tot het voorgestelde pakket aan maatregelen te komen, hebben verschillende afstemmingsmomenten plaatsgevonden, zowel met het onderwijs- en zorgveld als via interdepartementale afstemming en onderzoek.
De verbeteraanpak ZiO staat niet op zichzelf, maar bouwt voort op de ervaringen die sinds 2018 zijn opgedaan met onder andere de inzet van zorgarrangeurs, onderzoeken, pilots en goede praktijkvoorbeelden. Dit heeft geleid tot de voorgenomen aanpassingen in wet- en regelgeving. Zo bleek uit gesprekken dat een precieze definitie van ZiO niet wenselijk is en dat een strikte afbakening tussen zorg/jeugdhulp en onderwijs zich niet goed leent voor vastlegging in wet- en regelgeving. Een oplossing is gevonden in de Leidraad ZiO, die onlangs is gepubliceerd en partijen helpt om goede bestuurlijke (regionale) afspraken te maken. Hiermee kan – vooruitlopend op de voorgenomen wetsaanpassingen – in de praktijk al gewerkt worden aan het maken van collectieve afspraken. Tot slot is er, naast cluster 3 en 4, ook aandacht voor andere onderwijsvormen. Zo zijn cluster 1 en 2 eveneens meegenomen in de verbeteraanpak van ZiO.
Ten aanzien van de aanpassing van wetgeving voor cluster 3 en 4 zien de leden van de ChristenUnie-fractie dat dit een stap in de goede richting is om meer samenwerking en afstemming af te dwingen. Tegelijk maken deze leden zich zorgen over de slagkracht en effectiviteit van een lokaal overleg met lokale scholen. Ziet de Minister ook dat schoolbesturen met mandaat (die geregeld gemeenteoverstijgend actief zijn) aan tafel dienen te zitten om het overleg effectief te laten zijn? En op welke manier kan afgedwongen worden dat er regionaal wordt overlegd omdat cluster 3 en 4 onderwijs de lokale setting meestal overstijgt? Heeft de Minister dit overwogen? Zo nee, waarom niet?
Voor scholen in het speciaal (basis)onderwijs is het vaak nodig om samen te werken met meerdere gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en soms ook zorgkantoren. Het is daarom van belang dat betrokken partijen aan de voorkant goede afspraken maken over de coördinatie van zorg en jeugdhulp in onderwijstijd, zodat kinderen de ondersteuning krijgen die zij nodig hebben, ouders weten bij wie zij terecht kunnen en het onderwijs ongestoord doorgang kan vinden.
Het kabinet onderschrijft dat het daarbij van belang is dat partijen die deelnemen aan het overleg voldoende mandaat hebben om afspraken te maken. Scholen voor speciaal onderwijs in cluster 3 of 4 en het speciaal basisonderwijs zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband passend onderwijs. Het kan per regio verschillen wie het speciaal (basis)onderwijs het beste kan vertegenwoordigen in het op overeenstemming gericht overleg (OOGO), bijvoorbeeld het samenwerkingsverband, het schoolbestuur of een schooldirecteur. Het staat samenwerkingsverbanden passend onderwijs vrij om ook het schoolbestuur van de betreffende school of scholen te laten deelnemen aan het OOGO. Daarmee kan worden geborgd dat partijen die regionaal opereren en mandaat hebben om afspraken te maken, betrokken zijn bij het overleg.
Het staat partijen vrij dit overleg op regionaal te voeren. Er is echter bewust voor gekozen dit niet wettelijk voor te schrijven en partijen in de praktijk de mogelijkheid te geven het overleg zodanig vorm te geven dat voor hen het meest passend is. Daarbij speelt ook mee dat Jeugdregio’s, onderwijsregio’s van samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoorregio’s geografisch niet altijd samenvallen. Bovendien is de inkoop basisjeugdhulp niet op regionaal niveau is georganiseerd. Naast bovengenoemde meer praktische redenen geldt voorts dat gemeenten hiermee zoveel mogelijk beleidsvrijheid wordt gelaten.
