Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201431389 nr. 134

31 389 Een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren)

Nr. 134 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 16 oktober 2013

Binnen de vaste commissie voor Economische Zaken hebben enkele fracties de behoefte om enige vragen en opmerkingen voor te leggen aan de staatssecretaris van Economische Zaken over de brief van 19 juni 2013 over de Positieflijst voor te houden zoogdieren (Kamerstuk 31 389, nr. 130).

De staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 15 oktober 2013.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Hamer

De adjunct-griffier van de commissie, Van Bree

Inhoudsopgave

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

     
 

Vragen van de leden van de VVD-fractie

2

 

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

4

 

Vragen van de leden van de SP-fractie

4

 

Vragen van de leden van de CDA-fractie

6

 

Vragen van de leden van de D66-fractie

8

 

Vragen van de leden van de SGP-fractie

8

 

Vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie

10

 

Vragen van de leden van de 50PLUS-fractie

12

     

II

Antwoord / Reactie van de staatssecretaris

13

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris en de positieflijst voor te houden zoogdieren. Deze leden hebben hierbij de volgende vragen en opmerkingen.

De leden van de VVD-fractie lezen dat het doel van een positieflijst het reguleren is van soorten die uit oogpunt van dierenwelzijn en risico’s voor de mens verantwoord gehouden kunnen worden. De leden van de VVD-fractie willen van de staatssecretaris weten wat de aanleiding is geweest om een positieflijst op te stellen. Kan de staatssecretaris aangeven of bijvoorbeeld bepaalde excessen ten grondslag hebben gelegen aan het besluit om over te gaan tot een positieflijst? Zo ja, kan de staatssecretaris een overzicht presenteren welke excessen de afgelopen tien jaar hebben plaatsgevonden met zoogdieren? De leden van de VVD-fractie merken voorts op dat er de afgelopen decennia steeds meer (vergelijkbare) lijsten in omloop zijn gekomen, zoals de CITES-lijsten, de rode lijst, de lijst van bejaagbare soorten, de lijst van exoten in de Benelux, de lijsten van de Vogel- en Habitatrichtlijn, de positieflijst enzovoorts. Kan de staatssecretaris een overzicht geven van alle lijsten die er momenteel bestaan en aangeven wat de relatie van deze lijsten tot elkaar is?

De leden van de VVD-fractie lezen dat in de Wet dieren is bepaald dat het houden van dieren die niet behoren tot deze positieflijst wordt verboden. De leden van de VVD-fractie onderschrijven de intentie van de positieflijst, maar zijn bezorgd dat de gevolgen voor ondernemers (dierenwinkels, faunaparken enzovoorts) onvoldoende in kaart zijn gebracht. Zo zullen faunaparken verdwijnen, omdat ze geen dieren (zoals neusberen, capibara’s, eekhoorns, wasbeerhonden en prairiehondjes) meer mogen houden die op de positieflijst staan, terwijl deze parken wel de benodigde kennis in huis hebben om deze dieren te verzorgen. Kan de staatssecretaris aangeven wat de gevolgen zijn van de positieflijst voor ondernemers (dierenwinkels, faunaparken)? Kan de staatssecretaris aangeven of zij de Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR) ook de gevolgen voor ondernemers als gevolg van de positieflijst heeft laten onderzoeken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunnen de resultaten van dit onderzoek alsnog naar de Kamer worden gestuurd? Kan de staatssecretaris toezeggen dat, indien er nog geen onderzoek gedaan is naar de gevolgen van de positieflijst voor ondernemers, zij dit alsnog laat doen?

De leden van de VVD-fractie lezen dat met een aantal belangrijke stakeholders is gesproken over deze indeling en aanpak. Het betreft hier Dibevo, de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde, het Platform Verantwoord Huisdierbezit, Dierenbescherming en de Dierencoalitie/Stichting Aap. De leden van de VVD-fractie willen per stakeholder weten hoe zij tegen de positieflijst aankijken.

De leden van de VVD-fractie lezen dat een randvoorwaarde voor de positieflijst het voldoen aan het Andibel-arrest uit 2011 is. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in dit arrest geoordeeld dat een positieflijst is toegestaan als een binnen het Europees recht toegelaten handelsbelemmering, in het belang van dierenwelzijn, bescherming van de gezondheid en het leven van mens en dier en het gevaar van invasieve exoten, onder de voorwaarde dat: (1) de lijst is gebaseerd op objectieve (wetenschappelijke) criteria; (2) de lijst non-discriminatoir is, en (3) er een gemakkelijke procedure bestaat voor belanghebbenden om een verzoek in te dienen om soorten van de lijst te halen of op de lijst geplaatst te krijgen; (4) afwijzing van een verzoek om plaatsing op de lijst of van een ontheffingsverzoek slechts wordt gebaseerd op schending van de hierboven genoemde belangen en (5) eventuele voorwaarden aan het houden van dieren die niet op de lijst staan, objectief gerechtvaardigd en proportioneel zijn. Deze leden lezen verder dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de staatssecretaris te gemakkelijk deze conclusie trekt, aangezien er nog steeds verschillende belangenorganisaties zijn die twijfels hebben over de juistheid van deze aanname. Ook vinden deze leden dat de staatssecretaris in haar brief onvoldoende motiveert op welke wijze is voldaan aan de eerder genoemde criteria. De leden van de VVD-fractie willen een nadere onderbouwing van de staatssecretaris hoe (juridisch) is getoetst dat de positieflijst(en) in lijn zijn met het Andibel-arrest. Voorts hebben deze leden twijfels over de voorwaarden dat soorten gemakkelijk van de lijst kunnen worden gehaald of worden geplaatst. Deze leden zijn bezorgd dat het risico en de kans op willekeur toeneemt, zoals ook te zien was bij de lijst van bejaagbare soorten. Bij deze lijst werden soorten er willekeurig afgehaald of toegevoegd zonder aantoonbare wetenschappelijke onderbouwing. Kan de staatssecretaris toelichten hoe is geborgd dat het risico op willekeur tot een minimum beperkt is?

De leden van de VVD-fractie lezen dat de staatssecretaris gekomen is tot een uitwerking van de positieflijst, resulterend in twee categorieën: (1) diersoorten die gehouden mogen worden zonder speciale voorwaarden en (2) diersoorten die niet zonder meer gehouden mogen worden, maar mogelijk wel gehouden mogen worden onder speciale randvoorwaarden. De staatssecretaris heeft ten aanzien van deze laatste categorie de Raad voor Dierenaangelegenheden verzocht om een nadere uitwerking van de voorwaarden voor 15 oktober 2013. De leden van de VVD-fractie vinden het opmerkelijk dat dit niet eerder is gebeurd, aanzien de positieflijst reeds naar de Kamer is gezonden. Ook blijven ondernemers langer in onzekerheid, omdat (nog steeds) niet duidelijk is welke dieren wel of niet gehouden mogen worden. Kan de staatssecretaris toelichten waarom dit verzoek niet eerder is uitgevraagd? Kan de staatssecretaris voorts aangeven waarom de positieflijst plus de nadere uitwerking van deze voorwaarden niet tegelijkertijd naar de Kamer is gestuurd?

De leden van de VVD-fractie lezen dat voor dieren die op het tijdstip van inwerkingtreding van het verbod gehouden worden, en niet op de positieflijst staan, een overgangsregeling wordt gemaakt. Deze overgangsregeling houdt in dat dieren die ten tijde van de inwerkingtreding niet op de positieflijst staan, gehouden mogen worden zolang zij leven. Ter uitvoering van de overgangsregeling moet het dier geïdentificeerd worden door middel van een chip of DNA gekoppeld aan een dierenartsenverklaring. De leden van de VVD-fractie constateren dat deze overgangsregeling leidt tot extra administratieve lasten en kosten voor dierhouders. De leden van de VVD-fractie willen van de staatssecretaris een overzicht ontvangen van alle administratieve lasten en kosten die de positieflijst met zich meebrengt voor burgers, bedrijven en de overheid?

De leden van de VVD-fractie lezen dat de staatssecretaris een werkgroep zal instellen bestaande uit Landelijke Inspectie Dienst (LID), Dienst Regelingen (DR), Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het ministerie van Economische Zaken (EZ). De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat nog niet duidelijk is hoe de handhaving ten aanzien van de positieflijst eruit gaat zien en zij willen graag een nadere toelichting van de staatssecretaris hierop.

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het voorstel om tot een positieflijst voor te houden zoogdieren te komen. De leden van de PvdA-fractie zijn al jarenlang voorstander van het vastleggen van de diersoorten die uit oogpunt van dierenwelzijn en risico’s voor de mens verantwoord gehouden kunnen worden.

De leden van de PvdA-fractie hebben enkele vragen waarop ze de staatssecretaris verzoeken op in te gaan.

De leden van de PvdA-fractie vernemen graag waarom de staatssecretaris van mening is dat er voor productiedieren, die hobbymatig worden gehouden, geen soort-specifieke huisvestigingseisen dienen te worden opgesteld.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de staatssecretaris om een motivering voor waarom er dierensoorten met een zeer lage WUR- & expertbeoordeling zijn opgenomen in de lijst van diersoorten die onder bepaalde voorwaarden mogen worden gehouden (bijlage 1c).

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de staatssecretaris om nader in te gaan op de positie van dieren die na 1 januari 2014 niet meer mogen worden gehouden, maar nog in het bezit zijn van fokkerijen en handelaren. Mogen deze dieren nog worden verkocht aan consumenten?

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de staatssecretaris nader in te gaan op het belang dat bij de beoordeling van diersoorten is toegekend aan het zoönoserisico en vernemen graag of de aanwezigheid van een meer dan gemiddeld zoönoserisico geen reden dient te zijn om het houden van een bepaalde diersoort te verbieden?

De leden van de PvdA-fractie hebben de wens om ook tot een positieflijst voor reptielen en vogels te komen en vragen de staatssecretaris wat de stand van zaken is met betrekking tot de ontwikkeling van deze positieflijsten?

Vragen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben zeer lang moeten wachten op de positieflijst. De Kamer vroeg per motie voor de zomer 2010 met de positieflijst te komen. De leden van de SP-fractie constateren dat deze deadline niet gehaald is, maar zijn blij dat de lijst nu uiteindelijk is ontvangen. In hoofdlijnen zijn de leden van de SP-fractie tevreden met de opgestelde lijsten: een korte positieflijst en een wat langere paarse lijst. De leden van de SP-fractie kijken positief aan tegen een paarse lijst (1c) van moelijker te houden dieren. Veel hangt natuurlijk af van de invulling van de criteria/voorwaarden van de paarse lijst. Hoe zien de voorwaarden eruit die gesteld worden voor het houden van de dieren op de 1c-lijst? Worden die voorwaarden gesteld aan de houder of aan de houderij-omstandigheden? Mogen de dieren van de paarse lijst straks alleen door leden van verenigingen van experts gehouden worden? Ziet de staatssecretaris een collectieve medeverantwoordelijkheid voor naleving binnen de betreffende verenigingen? Ziet de staatssecretaris een rol voor certificering van verenigingen van experts? Is de staatssecretaris voornemens verplichte openbare, bindende houdvoorschriften op te leggen bij de paarse lijst? Moeten verenigingen expertise kunnen aantonen en goede naleving binnen de vereniging kunnen aantonen? Is de staatssecretaris voornemens om de handhavingscapaciteit op te schroeven? Zo nee, hoe wil zij gaan handhaven? Wat zijn de sancties, wanneer een houder een dier houdt dat niet op de Positieflijst staat of wanneer de houder niet voldoet aan de voorwaarden die gesteld zijn aan het houden van dieren op lijst 1c?

Is de staatssecretaris bereid om huisvestings- en verzorgingsrichtlijnen per soort op te stellen voor de positieflijst en goede voorlichting verplicht te stellen? Erkent de regering dat ongerief bij bijvoorbeeld een eenzaam, slecht verzorgd konijn in een te klein hokje beduidend erger kan zijn dan een willekeurig dier van de paarse lijst dat door een kenner uitmuntend verzorgd wordt? Erkent de staatssecretaris dan ook dat huisvestings- en verzorgingsrichtlijnen per soort noodzakelijk zijn? Zo nee, hoe wordt dit dierenleed bij huisdieren van de positieflijst dan voorkomen? Is de staatssecretaris bereid huisvesting voor dieren vooraf te toetsen op geschiktheid voor de betreffende dieren?

De leden van de SP-fractie hebben wel bezwaren bij de lijst 1b. De leden van de SP-fractie zouden het onacceptabel vinden als nertsen door particulieren gehouden mogen worden als gezelschapsdier, terwijl er juist een verbod op de nertsenhouderij is ingegaan. Hoe ziet de staatssecretaris dit in relatie tot het verbod? Hoe ziet de staatssecretaris dit in relatie tot het feit dat de nerts een moeilijk te houden, solitair levend waterroofdier is waar welzijnsschade door verschillende onderzoeken al is aangetoond. De leden van de SP-fractie vragen de staatssecretaris de nerts niet toe te staan voor particulieren en zeker niet op de positieflijst te zetten.

De leden van de SP-fractie zien voor de gehele lijst 1b het probleem dat deze in het geheel niet getoetst is. Dat vinden de leden van de SP-fractie onwenselijk en dit ondergraaft volgens hen ook de systematiek van het geheel, doordat de onderbouwing mist. Is de staatssecretaris alsnog bereid de lijst 1b op dezelfde manier te beoordelen als de andere lijsten? Zo nee, ondergraaft dit niet de argumentatie en is dit «Andibel-proof»? Graag ook de visie van de relatie van het gehele voorstel met het Andibel-arrest.

Erkent de staatssecretaris dat ook bij de dieren van 1b welzijnsproblemen kunnen voorkomen als zij op de verkeerde manier gehouden worden? Wat gaat de staatssecretaris doen om deze welzijnsproblemen aan te pakken?

Welke regels betreffende huisvesting en verzorging gelden nu al per diersoort voor de dieren op lijst 1a en lijst 1b? De leden van de SP-fractie ontvangen graag een overzicht. Hoe wordt handhaving nu geregeld, met welke intensiteit, en hoeveel mankracht wordt hierop ingezet? Welke capaciteit is er bij het Openbaar Ministerie (OM) op dierenwelzijnskwesties en in welke mate stranden dierenwelzijnszaken nog bij het OM? Voorts hebben de leden van de SP-fractie nog een aantal verduidelijkende vragen.

Wordt de verkoop van dieren, die niet op de positieflijst staan, in winkels en op internet ook verboden, welke ingangsdatum wordt nagestreefd en wat gebeurt er met dieren «op voorraad»? Wat is de planning betreffende de overgangstermijn? Is er opvang voor de dieren tijdens en na de overgangstermijn? Geldt het fok-/handelsverbod ook voor handelaren die dieren fokken en leveren voor afnemers buiten de Nederlandse markt? Wordt er een publiekscampagne gepland? Hoe wordt de identificatie van de dieren geregeld en is dit per diersoort? Voorts vragen de leden van de SP-fractie of alle dieren geïdentificeerd worden, want kleinere dieren zijn gezien hun korte levensduur wellicht al gestorven, voordat de overgangstermijn ten einde is? Zullen bestaande Identificatie&Registratie-databanken geraadpleegd worden? Kan gewaarborgd worden dat de databank, waarin deze registratie plaats zal vinden, onderdeel uit maakt van een Europees netwerk (zoals Europetnet), met het oog op de handel en traceerbaarheid van dieren en mogelijk Europese ontwikkelingen ten aanzien van de Positieflijst? In welke mate zullen de registratiedata (onder andere aantallen en soorten dieren) openbaar zijn in verband met het nut hiervan voor de opvangsector?

