31 415
DNA-onderzoek in strafzaken

nr. 2
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 juni 2008

1. Inleiding

In de nota «DNA onderzoek in strafzaken vanuit wetgevings- en juridisch perspectief» die ik u bij brief van 31 maart 2008 heb aangeboden1, heb ik u toegezegd op korte termijn een tweetal onderzoeksrapporten toe te zenden die betrekking hebben op de evaluatie van twee wetten op grond waarvan de mogelijkheden voor de toepassing van DNA-onderzoek zijn verruimd. Het eerste rapport, Sporen met DNA geheten2, bevat een evaluatie van de wijzigingen die in het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken zijn aangebracht en die met ingang van 1 november 20013 in werking zijn getreden.4

Het tweede onderzoek5 met de titel «Van vonnis tot DNA-profiel: procesevaluatie van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden» bevat, zoals de titel al aangeeft, een evaluatie van het proces van de eerste fase van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.6 Deze wet is op 1 februari 2005 in werking getreden.

Deze brief bespreekt in paragraaf 2 het eerste rapport en in paragraaf 3 het tweede rapport. Paragraaf 4 van deze brief sluit af met de conclusies die ik aan deze onderzoeken verbind.

2. Effectevaluatie: Sporen met DNA

2.1 Aanleiding, doel en opzet van het onderzoek

De belangrijkste wijzigingen die in het Wetboek van Strafvordering in de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken in het voorbereidend onderzoek zijn aangebracht, zijn:

• De categorie delicten waarvoor DNA-onderzoek kan worden toegepast, is uitgebreid tot alle delicten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Voordien was het grofweg alleen mogelijk bij misdrijven waarop acht jaar of meer gevangenisstraf was gesteld.

• Het criterium van «dringend noodzakelijk voor het aan de dag brengen van de waarheid» is vervangen door het ruimere criterium «in het belang van het onderzoek».

• De officier van justitie heeft dezelfde bevoegdheden gekregen als de rechter-commissaris om van verdachten celmateriaal te laten afnemen voor DNA-onderzoek.

Het rapport «Sporen met DNA» beschrijft de resultaten van deze wijzigingen in de praktijk. Kernvragen zijn: in welke mate en in welke gevallen wordt DNA-onderzoek ingezet, wat zijn de praktijkervaringen met dit instrument en wat is de bijdrage van DNA-onderzoek aan (de efficiency van) opsporing en vervolging. De beantwoording van deze vraagstelling is gebaseerd op informatie verkregen van de diverse ketenpartners, interviews met sleutelfiguren en dossieronderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd in 4 regio’s, waarbij 2004 als peiljaar is genomen. Op deze wijze is in de resultaatmeting de invloed van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden zoveel mogelijk buiten beschouwing gelaten. Hoewel het onderzoek in beginsel specifiek gericht was op het effect van de wetswijziging die op 1 november 2001 in werking trad, zijn ook aspecten van de implementatie aan de orde gekomen.

2.2 Belangrijkste bevindingen

De wetswijziging maakte het mogelijk om naast het DNA-onderzoek dat al kon worden ingezet bij bepaalde zogenaamde kapitale misdrijven – waaronder gewelds- en zedenmisdrijven worden begrepen – dit middel ook in te zetten bij de andere voorlopige-hechtenis-misdrijven. Voor veel voorkomende misdrijven, zoals woninginbraken, is er vanwege het grote aantal een aparte, gestandaardiseerde en meer op opsporing gerichte procedure voor DNA-onderzoek overeengekomen die inhoudt dat de politie alleen bepaalde stukken van overtuiging (wattenstaafjes met bloed, wattenstaafjes met speeksel, peuken, kauwgom) aan het NFI aanbiedt in een set van maximaal dertig sporen. Hierdoor is de term High Volume Crime (HVC)-zaken in zwang gekomen. Dit in tegenstelling tot high profile-zaken, oftewel kapitale misdrijven.

Uit het onderzoek blijkt dat de invloed van DNA-onderzoek op het strafproces zeer sterk geldt bij HVC-zaken. Maar de belangrijkste bevindingen van het rapport zijn dat na november 2001 er aanzienlijk vaker DNA-onderzoek wordt ingezet dan voordien, het criterium «belang van het onderzoek» goed hanteerbaar is voor de officier van justitie en dat de uitvoeringsproblemen die gepaard gingen met de start van de wet grotendeels overwonnen zijn. Deze bevindingen zullen nu kort worden toegelicht.