Om te bevorderen dat partijen in de praktijk tot afspraken komen, bevat het conceptwetsvoorstel daarnaast een geschillenregeling voor het geval partijen er onderling niet uitkomen. Ook zijn er aanvullende instrumenten beschikbaar, zoals de Leidraad ZiO en de inzet van zorgarrangeurs, die partijen ondersteunen bij het organiseren van passende zorg en ondersteuning voor leerlingen.
Partijen worden nadrukkelijk aangemoedigd om waar dat passend is afspraken op regionaal niveau te maken, juist vanwege de bovenregionale functie van scholen in het gespecialiseerd onderwijs.
Ten aanzien van het stimuleren van bestuurlijke afspraken op regionaal of lokaal niveau voor cluster 3 en 4, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of is overwogen om het maken van afspraken te verplichten. Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft overwogen om afspraken verplicht op regionaal niveau te organiseren of deze bindend voor te schrijven. Om de betrokken partijen voldoende ruimte te bieden om te doen wat nodig is en een disproportionele inbreuk op de beleidsvrijheid van gemeenten te voorkomen, is ervoor gekozen om het regionaal organiseren van afspraken aan te moedigen, maar niet verplicht te stellen. Daarbij speelt ook mee dat jeugdregio’s, onderwijsregio’s van samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoorregio’s geografisch niet altijd samenvallen en dat de inkoop en inzet van basisjeugdhulp niet op regionaal niveau is georganiseerd. Daarom is ervoor gekozen om geen specifieke regio-indeling voor te schrijven en in plaats daarvan in te zetten op een combinatie van verplichte samenwerking, ondersteuning en stimulering van regionale afspraken.
Ten aanzien van de bekostiging voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking vinden de leden van de ChristenUnie-fractie het teleurstellend dat er nog steeds geen structurele oplossing is. Is de Minister voornemens om daar wel aan te werken?
Voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking (EMB) is het van belang dat onderwijs en zorg goed op elkaar aansluiten. Vanuit het onderwijs is structureel € 5 miljoen beschikbaar om scholen te ondersteunen bij het bieden van onderwijs aan deze leerlingen. De huidige EMB-regeling wordt geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie wordt bezien of aanpassingen in de regeling wenselijk zijn en hoe de ondersteuning voor EMB-leerlingen op langere termijn het best kan worden vormgegeven.
De motie Westerveld33 verzoekt de regering om beleidsopties te verkennen voor onder meer een systeem van landelijke aanmelding en rechtstreekse bekostiging door het Rijk voor leerlingen met een EMB. Deze verkenning wordt momenteel uitgevoerd. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de effecten voor ouders en scholen, de uitvoerbaarheid voor partijen in het veld en DUO en de gevolgen voor de organisatie van ondersteuning. Over deze beleidsopties gaat de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie binnenkort in gesprek met partijen uit het veld. Uw Kamer wordt vóór de zomer van 2026 geïnformeerd over de uitkomsten en eventuele vervolgstappen.
Daarnaast wordt met het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet ingezet op betere samenwerking tussen scholen, samenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en zorgkantoren. Door gezamenlijk afspraken te maken over de organisatie en inzet van ZiO kan zorg en ondersteuning op scholen beter worden georganiseerd.
De leden van de ChristenUnie-fractie houden vast aan de ambitie om Zorg in Onderwijstijd ook in het regulier onderwijs te introduceren en te borgen. Heeft de Minister deze ambitie ook?
Alle kinderen hebben, indien nodig, recht op passende ondersteuning om onderwijs te kunnen volgen, of zij nu gebruikmaken van regulier of gespecialiseerd onderwijs. De verbeteraanpak ZiO zie ik daarbij als een stap richting de bredere ambitie van inclusief onderwijs. Zowel in het speciaal als in het regulier onderwijs is het belangrijk dat scholen, samenwerkingsverbanden en gemeenten samenwerken en afspraken maken over ondersteuning en zorg op school.