Vragen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de Positieflijst voor te houden zoogdieren. Als deze leden de voorgestelde Positieflijst zouden steunen, komt er een verbod op een groot deel van de hobbydieren die nu in Nederland gehouden worden. Meer dan de helft van de Nederlandse huishoudens heeft gezelschaps- en hobbydieren, naar schatting zijn er meer dan 500.000 houders met ook «bijzondere soorten», de soorten die straks niet op de Positieflijst komen en daarmee dus worden verboden. De meeste gezelschaps-, hobby- en bedrijfsmatig gehouden dieren hebben het in Nederland heel erg goed bij hun bazen. Waar de leden van de CDA-fractie wel regelmatig problemen signaleren is bij degenen die handeldrijven in gezelschaps- en hobbydieren.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat het mogelijk moet zijn om tot een Positieflijst te komen, die rekening houdt met het voortbestaan van de hobbydiersector en negatieve uitwassen op dierenwelzijn gebied voortkomt. Het kan toch niet zo zijn dat grote delen van de hobbysector zich genoodzaakt voelt om in de illegaliteit voort te bestaan met alle gevolgen van dien voor de handhaving ten aanzien van dierenwelzijn.

De leden van de CDA-fractie hebben nog een aantal vragen ten aanzien van het tot stand komen van de Positieflijst en de juridische aspecten daarvan.

De leden van de CDA-fractie hebben grote moeite met betrekking tot de wijze waarop de positieflijst zoogdieren tot stand is gekomen. Vele mensen houden de dieren, die niet op de huidige positieflijst staan, op een diervriendelijke manier. Waarom kiest de staatssecretaris ervoor om het houden van deze dieren te verbieden, terwijl er heel weinig misstanden zijn in verband met deze soorten? Of beschikt de staatssecretaris over informatie die het tegendeel aantonen? Indien dat het geval is, zou de staatssecretaris deze informatie ter beschikking kunnen stellen? Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe de staatssecretaris het dierenwelzijn van de zoogdieren, die niet op de positieflijst staan en illegaal gehouden worden, gaat beschermen? Wat draagt de positieflijst bij aan verwaarlozing van huisdieren?

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de staatssecretaris er niet voor kiest om alle soorten van de RDA-Positieflijst als uitgangspunt te nemen en zo te komen tot een lijst die Andibel-proof is? Een bijkomend voordeel hiervan is dat de RDA-positieflijst tot stand is gekomen met steun van betrokken partijen.

In de brief van de staatssecretaris (Kamerstuk 31 389 nr.130) staat dat er met belangrijke stakeholders is gesproken over de indeling en aanpak. Graag horen de leden van de CDA-fractie hoe deze organisaties hebben gereageerd op de indeling, aanpak en hoe zij worden betrokken bij de verdere uitwerking?

De leden van de CDA-fractie hebben de indruk dat op basis van de criteria in artikel 1.4, lid 1 en de interpretatie daarvan door de WUR er eigenlijk geen zoogdieren, op een paar soorten muizen en cavia’s na, gehouden kunnen worden in Nederland. Uit de 90 dieren die door de WUR onderzocht zijn, komen er maar zes op de positieflijst, namelijk de gouden stekelmuis, de cavia, de sinaïstekelmuis, de wezelcavia, de woelmuis, en het konijn. De hamster, de fret, en ongeveer 31 andere zoogdiersoorten mogen nog alleen onder bepaalde randvoorwaarden gehouden worden. Andere zoogdieren zijn verboden om te houden, waaronder 51 door de WUR onderzochte soorten. De opmerking in de brief van de staatssecretaris «deze soorten (gedomesticeerde diersoorten hond, kat en aangewezen soorten en categorieën van in Nederland te houden dieren voor productie) mogen thans in ieder geval gehouden worden» versterkt dit beeld. De leden van de CDA-fractie willen graag weten in hoeverre de staatsecretaris van plan is dit beleid verder te gaan doorvoeren? In de ogen van de leden van de CDA-fractie wordt de liefdevolle houder van deze dieren tekortgedaan.

Net alsof de houder niet goed in staat is om voor zijn dieren te zorgen. Het gaat de leden van de CDA-fractie de pet te boven waarom iemand niet zou kunnen zorgen voor een Siberische hamster. De leden van de CDA-fractie horen graag van de staatssecretaris hoe welzijnsaantasting is gewogen met betrekking tot het zogenaamde fokverbod voor zoogdieren, die niet meer gehouden mogen worden?

Wat betreft de invoering van het verbod hebben de leden van de CDA-fractie ook nog enkele vragen. Wordt de invoer en/of verkoop, zowel in winkels als op internet, van dieren die niet op de lijst staan per 1 januari 2014 ook verboden? Wat gaat er gebeuren met dieren die op «voorraad» zijn? Hoe wordt de voorgenomen identificatie vormgegeven? Hoe gaat de burger geïnformeerd worden over het verbod? Komt er een overgangstermijn voor de invoering van de positieflijst en het daaraan gekoppelde verbod? Geldt het fok-/handelsverbod ook voor Nederlandse handelaren die dieren fokken en leveren aan afnemers in het buitenland?

De leden van de CDA-fractie vrezen dat er een situatie ontstaat waarin verboden zoogdieren massaal gedumpt gaan worden. Mogelijk komt er een toename van dieren die opgevangen moeten gaan worden. Hoe kijkt de staatssecretaris daar tegenaan?

De leden van de CDA-fractie vragen wat de kosten zijn voor de overheid die gepaard gaan met het «actualiseren» van de positieflijst en het vaststellen en controleren van randvoorwaarden? Wat betreft het opstellen van randvoorwaarden, die ook nog eens gecontroleerd moeten gaan worden, vindt de staatssecretaris niet dat dit heel veel kosten met zich meebrengt voor de overheid en de houders van deze specifieke soorten? Hoe ziet de staatssecretaris het voor zich hoe alle houders van bijvoorbeeld chinchilla’s gecontroleerd gaan worden?

Daarnaast denken de leden van de CDA-fractie dat de Nederlandse systematiek van de positieflijst geen standhoudt voor de Europese rechter. Volgens het Andibel-arrest mogen dieren vrij worden gehouden en verhandeld, tenzij de overheid aantoont dat er een gevaar is voor het welzijn van deze gehouden dieren, of dat er een gevaar is voor de gezondheid van personen of dieren, of dat er een gevaar is voor het milieu. De huidige werkwijze van de positieflijst verbiedt ook alle niet onderzochte zoogdieren, buiten de 90 door de WUR onderzochte soorten, en gaat dus voorbij aan de tenzij-bepaling. De leden van de CDA-fractie vernemen graag hoe de staatssecretaris hier tegen aankijkt.

Vragen van de leden van de D66-fractie

De leden van de fractie van D66 hebben met veel belangstelling kennisgenomen van de positieflijst voor te houden zoogdieren. Zij onderstrepen dat er jarenlang gewerkt is de totstandkoming van een positieflijst en zijn van mening dat de realisatie positief is. Zij hebben een aantal opmerkingen en vragen.

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat natuurlijke gedragsbehoeftes van een diersoort niet mogen leiden tot onaanvaardbare welzijns- en gezondheidsproblemen in een gehouden omgeving. Door Wageningen Universiteit/Livestock Research zijn vier invalshoeken geselecteerd: de WUR risico-inschatting voor dierenwelzijn, het zoönose-risico, het risico op verwondingen voor mensen en de Pet Exaptation Index. Deze leden vinden dit belangrijke invalshoeken. Zij vinden het ook van belang dat de staatssecretaris met een aantal cruciale stakeholders heeft gesproken. Het is goed dat de staatssecretaris de lijst zal evalueren, en uitvoering geeft aan de motie van de leden Ouwehand en Schouw (Kamerstuk 31 389, nr. 110).

De leden van de D66-fractie hebben desalniettemin een aantal vragen. Zij vinden het opvallend dat de eland niet de lijst staat, maar de kameel en het rendier wel. Kan de staatssecretaris aangeven hoe dit komt? Ook de lama staat op de lijst. Klopt het dat de lama op de International Union for Conservation of Nature-lijst (IUCN) van bedreigde diersoorten staat? Deelt de staatssecretaris de mening dat de keuze voor het lama in die zin opmerkelijk is?

De leden van de D66-fractie constateren dat de lijst op 1 januari 2014 in werking zal treden. Hoe zal de handhaving precies worden geregeld? Wat zijn de sancties bij het houden van dieren die niet op de positieflijst staan? Wat zijn de sancties wanneer de houder niet voldoet aan de voorwaarden van lijst 1c?

De leden van de D66-fractie vragen of de staatssecretaris heeft nagedacht over (tijdelijke) negatieve aspecten van de lijst, zoals de mogelijke stijging van het aantal dieren in de opvang, of dieren die gedumpt worden door houders. Zal de staatssecretaris hier rekening mee houden?

Deze leden kijken uit naar een spoedige toezending van een positieflijst voor reptielen en vogels.

Vragen van de leden van de SGP-fractie

De staatssecretaris schrijft dat effectieve controle en handhaving van groot belang is. De leden van de SGP-fractie hebben hier enkele vragen over. Heeft de staatssecretaris enig idee in hoeveel huishoudens dieren aanwezig zijn, die niet op de positieflijst staan (bijlage 1c en 1d)? In verband met de gewenste kenbaarheid van nieuwe regelgeving vragen deze leden hoe de staatssecretaris deze huishoudens op de hoogte gaat brengen van het bestaan van de positieflijst en het verbod op het houden van dieren die niet op deze lijst staan? Hoeveel extra capaciteit is naar inschatting van de staatssecretaris nodig voor handhaving van het genoemde verbod?

De leden van de SGP-fractie constateren dat in het bijgevoegde rapport van de WUR geen onderbouwing, inclusief literatuurverwijzingen, van de beoordelingen per diersoort wordt gegeven. Is de staatssecretaris bereid de database, waarnaar verwezen wordt, op korte termijn volledig openbaar te maken? Is zij vervolgens bereid nog voor inwerkingtreding van de positieflijst ruimte te bieden aan houders van dieren om op basis van de gehanteerde criteria wijzigingsvoorstellen te doen en deze voorstellen nog voor inwerkingtreding van de positieflijst te beoordelen?

Is de veronderstelling juist dat voor de diersoorten in de randvoorwaardencategorie (bijlage 1c) een ontheffing of vrijstelling aangevraagd kan worden en dat dit voor de diersoorten uit bijlage 1d niet mogelijk is? Wat is de te volgen procedure met betrekking tot bijlage 1c? Hoe gaat bijlage 1c in de praktijk functioneren? Waarom kiest de staatssecretaris er niet voor om met inwerkingtreding van de positieflijst te wachten tot de randvoorwaarden met betrekking tot bijlage 1c vastgesteld zijn? Dat zou naar de mening van de leden van de SGP-fractie veel onduidelijkheid na inwerkingtreding kunnen voorkomen.

De Raad voor Dieraangelegenheden heeft in 2003 een breed gedragen positieflijst in combinatie met een negatieflijst voor onder meer zoogdieren gepubliceerd. De nu voorgestelde positief- en negatieflijsten laten voor enkele belangrijke diersoorten, zoals de gerbil, een andere beoordeling zien. Kan de staatssecretaris aangeven waar deze verschillen vandaan komen?

De leden van de SGP-fractie constateren dat in de analyse van de WUR het gedrag van een diersoort in de vrije natuur een belangrijke rol heeft gespeeld. Zij vragen zich af waarom er niet, in lijn met de Belgische werkwijze, voor gekozen is om veel meer te kijken naar het gedrag van dieren wanneer ze gehouden worden. Is de staatssecretaris bereid voor veel gehouden diersoorten, zoals dwerghamsters, degoes en gerbils deze slag nog te maken?

De staatssecretaris maakt een overgangsregeling voor dieren die niet op de positieflijst staan. Dieren die niet op de positieflijst staan mogen gehouden worden zolang ze leven, maar moeten wel geïdentificeerd worden door middel van een chip of DNA, gekoppeld aan een dierenartsenverklaring.

De leden van de SGP-fractie vragen of de wijze waarop de positieflijst is opgesteld en artikel 2.2 van de Wet Dieren wordt toegepast, voldoet aan de criteria die het Europese Hof van Justitie in het zogenaamde Andibel-arrest heeft gegeven. Bij het opstellen van de positieflijst is gekeken naar 90 zoogdiersoorten. De leden van de SGP-fractie hebben de indruk dat in Nederland meer zoogdiersoorten gehouden worden. Het is niet in lijn met het Andibel-arrest, wanneer het houden van deze diersoorten zonder meer verboden wordt en daarmee pas doorgegaan kan worden na aanmelding voor en goedkeuring van plaatsing van de betreffende diersoort op de positieflijst. Waarom is er niet voor gekozen om het houden van diersoorten, die niet beoordeeld zijn toe te staan, zolang een aanvraag niet afgewezen is?

De leden van de SGP-fractie betwijfelen verder of de bij het opstellen van de positieflijst gehanteerde criteria voldoende objectief en niet-discriminerend zijn. Is de veronderstelling (op basis van eerdere WUR-rapportages met betrekking tot het opstellen van een positieflijst) juist dat bij de beoordeling van diersoorten en het opstellen van de positieflijst de gemiddelde houderijomstandigheden (gewoon (rijtjes)huis, kleine achtertuin) als uitgangspunt genomen zijn? Acht de staatssecretaris dit voldoende representatief voor de enorme diversiteit van woningen, tuinen en erven?

Vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met belangstelling kennisgenomen van de door de staatssecretaris voorgestelde positieflijst voor te houden zoogdieren. Hoewel er al decennialang consensus bestaat over de wenselijkheid om via een positieflijst te reguleren welke diersoorten als huisdier gehouden mogen worden en welke soorten niet, heeft het lang geduurd voor er eindelijk een concreet besluit voorlag. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren complimenteren de staatssecretaris met het feit dat zij deze lang beloofde stap eindelijk heeft gezet. Wel wijzen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren erop dat er niet alleen voor zoogdieren, maar ook voor vogels en reptielen behoefte is aan dergelijk beleid. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden het dan ook een gemiste kans dat de voorgestelde positieflijst alleen betrekking heeft op zoogdieren. De argumentatie van de staatssecretaris, dat de positieflijst een nieuw instrument is waarmee ze eerste ervaring op wil doen voordat het ook voor andere dieren wordt toegepast, is niet helemaal onredelijk, maar wel wat onbevredigend in het licht van de jarenlange vertraging die toch al is opgelopen. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen de staatssecretaris op het hart drukken geen verdere vertraging te laten ontstaan bij het opstellen van positieflijsten voor reptielen en vogels, conform de motie van het lid Ouwehand c.s. (Kamerstuk 28 286 nr. 576), zodat geen enkel dier dat aantoonbaar te lijden heeft van een leven in een huiskamer of volière niet meer als huisdier gehouden mag worden. Immers, niet alleen zoogdieren zoals wasberen, stekelvarkens en stinkdieren zijn ongeschikt als huisdier, maar ook kaaimannen, ooievaars en oehoes zijn ver van hun natuurlijke gedrag verwijderd als zij als huis- of hobbydier gehouden worden in gevangenschap.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag nog enkele vragen stellen over de nu voorgestelde lijst.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kritisch gekeken naar lijst 1c, waarop dieren staan die onder bepaalde voorwaarden gehouden mogen worden. De lijst is volgens de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren in zijn huidige vorm nog veel te ruim. Zo zou het bijvoorbeeld toegestaan zijn om wallaby’s te houden. Kan de staatssecretaris zeggen wat de voorwaarden zijn die gesteld worden aan het houden van dieren op lijst 1c? Worden er voorwaarden gesteld aan de houders van de dieren of worden er voorwaarden gesteld aan de omstandigheden waarin de dieren leven, zoals groep of huisvesting? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden dat het natuurlijke gedrag, de aard en de behoeften van het dier als uitgangspunten genomen moeten worden. Kan de staatssecretaris bevestigen dat er op lijst 1c nog dieren staan waarbij er een risico op zoönosen aanwezig is?

De toenmalige staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft toegezegd bij de positieflijst het principe te hanteren dat bij twijfel een dier niet op de lijst komt. Is de staatssecretaris bereid het houden van dieren, waarbij er een risico op zoönosen aanwezig is, helemaal te verbieden? Is de staatssecretaris daarnaast bereid om faunavervalsing als risico bij lijst 1c toe te voegen en kan zij de garantie geven dat de dieren, die volgens lijst 1c onder voorwaarden gehouden mogen worden, niet kunnen ontsnappen? Zo nee, op welke manier kan er dan aan voorwaarden voor een veilige houderij voldaan worden?

Ter illustratie wijzen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren naar het groeiend aantal incidenten met ontsnapte wallaby’s. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dat risico? Herinnert de staatssecretaris zich dat ontsnapte wallaby’s een aantal keer tot verkeersgevaarlijke situaties hebben geleid, waarbij het afschieten van het dier als «oplossing» werd gekozen? Hoe verhoudt zich dat tot de handhaving van wallaby’s als te houden diersoort en de criteria die daarvoor zijn gesteld? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn er niet gerust op dat de voorwaarden die nog opgesteld worden voor het houden van de dieren op lijst 1c voldoende strikt zullen zijn om dierenleed, faunavervalsing of risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen. Deze leden kijken dan ook met kritische belangstelling uit naar de omschrijving van de voorwaarden. Kan de staatssecretaris aangeven of er per diersoort andere voorwaarden zullen gelden of dat de voorwaarden voor alle dieren op de lijst hetzelfde zullen zijn?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben vernomen dat nieuwe aanvragen van houders voor plaatsing van een diersoort op de positieflijst die voor 1 januari 2014 binnen komen, versneld door de WUR zullen worden geëvalueerd. De staatssecretaris schrijft dat ze daarmee uitvoering geeft aan de motie van de leden Ouwehand en Schouw (Kamerstuk 31 389, nr. 110). In deze motie wordt de regering echter verzocht een evaluatiebepaling voor de positieflijst op te nemen in het Besluit houders van dieren en deze in te stellen op drie jaar. Mogen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren erop rekenen dat deze beleidsevaluatie alsnog na drie jaar plaatsvindt, naast de soortenevaluatie voor actualisering van categorieën na één jaar? En kan de staatssecretaris duidelijk maken of er jaarlijks een soortenevaluatie zal plaatsvinden?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren wijzen erop dat het Hof van Justitie van de EU in het Andibel-arrest heeft bepaald dat naast de bescherming van dierenwelzijn en diergezondheid ook de bescherming van het milieu een legitiem doel is voor beperking van het handelsverkeer in dieren. Het lijkt erop dat dit doel nog onvoldoende is uitgewerkt in de voorliggende positieflijst. Kan de staatssecretaris toezeggen dat ook bescherming van het milieu een volwaardig criterium wordt in de systematiek van de positieflijst?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn benieuwd naar de overgangsregeling voor dieren die op dit moment gehouden worden maar niet op de positieflijst staan. Hoe lang zal deze overgangstermijn zijn? Zal de identificatie en registratie per diersoort geregeld worden en zijn alle diersoorten geschikt voor identificatie, ook de kleinere diersoorten? Voorts willen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren graag weten of er een centrale registratie zal plaatsvinden en of de databank onderdeel zal uitmaken van een Europees netwerk. De leden kijken met belangstelling uit naar de overgangsregeling, wanneer verwacht de staatssecretaris deze overgangsregeling naar de Kamer te sturen? Deelt de staatssecretaris de zorgen over het dumpen van dieren voor of tijdens de inwerkingtreding van de positieflijst en op welke manier zal zij proberen dit tegen te gaan? Is de staatssecretaris ook bereid om (impuls)aankopen vóór de inwerkingtreding van de positieflijst tegen te gaan? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren ontvangen graag een reactie van de staatssecretaris.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennisgenomen van het fokverbod dat zal worden ingesteld voor zoogdieren, die niet meer gehouden mogen worden. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren steunen deze maatregelmaar zij wijzen erop dat ook een handelsverbod noodzakelijk is. Is de staatssecretaris ook van plan een verbod in te stellen op de handel in bijvoorbeeld winkels of op het internet van dieren die niet meer gehouden mogen worden? Zo ja, op welke wijze zal dit handelsverbod worden vormgegeven en op welke termijn gaat een dergelijk verbod er komen? Zo nee, waarom niet? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag weten of dit fok- en handelsverbod ook zal gelden voor afnemers buiten Nederland. Kan de staatssecretaris bevestigen dat de dieren die niet op de positieflijst voorkomen ook niet meer voor export gehouden of gefokt mogen worden in Nederland? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren ontvangen graag een reactie van de staatssecretaris. Voorts willen de leden van de fractie van de Partij van de Dieren graag weten of er voorwaarden gaan gelden voor de fok en handel in dieren die onder voorwaarden gehouden mogen worden. Kan de staatssecretaris daarnaast uitleggen wat er gaat gebeuren met dieren die op dit moment nog verhandeld en gehouden mogen worden, maar per 1 januari 2014 niet meer? Hoe zit het met fokkers en handelaren, die bijvoorbeeld nog dieren op voorraad hebben, of die na de inwerkingtreding van de positieflijst nog dieren ten verkoop aanbieden of zullen afleveren, eventueel aan klanten buiten Nederland? Zullen er op grond van artikel 2.7 van de Wet Dieren regels worden opgesteld over het verhuren van dieren die met de inwerkingtreding van de positieflijst niet meer gehouden mogen worden? Zo ja, hoe zien deze regels eruit? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de Partij van de Dieren zijn het met de staatssecretaris eens dat effectieve controle en handhaving van groot belang is. Zij zijn benieuwd naar de precieze taken van de werkgroep die wordt ingesteld. Voorts willen de leden van de fractie van de Partij van de Dieren graag weten wat de sancties zullen zijn voor houders van dieren die na 1 januari 2014 toch nog zoogdieren houden die niet op de positieflijst staan, of zich niet aan de voorwaarden houden met betrekking tot dieren die onder voorwaarden gehouden mogen worden. De leden van de fractie van de Partij van de Dieren ontvangen graag een reactie.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn benieuwd naar de wijze waarop het publiek ingelicht zal worden over de positieflijst. Kan de staatssecretaris aangeven of er een communicatieplan is opgesteld en hoe dit er uitziet? Op welke wijze zal het publiek over de positieflijst geïnformeerd worden en wanneer zal de voorlichting van start gaan?

Voorts willen de leden van de fractie van de Partij van de Dieren graag weten of en in welke mate de staatssecretaris bereid is opvang van dieren tijdens en na de overgangsregeling te ondersteunen. Zij vragen daarnaast wat de consequenties van de positieflijst zullen zijn voor particuliere opvangcentra.

Vragen van de leden van de 50PLUS-fractie

De leden van de 50PLUS-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van 19 juni 2013 van de staatssecretaris betreffende de positieflijst voor te houden zoogdieren.

De leden van de 50PLUS-fractie zijn in principe verheugd dat er nu wetgeving komt die een verdere bijdrage kan leveren aan het dierenwelzijn van gezelschapsdieren en de veiligheid en gezondheid van mens en milieu, en dat in de toekomst beter verzekerd kan worden dat de consument alleen dieren kan houden, die daarvoor geschikt zijn. De positieflijst kan een helder instrument gaan worden, dat volgens objectieve criteria informatie verschaft over de geschiktheid van een diersoort als gezelschapsdier.

De positieflijst wijst volgens deze leden weliswaar een weg in de goede richting, maar roept toch ook nog wel vragen op. De leden van de 50PLUS-fractie hebben nog de volgende vragen met betrekking tot de brief en bijlagen.

De leden van de 50PLUS-fractie zijn, met in het achterhoofd het Andibel-arrest en bijlage 3 bij het commentaar van Dibevo van 22 augustus 2013, nog steeds niet volledig overtuigd dat de positieflijst niet handelsbeperkend werkt, en daarmee niet strijdig is met Europees recht. 90 soorten zoogdieren zijn voor de positieflijst beoordeeld. Deze leden constateren dat er derhalve naast de positieflijst sprake is van circa 5300 diersoorten, waarvan het houden zonder meer (dus automatisch) verboden wordt. Daarmee ontstaat tegelijk een handelsbelemmering voor deze soorten. Binnen het Europees recht geldt echter in principe een vrij verkeer van goederen en diensten tussen de lidstaten. Naar wij begrijpen vallen óók gezelschapsdieren daaronder. De leden van de 50PLUS-fractie vragen waarom niet tenminste alle binnen de EU gehouden soorten moeten worden beoordeeld.

Kan nog eens uitvoerig uiteengezet worden, in welke stadia van de totstandkoming van de positieflijst en het daar aan ten grondslag liggende onderzoek, de houderij(sector) betrokken is geweest, en verder betrokken zal worden? Zijn bij het WUR-onderzoek ook praktijkdeskundigen en ervaringsdeskundigen met daadwerkelijke inbreng betrokken geweest, of alleen theoretische wetenschappers? Als dit laatste het geval is, waarom zijn praktijk- en ervaringsdeskundigen niet (méér) betrokken geweest bij het onderzoek?

In hoeverre is bij de positieflijstsystematiek «bescherming van het milieu» een beoordelingscriterium? Deelt de staatssecretaris de mening dat dit criterium zeker mee zou moeten worden genomen bij de beoordeling?

Onder verwijzing naar het commentaar van de Stichting Aap van 26 augustus 2013 vragen de leden van de 50PLUS-fractie naar een nadere toelichting op de gang van zaken rond de overgangsregeling. Veel is nog onduidelijk. Kan de overgangsregeling nader verhelderd worden? Hoe lang duurt de overgangstermijn? Hoe wordt de handhaving geregeld? Wie gaat de kosten van identificatie en registratie dragen? Hoe worden publiek en handel geïnformeerd? De leden van de 50PLUS-fractie zijn van mening dat eventuele kosten die ontstaan als gevolg van gewijzigd beleid, niet eenzijdig neergelegd kunnen worden bij de handel en consument.

Is er voor handhaving van beleid en regeling rond de positieflijst extra budget beschikbaar? Zo nee, acht de staatssecretaris handhaving van beleid en regelgeving reëel, en voldoende haalbaar? Het lijkt deze leden niet zonder risico voor een belangrijk deel te gaan vertrouwen op sociale controle, voor het opsporen van eventueel illegaal gehouden dieren.

II Antwoord van de staatssecretaris

Vragen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie lezen dat het doel van een positieflijst het reguleren is van soorten die uit oogpunt van dierenwelzijn en risico’s voor de mens verantwoord gehouden kunnen worden. De leden van de VVD-fractie willen van de staatssecretaris weten wat de aanleiding is geweest om een positieflijst op te stellen. Kan de staatssecretaris aangeven of bijvoorbeeld bepaalde excessen ten grondslag hebben gelegen aan het besluit om over te gaan tot een positieflijst? Zo ja, kan de staatssecretaris een overzicht presenteren welke excessen de afgelopen tien jaar hebben plaatsgevonden met zoogdieren?

Excessen hebben niet a priori ten grondslag gelegen aan de positieflijst. Het nader invullen van artikel 33 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren heeft ten grondslag gelegen aan de Positieflijst waarbij het doel het reguleren is van soorten die uit oogpunt van dierenwelzijn en risico’s voor de mens verantwoord gehouden kunnen worden. Het kunnen uitoefenen van het natuurlijk gedrag geldt hierbij als richtinggevend perspectief.

De leden van de VVD-fractie merken voorts op dat er de afgelopen decennia steeds meer (vergelijkbare) lijsten in omloop zijn gekomen, zoals de CITES-lijsten, de rode lijst, de lijst van bejaagbare soorten, de lijst van exoten in de Benelux, de lijsten van de Vogel- en Habitatrichtlijn, de positieflijst enzovoorts. Kan de staatssecretaris een overzicht geven van alle lijsten die er momenteel bestaan en aangeven wat de relatie van deze lijsten tot elkaar is?

De lijsten die de leden van de VVD-fractie in de inleiding op hun vraag noemen, zijn allen onderdeel van het wettelijk kader voor de bescherming van in het wild levende flora en fauna, zoals voorzien in de Flora- en faunawet. Op grond van de Flora- en faunawet gelden verschillende soorten verboden, welke van toepassing zijn op bij of krachtens de wet aangewezen dier- en plantensoorten.

In relatie tot de positieflijst zijn relevant de lijsten van zoogdiersoorten, waarvan de Flora- en faunawet het bezit en de handel verbiedt. Het gaat in dat geval om het verbod op het bezit van en de handel in dieren, behorende tot beschermde inheemse of uitheemse diersoorten (artikel 13 Ffw) of behorende tot een specifiek aantal aangewezen invasieve exoten (art 14 Ffw). De lijsten van deze soorten zijn te vinden in respectievelijk de Bekendmaking lijsten beschermde dier- en planteoorten Flora- en faunawet 2013, de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet, en het Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet. Krachtens artikel 75 van de Flora- en faunawet kan de staatssecretaris vrijstelling of ontheffing verlenen van deze verboden. De vrijstellingen zijn te vinden in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten en de gelijknamige ministeriële regeling. Via dit stelsel wordt uitvoering gegeven aan de EU-CITES-basisverordening (verordening (EG) 338/97) en de EU-vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Indien bezit en handel van een soort bij of krachtens de Flora- en faunawet verboden wordt en er geen vrijstellingen of ontheffingen verleend zijn, zal de soort niet in de positieflijst opgenomen kunnen worden.

