31 322 Kinderopvang

Nr. 299 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 25 april 2016

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brief van 1 maart 2016 houdende het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen in verband met het stellen van regels aan de opleidingseisen waaraan een beroepskracht meertalige buitenschoolse opvang voldoet (Kamerstuk 31 322, nr. 289).

De vragen en opmerkingen zijn op 25 maart 2016 aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 22 april 2016 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Van der Burg

De adjunct-griffier van de commissie, Van der Linden

Inhoudsopgave

blz.

     

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

 

Vragen van de leden van de VVD-fractie

2

 

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

2

 

Vragen van de leden van de CDA-fractie

3

     

II

Antwoord/Reactie van de Minister

3

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen van de leden van de VVD-fractie

I. Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennis genomen van het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen. Deze leden onderschrijven het doel van dit besluit om in Amsterdam, en daarbij Nederland, een zo aantrekkelijk mogelijk vestigingsklimaat te creëren voor internationale ondernemers.

Een strikte scheiding tussen Nederlandstalige en vreemdtalige kinderopvang zorgt daarbij voor onnodige problematiek voor ouders die hun kinderen een goede aansluiting op internationaal onderwijs willen bieden, zoals bijvoorbeeld expats.

De leden van de VVD-fractie hebben echter nog wel een vraag aan de Minister over het ontwerpbesluit. Kan de Minister bevestigen dat dit ontwerpbesluit zich alleen maar beperkt tot de genoemde talen Engels, Frans en Duits en niet wordt uitgebreid met meerdere vreemde talen?

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

I. Algemeen, 1. Inleiding

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig ontwerpbesluit. Naar aanleiding van het ontwerpbesluit hebben deze leden enkele vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben behoefte aan een cijfermatige onderbouwing van nut en de noodzaak van dit ontwerpbesluit. Hoeveel kindercentra zijn bereid om meertalige buitenschoolse opvang mogelijk te maken? Hoeveel ouders en kinderen hebben behoefte om hier gebruik van te maken?

Daarnaast willen deze leden graag de onderzoeken ontvangen, die aantonen dat het goed is voor de taalontwikkeling van jonge kinderen om meerdere talen op jonge leeftijd te leren.

Kan de Minister deze onderzoeken delen met de Kamer? En in hoeverre sluiten deze onderzoeken aan op de beoogde pilot en op welke manier worden de resultaten van deze onderzoeken ingebed in de lesmethodiek van deze pilot?

Verder vragen de leden van de PvdA-fractie waarom er gekozen is voor Duits, Frans en Engels als mogelijke voertalen in deze pilot. Kan de Minister dit nader toelichten?

1.1 Aanleiding, probleem en doel

Kan de Minister nader toelichten hoe de pilot van de gemeente Amsterdam er uit gaat zien? Hoeveel kindercentra betreft deze pilot? Hoe lang gaat deze pilot lopen en op welke manier krijgt de Kamer hier een terugkoppeling van?

Daarnaast lezen de leden van de PvdA-fractie dat er nu al uitzonderingen mogelijk zijn om af te wijken van Nederlands als voertaal in specifieke omstandigheden, bijvoorbeeld door de herkomst van de kinderen waarvan de ouders expats zijn. In hoeverre zijn deze uitzonderingen niet toereikend om te voldoen aan de wens van meertalige buitenschoolse opvang?

De leden van de PvdA-fractie constateren dat ten hoogste vijftig procent van de openingstijd van een kindercentrum per jaar in de Engelse, Duitse of Franse taal geboden kan worden.

Op welke manier is de Minister van plan om hier op toe te zien? Wordt dit ook meegenomen in de pilot van de gemeente Amsterdam? Kan de Minister ook nader toelichten op welke (andere) manieren gewaarborgd wordt dat Nederlands als voertaal ook belangrijk is voor de ontwikkeling van jonge kinderen?

3.2 Regeldruk

De leden van de PvdA-fractie constateren dat er in het ontwerpbesluit niets gezegd wordt over toezicht en handhaving op het taalniveau van de beroepskrachten. Hoe wordt hierop toegezien? Welke instantie controleert de aangereikte certificaten?