2.3 Sterke toename DNA-onderzoeken na 2001

– Sporenonderzoek

Het rapport laat zien dat na 1 november 2001 DNA-onderzoek aanzienlijk vaker wordt ingezet dan voordien. De toename betreft niet alleen het gebruik bij HVC-zaken – waarvoor deze wet onder meer de mogelijkheid opende – maar geldt ook voor de kapitale misdrijven waarvoor DNA-onderzoek al mogelijk was. Ter illustratie: het aantal aanvragen bij het NFI voor DNA-onderzoek nam toe van 667 in 1999 tot 10 963 in 2004. Daarbij ging het in 7918 gevallen om HVC-zaken.

Verhoudingsgewijs, dat wil zeggen in relatie tot het aantal processen-verbaal, wordt DNA-onderzoek het meest toegepast bij zedenzaken gevolgd door levensmisdrijven, mishandeling en bedreiging. Dat gold reeds in 1999, maar het aandeel van zedenzaken is verder toegenomen in 2004.

– Sterke toename van afname van celmateriaal bij verdachten

In het peiljaar analyseerde het NFI 2778 referentiemonsters van verdachten waarvan het daarvan verkregen DNA-profiel in de DNA-databank is opgeslagen, terwijl het in 1999 nog ging om 1285 profielen van verdachten. Het aantal onvrijwillige afnamen wordt geschat tussen de 5 en 25% en varieert per regio. Fysieke dwang bij de afname van celmateriaal komt vrijwel niet voor.

De wetswijziging leidde dus tot een sterke groei van zowel het sporenonderzoek als onderzoek aan celmateriaal van verdachten. Als gevolg hiervan is het aantal DNA-profielen in de DNA-databank ook sterk gegroeid.

– Verschillen per regio

Er zijn tussen de onderzochte regio’s verschillen in de wijze waarop DNA-onderzoek wordt ingezet. Dat betreft de mate waarin de forensische opsporing wordt ingezet en de plaats delict wordt bezocht, de manier waarop biologisch sporenmateriaal wordt gescreend en veiliggesteld op de plaats delict, en de mate waarin uit bloedsporen een volledig profiel kan worden verkregen. Ook is er verschil in de aard van de delicten waarbij DNA-onderzoek werd ingezet. Zo bleek dat een regio verhoudingsgewijs twee maal zoveel sporen uit HVC-zaken verzamelde dan een andere regio.

2.4 «Belang van het onderzoek» goed hanteerbaar criterium voor de officier van justitie

Het verruimde criterium «belang van het onderzoek» vormt nagenoeg geen belemmering voor het starten van een DNA-onderzoek, aldus de geïnterviewde officieren van justitie. Het proportionaliteitsbeginsel zorgt ervoor dat, als er veel ander bewijs is – uitsluitend een bekennende verklaring is daarvoor niet voldoende – van DNA-onderzoek wordt afgezien.

Na de inwerkingtreding van de wetswijziging is het geven van bevelen tot het verrichten van een DNA-onderzoek nagenoeg volledig in handen komen te liggen van de officier van justitie. Het komt het nog maar sporadisch voor dat de rechter-commissaris daartoe opdracht geeft.

2.5 Uitvoeringsproblemen in de aanloopfase

De explosieve groei van het aantal DNA-onderzoeken heeft een rol gespeeld bij het ontstaan van knelpunten in de aanvangsfase. Er waren achterstanden bij de verwerking door het NFI van aanvragen om DNA-onderzoek, terwijl ook het opschonen van de DNA-databank – dat wil zeggen het vernietigen van DNA-profielen en celmateriaal bijvoorbeeld vanwege vrijspraak van de verdachte – aanvankelijk vertraging opliep doordat bevelen daartoe van het openbaar ministerie achterwege bleven.

De destijds ontstane situatie hangt niet samen met de aard van de uitbreiding die in gang werd gezet, maar moet, achteraf bezien, worden gezien in het licht van de enorme toename van het aantal DNA-onderzoeken en de afwezigheid van een adequaat automatiseringssysteem. Dat DNA-onderzoek na 2001 zo’n grote vlucht zou nemen, werd eigenlijk door niemand verwacht, zo stelt het rapport. Uit de evaluatie blijkt dat deze situatie intussen is verbeterd, niet in de laatste plaats door de inzet van de instanties die direct bij de uitvoering zijn betrokken: de politie, het openbaar ministerie en het NFI.