De leden van de VVD-fractie lezen dat in de Wet dieren is bepaald dat het houden van dieren die niet behoren tot deze positieflijst wordt verboden. De leden van de VVD-fractie onderschrijven de intentie van de positieflijst, maar zijn bezorgd dat de gevolgen voor ondernemers (dierenwinkels, faunaparken enzovoorts) onvoldoende in kaart zijn gebracht. Zo zullen faunaparken verdwijnen, omdat ze geen dieren (zoals neusberen, capibara’s, eekhoorns, wasbeerhonden en prairiehondjes) meer mogen houden die op de positieflijst staan, terwijl deze parken wel de benodigde kennis in huis hebben om deze dieren te verzorgen. Kan de staatssecretaris aangeven wat de gevolgen zijn van de positieflijst voor ondernemers (dierenwinkels, faunaparken)? Kan de staatssecretaris aangeven of zij de Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR) ook de gevolgen voor ondernemers als gevolg van de positieflijst heeft laten onderzoeken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunnen de resultaten van dit onderzoek alsnog naar de Kamer worden gestuurd? Kan de staatssecretaris toezeggen dat, indien er nog geen onderzoek gedaan is naar de gevolgen van de positieflijst voor ondernemers, zij dit alsnog laat doen?

Op grond van het overzicht Hoofdbedrijfschap Detailhandel (18 augustus 2010) maakt bij dierenspeciaalzaken de omzet van levende dieren 5% uit van de totale omzet. Van deze 5% omzet levende dieren maken konijnen, knaagdieren, vissen en vogels het vaakst deel uit van het assortiment. Konijnen en de knaagdieren staan (voor het grootste gedeelte in ieder geval) op de positieflijst. Dierentuinen zullen niet onder het verbod gaan vallen. Faunaparken kunnen een aanvraag indienen om erkend te worden als dierentuin. Gespecialiseerde opvangplaatsen kunnen daarnaast in aanmerking komen voor een ontheffing.

De leden van de VVD-fractie lezen dat met een aantal belangrijke stakeholders is gesproken over deze indeling en aanpak. Het betreft hier Dibevo, de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde, het Platform Verantwoord Huisdierbezit, Dierenbescherming en de Dierencoalitie/Stichting Aap.

De leden van de VVD-fractie willen per stakeholder weten hoe zij tegen de positieflijst aankijken.

Dibevo, Platform Verantwoord Huisdierenbezit en de Vereniging van im- en exporteurs in vogels en hobbydieren vinden niet dat het natuurlijk gedrag maar praktijkervaringen leidend zouden moeten zijn. Deze organisaties zijn van mening dat in principe elke diersoort onder de juiste randvoorwaarden te houden is. Om deze reden onderschrijven deze organisaties de toegepaste systematiek en de positieflijst zoals die nu voorligt, niet.

De KNMvD is, in het kader van dierenwelzijn van het individuele dier, van mening dat niet elke diersoort geschikt is om als gezelschapsdier te houden.

De systematiek van de WUR is in principe behulpzaam bij de beoordeling van dieren, maar de uitvoering dient verder verbeterd en geprofessionaliseerd te worden. De KNMvD kan zich in principe vinden in de wens van de overheid om tot een positieflijst te komen. Het opstellen van een positieflijst zal naar mening van de KNMvD bijdragen aan het reduceren van welzijnsproblemen bij gezelschapieren. Maar met het opstellen van een positieflijst is echter het welzijn van deze dieren niet per definitie geborgd. Voor het verantwoord houden van dieren is in alle gevallen een bepaalde kennis en kunde vereist, ook voor dieren die wel gehouden mogen worden.

De Dierencoalitie (een samenwerkingsverband van 22 dierenwelzijnorganisaties), de Dierenbescherming en Stichting AAP (ervaringsdeskundige in de opvang van exoten) zijn ook van oordeel dat veel diersoorten niet geschikt zijn om gehouden te kunnen worden. Zij staan op het standpunt dat voor de beoordeling het natuurlijk gedrag en het welbevinden van het dier als individu essentieel is. De systematiek ontwikkeld door Wageningen UR stelt het natuurlijk gedrag van het dier centraal en kan om die reden op hun instemming rekenen. De voorgestelde positieflijst wordt als een prima instrument gezien om een goede welzijnsrisico-inschatting per diersoort te maken waarmee welzijnsaantasting van vele zoogdieren in de toekomst kan worden voorkomen. De Dierencoalitie en Stichting AAP hebben daarnaast aangegeven dat de uiteindelijke beoordeling over wat de bevindingen betekenen voor de diersoort, verder moet worden aangescherpt en doorontwikkeld. Stichting AAP geeft nog aan dat ook criteria met betrekking tot risico’s op ziekteverspreiding en invasiviteit van soorten in de Nederlandse natuur, wat hen betreft belangrijk zijn. Mede omdat Europa op dit moment worstelt met de bestrijding van invasieve exoten, zou de nadruk op preventie van dit probleem moeten liggen.

De leden van de VVD-fractie lezen dat een randvoorwaarde voor de positieflijst het voldoen aan het Andibel-arrest uit 2011 is. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in dit arrest geoordeeld dat een positieflijst is toegestaan als een binnen het Europees recht toegelaten handelsbelemmering, in het belang van dierenwelzijn, bescherming van de gezondheid en het leven van mens en dier en het gevaar van invasieve exoten, onder de voorwaarde dat: (1) de lijst is gebaseerd op objectieve (wetenschappelijke) criteria; (2) de lijst non-discriminatoir is, en (3) er een gemakkelijke procedure bestaat voor belanghebbenden om een verzoek in te dienen om soorten van de lijst te halen of op de lijst geplaatst te krijgen; (4) afwijzing van een verzoek om plaatsing op de lijst of van een ontheffingsverzoek slechts wordt gebaseerd op schending van de hierboven genoemde belangen en (5) eventuele voorwaarden aan het houden van dieren die niet op de lijst staan, objectief gerechtvaardigd en proportioneel zijn. Deze leden lezen verder dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de staatssecretaris te gemakkelijk deze conclusie trekt, aangezien er nog steeds verschillende belangenorganisaties zijn die twijfels hebben over de juistheid van deze aanname. Ook vinden deze leden dat de staatssecretaris in haar brief onvoldoende motiveert op welke wijze is voldaan aan de eerder genoemde criteria. De leden van de VVD-fractie willen een nadere onderbouwing van de staatssecretaris hoe (juridisch) is getoetst dat de positieflijst(en) in lijn zijn met het Andibel-arrest. Voorts hebben deze leden twijfels over de voorwaarden dat soorten gemakkelijk van de lijst kunnen worden gehaald of worden geplaatst. Deze leden zijn bezorgd dat het risico en de kans op willekeur toeneemt, zoals ook te zien was bij de lijst van bejaagbare soorten. Bij deze lijst werden soorten er willekeurig afgehaald of toegevoegd zonder aantoonbare wetenschappelijke onderbouwing. Kan de staatssecretaris toelichten hoe is geborgd dat het risico op willekeur tot een minimum beperkt is?

Ik ben van mening dat de thans voorgestelde systematiek verenigbaar is met het Andibel-arrest. In het arrest wordt de systematiek van een positieflijst geplaatst in het kader van handelsbelemmeringen. Er kan pas sprake van een handelelemmering zijn als een dier niet op de positieflijst voorkomt; de criteria die het Hof stelt zijn dus wezenlijk van belang voor de afweging waarom een diersoort niet op de positieflijst wordt geplaatst. De in mijn brief van 19 juni jl. opgesomde criteria zorgen ervoor dat de lijst non-discriminatoir is, dat er een eenvoudige manier komt om dieren op de lijst te plaatsen en ervan af te halen, dat daarbij zowel dierenwelzijn als gezondheidsrisico’s voor de mens als criteria gelden en dat eventuele beperkingen in het houden gerechtvaardigd en proportioneel zullen zijn.

Het Andibel-arrest houdt naar mijn mening ermee rekening, dat een positieflijst niet in een keer definitief voor alle diersoorten kan worden vastgesteld. Daarom is een van de in het arrest genoemde criteria, dat de lijst gemakkelijk op verzoek van belanghebbenden kan worden aangepast. De WUR beoordeling is gebaseerd op objectieve criteria uit het Besluit houders van dieren. Nieuwe aanvragen worden volgens dezelfde systematiek geëvalueerd. Risico op willekeur is darmee mijns inziens tot een minimum beperkt.

De leden van de VVD-fractie lezen dat de staatssecretaris gekomen is tot een uitwerking van de positieflijst, resulterend in twee categorieën: (1) diersoorten die gehouden mogen worden zonder speciale voorwaarden en (2) diersoorten die niet zonder meer gehouden mogen worden, maar mogelijk wel gehouden mogen worden onder speciale randvoorwaarden. De staatssecretaris heeft ten aanzien van deze laatste categorie de Raad voor Dierenaangelegenheden verzocht om een nadere uitwerking van de voorwaarden voor 15 oktober 2013.

De leden van de VVD-fractie vinden het opmerkelijk dat dit niet eerder is gebeurd, aanzien de positieflijst reeds naar de Kamer is gezonden. Ook blijven ondernemers langer in onzekerheid, omdat (nog steeds) niet duidelijk is welke dieren wel of niet gehouden mogen worden. Kan de staatssecretaris toelichten waarom dit verzoek niet eerder is uitgevraagd? Kan de staatssecretaris voorts aangeven waarom de positieflijst plus de nadere uitwerking van deze voorwaarden niet tegelijkertijd naar de Kamer is gestuurd?

De definitieve uitwerking van het onderzoek is uiteindelijk in het voorjaar 2013 door de WUR opgeleverd. Hierbij werd duidelijk dat indien aan de oorspronkelijke doelstelling om alleen die diersoorten op de positieflijst te plaatsen die zonder extra voorwaarden gehouden konden worden door een niet gespecialiseerde houder, het aantal diersoorten zeer beperkt zou zijn. Hiermee zou een groot deel van de gespecialiseerde hobbydierhouders onrecht worden aangedaan omdat een aantal diersoorten onder speciale voorwaarden wel goed te houden is. Dit is menigmaal ook door de organisaties aangegeven. Op dat moment heb ik besloten een tussencategorie te gaan benoemen. Gelet op de tijd die nog nodig was om deze voorwaarden nader uit te werken en mijn toezegging uw Kamer zo spoedig mogelijk duidelijkheid te verschaffen over de positieflijst, heb ik besloten uw Kamer op de hoogte te stellen van de wijze waarop ik de positieflijst wil samenstellen en niet te wachten op de uitwerking van de randvoorwaarden.

De leden van de VVD-fractie lezen dat voor dieren die op het tijdstip van inwerkingtreding van het verbod gehouden worden, en niet op de positieflijst staan, een overgangsregeling wordt gemaakt. Deze overgangsregeling houdt in dat dieren die ten tijde van de inwerkingtreding niet op de positieflijst staan, gehouden mogen worden zolang zij leven. Ter uitvoering van de overgangs-regeling moet het dier geïdentificeerd worden door middel van een chip of DNA gekoppeld aan een dierenartsenverklaring. De leden van de VVD-fractie constateren dat deze overgangsregeling leidt tot extra administratieve lasten en kosten voor dierhouders. De leden van de VVD-fractie willen van de staatssecretaris een overzicht ontvangen van alle administratieve lasten en kosten die de positieflijst met zich meebrengt voor burgers, bedrijven en de overheid?

Voordat vastgesteld kan worden of en zo ja welke administratieve lasten en kosten de positieflijst met zich zal meebrengen, is het van belang eerst te bepalen op welke wijze het beleid rondom de positieflijst ingevuld gaat worden. Ik wil benadrukken dat het mijn streven is de eventuele administratieve lasten en kosten tot een minimum te beperken. Deze nadrukkelijke wens heb ik als randvoorwaarde meegegeven aan de werkgroep bestaande uit de stakeholders, toezichthouders en beleid die voor de uitvoering van de positieflijst een voorstel zal gaan opstellen. Ik zal uw Kamer hierover voor eind december 2013 informeren.

De leden van de VVD-fractie lezen dat de staatssecretaris een werkgroep zal instellen bestaande uit Landelijke Inspectie Dienst (LID), Dienst Regelingen (DR), Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het ministerie van Economische Zaken (EZ).

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat nog niet duidelijk is hoe de handhaving ten aanzien van de positieflijst eruit gaat zien en zij willen graag een nadere toelichting van de staatssecretaris hierop.

Op welke wijze toezicht gehouden kan gaan worden, wordt uitgewerkt door de werkgroep handhaving als onderdeel van de bredere werkgroep «Uitvoering Positieflijst». Mijn insteek is de uitvoering zo pragmatisch mogelijk in te richten met daar waar mogelijk een hoge eigen verantwoordelijkheid van de gespecialiseerde organisaties. De stakeholders zal gevraagd worden op welke wijze zij hierin hun eigen verantwoordelijkheid kunnen en willen nemen. Voorts zal er risicogericht worden gehandhaafd.

De nadere uitwerking handhaving maakt onderdeel uit van het overzicht uitvoering positieflijst dat ik u eind 2013 zal opsturen.

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het voorstel om tot een positieflijst voor te houden zoogdieren te komen. De leden van de PvdA-fractie zijn al jarenlang voorstander van het vastleggen van de diersoorten die uit oogpunt van dierenwelzijn en risico’s voor de mens verantwoord gehouden kunnen worden.

De leden van de PvdA-fractie hebben enkele vragen waarop ze de staatssecretaris verzoeken op in te gaan.

De leden van de PvdA-fractie vernemen graag waarom de staatssecretaris van mening is dat er voor productiedieren, die hobbymatig worden gehouden, geen soortspecifieke huisvestigingseisen dienen te worden opgesteld.

Bij de start van de ontwikkeling van de positieflijst was mijn insteek om in ieder geval die zoogdiersoorten te gaan beoordelen waarvan ten algemene onvoldoende bekend was voor het beantwoorden van de vraag of en zo ja in hoeverre een in Nederland gehouden diersoort geschikt is om als gezelschapsdier te worden gehouden. Om deze reden heb ik vooraf bepaald dat de landbouwhuisdieren die momenteel op de lijst voor productie te houden diersoorten staan, ook op de positieflijst zullen worden geplaatst. Dit houdt niet in dat voor landbouwhuisdieren die als gezelschapsdier worden gehouden er geen welzijnsrisico aanwezig zijn en dat er geen soort specifieke huisvestingseisen zouden moeten worden opgesteld.

Van belang is aan te geven dat de positieflijst geen statisch geheel is. Soorten kunnen in de tijd beargumenteerd aan de lijst worden toegevoegd of van de lijst worden afgevoerd. Daarnaast kan het nodig zijn voor bepaalde soorten extra randvoorwaarden te stellen.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de staatssecretaris om een motivering voor waarom er dierensoorten met een zeer lage WUR- & expertbeoordeling zijn opgenomen in de lijst van diersoorten die onder bepaalde voorwaarden mogen worden gehouden (bijlage 1c).