Overig

Tot slot wensen de leden van de PvdA-fractie nog een opmerking te plaatsen over kinderen met een taalachterstand. Deze leden vinden het belangrijk dat gewaarborgd wordt dat kinderen met een taalachterstand in het Nederlands of in een andere voertaal ook mee kunnen komen. Hoe houdt dit ontwerpbesluit rekening met de behoefte van deze leden? Hoe wordt voorkomen dat taalachterstanden – in welke taal dan ook – niet groter worden door de keuze om meertalige opvang aan te bieden?

Vragen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben nog een paar vragen over het ontwerpbesluit.

Kan nader worden gespecificeerd wat moet worden verstaan onder een «passende opleiding»?

Hoe wordt het taalniveau vastgesteld?

Welke talen kunnen worden gesproken in een meertalige buitenschoolse opvang? In de toelichting bij het ontwerpbesluit wordt alleen gesproken over de Engelse, Duitse of Franse taal. Blijft het tot deze talen beperkt? Graag een uitgebreide toelichting.

II Antwoord/Reactie van de Minister

Bij brief van 1 maart 2016 heb ik bij uw Kamer voorgehangen het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen in verband met het stellen van regels voor de opleidingseisen waaraan een beroepskracht meertalige buitenschoolse opvang voldoet (Kamerstuk 31 322, nr. 289).

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft naar aanleiding van dit voorgehangen ontwerpbesluit enkele vragen gesteld en opmerkingen gemaakt, waarop ik hieronder graag inga. Om de vragen zoveel mogelijk in samenhang te beantwoorden is, daar waar aangegeven, een aantal vragen samengevoegd.

Vragen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie vragen, net als de leden van de CDA-fractie, of het ontwerpbesluit zich alleen maar beperkt tot de genoemde talen Engels, Frans en Duits en niet wordt uitgebreid met meerdere vreemde talen. De leden van de PvdA-fractie vragen zich af waarom gekozen is voor Duits, Frans en Engels als mogelijke voertalen.

Het ontwerpbesluit beperkt zich inderdaad alleen tot de genoemde talen Engels, Frans en Duits en wordt niet uitgebreid met meerdere vreemde talen. Met het bieden van de mogelijkheid van meertalige buitenschoolse opvang wordt aangesloten bij ontwikkelingen in het primair onderwijs, in het bijzonder bij de op 1 januari 2016 in werking getreden Wet van 30 september 2015 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het regelen van de mogelijkheid een deel van het onderwijs te geven in de Engelse, Duitse of Franse taal (Stb. 2015, 359). In het onderwijs is gekozen voor Engels, omdat Engels de taal is die doorgaans als gemeenschappelijk communicatiemiddel wordt gebruikt tussen mensen met verschillende moedertalen en dus cruciaal is voor onze contacten met anderstaligen. Naast het Engels zijn Duits en Fransde talen die gesproken worden in onze buurlanden. Kennis van deze talen geeft voordelen voor wat betreft studiemogelijkheden en werkgelegenheid over onze landsgrenzen heen. Tot slot zijn het de talen die onze voornaamste handelspartners spreken. Om deze redenen zijn Engels, Duits en Frans ook de enige vreemde talen die in het primair onderwijs wettelijk zijn toegestaan als vak1.

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

Algemeen, inleiding

De leden van de PvdA-fractie hebben behoefte aan een cijfermatige onderbouwing van het nut en de noodzaak van dit ontwerpbesluit. Zij vragen zich af hoeveel kindercentra bereid zijn om meertalige buitenschoolse opvang mogelijk te maken en hoeveel ouders en kinderen behoefte hebben om hiervan gebruik te maken.