2.6 Invloed van DNA-onderzoek op het strafproces vooral bij HVC-zaken

In de evaluatie is bezien wat de rol is van DNA-onderzoek in de diversefasen van het strafproces, dat wil zeggen bij de opsporing, bij de beslissing tot vervolging en bij het onderzoek ter terechtzitting. Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen de kapitale delicten en HVC-zaken, zoals inbraken. Bij dit laatste soort zaken is het percentage hits en matches hoger dan bij kapitale delicten.

Met name voor HVC-zaken geldt dat de uitkomst van DNA-onderzoek in de opsporingsfase een grote, identificerende rol speelt. Op een persoon wiens DNA-profiel matcht na vergelijking met het DNA-profiel uit het sporenmateriaal dat na een inbraak is veilig gesteld, rust al snel een verdenking van die inbraak. Het positieve resultaat van de profielvergelijking leidt er ook sneller toe dat een verdachte een bekennende verklaring aflegt.

Bij kapitale misdrijven ligt dat anders. Vaak is er een relatie tussen de verdachte en het slachtoffer, zodat het enkel aantreffen van DNA-materiaal op het slachtoffer of de plaats delict als zodanig geen uitsluitsel geeft of hij het misdrijf gepleegd heeft. Daarnaast blijkt dat bij kapitale misdrijven de proceshouding van verdachten anders is dan bij HVC-zaken. Omdat er voor verdachten meer op het spel staat bij kapitale misdrijven, is een positieve uitkomst van een DNA-onderzoek voor hen zeker niet altijd reden om te bekennen.

Verder heeft bij de beslissing om te vervolgen DNA-onderzoek in circa een vijfde van de gevallen een doorslaggevende rol gespeeld. In ruim de helft van de gevallen was dit niet het geval, bijvoorbeeld omdat er voldoende ander bewijs was, of omdat het DNA-onderzoek slechts betrekking had op een deel van de feiten.

Bij de behandeling ter zitting blijkt DNA-onderzoek een grotere rol te spelen dan bij de beslissing omtrent vervolging. In ruim een derde van de zaken gaf belastend DNA-onderzoek de doorslag. In het vonnis van de rechtbank wordt nogal eens gerefereerd aan het belastende of ontlastende bewijs uit DNA-onderzoek.

2.7 Reflectie

Gunstige effecten

De centrale vraag van dit onderzoek is wat de effecten zijn van de per 1 november 2001 ingetreden wijziging van de wettelijke regeling van het DNA-onderzoek. Deze effecten worden positief beoordeeld. Toepassing van DNA-onderzoek is na de onderhavige wetswijziging – zoals beoogd – inderdaad toegenomen. Er was zelfs sprake van een explosieve groei die niet was voorzien en waardoor knelpunten bij de uitvoering ontstonden. Deze knelpunten zijn onder meer door praktische werkafspraken goeddeels overwonnen. Voorts is het kennisniveau over DNA-onderzoek bij zowel de staande als de zittende magistratuur toegenomen. De inzet van forensische officieren van justitie acht ik in dit verband ook een belangrijke factor.

De toename van het aantal DNA-onderzoeken geldt niet alleen voor de kapitale delicten, waarvoor dit reeds mogelijk was. Juist bij die categorie delicten waarvoor de wet van 2001 de mogelijkheid opende wordt DNA-onderzoek veel toegepast en blijkt ook zeer effectief te zijn. Het nieuw ingevoerde criterium «in het belang van het onderzoek», blijkt in dit verband de ruimere toepassing van DNA-onderzoek te ondersteunen.

Vervolgstappen

Het rapport bevat nuttige informatie en aanwijzingen die ook in het licht van eerder genoemde nota van 31 maart 2008 de praktijk van het DNA-onderzoek verder kunnen versterken.

Aan enkele punten zal specifiek aandacht worden gegeven. Het opschonen van de databank heeft nu grote prioriteit bij het openbaar ministerie en wordt ondersteund door het NFI met gerichte voorlichting aan medewerkers van de parketten. De realisering van de onder punt 3.4 genoemde geautomatiseerde aanlevering van gegevens – die wordt gekoppeld aan de implementatie van de tweede fase van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden – zal ook voor dit aspect een meer structurele oplossing betekenen.

Een tweede aandachtspunt is het geconstateerde verschil tussen de diverse regio’s wat betreft de praktijk van het DNA-onderzoek en, wat heel wezenlijk is, de daarmee bereikte resultaten. Het is voor de kwaliteit van de opsporing wenselijk dat het sporenonderzoek overal aan de maat is. Te dien behoeve is in het Beleidsprogramma van dit kabinet voorzien in de aanstelling van 500 extra forensische assistenten bij de politie. Dat zal de komende jaren gebeuren, hetgeen mede moet bijdragen tot de beoogde verbetering van het ophelderingspercentage met 15%.