Mijn motivering om bepaalde diersoorten wel/niet/onder randvoorwaarden te houden, is gebaseerd op de ernst van een mogelijke zoönose, het gevaarrisico voor de mens, de mate waarin een bepaalde diersoort de mogelijkheid in zich heeft gedomesticeerd te worden (Pet Exaptation Index (PEI)) en de WUR welzijnsrisico-inschatting. De diersoorten waarvan de welzijnrisico-inschatting (zo goed als) unaniem door de WUR onderzoekers als hoog is ingeschat (beoordeeld met het lage cijfer 0 of 7) staan niet op de positieflijst. Hoe lager het cijfer, hoe groter namelijk de kans van welzijnsaantasting tijdens het houden van het dier. De PEI is vervolgens gebruikt ter verfijning op het moment dat de WUR onderzoekers minder unaniem zijn in hun welzijnsrisico-inschatting (14 en hoger). Een hoge PEI maakt de kans op een welzijnsprobleem minder groot mits voldaan wordt aan de juiste randvoorwaarden. Deze diersoorten zijn door mij op de lijst mogelijk onder voorwaarden te houden geplaatst.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de staatssecretaris om nader in te gaan op de positie van dieren die na 1 januari 2014 niet meer mogen worden gehouden, maar nog in het bezit zijn van fokkerijen en handelaren. Mogen deze dieren nog worden verkocht aan consumenten?

De WUR zal diersoorten die nog niet beoordeeld zijn maar wel aantoonbaar in Nederland worden gehouden, versneld voor 1 november 2014 beoordelen mits hiervoor een onderbouwde aanvraag voor 1 januari 2014 wordt ingediend. Na deze versnelde periode van een jaar zal ik bezien welke periode voor het beoordelen van (nieuwe) diersoorten praktisch haalbaar is. Dieren die worden gehouden op het moment van kracht worden van de positieflijst mogen gedurende hun leven bij de houder blijven. Het dier kan gedurende deze tijd wel wisselen van houder. Er zal echter niet gefokt mogen worden met het dier.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de staatssecretaris nader in te gaan op het belang dat bij de beoordeling van diersoorten is toegekend aan het zoönoserisico en vernemen graag of de aanwezigheid van een meer dan gemiddeld zoönoserisico geen reden dient te zijn om het houden van een bepaalde diersoort te verbieden?

Het risico op een zoönose dient beoordeeld te worden in relatie tot de ernst van de aandoening. Een laag zoönose-risico met een zeer grote kans na infectie op een dodelijke afloop of ontstaan van een epidemie is voor mij bepalend om een diersoort niet op de positieflijst te zetten. Waar de grens precies moet liggen is lastig op voorhand aan te geven en dient per diersoort en soort van zoönose beoordeeld te worden.

Vanwege de ernst van de aandoening heb ik besloten om de beoordeelde soorten die drager kunnen zijn van het Sars virus, uit te sluiten en niet te plaatsen op de positieflijst, ondanks het feit dat bijvoorbeeld de Loewak een zeer laag WUR welzijnsrisico-inschatting toebedeeld heeft gekregen.

De leden van de PvdA-fractie hebben de wens om ook tot een positieflijst voor reptielen en vogels te komen en vragen de staatssecretaris wat de stand van zaken is met betrekking tot de ontwikkeling van deze positieflijsten?

Ik heb de WUR gevraagd een voorstel te doen welke systematiek hiervoor geschikt is. Zoals toegezegd in mijn Kamerbrief van 19 juni jl. streef ik ernaar uw Kamer eind 2014 een voorstel te sturen tot een positieflijst voor reptielen en vogels.

Vragen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben zeer lang moeten wachten op de positieflijst. De Kamer vroeg per motie voor de zomer 2010 met de positieflijst te komen. De leden van de SP-fractie constateren dat deze deadline niet gehaald is, maar zijn blij dat de lijst nu uiteindelijk is ontvangen. In hoofdlijnen zijn de leden van de SP-fractie tevreden met de opgestelde lijsten: een korte positieflijst en een wat langere paarse lijst. De leden van de SP-fractie kijken positief aan tegen een paarse lijst (1c) van moelijker te houden dieren. Veel hangt natuurlijk af van de invulling van de criteria/voorwaarden van de paarse lijst. Hoe zien de voorwaarden eruit die gesteld worden voor het houden van de dieren op de 1c lijst? Worden die voorwaarden gesteld aan de houder of aan de houderij-omstandigheden? Mogen de dieren van de paarse lijst straks alleen door leden van verenigingen van experts gehouden worden? Ziet de staatssecretaris een collectieve medeverantwoordelijkheid voor naleving binnen de betreffende verenigingen? Ziet de staatssecretaris een rol voor certificering van verenigingen van experts?

De Raad voor Dierenaangelegenheden is gevraagd de randvoorwaarden op te stellen. De voorwaarden zullen van toepassing zijn op de diersoort, dus feitelijk aan de houderij-omstandigheden. Hoe deze randvoorwaarden eruit zullen gaan zien, is thans nog niet bekend. Veel zal afhangen van de input vanuit de gespecialiseerde houder. De stakeholders zijn gevraagd na te denken op welke wijze zij inzake de naleving hun eigen verantwoordelijkheid kunnen en willen nemen. Een collectieve medeverantwoordelijkheid voor naleving door de leden binnen de betreffende (gecertificeerde) verenigingen zou wat mij betreft hierin goed passen. De vraag of alleen leden van bepaalde organisaties dieren onder voorwaarden mogen houden en hoe dat eventueel geregeld zou kunnen gaan worden is onderdeel van de uitwerking die nu plaatsvindt. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vragen van de VVD-fractie aangaande handhaving van de Positieflijst.

Is de staatssecretaris voornemens verplichte openbare, bindende houdvoorschriften op te leggen bij de paarse lijst? Moeten verenigingen expertise kunnen aantonen en goede naleving binnen de vereniging kunnen aantonen? Is de staatssecretaris voornemens om de handhavingscapaciteit op te schroeven? Zo nee, hoe wil zij gaan handhaven? Wat zijn de sancties, wanneer een houder een dier houdt dat niet op de Positieflijst staat of wanneer de houder niet voldoet aan de voorwaarden die gesteld zijn aan het houden van dieren op lijst 1c?

De randvoorwaarden zullen opgenomen worden in de regelgeving en worden daarmee verplicht. De handhavingscapaciteit zal nader uitgewerkt worden en mede afhankelijk zijn van de geboden waarborgen door verenigingen, organisaties ed op de naleving ervan. Mijn streven is de risicogerichte handhaving te laten plaatsvinden binnen al bestaande handhavingscapaciteit van de toezichthoudende instanties waarbij de capaciteit van de Landelijke Inspectiedienst is uitgebreid ten behoeve van de handhaving van het nieuwe Besluit gezelschapsdieren en de positieflijst. Overtreding van de voorgenomen regelgeving over het houden van dieren zal, overeenkomstig hoofdstuk 8 van de Wet dieren, een strafbaar feit zijn, dat kan worden bestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie (€ 7.800).

Is de staatssecretaris bereid om huisvestings- en verzorgingsrichtlijnen per soort op te stellen voor de positieflijst en goede voorlichting verplicht te stellen? Erkent de regering dat ongerief bij bijvoorbeeld een eenzaam, slecht verzorgd konijn in een te klein hokje beduidend erger kan zijn dan een willekeurig dier van de paarse lijst dat door een kenner uitmuntend verzorgd wordt? Erkent de staatssecretaris dan ook dat huisvestings- en verzorgingsrichtlijnen per soort noodzakelijk zijn? Zo nee, hoe wordt dit dierenleed bij huisdieren van de positieflijst dan voorkomen? Is de staatssecretaris bereid huisvesting voor dieren vooraf te toetsen op geschikt-heid voor de betreffende dieren?

De randvoorwaarden zullen, mede conform uitvoering motie 31 389, nr. 131 waarin verzocht wordt om ook voor lijst 1a diersoorten randvoorwaarden op te stellen, betrekking hebben op de huisvesting van de diersoort. Er zullen daarom huisvesting- en verzorgingsrichtlijnen per diersoort of daar waar overlap mogelijk is per groep worden opgesteld. Dit zal afhankelijk zijn van het RDA advies. Daarnaast kan het wenselijk zijn om van bepaalde landbouwhuisdiersoorten die nu automatisch op de positieflijst zijn gezet, ook een welzijnsrisico-inschatting te maken en indien nodig extra randvoorwaarden op te stellen. Het toezicht op naleving van de randvoorwaarden zal vallen binnen de al bestaande handhavingscapaciteit. De huisvesting zal niet op voorhand worden getoetst.

De leden van de SP-fractie hebben wel bezwaren bij de lijst 1b. De leden van de SP-fractie zouden het onacceptabel vinden als nertsen door particulieren gehouden mogen worden als gezelschapsdier, terwijl er juist een verbod op de nertsenhouderij is ingegaan. Hoe ziet de staatssecretaris dit in relatie tot het verbod?

Hoe ziet de staatssecretaris dit in relatie tot het feit dat de nerts een moeilijk te houden, solitair levend waterroofdier is waar welzijnsschade door verschillende onderzoeken al is aangetoond. De leden van de SP-fractie vragen de staatssecretaris de nerts niet toe te staan voor particulieren en zeker niet op de positieflijst te zetten.

De nerts staat op de positieflijst vanwege zijn plek op de lijst te houden diersoorten voor productie. Op het moment dat de nerts daadwerkelijk niet meer mag worden gehouden voor de productie van bont, zal de nerts ook afgevoerd worden van de lijst te houden productiedieren en daarmee tevens zijn plek verliezen op de positieflijst. Een houder kan beargumenteerd een verzoek indienen om de nerts weer toe te voegen aan de positieflijst. Dit zal dan op basis van de nu gehanteerde systematiek worden beoordeeld.

De leden van de SP-fractie zien voor de gehele lijst 1b het probleem dat deze in het geheel niet getoetst is. Dat vinden de leden van de SP-fractie onwenselijk en dit ondergraaft volgens hen ook de systematiek van het geheel, doordat de onderbouwing mist. Is de staatssecretaris alsnog bereid de lijst 1b op dezelfde manier te beoordelen als de andere lijsten? Zo nee, ondergraaft dit niet de argumentatie en is dit «Andibel-proof»? Graag ook de visie van de relatie van het gehele voorstel met het Andibel-arrest.

Het Andibel arrest stelt dat het toegestaan is een handelsbelemmering in te voeren middels een positieflijst indien voldaan wordt aan een aantal randvoorwaarden. Door het zonder meer plaatsen van de diersoorten die op de lijst productiedieren staan, op de positieflijst is er geen sprake van een handelsbelemmering en als gevolg daarvan zal ook geen sprake zijn van het niet voldoen aan het Andibel arrest. Het zou anders zijn indien deze diersoorten juist niet op de positieflijst zouden zijn geplaatst zonder te voldoen aan de Andibel voorwaarden.

Erkent de staatssecretaris dat ook bij de dieren van 1b welzijnsproblemen kunnen voorkomen als zij op de verkeerde manier gehouden worden? Wat gaat de staatssecretaris doen om deze welzijnsproblemen aan te pakken?

Welke regels betreffende huisvesting en verzorging gelden nu al per diersoort voor de dieren op lijst 1a en lijst 1b? De leden van de SP-fractie ontvangen graag een overzicht.

Elk gehouden dier zal welzijnsproblemen ondervinden indien deze op de verkeerde wijze gehouden worden. Voor huisvesting en verzorging gelden de algemene regels die vermeld staan in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (en binnenkort in het Besluit houders van dieren) en zal er opgetreden worden indien deze regels worden overtreden.

Hoe wordt handhaving nu geregeld, met welke intensiteit, en hoeveel mankracht wordt hierop ingezet?

Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vragen van de SP-fractie aangaande handhaving van de Positieflijst.

Welke capaciteit is er bij het Openbaar Ministerie (OM) op dierenwelzijnskwesties en in welke mate stranden dierenwelzijnszaken nog bij het OM?

De capaciteit bij het OM is niet specifiek aan een bepaald onderwerp gelabeld en kan niet worden uitgesplitst. Juist vanwege het belang van dierenwelzijn is er tussen de ministeries van V&J en EZ een convenant afgesloten waaraan ook Directie Regelingen, het OM en de politie zich hebben gecommitteerd. Eventuele problemen rondom afwikkeling van dierenwelzijnszaken worden tussen de convenantspartijen en in de stuurgroep ervan besproken.

Voorts hebben de leden van de SP-fractie nog een aantal verduidelijkende vragen.

Wordt de verkoop van dieren, die niet op de positieflijst staan, in winkels en op internet ook verboden, welke ingangsdatum wordt nagestreefd en wat gebeurt er met dieren «op voorraad»? Wat is de planning betreffende de overgangstermijn? Is er opvang voor de dieren tijdens en na de overgangstermijn? Geldt het fok-/ handelsverbod ook voor handelaren die dieren fokken en leveren voor afnemers buiten de Nederlandse markt? Wordt er een publiekscampagne gepland? Hoe wordt de identificatie van de dieren geregeld en is dit per diersoort? Voorts vragen de leden van de SP-fractie of alle dieren geïdentificeerd worden, want kleinere dieren zijn gezien hun korte levensduur wellicht al gestorven, voordat de overgangstermijn ten einde is? Zullen bestaande Identificatie&Registratie-databanken geraadpleegd worden? Kan gewaarborgd worden dat de databank, waarin deze registratie plaats zal vinden, onderdeel uit maakt van een Europees netwerk (zoals Europetnet), met het oog op de handel en traceerbaarheid van dieren en mogelijk Europese ontwikkelingen ten aanzien van de Positieflijst? In welke mate zullen de registratiedata (onder andere aantallen en soorten dieren) openbaar zijn in verband met het nut hiervan voor de opvangsector?

Een apart verbod voor de handel in winkels of op internet is niet nodig. Op het moment dat dieren niet op de positieflijst staan mogen alleen de dieren die op voorraad zijn nog gehouden en verhandeld worden. Er mag niet meer mee gefokt worden, dus ook niet voor export. Dit geldt voor alle houders dus inclusief winkels. Een fok- en handelsverbod voor afnemers buiten Nederland kan ingevolge internationale en Europese regelgeving niet worden opgelegd. De uitwerking voor de handel vindt plaats door de werkgroep «uitvoering positieflijst». Op het moment dat een diersoort niet op de positieflijst staat maar wel gehouden wordt op het moment dat de positieflijst van kracht wordt, mag het dier gedurende de rest van zijn leven bij de houder blijven. De houder zal moeten kunnen aantonen dat het dier al gehouden werd op het moment dat de positieflijst van kracht werd. Het dier kan gedurende zijn leven wel wisselen van houder.

Het overgangsbeleid voor de dieren die op niet op de positieflijst staan maar nog wel gehouden worden, wordt in de komende maanden verder uitgewerkt. Het uitgangspunt hierbij is dat er geen dieren worden geëuthanaseerd.