Er zijn geen cijfers bekend van kindercentra die bereid zijn om meertalige buitenschoolse opvang mogelijk te maken en ook niet van hoeveel ouders en kinderen behoefte hebben om hiervan gebruik te maken. De signalen dat ouders in toenemende mate graag zien dat hun kind op jonge leeftijd in de kinderopvang in aanraking komt met een vreemde taal bereiken mij via de toezichthouder, individuele gemeenten zoals de gemeenten Amsterdam, Enschede en Utrecht, de Brancheorganisatie Kinderopvang, Boink en organisaties zoals het voormalig Europees Platform (nu EP Nuffic). Met de wettelijke verankering om meertalige buitenschoolse opvang aan te mogen bieden, is aangesloten bij deze behoefte. Kindercentra zijn niet verplicht om van deze mogelijkheid gebruik te maken.

De leden van de PvdA-fractie willen graag de onderzoeken ontvangen die aantonen dat het goed is voor de taalontwikkeling van jonge kinderen om meerdere talen op jonge leeftijd te leren. De leden vragen zich af of deze onderzoeken gedeeld kunnen worden met de kamer en in hoeverre deze onderzoeken aansluiten op de beoogde pilot en op welke manier de resultaten van deze onderzoeken worden ingebed in de lesmethodiek van deze pilot.

Het is een misvatting dat er een pilot meertaligheid komt voor de buitenschoolse opvang. De mogelijkheid om de buitenschoolse opvang in de Engels, Duitse of Franse taal aan te bieden is wettelijk verankerd in de Wet personenregister2 en ziet op kinderen in de leeftijd van 4–12 jaar. Met het onderhavige besluit (en de nog op te stellen ministeriële regeling) wordt dit nader uitgewerkt. Beoogd is om de in de Wet personenregister opgenomen onderdelen die zien op meertaligheid, het besluit en de ministeriële regeling voor aanvang van het nieuwe schooljaar (2016–2017) in werking te laten treden. Zoals gezegd wordt met het bieden van de mogelijkheid van meertalige buitenschoolse opvang aangesloten bij de ontwikkelingen in het primair onderwijs. In het primair onderwijs is er van 2010 tot 2012 een pilot uitgevoerd waarin scholen maximaal vijftien procent van de lestijd in het Engels, Duits of Frans mochten geven. De resultaten van deze pilot waren positief. Gebleken is dat de ontwikkeling van het Nederlands niet stagneert3. Internationaal onderzoek onderschrijft deze resultaten4.

Voor meertalige dagopvang en meertalig peuterspeelzaalwerk (dat wil zeggen voor kinderen in de leeftijd van 0–4 jaar) wordt middels een landelijk experiment verder onderzocht wat de gevolgen zijn van meertalige opvang voor de algehele taalwerving en voor de Nederlandse taal. Alleen wanneer het experiment aantoont dat meertalige dagopvang en meertalig peuterspeelzaalwerk geen aanwijsbaar negatieve gevolgen hebben voor de taalontwikkeling van jonge kinderen, kan meertalige opvang voor de leeftijdscategorie 0–4 jarigen door middel van wettelijke verankering breed worden ingevoerd. Op dit moment werk ik aan een besluit om dit experiment uit te werken. Dit besluit zal ook bij de kamers worden voorgehangen. In het experiment zullen ook de effecten op taalachterstanden5 en leerresultaten6 bij meertalige dagopvang en meertalig peuterspeelzaalwerk worden meegenomen.

Aanleiding, probleem en doel

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of toegelicht kan worden hoe de pilot van de gemeente Amsterdam eruit gaat zien, hoeveel kindercentra de pilot betreft, hoelang de pilot gaat lopen en op welke manier de kamer een terugkoppeling van de pilot krijgt.

Het is eveneens een misvatting dat met dit besluit de pilot van de gemeente Amsterdam wordt geregeld. Het verzoek van de gemeente Amsterdam is aanleiding geweest om de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen zodanig te wijzigen7 dat de buitenschoolse opvang voor ten hoogste vijftig procent van de openingstijd per jaar in de Engelse, Duitse of Franse taal kan worden aangeboden.

Voor wat betreft de dagopvang en het peuterspeelzaalwerk werk ik momenteel, zoals hiervoor is aangegeven, aan de totstandkoming van een landelijk experiment om te bezien of het wettelijk mogelijk gemaakt moet worden ook in de dagopvang en het peuterspeelzaalwerk opvang in de Engelse, Duitse of Franse taal aan te bieden.