3. Procesevaluatie: Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden

3.1 Aanleiding en doel onderzoek

Op 1 februari 2005 is de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in werking getreden. De invoering van deze wet vindt gefaseerd plaats. Tijdens de eerste fase wordt sinds februari 2005 bij de veroordeelden wegens geweld- en zedenmisdrijven celmateriaal afgenomen. De implementatie van de tweede fase start in 2009.

De wet heeft belangrijke uitvoeringsgevolgen voor diverse aan justitie gerelateerde organisaties. Deze gevolgen zijn door het WODC in 2007 onderzocht door middel van een zogenaamde «procesevaluatie». De centrale vraagstelling van het onderzoek is: hoe verloopt de uitvoering van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en wat zijn de tot nu toe behaalde resultaten van de bij deze uitvoering betrokken organisaties? De procesevaluatie is in 2008 afgerond. In een later stadium zullen ook de beoogde effecten van deze wetswijziging worden bezien.

Ik ga nu eerst in op de procesbeschrijving van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

3.2 Proces rond de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden

Deze wet is enerzijds van toepassing op alle personen die na 1 februari 2005 zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedenmisdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is en aan wie een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd of een taakstraf. Buiten de reikwijdte van de wet vallen personen die wel schuldig zijn verklaard, maar aan wie geen straf is opgelegd en personen die veroordeeld zijn tot alleen een geldboete of financiële maatregel. De uitvoering van de wet ten aanzien van veroordelingen na 1 februari 2005 wordt het reguliere traject genoemd.

Anderzijds geldt de wet ook voor veroordeelden die voor 1 februari 2005 al waren veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel en die deze op die datum nog ondergingen of nog moesten ondergaan. Dit deel van de wetsuitvoering wordt aangeduid als de inhaalslag. Veroordeelden die voor 1 februari 2005 een andere sanctie opgelegd hebben gekregen, zoals een taakstraf, vallen níet onder de inhaalslag en bij hen wordt in het kader van deze wet dus ook geen celmateriaal afgenomen.

De evaluatie concentreert zich op het proces rond de toepassing van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Op hoofdlijnen omvat het reguliere traject de volgende stappen.

• Het start met het bevel van een officier van justitie tot afname van celmateriaal van een veroordeelde. Een officier van justitie kan conform de uitzonderingsgronden afzien van uitvaardiging van een bevel. De veroordeelde kan geen bezwaar maken tegen afname van celmateriaal, maar tegen de opname van zijn DNA-profiel in de DNA-databank.

• De afname van celmateriaal vindt, indien de veroordeelde gedetineerd is, plaats in een penitentiaire inrichting, en indien hij zijn straf buiten een inrichting ondergaat, op het politiebureau tijdens de zogenaamde «DNA-spreekuren».

• Het NFI maakt, indien geen bezwaar wordt gemaakt door de veroordeelde, van het celmateriaal een DNA-profiel en voegt dit profiel toe aan de DNA-databank.

• Als gevolg van profielvergelijkingen kunnen matches of hits ontstaan met andere profielen in de DNA-databank die het NFI aan het openbaar ministerie meldt. Deze melding kan aanleiding zijn tot een opsporingsonderzoek.

3.3 Belangrijkste bevindingen

Doelstelling van implementatie behaald

De hoofdconclusie van het onderzoek is positief, namelijk dat, de omvang van de operatie in aanmerking nemend, de uitvoering van de wet op veel punten zonder problemen verloopt. In overeenstemming met de doelstelling van de wetgever wordt door de officier van justitie nauwelijks gebruik gemaakt van de uitzonderingsgronden. Wel blijkt dat in een deel van de gevallen de officier van justitie niet heeft afgewogen of van een uitzonderingsgrond sprake was. Ook blijkt dat slechts 2% van de veroordeelden een bezwaarschrift heeft ingediend tegen verwerking van zijn celmateriaal, 21% hiervan is gegrond verklaard. De afgelopen jaren is bij tienduizenden veroordeelden celmateriaal afgenomen en verwerkt tot DNA-profielen die opgenomen zijn in de DNA-databank. Tot en met half 2007 zijn er in totaal ruim 47 000 bevelen tot afname van celmateriaal bij veroordeelden uitgevaardigd. Fysieke dwang, zo blijkt uit de evaluatie, bij de afname van celmateriaal lijkt vrijwel nergens voor te komen. De opkomst op de DNA-spreekuren van de politie is ongeveer 60%. Dit percentage is veel hoger dan voor de inwerkingtreding van de wet werd ingeschat.