Vragen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de Positieflijst voor te houden zoogdieren. Als deze leden de voorgestelde Positieflijst zouden steunen, komt er een verbod op een groot deel van de hobbydieren die nu in Nederland gehouden worden. Meer dan de helft van de Nederlandse huishoudens heeft gezelschaps- en hobbydieren, naar schatting zijn er meer dan 500.000 houders met ook «bijzondere soorten», de soorten die straks niet op de Positieflijst komen en daarmee dus worden verboden. De meeste gezelschaps-, hobby- en bedrijfsmatig gehouden dieren hebben het in Nederland heel erg goed bij hun bazen. Waar de leden van de CDA-fractie wel regelmatig problemen signaleren is bij degenen die handeldrijven in gezelschaps- en hobbydieren.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat het mogelijk moet zijn om tot een Positieflijst te komen, die rekening houdt met het voortbestaan van de hobbydiersector en negatieve uitwassen op dierenwelzijn gebied voortkomt. Het kan toch niet zo zijn dat grote delen van de hobbysector zich genoodzaakt voelt om in de illegaliteit voort te bestaan met alle gevolgen van dien voor de handhaving ten aanzien van dierenwelzijn.

De leden van de CDA-fractie hebben nog een aantal vragen ten aanzien van het tot stand komen van de Positieflijst en de juridische aspecten daarvan.

De leden van de CDA-fractie hebben grote moeite met betrekking tot de wijze waarop de positieflijst zoogdieren tot stand is gekomen. Vele mensen houden de dieren, die niet op de huidige positieflijst staan, op een diervriendelijke manier. Waarom kiest de staatssecretaris ervoor om het houden van deze dieren te verbieden, terwijl er heel weinig misstanden zijn in verband met deze soorten? Of beschikt de staatssecretaris over informatie die het tegendeel aantonen? Indien dat het geval is, zou de staatssecretaris deze informatie ter beschikking kunnen stellen?

Het doel van de positieflijst is het reguleren van soorten die uit oogpunt van dierenwelzijn en risico’s voor de mens verantwoord gehouden kunnen worden waarin het kunnen uitoefenen van het natuurlijk gedrag als richtinggevend perspectief geldt. Juist vanwege het feit dat er bepaalde diersoorten onder de juiste voorwaarden door wat meer gespecialiseerde houders wel te houden zijn, heb ik ervoor gekozen die diersoorten toe te voegen aan de positieflijst, maar wel onder voorwaarden. Van de overige diersoorten is de welzijnsrisico-inschatting dusdanig hoog, dat hierdoor de kans op welzijnsproblemen te groot is. Indien een houder middels wetenschappelijke gegevens kan aantonen dat de diersoort wel te houden zou zijn, bestaat de mogelijkheid hiervoor een beargumenteerd verzoek in te dienen om de diersoort aan de positieflijst toe te voegen. De WUR zal diersoorten die nog niet beoordeeld zijn maar wel aantoonbaar in Nederland worden gehouden, versneld voor 1 november 2014 beoordelen mits hiervoor een onderbouwde aanvraag voor 1 januari 2014 wordt ingediend.

Na deze versnelde periode van een jaar zal ik bezien welke periode voor het beoordelen van (nieuwe) diersoorten praktisch haalbaar is. Ik verwijs hierbij tevens naar mijn antwoord op vragen van de VVD-fractie aangaande de Positieflijst.

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe de staatssecretaris het dierenwelzijn van de zoogdieren, die niet op de positieflijst staan en illegaal gehouden worden, gaat beschermen? Wat draagt de positieflijst bij aan verwaarlozing van huisdieren?

Zoals ook nu al het geval is, dienen de houders te voldoen aan de algemene welzijnseisen. Diersoorten worden pas illegaal gehouden indien deze en niet op de positieflijst staan en niet vallen onder de overgangsregeling. Op het moment dat dit geconstateerd wordt, zal het dier in beslag worden genomen. Het benoemen van extra randvoorwaarden aan het houden van bepaalde diersoorten kan mogelijk bijdragen aan het voorkomen van welzijnsonvriendelijke houderijen en daarmee het verwaarlozen van dieren.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de staatssecretaris er niet voor kiest om alle soorten van de RDA-Positieflijst als uitgangspunt te nemen en zo te komen tot een lijst die Andibel-proof is? Een bijkomend voordeel hiervan is dat de RDA-positieflijst tot stand is gekomen met steun van betrokken partijen.

Het RDA advies dateert van voor het Andibel arrest. De Tweede Kamer heeft verzocht te komen tot een korte en hanteerbare positieflijst die voldoet aan de voorwaarden uit het Andibel arrest. Om deze redenen is in 2008 de WUR verzocht een systematiek te ontwikkelen waarmee een korte, goed toepasbare positieflijst kan worden opgesteld die voldoet aan de in het Andibel arrest gestelde voorwaarden.

In de brief van de staatssecretaris (Kamerstuk 31 389 nr.130) staat dat er met belangrijke stakeholders is gesproken over de indeling en aanpak.

Graag horen de leden van de CDA-fractie hoe deze organisaties hebben gereageerd op de indeling, aanpak en hoe zij worden betrokken bij de verdere uitwerking?

Stakeholders zijn vanaf het begin betrokken geweest bij het proces. Vanwege hun inbreng is de in eerste instantie toegepaste normomgeving uit de systematiek gehaald. Daarnaast zijn de stakeholders gevraagd input te leveren over het welzijn van de in Nederland te houden diersoorten aan de hand van de in de wet opgenomen criteria, onderbouwd middels literatuurgegevens. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op een soortgelijke vragen van de VVD-fractie.

De leden van de CDA-fractie hebben de indruk dat op basis van de criteria in artikel 1.4, lid 1 en de interpretatie daarvan door de WUR er eigenlijk geen zoogdieren, op een paar soorten muizen en cavia’s na, gehouden kunnen worden in Nederland. Uit de 90 dieren die door de WUR onderzocht zijn, komen er maar zes op de positieflijst, namelijk de gouden stekelmuis, de cavia, de sinaïstekelmuis, de wezelcavia, de woelmuis, en het konijn. De hamster, de fret, en ongeveer 31 andere zoogdiersoorten mogen nog alleen onder bepaalde randvoorwaarden gehouden worden. Andere zoogdieren zijn verboden om te houden, waaronder 51 door de WUR onderzochte soorten. De opmerking in de brief van de staatssecretaris «deze soorten (gedomesticeerde diersoorten hond, kat en aangewezen soorten en categorieën van in Nederland te houden dieren voor productie) mogen thans in ieder geval gehouden worden» versterkt dit beeld.

De leden van de CDA-fractie willen graag weten in hoeverre de staatsecretaris van plan is dit beleid verder te gaan doorvoeren? In de ogen van de leden van de CDA-fractie wordt de liefdevolle houder van deze dieren tekortgedaan. Net alsof de houder niet goed in staat is om voor zijn dieren te zorgen. Het gaat de leden van de CDA-fractie de pet te boven waarom iemand niet zou kunnen zorgen voor een Siberische hamster.

Aan de WUR is gevraagd een welzijnsrisico-inschatting te maken per diersoort waarbij als kader gold dat het dier ten algemene zonder randvoorwaarden door een niet-gespecialiseerde houder zonder problemen gehouden zou kunnen worden. Veel welzijnsproblemen zijn direct terug te leiden naar gebrek aan kennis bij de niet-gespecialiseerde houder. Daarnaast is het mogelijk dat zelfs voor gespecialiseerde houders het niet mogelijk is bepaalde diersoorten op een dusdanige manier te houden zonder een aannemelijke kans op een (bepaalde mate van) welzijnsaantasting. De grootte van het dier heeft daar als zodanig niets mee van doen. Met het benoemen van diersoorten die onder voorwaarden wel goed te houden zijn, maak ik het voor de liefdevolle en kundige houder mogelijk deze diersoorten te blijven houden.

De leden van de CDA-fractie horen graag van de staatssecretaris hoe welzijnsaantasting is gewogen met betrekking tot het zogenaamde fokverbod voor zoogdieren, die niet meer gehouden mogen worden?

Op het moment dat een dier niet meer gehouden mag worden, mag er ook niet meer mee gefokt worden. Juist vanwege het feit dat het dier blijkbaar niet op een dusdanige wijze gehouden kan worden zonder een aannemelijke kans op welzijnsaantasting, is het noodzakelijk dat er ook geen nakomelingen meer geproduceerd worden. Het voorkomen van reproductie kan een bepaalde mate van welzijnsaantasting met zich mee brengen, maar deze aantasting moet afgewogen worden tegen de welzijnsaantasting die de nakomelingen zouden kunnen gaan ondervinden na hun geboorte.

Wat betreft de invoering van het verbod hebben de leden van de CDA-fractie ook nog enkele vragen. Wordt de invoer en/of verkoop, zowel in winkels als op internet, van dieren die niet op de lijst staan per 1 januari 2014 ook verboden?

Wat gaat er gebeuren met dieren die op «voorraad» zijn? Hoe wordt de voorgenomen identificatie vormgegeven? Hoe gaat de burger geïnformeerd worden over het verbod? Komt er een overgangstermijn voor de invoering van de positieflijst en het daaraan gekoppelde verbod? Geldt het fok-/handelsverbod ook voor Nederlandse handelaren die dieren fokken en leveren aan afnemers in het buitenland?

Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op soortgelijke vragen van de SP-fractie.

De leden van de CDA-fractie vrezen dat er een situatie ontstaat waarin verboden zoogdieren massaal gedumpt gaan worden. Mogelijk komt er een toename van dieren die opgevangen moeten gaan worden. Hoe kijkt de staatssecretaris daar tegenaan?

Doordat het mogelijk blijft dieren die niet op de positieflijst staan maar wel op moment van het van kracht worden van de positieflijst in Nederland gehouden worden, te houden totdat het dier is overleden valt te verwachten dat daardoor het uitzetten van het dier in de natuur niet meer zal gaan toenemen dan nu al het geval was.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de kosten zijn voor de overheid die gepaard gaan met het «actualiseren» van de positieflijst en het vaststellen en controleren van randvoorwaarden? Wat betreft het opstellen van randvoorwaarden, die ook nog eens gecontroleerd moeten gaan worden, vindt de staatssecretaris niet dat dit heel veel kosten met zich meebrengt voor de overheid en de houders van deze specifieke soorten? Hoe ziet de staatssecretaris het voor zich hoe alle houders van bijvoorbeeld chinchilla’s gecontroleerd gaan worden?

Juist vanwege het feit dat veel gespecialiseerde houders en hun organisatie van mening zijn dat met name zij de kennis en kunde hebben en weten aan welke randvoorwaarden een houder moet voldoen teneinde het dier op de juiste manier te houden, wil ik de verantwoordelijkheid ook bij deze gespecialiseerde houder/organisatie gaan neerleggen. Het toezicht op de naleving zal risico-gebaseerd zijn. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vragen van de SP-fractie aangaande de handhaving van de Positieflijst.

Daarnaast denken de leden van de CDA-fractie dat de Nederlandse systematiek van de positieflijst geen standhoudt voor de Europese rechter. Volgens het Andibel-arrest mogen dieren vrij worden gehouden en verhandeld, tenzij de overheid aantoont dat er een gevaar is voor het welzijn van deze gehouden dieren, of dat er een gevaar is voor de gezondheid van personen of dieren, of dat er een gevaar is voor het milieu. De huidige werkwijze van de positieflijst verbiedt ook alle niet onderzochte zoogdieren, buiten de 90 door de WUR onderzochte soorten, en gaat dus voorbij aan de tenzij-bepaling.

De leden van de CDA-fractie vernemen graag hoe de staatssecretaris hier tegen aankijkt.

Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op een soortgelijke vraag van de VVD-fractie.

Vragen van de leden van de D66-fractie

De leden van de fractie van D66 hebben met veel belangstelling kennisgenomen van de positieflijst voor te houden zoogdieren. Zij onderstrepen dat er jarenlang gewerkt is de totstandkoming van een positieflijst en zijn van mening dat de realisatie positief is. Zij hebben een aantal opmerkingen en vragen.

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat natuurlijke gedragsbehoeftes van een diersoort niet mogen leiden tot onaanvaardbare welzijns- en gezondheidroblemen in een gehouden omgeving. Door Wageningen Universiteit/Livestock Research zijn vier invalshoeken geselecteerd: de WUR risico-inschatting voor dierenwelzijn, het zoönose-risico, het risico op verwondingen voor mensen en de Pet Exaptation Index. Deze leden vinden dit belangrijke invalshoeken. Zij vinden het ook van belang dat de staatssecretaris met een aantal cruciale stakeholders heeft gesproken. Het is goed dat de staatssecretaris de lijst zal evalueren, en uitvoering geeft aan de motie van de leden Ouwehand en Schouw (Kamerstuk 31 389, nr. 110).

De leden van de D66-fractie hebben desalniettemin een aantal vragen.

Zij vinden het opvallend dat de eland niet de lijst staat, maar de kameel en het rendier wel. Kan de staatssecretaris aangeven hoe dit komt?

Kameel en rendier worden in elk geval beschouwd als (semi) gedomesticeerd en hebben daardoor lager gescoord voor welzijns- en gezondheidsrisico’s in de gehouden omgeving. De eland is door acht WUR-experts unaniem beoordeeld als een diersoort met een hoge welzijnsrisico-inschatting en is op grond daarvan niet geschikt bevonden om ten algemene te worden gehouden door particulieren zonder specialistische kennis. Bij de kameel waren vier van de acht WUR experts en bij de lama twee van de acht WUR experts de mening toegedaan dat de soort niet geschikt was om gehouden te worden. Op grond van de toegepaste systematiek zijn deze soorten toegevoegd tot de diersoorten die mogelijk geschikt zijn om onder voorwaarden te worden gehouden.

Ook de lama staat op de lijst. Klopt het dat de lama op de International Union for Conservation of Nature-lijst (IUCN) van bedreigde diersoorten staat? Deelt de staatssecretaris de mening dat de keuze voor het lama in die zin opmerkelijk is?

Op de lijst staan de gedomesticeerde lama (Lama glama) en de gedomesticeerde alpaca Vicugna pacos (http://eol.org/pages/309018/overview ). Deze gedomesticeerde lama soorten staan dan ook niet op de IUCN lijst.

De niet-gedomesticeerde wilde soorten (Lama guanicoe en Vicugna vicugna) staan wel vermeld.

De leden van de D66-fractie constateren dat de lijst op 1 januari 2014 in werking zal treden. Hoe zal de handhaving precies worden geregeld? Wat zijn de sancties bij het houden van dieren die niet op de positieflijst staan? Wat zijn de sancties wanneer de houder niet voldoet aan de voorwaarden van lijst 1c?

Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vragen van de PvdA-fractie aangaande de handhaving van de Positieflijst.

De leden van de D66-fractie vragen of de staatssecretaris heeft nagedacht over (tijdelijke) negatieve aspecten van de lijst, zoals de mogelijke stijging van het aantal dieren in de opvang, of dieren die gedumpt worden door houders. Zal de staatssecretaris hier rekening mee houden?