Het samenwerkingsverband en het gespecialiseerd onderwijs beschikken over zowel experts als expertise om kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte te ondersteunen. Hetzelfde geldt voor de Jeugdgezondheidszorg die aanwezig is op school. Indien deze ondersteuning en expertise ontoereikend zijn voor kinderen in het regulier onderwijs, deel ik de ambitie dat er ZiO beschikbaar is, zodat leerlingen onderwijs kunnen blijven volgen.
Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie welke impact wordt verwacht van deze verbeteraanpak ten aanzien van thuiszitters. Worden zij met de voorgestelde aanpak uiteindelijk beter begeleid en naar onderwijs geleid?
OCW en VWS werken aan de verbeteraanpak ZiO zodat leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs de passende jeugdhulp en/of zorg krijgen die nodig is om onderwijs te kunnen volgen en zich naar hun leerpotentieel kunnen ontwikkelen. Voor sommige leerlingen is deze ondersteuning een voorwaarde om naar school te kunnen gaan en daarmee te kunnen voldoen aan de leerplicht. Door zorg en ondersteuning beter te organiseren tijdens onderwijstijd kan worden voorkomen dat leerlingen uitvallen en thuis komen te zitten.
Daarnaast draagt de verbeteraanpak ZiO ook bij aan de onderwijskwaliteit. Wanneer zorgprofessionals en onderwijspersoneel beter samenwerken en minder verschillende zorgverleners in de klas aanwezig zijn, ontstaat meer rust in de klas en kunnen leerlingen beter worden ondersteund. De Leidraad ZiO bundelt hiervoor praktijken, inzichten en handvatten uit de praktijk.
Daarnaast zet het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim een belangrijke stap om het aantal thuiszittende jongeren terug te dringen. Dit wetsvoorstel versterkt de preventieve aanpak van schoolverzuim, onder andere door het verzuimbeleid van scholen aan te scherpen, de samenwerking tussen scholen en ketenpartners te versterken en het zicht op verzuim te verbeteren. Hierdoor kunnen jongeren eerder worden gezien en geholpen, zodat zij onderwijs kunnen blijven volgen.
De Groep Markuszower
Leden van de Groep Markuszower hebben geen nadere vragen gesteld.
Op een cluster 3-school wordt onderwijs gegeven aan leerlingen met een lichamelijke handicap en/of verstandelijke handicap en langdurig zieke leerlingen (somatisch).
Op een cluster 4-school wordt onderwijs gegeven aan kinderen met psychische stoornissen en gedragsproblemen.
Pilotscholen zoals Hart van Brabant en de zorgarrangeurs die ruim 120 scholen begeleid hebben.
Alle 42 jeugdhulpregio’s is door de VNG gevraagd een RET in te richten dat ongedacht de complexiteit van de zorgvraag, en wanneer het komen tot passende hulp vastloopt, met alle betrokken partijen komt tot een doorbraak in het komen tot passende hulp.
Een document dat de gemeenten of gecertificeerde instelling afgeeft om een individuele voorziening van jeugdhulp te verlenen aan de jeugdige.
Zie ook de memorie van toelichting op de Jeugdwet, Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 8.
Op een cluster 3-school wordt onderwijs gegeven aan leerlingen met een lichamelijke handicap en/of verstandelijke handicap en langdurig zieke leerlingen (somatisch).
Op een cluster 4-school wordt onderwijs gegeven aan kinderen met psychische stoornissen en gedragsproblemen.
Pilotscholen zoals Hart van Brabant en de zorgarrangeurs die ruim 120 scholen begeleid hebben.
Alle 42 jeugdhulpregio’s is door de VNG gevraagd een RET in te richten dat ongedacht de complexiteit van de zorgvraag, en wanneer het komen tot passende hulp vastloopt, met alle betrokken partijen komt tot een doorbraak in het komen tot passende hulp.
Een document dat de gemeenten of gecertificeerde instelling afgeeft om een individuele voorziening van jeugdhulp te verlenen aan de jeugdige.
Zie ook de memorie van toelichting op de Jeugdwet, Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 8.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31497-512.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.