Daarnaast lezen de leden van de PvdA-fractie dat er nu al uitzonderingen mogelijk zijn om af te wijken van het Nederlands als voertaal in specifieke omstandigheden, bijvoorbeeld door de herkomst van de kinderen waarvan de ouders expats zijn. De leden vragen zich af in hoeverre deze uitzonderingen niet toereikend zijn om te voldoen aan de wens van meertalige buitenschoolse opvang.

Er zijn inderdaad al uitzonderingen mogelijk om in specifieke omstandigheden af te wijken van het Nederlands al voertaal. Deze uitzonderingen zijn niet toereikend om te voldoen aan de wens van meertalige buitenschoolse opvang, omdat de vraag naar meertalige opvang breder speelt dan enkel bij ouders die expats zijn.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat ten hoogste vijftig procent van de openingstijd van een kindercentrum per jaar in de Engelse, Duitse of Franse taal geboden kan worden. De leden vragen zich af op welke manier de Minister van plan is hierop toe te zien en of dit ook wordt meegenomen in de pilot van de gemeente Amsterdam. Verder vragen de leden zich af of de Minister nader kan toelichten op welke (andere) manieren gewaarborgd wordt dat Nederlands als voertaal ook belangrijk is voor de ontwikkeling van jonge kinderen.

Het aanleren van een goede beheersing van de Nederlandse taal heeft nog steeds de hoogste prioriteit. In het kader van de herijking van de kwaliteitseisen in de kinderopvang wordt beoogd om een taaleis spreekvaardigheid Nederlands voor beroepskrachten in te voeren. Kindercentra die gebruik gaan maken van de mogelijkheid om meertalige buitenschoolse opvang aan te bieden, verantwoorden zich hierover in hun pedagogisch beleidsplan dat zij verplicht zijn op te stellen. Bij ministeriële regeling wordt geregeld dat in het pedagogisch beleidsplan de wijze waarop meertaligheid wordt vormgegeven moet wordt beschreven. De toezichthouder kan nadere informatie opvragen als er signalen zijn dat de kwaliteit van de opvang onvoldoende is of wanneer onvoldoende blijkt dat het kindercentrum binnen het maximumpercentage blijft. In het experiment meertalige dagopvang en meertalig peuterspeelzaalwerk, dat landelijk zal worden uitgevoerd en waaraan een beperkt aantal kindercentra en peuterspeelzalen kan deelnemen, zal ook voor ten hoogste vijftig procent van de openingstijd opvang in de Engelse, Duitse of Franse taal aangeboden mogen worden. Het experiment wordt mede uitgevoerd om te bezien wat het effect is van meertaligheid op de ontwikkeling van het Nederlands van kinderen van 0–4 jaar.

Regeldruk

De leden van de PvdA-fractie constateren dat er in het ontwerpbesluit niets wordt gezegd over toezicht en handhaving op het taalniveau van de beroepskrachten. De leden vragen zich af hoe hierop wordt toegezien en welke instantie de aangereikte certificaten controleert.

Het onderhavige ontwerpbesluit bevat een grondslag om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen met betrekking tot de opleidingseisen van beroepskrachten meertalige buitenschoolse opvang. De opleidingseisen vallen uiteen in eisen aan de beroepskwalificatie en taaleisen. Het taalniveau zal moeten blijken uit een certificaat of diploma. In eerste instantie zullen houders van kindercentra bij het aannemen van personeel erop moeten toezien dat de beroepskracht over de juiste diploma’s en certificaten beschikt, zowel wat betreft beroepskwalificatie als wat betreft taal. Daarnaast zal de toezichthouder tijdens inspecties controleren of de beroepkracht meertalige buitenschoolse opvang voldoet aan de beroepskwalificatie- en taaleisen.