Om een mogelijke stijging van het aantal dieren in de opvang of dieren die gedumpt worden zoveel mogelijk te voorkomen mogen eigenaren de dieren die niet op de positieflijst staan houden totdat het dier is overleden.

Deze leden kijken uit naar een spoedige toezending van een positieflijst voor reptielen en vogels.

Vragen van de leden van de SGP-fractie

De staatssecretaris schrijft dat effectieve controle en handhaving van groot belang is. De leden van de SGP-fractie hebben hier enkele vragen over.

Heeft de staatssecretaris enig idee in hoeveel huishoudens dieren aanwezig zijn, die niet op de positieflijst staan (bijlage 1c en 1d)?

Er is geen overzicht van aantallen dieren die niet op de positieflijst staan.

In verband met de gewenste kenbaarheid van nieuwe regelgeving vragen deze leden hoe de staatssecretaris deze huishoudens op de hoogte gaat brengen van het bestaan van de positieflijst en het verbod op het houden van dieren die niet op deze lijst staan?

Door de werkgroep communicatie die deel uitmaakt van de bredere werkgroep «Uitvoering positieflijst», wordt een communicatieplan opgesteld. De wijze waarop dit plan wordt vormgegeven, wordt nog nader uitgewerkt. Hierover zal ik u voor eind van 2013 informeren. Het streven is uiteraard de voorlichting zo snel als mogelijk van start te laten gaan.

Hoeveel extra capaciteit is naar inschatting van de staatssecretaris nodig voor handhaving van het genoemde verbod?

Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op een soortgelijke vraag van de SP-fractie.

De leden van de SGP-fractie constateren dat in het bijgevoegde rapport van de WUR geen onderbouwing, inclusief literatuurverwijzingen, van de beoordelingen per diersoort wordt gegeven.

Is de staatssecretaris bereid de database, waarnaar verwezen wordt, op korte termijn volledig openbaar te maken?

Ik heb de WUR gevraagd de database toegankelijk te maken voor derden.

Is zij vervolgens bereid nog voor inwerkingtreding van de positieflijst ruimte te bieden aan houders van dieren om op basis van de gehanteerde criteria wijzigingsvoorstellen te doen en deze voorstellen nog voor inwerkingtreding van de positieflijst te beoordelen?

De mogelijkheid om diersoorten aan de positieflijst toe te voegen of van de positieflijst af te voeren blijft bestaan. Op basis van de in het Besluit houders van dieren opgenomen criteria dient door de aanvrager een verzoek te worden ingediend onderbouwd met wetenschappelijke literatuur op grond waarvan in eerste instantie geoordeeld zou kunnen worden dat het dier, wel of niet al dan niet onder randvoorwaarden, te houden zou zijn. Indien er sprake is van een al beoordeelde soort, dient de onderbouwing van dien aard te zijn dat aangetoond moet kunnen worden dat de eerdere beoordeling op grond waarvan de soort niet of wel op de positieflijst is gezet, onterecht lijkt te zijn geweest. Totdat een besluit heeft plaatsgevonden over de (her)plaatsbaarheid van de soort op de positieflijst, blijven de dieren onder de overgangsregeling vallen.

Is de veronderstelling juist dat voor de diersoorten in de randvoorwaarden-categorie (bijlage 1c) een ontheffing of vrijstelling aangevraagd kan worden en dat dit voor de diersoorten uit bijlage 1d niet mogelijk is?

Nee. Voor de diersoorten die met bepaalde randvoorwaarden gehouden mogen worden, is geen ontheffing nodig omdat de randvoorwaarden opgenomen gaan worden in de regelgeving. Voor de diersoorten die niet meer gehouden mogen worden, kan wel een individuele ontheffing worden aangevraagd. Dit om een enkele zeer gespecialiseerde houder de mogelijkheid te bieden om bepaalde diersoorten te kunnen blijven houden. Een dergelijke ontheffing zal alleen bij hoge uitzondering worden verleend. Dit gelet op de redenen (hoog risico voor aantasting van het dierenwelzijn en/of een hoog zoönoserisico en/of een hoog gevaarrisico in combinatie met een lage PEI-score (moeilijk te domesticeren) die ertoe hebben geleid de diersoort juist niet op de positieflijst te plaatsen.

Wat is de te volgen procedure met betrekking tot bijlage 1c? Hoe gaat bijlage 1c in de praktijk functioneren?

De te volgen procedure wordt uitgewerkt in de werkgroep. Ik zal uw Kamer hierover voor eind 2013 informeren. Het is de bedoeling de verenigingen hierin een grote mate van eigen verantwoordelijkheid te geven in het opstellen van de diersoortafhankelijke randvoorwaarden en het vervolgens naleven ervan door hun leden. De overheid houdt hier toezicht op.

Waarom kiest de staatssecretaris er niet voor om met inwerkingtreding van de positieflijst te wachten tot de randvoorwaarden met betrekking tot bijlage 1c vastgesteld zijn? Dat zou naar de mening van de leden van de SGP-fractie veel onduidelijkheid na inwerkingtreding kunnen voorkomen.

De diersoorten onder randvoorwaarden maken deel uit van de positieflijst. Ik streef er dan ook naar de positieflijst in een keer van kracht te laten worden.

De Raad voor Dieraangelegenheden heeft in 2003 een breed gedragen positieflijst in combinatie met een negatieflijst voor onder meer zoogdieren gepubliceerd. De nu voorgestelde positief- en negatieflijsten laten voor enkele belangrijke diersoorten, zoals de gerbil, een andere beoordeling zien.

Kan de staatssecretaris aangeven waar deze verschillen vandaan komen?

De lijsten uit 2003 waren niet gebaseerd op duidelijke criteria en wetenschappelijke literatuur maar zijn in samenwerking met diverse betrokken organisaties opgesteld. De huidige lijsten zijn wel gebaseerd op duidelijke criteria en wetenschappelijke literatuur en verschillen daarom wezenlijk met de oude lijsten.

De leden van de SGP-fractie constateren dat in de analyse van de WUR het gedrag van een diersoort in de vrije natuur een belangrijke rol heeft gespeeld. Zij vragen zich af waarom er niet, in lijn met de Belgische werkwijze, voor gekozen is om veel meer te kijken naar het gedrag van dieren wanneer ze gehouden worden.

Is de staatssecretaris bereid voor veel gehouden diersoorten, zoals dwerghamsters, degoes en gerbils deze slag nog te maken?

Voor zover informatie onder houderij-omstandigheden door stakeholders is aangeleverd, is deze informatie door de WUR in de database verwerkt een meegenomen in hun beoordeling. Daarnaast blijft het voor een houder mogelijk om van al beoordeelde diersoorten een herbeoordeling aan te vragen. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op eerdere vragen van de SGP-fractie.

De staatssecretaris maakt een overgangsregeling voor dieren die niet op de positieflijst staan. Dieren die niet op de positieflijst staan mogen gehouden worden zolang ze leven, maar moeten wel geïdentificeerd worden door middel van een chip of DNA, gekoppeld aan een dierenartsenverklaring.

De leden van de SGP-fractie vragen of de wijze waarop de positieflijst is opgesteld en artikel 2.2 van de Wet Dieren wordt toegepast, voldoet aan de criteria die het Europese Hof van Justitie in het zogenaamde Andibel-arrest heeft gegeven. Bij het opstellen van de positieflijst is gekeken naar 90 zoogdiersoorten. De leden van de SGP-fractie hebben de indruk dat in Nederland meer zoogdiersoorten gehouden worden. Het is niet in lijn met het Andibel-arrest, wanneer het houden van deze diersoorten zonder meer verboden wordt en daarmee pas doorgegaan kan worden na aanmelding voor en goedkeuring van plaatsing van de betreffende diersoort op de positieflijst.

Waarom is er niet voor gekozen om het houden van diersoorten, die niet beoordeeld zijn toe te staan, zolang een aanvraag niet afgewezen is?

Alle diersoorten die niet op de positieflijst staan, mogen niet gehouden worden. Deze diersoorten vallen onder het overgangsbeleid. Het streven is om de diersoorten waarvan voor 1 januari 2014 onderbouwd kan worden dat zij daadwerkelijk in Nederland worden gehouden, versneld voor 1 november 2014 door de WUR volgens dezelfde systematiek te laten beoordelen.

De leden van de SGP-fractie betwijfelen verder of de bij het opstellen van de positieflijst gehanteerde criteria voldoende objectief en niet-discriminerend zijn.

Is de veronderstelling (op basis van eerdere WUR-rapportages met betrekking tot het opstellen van een positieflijst) juist dat bij de beoordeling van diersoorten en het opstellen van de positieflijst de gemiddelde houderijomstandigheden (gewoon (rijtjes)huis, kleine achtertuin) als uitgangspunt genomen zijn?

Acht de staatssecretaris dit voldoende representatief voor de enorme diversiteit van woningen, tuinen en erven?

Dit is niet juist. De gemiddelde houderij-omstandigheden zijn in een vroeg stadium al verlaten, met name vanwege de grote diversiteit. Als uitgangspunt zijn de in het Besluit Houders van dieren vermelde criteria genomen zonder daarbij rekening te houden de gemiddelde houderij-omstandigheden.

Vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met belangstelling kennisgenomen van de door de staatssecretaris voorgestelde positieflijst voor te houden zoogdieren. Hoewel er al decennialang consensus bestaat over de wenselijkheid om via een positieflijst te reguleren welke diersoorten als huisdier gehouden mogen worden en welke soorten niet, heeft het lang geduurd voor er eindelijk een concreet besluit voorlag. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren complimenteren de staatssecretaris met het feit dat zij deze lang beloofde stap eindelijk heeft gezet. Wel wijzen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren erop dat er niet alleen voor zoogdieren, maar ook voor vogels en reptielen behoefte is aan dergelijk beleid.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden het dan ook een gemiste kans dat de voorgestelde positieflijst alleen betrekking heeft op zoogdieren. De argumentatie van de staatssecretaris, dat de positieflijst een nieuw instrument is waarmee ze eerste ervaring op wil doen voordat het ook voor andere dieren wordt toegepast, is niet helemaal onredelijk, maar wel wat onbevredigend in het licht van de jarenlange vertraging die toch al is opgelopen. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen de staatssecretaris op het hart drukken geen verdere vertraging te laten ontstaan bij het opstellen van positieflijsten voor reptielen en vogels, conform de motie van het lid Ouwehand c.s. (Kamerstuk 28 286, nr. 576), zodat geen enkel dier dat aantoonbaar te lijden heeft van een leven in een huiskamer of volière niet meer als huisdier gehouden mag worden. Immers, niet alleen zoogdieren zoals wasberen, stekelvarkens en stinkdieren zijn ongeschikt als huisdier, maar ook kaaimannen, ooievaars en oehoes zijn ver van hun natuurlijke gedrag verwijderd als zij als huis- of hobbydier gehouden worden in gevangenschap.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag nog enkele vragen stellen over de nu voorgestelde lijst.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kritisch gekeken naar lijst 1c, waarop dieren staan die onder bepaalde voorwaarden gehouden mogen worden. De lijst is volgens de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren in zijn huidige vorm nog veel te ruim. Zo zou het bijvoorbeeld toegestaan zijn om wallaby’s te houden. Kan de staatssecretaris zeggen wat de voorwaarden zijn die gesteld worden aan het houden van dieren op lijst 1c? Worden er voorwaarden gesteld aan de houders van de dieren of worden er voorwaarden gesteld aan de omstandigheden waarin de dieren leven, zoals groep of huisvesting?

Ik bezie nader of en welke randvoorwaarden moeten worden gesteld aan de omstandigheden waarin de dieren leven.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden dat het natuurlijke gedrag, de aard en de behoeften van het dier als uitgangspunten genomen moeten worden. Kan de staatssecretaris bevestigen dat er op lijst 1c nog dieren staan waarbij er een risico op zoönosen aanwezig is?

De toenmalige staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft toegezegd bij de positieflijst het principe te hanteren dat bij twijfel een dier niet op de lijst komt. Is de staatssecretaris bereid het houden van dieren, waarbij er een risico op zoönosen aanwezig is, helemaal te verbieden?

Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op een soortgelijke vraag van de PvdA-fractie.

Is de staatssecretaris daarnaast bereid om faunavervalsing als risico bij lijst 1c toe te voegen en kan zij de garantie geven dat de dieren, die volgens lijst 1c onder voorwaarden gehouden mogen worden, niet kunnen ontsnappen?

Zo nee, op welke manier kan er dan aan voorwaarden voor een veilige houderij voldaan worden?

Faunavervalsing is niet opgenomen als criterium. Faunavervalsing is geregeld in de Flora – en Faunawet. Op het moment dat een dier op grond van de Flora en Faunawet vanwege het gevaar op faunavervalsing niet mag worden gehouden zal de soort op grond van artikel 1.4 1e lid onder b, 2e gedachtebolletje Besluit Houders van dieren ook verwijderd worden van de positieflijst. Garanties om ontsnapping te voorkomen, zijn niet te geven. Dit neemt niet weg dat de houder er wel alles aan moet doen om het risico op ontsnappen zo klein mogelijk te maken.

Ter illustratie wijzen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren naar het groeiend aantal incidenten met ontsnapte wallaby’s. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dat risico? Herinnert de staatssecretaris zich dat ontsnapte wallaby’s een aantal keer tot verkeersgevaarlijke situaties hebben geleid, waarbij het afschieten van het dier als «oplossing» werd gekozen? Hoe verhoudt zich dat tot de handhaving van wallaby’s als te houden diersoort en de criteria die daarvoor zijn gesteld? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn er niet gerust op dat de voorwaarden die nog opgesteld worden voor het houden van de dieren op lijst 1c voldoende strikt zullen zijn om dierenleed, faunavervalsing of risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen. Deze leden kijken dan ook met kritische belangstelling uit naar de omschrijving van de voorwaarden.

Ik ben het er mee eens dat er alles aan gedaan moet worden om ontsnappen van dieren te voorkomen. Dat geldt niet alleen voor wallabies maar feitelijk voor alle diersoorten. Ook bijvoorbeeld ontsnapte paarden of honden kunnen een groot gevaar vormen voor het verkeer. Het niet kunnen ontsnappen maakt onderdeel uit van een goede houderij. In de handhaving zal dit onderdeel worden meegenomen.

Kan de staatssecretaris aangeven of er per diersoort andere voorwaarden zullen gelden of dat de voorwaarden voor alle dieren op de lijst hetzelfde zullen zijn?

Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vragen van de SP-fractie aangaande huisvestings- en verzorgingeisen.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben vernomen dat nieuwe aanvragen van houders voor plaatsing van een diersoort op de positieflijst die voor 1 januari 2014 binnen komen, versneld door de WUR zullen worden geëvalueerd. De staatssecretaris schrijft dat ze daarmee uitvoering geeft aan de motie van de leden Ouwehand en Schouw (Kamerstuk 31 389, nr. 110). In deze motie wordt de regering echter verzocht een evaluatiebepaling voor de positieflijst op te nemen in het Besluit houders van dieren en deze in te stellen op drie jaar.

