Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201331415 nr. 7

31 415 DNA-onderzoek in strafzaken

Nr. 7 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 maart 2013

Hierbij stuur ik u het rapport «DNA in de databank, de moeite waard?» dat de resultaten van het onderzoek naar de effectiviteit en efficiency van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA-V) bevat. Het rapport, opgesteld door de Universiteit Leiden in opdracht van het WODC, is een vervolg op het onderzoek dat in 2007 is uitgevoerd naar het proces van de invoering van de Wet DNA-V. In de brief waarbij dat onderzoek is aangeboden aan uw Kamer1 is een evaluatie van de beoogde effecten van de wet in het vooruitzicht gesteld. Dat is het onderzoek waarvan het rapport nu voorligt.

De Wet DNA-V

Op grond van de Wet DNA-V worden mensen die veroordeeld zijn tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel of tot een taakstraf voor een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, in beginsel verplicht celmateriaal af te staan. Uit het celmateriaal wordt een DNA-profiel opgesteld dat wordt bewaard in de DNA-databank voor strafzaken bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De DNA-profielen in de databank kunnen worden gebruikt bij de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten waarbij lichaamsmateriaal van daders is of wordt gevonden. Op de momenten waarop het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken dat voorschrijft, wordt het celmateriaal vernietigd en het DNA-profiel uit de databank verwijderd en vernietigd. Bezwaar maken tegen de afname van celmateriaal is op grond van de Wet DNA-V niet mogelijk, maar wel tegen opname van het DNA-profiel in de databank.

Doel van het onderzoek

Het onderzoek richt zich in de eerste plaats op de effectiviteit van de Wet DNA-V, in het bijzonder op de vraag in welke mate de toepassing van de Wet DNA-V bijdraagt aan de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Daarnaast is de efficiëntie van de Wet DNA-V onderzocht; hoe verloopt op dit moment de uitvoering van de wet binnen de Nederlandse strafrechtketen? Een interventiemiddel als forensisch DNA-onderzoek mag als zodanig effectief zijn, het uiteindelijke resultaat van het middel hangt ook af van de wijze waarop het proces is georganiseerd. In dit verband kan ook worden verwezen naar de eerder genoemde procesevaluatie uit 2007, waarin als knelpunt onder meer werden genoemd de achterstanden bij de uitvoering van de Wet DNA-V bij het openbaar ministerie (OM) en het NFI, alsmede de noodzaak van verbetering van de communicatiestromen tussen de diverse betrokken partners bij de uitvoering van die wet.

Uitkomsten

De onderzoekers concluderen dat de toepassing van de Wet DNA-V bijdraagt aan de opsporing van verdachten van misdrijven. Sinds 2005 is de omvang van de DNA-databank exponentieel gegroeid en die groei heeft met name te maken met de invoering in dat jaar van de Wet DNA-V. Inmiddels is van 115.824 veroordeelden een DNA-profiel opgeslagen op een totaal van 130.067 profielen.2 Van alle personen die op basis van de Wet DNA-V zijn opgenomen in de DNA-databank heeft vergelijking met een DNA-spoor in 8405 gevallen (7,3%) geleid tot een match. Een van de meest opzienbarende resultaten van de Wet DNA-V was een match die leidde tot een doorbraak in de zogeheten Puttense moordzaak.

Deze cijfers behoeven volgens de onderzoekers echter correctie. Zo is een match niet altijd essentieel voor de individualisering van de verdachte, bijvoorbeeld omdat de verdachte op heterdaad is gepakt. De match kan in die situatie uiteraard nog wel van belang zijn voor het bewijs. Ook kan de match niet meer van belang zijn omdat de dader van het misdrijf al is veroordeeld. Gelet daarop zijn de onderzoekers ervan uitgegaan dat 50% van de matches die zich als gevolg van de Wet DNA-V hebben voorgedaan, niet relevant is voor de vervolging en berechting van degenen wier DNA-profiel matchte. Indien daarvan wordt uitgegaan, heeft de Wet DNA-V sinds haar inwerkingtreding circa 4200 verdachten opgeleverd ten aanzien waarvan de match relevant is geweest voor hun vervolging en berechting. In 2011 zou het dan gaan om bijna 900 verdachten.

In het antwoord op de tweede vraag laat het onderzoek zien dat bovengenoemde knelpunten uit het verleden inmiddels grotendeels zijn opgelost: achterstanden bij het OM en NFI zijn verleden tijd, de communicatie tussen de ketenpartners is aanzienlijk verbeterd door de opzet van DNA-bureaus bij de parketten en het inmiddels ingevoerde GPS-DNA systeem ondersteunt de registratie en de communicatie met het NFI.

Conclusie

Uit het onderzoek komt een positief beeld naar voren van de effectiviteit van de Wet DNA-V, terwijl ook de uitvoering goed loopt. Met betrekking tot de effectiviteit van de Wet DNA-V wordt mijn beeld bevestigd dat de toepassing van de wet een wezenlijke bijdrage levert aan de opsporing van verdachten van misdrijven.

Ook mijn oordeel over de wijze waarop de Wet DNA-V wordt uitgevoerd, is positief. Wel is er nog ruimte voor verdere verbetering op het gebied van digitalisering, de terugkoppeling aan parketten en de bezwaarprocedure. De verdere digitalisering van de informatie-uitwisseling in de strafrechtketen is een aandachtspunt dat reeds in bredere context wordt opgepakt.3 Met het OM en het NFI is afgesproken te bezien hoe uitvoering te geven aan de aanbeveling om bij melding van matches een dubbele terugkoppeling te doen (richting zowel het parket van de veroordeling als het parket van de matchende zaak). Volgens de onderzoekers kan dit de doorlooptijden verder bevorderen en de kans op fouten verder verminderen. Met betrekking tot de bezwaarprocedure is vorig jaar tussen het OM en de zittende magistratuur de afspraak gemaakt dat binnen 24 uur het bezwaar door de griffie van de rechtbank aan het OM wordt gemeld. Deze afspraak is opgenomen in het Landelijk strafprocesreglement voor de rechtbanken en het openbaar ministerie. Met deze afspraak kan sneller tot vervolging worden overgegaan indien er sprake is van een relevante match.

De minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


X Noot
1

Kamerstukken II 2007–2008, 31 415, nr. 2, p. 8.

X Noot
2

Het NFI heeft mij bericht dat op 6 februari 2013 het aantal profielen van veroordeelden inmiddels 145.317 is.

X Noot
3

Brief 29 juni 2012 inzake Versterking van de prestaties in de strafrechtketen. TK 2011–2012, 29 279, nr. 147