Overig

Tot slot vragen de leden van de PvdA-fractie zich af hoe dit ontwerpbesluit rekening houdt met de behoefte van deze leden dat kinderen met een taalachterstand in het Nederlands of in een andere voertaal ook mee kunnen komen. Hoe wordt voorkomen dat taalachterstanden – in welke taal dan ook – niet groter worden door de keuze om meertalige opvang aan te bieden?

De prioriteit van de regering ligt bij de taalontwikkeling van alle kinderen en het voorkomen van taalachterstanden. Alle buitenschoolse opvanginstellingen mogen binnenkort meertalige opvang aanbieden, ook aan kinderen met een taalachterstand. De voor- en vroegschoolse educatie richt zich specifiek op de Nederlandse taalbeheersing van deze groep. Het leren van een vreemde taal op jonge leeftijd kan positieve invloed hebben op de cognitieve en taalkundige ontwikkeling van een kind. Dit is ook van belang voor kinderen met een ontwikkelingsachterstand of leerprobleem8. Om meertaligheid te ontwikkelen is het van cruciaal belang dat het taalonderwijs geboden wordt door mensen met een goede taalbeheersing. Met dit ontwerpbesluit wordt een grondslag gecreëerd om bij ministeriele regeling eisen te stellen aan de beroepskwalificatie en het taalniveau van de beroepskracht meertalige buitenschoolse opvang. Onderzoek toont aan dat leerlingen met een taalachterstand zich in tweetalige programma’s niet anders ontwikkelen dan leerlingen die geen achterstand hebben9.

Vragen van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie vragen zich af wat moet worden verstaan onder een «passende opleiding» en hoe het taalniveau wordt vastgesteld.

Wat een passende opleiding is, wordt geregeld in de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012. In de regeling zal worden aangegeven dat voor de beroepskwalificatie-eisen van beroepskrachten meertalige buitenschoolse opvang wordt aangesloten bij de eisen voor reguliere beroepskrachten middels verwijzing naar de CAO kinderopvang. De beroepskwalificatie-eisen zijn voor de gewone beroepskracht en de beroepskracht meertalige buitenschoolse opvang hetzelfde. De taaleisen zullen in de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012 worden opgenomen. In reactie op de vragen van de leden van de PvdA-fractie is reeds aangegeven dat het taalniveau zal moeten blijken uit een certificaat of diploma.


X Noot
1

Kamerstuk 34 031, nr. 3, p. 2–3.

X Noot
2

Wet van 21 november 2015 tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de totstandkoming van het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en de mogelijkheid te komen tot meertalige buitenschoolse opvang (Stb. 2015, 452).

X Noot
3

1. Rijksuniversiteit Groningen en Universiteit Utrecht, Eindverslag Foreign Languages in Primary School Project. 2012. Onderzoek naar de effecten van vvto Engels op de Nederlandse en Engelse taalvaardigheid van kleuters.

2. Universiteit Utrecht, Ervaringsrapport Proefproject 15% vvto, 2012. Ervaringen van basisscholen die 3 jaar met 15% van de onderwijstijd in het Engels (of Duits) hebben geëxperimenteerd.

X Noot
4

Rijksuniversiteit Groningen en Universiteit Utrecht, Voorstudie pilot tweetalig primair onderwijs, Groningen: 2014. Te raadplegen via: www.europeesplatform.nl/tpo

X Noot
5

Handelingen II 2014/15, nr. 107, item 9, p. 10.

X Noot
6

Bij kinderen van 0–4 jaar zijn geen echte leerresultaten meetbaar zoals in het onderwijs (cito toetsen e.d.). Bij jonge kinderen wordt gekeken of de taalontwikkelingen passen bij de leeftijd van het kind.

X Noot
7

Eerste nota van wijziging bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzaalwerk in verband met de totstandkoming van het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk (Kamerstuk 34 195, nr. 5).

X Noot
8

Onderwijsraad, «Vreemde Talen in het Onderwijs», 2008.

X Noot
9

Rijksuniversiteit Groningen en Universiteit Utrecht, Voorstudie pilot tweetalig primair onderwijs, Groningen: 2014. Te raadplegen via: www.europeesplatform.nl/tpo

Naar boven