Knelpunten op onderdelen

Het NFI heeft in de eerste plaats het grote aanbod van celmateriaal van veroordeelden niet goed kunnen verwerken en er ontstonden grote achterstanden. Geconstateerd wordt dat de hoeveelheid veroordeelden waarop de wet van toepassing is, veel groter is dan waarvan bij de voorbereidingen is uitgegaan. De reden daarvan was dat tijdens de voorbereiding van de implementatie van de wet geen rekening was gehouden met afname van celmateriaal van veroordeelden wegens brandstichting en eenvoudige mishandeling. Deze misdrijven zijn pas op een vrij laat moment in het traject toegevoegd aan de lijst van de gewelds- en misdrijven waarop de wet in de eerste fase van toepassing zou zijn. Daarnaast speelde het hoge opkomstpercentage een rol.

Ook de melding en opvolging van hits is een onderdeel van de uitvoering dat niet goed is verlopen. Uit de evaluatie blijkt dat een deel van de hits betrekking heeft op reeds afgedane zaken en dat een deel niet is aangekomen bij de juiste officier. Dat een deel van de hits betrekking heeft op zaken die al eerder zijn afgedaan, hangt samen met het feit dat het openbaar ministerie niet altijd voldoet aan zijn informatieplicht richting het NFI. Het ontbreken van een op DNA-onderzoek toegespitste geautomatiseerde aanlevering van gegevens maakt dat naleving van die informatieplicht een tijdrovend proces is. De invoering van een dergelijk systeem zou vanwege de vele communicatiestromen tussen het openbaar ministerie, het NFI en de politie, ook de efficiency en kwaliteit van andere delen van het uitvoeringsproces ten goede komen. Verder is met betrekking tot de inhaalslag een deel van de bevelen niet uitgevoerd omdat de betreffendeveroordeelden voor de bemonstering al op vrije voeten waren gesteld en er in de eerste maanden niet voldoende DNA afnamesetjes of verpleegkundigen waren.

3.4 Reflectie

Algemeen beeld positief

De hoofdconclusie van het onderzoek is, zoals gezegd, positief. De omvang van de operatie in aanmerking nemend verloopt de uitvoering van de wet op veel punten zonder problemen. Ik onderschrijf deze conclusie.

Van tienduizenden veroordeelden is de afgelopen jaren DNA-materiaal afgenomen en verwerkt tot een DNA-profiel, dat vervolgens is opgenomen in de DNA-databank. Dit alles heeft geleid tot een sterke groei van de databank. Mede door de implementatie van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden zijn er anno 2008 ruim 50 000 profielen opgenomen in de DNA-databank. Sinds 1 februari 2005 is het aantal DNA-profielen verachtvoudigd. Een goed gevulde databank is geen doel op zich zelf, maar wel een voorwaarde om strafbare feiten op te helderen en te voorkomen. Naarmate het aantal DNA-profielen in de DNA-databank toeneemt, zowel van verdachten als veroordeelden, heeft profielvergelijking eerder tot gevolg dat een DNA-profiel een hit oplevert met een of meer in de databank opgeslagen profielen. Hierdoor kunnen misdrijven opgelost worden en daar kan de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in belangrijke mate toe bijdragen.

Tussentijdse bijsturing

Hoewel het algemene beeld van de implementatie positief is, was wel tussentijds bijsturing nodig en wordt ook nu nog stelselmatig gewerkt aan verbetering van de processen.

De Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden heeft kwantitatief aanzienlijke en kwalitatief complexe gevolgen voor de uitvoeringsorganisaties. Dit blijkt ook uit de procesevaluatie. De uitvoeringsorganisaties hebben tijd nodig (gehad) om de wet adequaat in te voeren en vervolgens te borgen in de werkprocessen. Gedurende dit proces zijn, daar waar zaken niet goed liepen, procedures aangepast en verbeterd.