Mogen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren erop rekenen dat deze beleidsevaluatie alsnog na drie jaar plaatsvindt, naast de soortenevaluatie voor actualisering van categorieën na één jaar? En kan de staatssecretaris duidelijk maken of er jaarlijks een soortenevaluatie zal plaatsvinden?

Het is juist dat er drie jaar na inwerking treden van de positieflijst een evaluatie plaatsvindt. Dat laat onverlet dat het tussentijds mogelijk is de positieflijst te actualiseren. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vragen van de CDA-fractie aangaande tot stand komen van de Positieflijst

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren wijzen erop dat het Hof van Justitie van de EU in het Andibel-arrest heeft bepaald dat naast de bescherming van dierenwelzijn en diergezondheid ook de bescherming van het milieu een legitiem doel is voor beperking van het handelsverkeer in dieren. Het lijkt erop dat dit doel nog onvoldoende is uitgewerkt in de voorliggende positieflijst.

Kan de staatssecretaris toezeggen dat ook bescherming van het milieu een volwaardig criterium wordt in de systematiek van de positieflijst?

Bescherming van het milieu maakt geen onderdeel uit van de in artikel 1.4 van het Besluit houders van dieren vermelde criteria en is om deze reden ook niet gebruikt in de systematiek.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn benieuwd naar de overgangsregeling voor dieren die op dit moment gehouden worden maar niet op de positieflijst staan. Hoe lang zal deze overgangstermijn zijn? Zal de identificatie en registratie per diersoort geregeld worden en zijn alle diersoorten geschikt voor identificatie, ook de kleinere diersoorten? Voorts willen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren graag weten of er een centrale registratie zal plaatsvinden en of de databank onderdeel zal uitmaken van een Europees netwerk. De leden kijken met belangstelling uit naar de overgangsregeling, wanneer verwacht de staatssecretaris deze overgangsregeling naar de Kamer te sturen?

Zoals aangegeven is in mijn antwoord op vragen van de PvdA-fractie is mijn streven om de Kamer voor eind van 2013 te informeren over de uitvoering van de Positieflijst.

Deelt de staatssecretaris de zorgen over het dumpen van dieren voor of tijdens de inwerkingtreding van de positieflijst en op welke manier zal zij proberen dit tegen te gaan? Is de staatssecretaris ook bereid om (impuls)aankopen vóór de inwerkingtreding van de positieflijst tegen te gaan? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren ontvangen graag een reactie van de staatssecretaris.

Ik deel ten algemene de zorgen over dumpen van dieren. Ten aanzien van de positieflijst geldt een overgangsbeleid waarbij dieren die niet op de positieflijst staan, gehouden mogen worden gedurende hun leven. Daardoor is er geen aanleiding om aan te nemen dat meer dieren worden gedumpt.

Ten aanzien van mijn aanpak inzake impulsaankopen verwijs ik naar mijn beleidsbrief Dierenwelzijn van 4 oktober jl.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennisgenomen van het fokverbod dat zal worden ingesteld voor zoogdieren, die niet meer gehouden mogen worden. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren steunen deze maatregel maar zij wijzen erop dat ook een handelsverbod noodzakelijk is. Is de staatssecretaris ook van plan een verbod in te stellen op de handel in bijvoorbeeld winkels of op het internet van dieren die niet meer gehouden mogen worden? Zo ja, op welke wijze zal dit handelsverbod worden vormgegeven en op welke termijn gaat een dergelijk verbod er komen? Zo nee, waarom niet? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag weten of dit fok- en handelerbod ook zal gelden voor afnemers buiten Nederland. Kan de staatssecretaris bevestigen dat de dieren die niet op de positieflijst voorkomen ook niet meer voor export gehouden of gefokt mogen worden in Nederland? Kan de staatssecretaris daarnaast uitleggen wat er gaat gebeuren met dieren die op dit moment nog verhandeld en gehouden mogen worden, maar per 1 januari 2014 niet meer?

Dit onderdeel valt onder het overgangsbeleid dat thans wordt uitgewerkt door de werkgroep en waarover uw Kamer voor het einde van het jaar wordt geïnformeerd. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op de vragen van de SP-fractie aangaande dieren die niet op de Positieflijst staan.

Voorts willen de leden van de fractie van de Partij van de Dieren graag weten of er voorwaarden gaan gelden voor de fok en handel in dieren die onder voorwaarden gehouden mogen worden.

Er zullen geen extra voorwaarden gesteld gaan worden aan het fokken en handelen in de diersoorten die op de positieflijst staan anders dan de eisen die nu al gelden. Ik verwijs hiervoor naar mijn beleidsbrief Dierenwelzijn van 4 oktober jl.

Hoe zit het met fokkers en handelaren, die bijvoorbeeld nog dieren op voorraad hebben, of die na de inwerkingtreding van de positieflijst nog dieren ten verkoop aanbieden of zullen afleveren, eventueel aan klanten buiten Nederland?

Tijdens de overgangsregeling blijft de mogelijkheid bestaan voor fokkers en handelaren om de dieren die al in hun bezit waren ten tijde van het van kracht worden van de positieflijst, deze dieren te verkopen. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op soortgelijke vragen van de SP-fractie.

Zullen er op grond van artikel 2.7 van de Wet Dieren regels worden opgesteld over het verhuren van dieren die met de inwerkingtreding van de positieflijst niet meer gehouden mogen worden? Zo ja, hoe zien deze regels eruit? Zo nee, waarom niet?

Nee, er zullen geen regels worden opgesteld over het verhuren van dieren die niet meer gehouden mogen worden. Dieren die niet meer gehouden mogen worden en niet onder de overgangsregeling vallen, mogen ook niet gehuurd of verhuurd worden.

De leden van de fractie van de Partij van de Dieren zijn het met de staatssecretaris eens dat effectieve controle en handhaving van groot belang is.

Zij zijn benieuwd naar de precieze taken van de werkgroep die wordt ingesteld.

De taak van de werkgroep Handhaving is het opstellen van een handhavings-voorstel in relatie tot de overgangsregeling en de randvoorwaarden die aan het houden van voor een groot aantal diersoorten gesteld zouden gaan worden.

Voorts willen de leden van de fractie van de Partij van de Dieren graag weten wat de sancties zullen zijn voor houders van dieren die na 1 januari 2014 toch nog zoogdieren houden die niet op de positieflijst staan, of zich niet aan de voorwaarden houden met betrekking tot dieren die onder voorwaarden gehouden mogen worden.

Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op soortgelijke vragen van de D66-fractie.

De leden van de fractie van de Partij van de Dieren ontvangen graag een reactie. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn benieuwd naar de wijze waarop het publiek ingelicht zal worden over de positieflijst. Kan de staatssecretaris aangeven of er een communicatieplan is opgesteld en hoe dit er uitziet? Op welke wijze zal het publiek over de positieflijst geïnformeerd worden en wanneer zal de voorlichting van start gaan?

Door de werkgroep communicatie wordt een communicatieplan opgesteld. Op welke wijze dit plan wordt vormgegeven,wordt nog nader uitgewerkt. Het streven is uiteraard de voorlichting zo snel als mogelijk van start te laten gaan.

Voorts willen de leden van de fractie van de Partij van de Dieren graag weten of en in welke mate de staatssecretaris bereid is opvang van dieren tijdens en na de overgangsregeling te ondersteunen. Zij vragen daarnaast wat de consequenties van de positieflijst zullen zijn voor particuliere opvangcentra.

Zolang een dier dat niet meer gehouden mag worden maar waarvan indien nodig de houder kan aantonen dat het dier al in leven was op het moment dat de positieflijst van kracht werd, valt het dier onder de overgangsregeling en mag het dier gewoon bij de houder blijven. Deze dieren hoeven niet opgevangen te worden. Na afloop van de overgangsregeling zal het aantal dieren die niet mogen worden gehouden sterk zijn afgenomen. Indien blijkt dat een eigenaar het dier illegaal houdt, zal handhavend worden opgetreden op dezelfde wijze als nu het geval is bij overtreding van (welzijns)regelgeving.

Vragen van de leden van de 50PLUS-fractie

De leden van de 50PLUS-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van 19 juni 2013 van de staatssecretaris betreffende de positieflijst voor te houden zoogdieren.

De leden van de 50PLUS-fractie zijn in principe verheugd dat er nu wetgeving komt die een verdere bijdrage kan leveren aan het dierenwelzijn van gezelschapieren en de veiligheid en gezondheid van mens en milieu, en dat in de toekomst beter verzekerd kan worden dat de consument alleen dieren kan houden, die daarvoor geschikt zijn. De positieflijst kan een helder instrument gaan worden, dat volgens objectieve criteria informatie verschaft over de geschiktheid van een diersoort als gezelschapsdier.

De positieflijst wijst volgens deze leden weliswaar een weg in de goede richting, maar roept toch ook nog wel vragen op. De leden van de 50PLUS-fractie hebben nog de volgende vragen met betrekking tot de brief en bijlagen.

De leden van de 50PLUS-fractie zijn, met in het achterhoofd het Andibel-arrest en bijlage 3 bij het commentaar van Dibevo van 22 augustus 2013, nog steeds niet volledig overtuigd dat de positieflijst niet handelsbeperkend werkt, en daarmee niet strijdig is met Europees recht. 90 soorten zoogdieren zijn voor de positieflijst beoordeeld. Deze leden constateren dat er derhalve naast de positieflijst sprake is van circa 5.300 diersoorten, waarvan het houden zonder meer (dus automatisch) verboden wordt. Daarmee ontstaat tegelijk een handelsbelemmering voor deze soorten. Binnen het Europees recht geldt echter in principe een vrij verkeer van goederen en diensten tussen de lidstaten. Naar wij begrijpen vallen óók gezelschapsdieren daaronder.

De leden van de 50PLUS-fractie vragen waarom niet tenminste alle binnen de EU gehouden soorten moeten worden beoordeeld.

Het gaat om soorten die momenteel in Nederland gehouden worden. Daarnaast kan altijd een beargumenteerd verzoek worden gedaan om een diersoort die niet in Nederland gehouden wordt maar waarvan een toekomstige houder deze wel wil gaan houden, alsnog op de positieflijst te plaatsen. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op soortgelijke vragen van de SGP-fractie.

Kan nog eens uitvoerig uiteengezet worden, in welke stadia van de totstand-koming van de positieflijst en het daar aan ten grondslag liggende onderzoek, de houderij(sector) betrokken is geweest, en verder betrokken zal worden? Zijn bij het WUR-onderzoek ook praktijkdeskundigen en ervaringsdeskundigen met daadwerkelijke inbreng betrokken geweest, of alleen theoretische wetenschappers? Als dit laatste het geval is, waarom zijn praktijk- en ervaringsdeskundigen niet (méér) betrokken geweest bij het onderzoek?

Het opstellen van de systematiek dat moest voldoen aan het Andibel Arrest (vaststellen criteria, ontwikkelen database voor gegevens vrije natuur versus gegevens over gevangenschap) is de verantwoordelijkheid van de overheid en als zodanig op verzoek van het ministerie van EZ door de WUR ontwikkeld. De WUR rapporten 345 en 408 over de voorgestelde systematiek zijn in 2009 en 2010 opgemaakt. Op basis van commentaar vanuit een aantal van de stakeholders inzake het gebruik van de normomgeving, is vervolgens al vrij in het begin ervoor gekozen de normomgeving als criterium te schrappen uit de systematiek.

Voor het voeden van de database met literatuurgegevens over de in de wet opgenomen criteria en op grond waarvan een welzijnsrisico-inschatting gemaakt kon worden was mede een belangrijke rol toebedeeld aan de houderijsector. In april 2011 zijn de WUR rapporten 345 en 408 aan de stakeholders verstrekt met daarbij het verzoek om mee te werken aan de invulling van de database. In mei en juni 2011 hebben interviews met een 12-tal partijen plaatsgevonden om de systematiek toe te lichten en eventuele input te krijgen van de stakeholders. Het merendeel de partijen kon zich prima vinden in de systematiek met uitzondering van het Platform Verantwoord Huisdierenbezit (PVH) en Dibevo. Op 13 april 2012 is nogmaals middels een brief van mij aan de stakeholders gevraagd om input te leveren voor de database. Nogmaals is hierin aangegeven dat de praktijkgegevens binnen de systematiek zullen worden beoordeeld in samenhang met de informatie uit de wetenschappelijke literatuur. Op 25 juni 2012 is aan de stakeholders nogmaals aandacht gevraagd voor het aanleveren van de informatie en is de termijn voor het invullen van de enquête verlengd. Aan het verzoek om praktijegevens aan te leveren is door Dibevo en PVH om heb moverende redenen niet voldaan. In een bestuurlijk overleg is nadien de huidige indeling met een tussencategorie afgesproken. Het proces voor de uitwerking van de tussen-categorie biedt alsnog de mogelijkheid voor deze diersoorten de houderijpraktijk in te brengen. Na opstellen positieflijst zijn voor de uitwerking van de uitvoering ervan alle stakeholders uitgenodigd en nemen alle stakeholders ook deel aan de werkgroep. Daarnaast worden alle stakeholders door de Raad voor Dierenaangelegenheden betrokken bij de uitwerking van de randvoorwaarden.

In hoeverre is bij de positieflijstsystematiek «bescherming van het milieu» een beoordelingscriterium? Deelt de staatssecretaris de mening dat dit criterium zeker mee zou moeten worden genomen bij de beoordeling?

Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op soortgelijke vragen van de PvdD-fractie.

Onder verwijzing naar het commentaar van de Stichting Aap van 26 augustus 2013 vragen de leden van de 50PLUS-fractie naar een nadere toelichting op de gang van zaken rond de overgangsregeling. Veel is nog onduidelijk.Kan de overgangsregeling nader verhelderd worden? Hoe lang duurt de overgangs-termijn? Hoe wordt de handhaving geregeld? Wie gaat de kosten van identificatie en registratie dragen?

Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op soortgelijke vragen van de PvdD-fractie.

Hoe worden publiek en handel geïnformeerd?

Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op soortgelijke vragen van de PvdD-fractie.

De leden van de 50PLUS-fractie zijn van mening dat eventuele kosten die ontstaan als gevolg van gewijzigd beleid, niet eenzijdig neergelegd kunnen worden bij de handel en consument. Is er voor handhaving van beleid en regeling rond de positieflijst extra budget beschikbaar? Zo nee, acht de staatssecretaris handhaving van beleid en regelgeving reëel, en voldoende haalbaar? Het lijkt deze leden niet zonder risico voor een belangrijk deel te gaan vertrouwen op sociale controle, voor het opsporen van eventueel illegaal gehouden dieren.

Mijn streven is de handhaving te laten plaatsvinden binnen al bestaande handhavingscapaciteit van de toezichthoudende instanties waarbij de capaciteit van de Landelijke Inspectiedienst is uitgebreid ten behoeve van de handhaving van het nieuwe Besluit gezelschapsdieren en de positieflijst. Ik acht dit reëel en voldoende haalbaar.