Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201331311 nr. 97

31 311 Zelfstandig ondernemerschap

Nr. 97 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 maart 2013

In de kabinetsreactie op het SER-advies «Zzp’ers in beeld» is onderzoek toegezegd naar pensioen van zelfstandigen1. Dit onderzoek bied ik u hierbij aan2, mede namens de minister van Economische Zaken en de staatssecretaris van Financiën. Hiermee wordt tevens uitvoering gegeven aan de motie van Van Weyenberg3.

Het onderzoek betreft de oorzaken van de beperkte pensioenopbouw van zelfstandigen (waarom bouwen zelfstandigen minder pensioen op dan werknemers) en inventariseert waarom bestaande mogelijkheden niet of onvoldoende worden benut4. Aan de hand van deze inventarisatie heeft het kabinet bezien of het aanbod van pensioenvoorzieningen en -producten aansluit bij de vraag van zelfstandigen, of er belemmeringen zijn voor deelname en waar deze eventueel weggenomen kunnen worden.

Zelfstandigen zijn zelf verantwoordelijk voor hun pensioen. Volgens het onderzoek bouwt ruim een kwart van de circa 400.000 zelfstandigen zonder personeel5 een pensioen op van 50–70% van het huidige bruto jaarinkomen, en ontvangt ongeveer de helft van de groep zelfstandigen na pensionering een inkomen van 70% of meer van het huidige bruto jaarinkomen. Een deel van de zelfstandigen bouwt daarentegen in beperkte mate pensioen op: ongeveer een kwart van de zelfstandigen zonder personeel komt op basis van een extrapolatie van cijfers over 2009 en 2010 uit op een pensioen van minder dan 50% van hun huidige bruto jaarinkomen.

Dat zelfstandigen gemiddeld minder pensioen opbouwen dan werknemers hangt samen met diverse factoren. Zelfstandigen kunnen andere prioriteiten hebben dan pensioenopbouw, zoals investeringen in het eigen bedrijf. Daarnaast speelt dat individuen niet altijd bewuste keuzes maken ten aanzien van beslissingen omtrent de oude dag, zo kan het zijn dat ze keuzes hierover vooruitschuiven (uitstel-gedrag).

Huidig kader

Binnen het huidige kader kunnen enkele stappen worden gezet die tot verbetering van de individuele pensioenopbouw van zelfstandigen kunnen leiden. Dit kan bijvoorbeeld door het verder verbeteren van de financiële kennis en vaardigheden van zelfstandigen. De mate waarin dergelijke maatregelen een substantiële bijdrage leveren aan een hogere pensioenopbouw is echter onduidelijk. Ze zijn bijvoorbeeld niet specifiek gericht op het voorkomen van uitstelgedrag.

Een andere mogelijkheid is dat zelfstandigenorganisaties een – vrijwillige – collectieve pensioenregeling voor zelfstandigen opzetten. De overheid zal in dit kader met zelfstandigenorganisaties een werkgroep starten, teneinde initiatieven van deze organisaties om een – vrijwillige – collectieve regeling binnen de derde pijler in het leven te roepen, een grotere kans van slagen te geven. Deze werkgroep moet gaan kijken op welke manier de wensen van zelfstandigen-organisaties binnen de huidige mogelijkheden invulling kunnen krijgen. Het streven is erop gericht dat de werkgroep medio mei haar werkzaamheden kan afronden. Zelfstandigen kunnen met een vrijwillig pensioencollectief als collectief met bestaande aanbieders van derdepijlerproducten onderhandelen. De regeling zou ook door deze organisaties zelf kunnen worden uitgevoerd om daarmee een regeling van, voor en door zelfstandigen te realiseren. Op deze wijze kan collectief vermogensbeheer voor zelfstandigen worden vormgegeven. De wettelijke mogelijkheden daarvoor zijn reeds aanwezig, maar worden nog onvoldoende benut. Voor zover praktische hobbels dit in de weg staan, bijvoorbeeld bij oprichting van een beleggingsinstelling, is het kabinet bereid om desgewenst zelfstandigenorganisaties bij te staan om deze weg te nemen. Zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op het SER onderzoek «Zzp’ers in beeld», en conform de motie van Van Weyenberg6, kan dan tevens worden bezien in hoeverre soortgelijke oplossingrichtingen mutatis mutandis van betekenis kunnen zijn op het terrein van de arbeidsongeschiktheidsproblematiek.

Daarnaast kan de pensioenopbouw van zelfstandigen mogelijk gestimuleerd worden als hun pensioenvermogen niet aangesproken wordt als zij een beroep op de bijstand moeten doen. Nu bestaat namelijk de mogelijkheid dat zij eerst hun gespaarde derdepijlerpensioenvermogen moeten afbouwen, alvorens zij recht hebben op de bijstand. Dit zou, naast eerdergenoemde redenen, aanleiding kunnen zijn voor een verminderende prikkel bij zelfstandigen om te sparen voor een aanvullend pensioen in de derde pijler. Het kabinet zal onderzoeken of, hoe en onder welke voorwaarden het wenselijk is dat derdepijlerpensioenvermogen buiten de toets van de bijstand kan blijven. Belangrijk hierbij is dat het uitgangspunt van de Wet werk en bijstand (bijstand bieden voor die mensen die daadwerkelijk niet over middelen van het bestaan beschikken) en de financiële consequenties van een eventuele aanpassing van de vermogenstoets worden meegenomen.

Fundamentele discussie

Als de wens zou zijn dat zelfstandigen zonder meer een hoger pensioen opbouwen, dan kan dat alleen door de introductie van verplichte deelname aan een pensioenregeling al dan niet met «opting out». Een dergelijke verplichting introduceren voor ondernemers zou evenwel een fundamentele koerswijziging vergen ten opzichte van het huidige beleid van eigen verantwoordelijkheid. Een dergelijke beleidswijziging is ook niet los te zien van de rest van het pensioenstelsel. Daarbij komt dat een verplichting niet in lijn is met de uitgesproken voorkeur van zelfstandigen voor vrijwillige deelname en keuzevrijheid. Ook zou een verplichtstelling eventueel met «opting out» gevolgen hebben vanuit budgettair oogpunt en uitvoeringstechnisch complexe vragen met zich mee brengen, zoals wat het introduceren van een «opting out» voor zelfstandigen kan betekenen voor de verplichte deelname van werknemers. Dergelijke afwegingen spelen in vergelijkbare mate op het gebied van de verplichte arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen voor zelfstandigen.

Vragen die volgen uit het rapport kunnen betrokken worden bij de bredere discussie over de maatschappelijke houdbaarheid van het pensioenstelsel, zoals ik heb aangekondigd bij de begrotingsbehandeling.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

Kamerstukken II 2010/11, 31 311, nr. 71.

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
3

Kamerstukken II 2012/13, 29 544, nr. 414.

X Noot
4

Hierbij is gebruik gemaakt van het (beperkte) beschikbare cijfermateriaal, aangevuld met nieuwe steekproef informatie. Daarnaast zijn enkele noodzakelijke veronderstellingen gemaakt om de toekomstige pensioensituatie van zelfstandigen in kaart te kunnen brengen.

X Noot
5

Het betreft zelfstandigen zonder personeel die vooral hun eigen arbeid aanbieden, meer dan 15 uur per week aan hun onderneming besteden en geen medeondernemer hebben. Het aantal is gebaseerd op een extrapolatie van de opbouw in 2009 en 2010.

X Noot
6

Kamerstukken II 2012/13, 29 544, nr. 415.