Een goed voorbeeld hiervan betreft de aanpassingen van de procedures rond de melding en opvolging van hits die het openbaar ministerie in 2007 doorgevoerd heeft. Het openbaar ministerie heeft hiertoe het project «Verbetering DNA-taken» ingesteld. Doel van dit project is het verbeteren van onder meer de afhandeling van meldingen van hits en het verbeteren van de kwaliteit en uniformiteit van het berichtenverkeer tussen arrondissementsparketten en ressortsparketten met betrekking tot DNA-taken. Er is een gedetailleerde procesbeschrijving «DNA bij veroordeelden» opgesteld. Ook is het (tijdelijke) geautomatiseerde systeem Registratie Onderzoeks Opdrachten DNA (ROOD) aangepast zodat sinds medio oktober 2007 de hits wel in dit systeem geregistreerd kunnen worden en dient door de parketten periodiek aan het parket-generaal te worden gerapporteerd over de vervolgstappen die zijn genomen naar aanleiding van de ontvangen hits. Daarnaast verstuurt het NFI vanaf 1 september 2007 alle hits naar één daartoe aangewezen officier van justitie binnen een parket (doorgaans de forensische officier van justitie).

Verdere stappen/tweede fase van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden

De implementatie van de eerste fase van de wet is grondig voorbereid en begeleid door een projectgroep waaraan vertegenwoordigers hebben deelgenomen van alle organisaties die bij de toepassing van DNA-onderzoek bij veroordeelden betrokken zijn. Desondanks blijkt de werkelijkheid soms anders te lopen dan vooraf kon worden ingeschat. Een constatering van het onderzoek is dat de hoeveelheid veroordeelden waarop de wet van toepassing is, veel groter is dan waarvan bij de voorbereidingen is uitgegaan, omdat het aantal delicten dat onder de werking van de wet viel, werd uitgebreid. Dit aspect en het hoge opkomstpercentage hebben geleid tot achterstanden bij het NFI, die reeds zijn aangepakt door de verdere automatisering van de werkprocessen van het NFI. Eind 2008 zal er sprake zijn van een acceptabele werkvoorraad.

Dit is mede van belang omdat in 2009 de start van de implementatie van de – al eerder genoemde – tweede fase van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden plaats zal vinden. Bij de voorbereidingen van deze nieuwe fase zullen de resultaten van de procesevaluatie nadrukkelijk worden betrokken. Het gaat hierbij om nieuwe inzichten in de opkomstpercentages op de spreekuren van de politie, het aantal ingediende bezwaarschriften en meer in het algemeen ook om het verbeteren van de communicatiestromen. In dit verband is dan ook relevant dat bij de voorbereiding van de implementatie van de tweede fase ook de ontwikkeling van het geautomatiseerd aanleveren van gegevens wordt meegenomen.

4. Tot slot

De voorgelegde twee evaluatieonderzoeken laten zien dat er bij de uitbreiding van de wettelijke mogelijkheden tot toepassing van DNA-onderzoek bij verdachten en veroordeelden in de aanloopfase knelpunten waren op het vlak van de uitvoering. Tegelijkertijd kan echter worden geconstateerd dat naarmate langer met de nieuwe toepassingsmogelijkheden voor DNA-onderzoek wordt gewerkt, de startproblemen steeds meer zijn overwonnen. Al met al overheerst een positief beeld over de in gang gezette verruimingen. Zoals werd beoogd, is de toepassing van DNA-onderzoek enorm uitgebreid en is ook de DNA-databank navenant sterk gegroeid. Dit biedt kansen voor de bestrijding van de criminaliteit, doordat er zich meer «hits» voordoen die leiden tot de mogelijke dader van het misdrijf. De eerste ervaringen, zoals ook blijkt uit beide onderzoeken, bevestigen de positieve effecten van de ruimere inzet van DNA-onderzoek en leiden tot de conclusie dat dit instrument zich heeft ontwikkeld tot een krachtig instrument in het strafproces. Om die reden zal – zoals ik ook reeds heb aangekondigd in de in de inleiding genoemde nota «DNA-onderzoek in strafzaken vanuit wetgevings- en juridisch perspectief» – de toepassing van het DNA-onderzoek verder worden geoptimaliseerd. De onderhavige evaluatieonderzoeken bieden hiervoor goede aanknopingspunten.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 415, nr. 1, blz. 13 en 15.

XNoot
2

Dit rapport is in 2008 opgesteld door het IVA beleidsonderzoek en advies.

XNoot
3

Wet van 5 juli 2001 tot wijziging van de regeling van het DNA onderzoek in strafzaken (Stb. 2001, 335)

XNoot
4

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
5

E. W. Kruisbergen, Van vonnis tot DNA-profiel: procesevaluatie van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, WODC, 2008.

XNoot
6

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven