31 293 Primair Onderwijs

31 289 Voortgezet Onderwijs

Nr. 106 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 22 juni 2011

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, d.d. 10 februari 2011 inzake de aanpak van zeer zwakke scholen.

Bij brief van 21 juni 2011 heeft de minister deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van Bochove

Adjunct-griffier van de commissie,

Boeve

Inhoudsopgave

I

Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

     
 

Inleiding

2

 

Aantal zeer zwakke scholen

3

 

Preventieve maatregelen

3

 

Speciaal onderwijs

4

 

Toezicht

5

     

II

Reactie van de minister

5

I VRAGEN EN OPMERKINGEN UIT DE FRACTIES

Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de aanpak zeer zwakke scholen. De gemaakte vorderingen in het terugdringen van het aantal zeer zwakke scholen stemmen deze leden tevreden, maar nog altijd, zo stellen zij, is het aantal zeer zwakke scholen te hoog. Opdat ieder kind zijn talenten ten volle kan benutten in het onderwijs is het noodzakelijk dat de huidige aanpak wordt voortgezet en aangescherpt waar nodig. De leden zijn verheugd dat de minister eist dat (zeer) zwakke scholen hun onderwijsproces binnen een jaar op orde moeten hebben. De leden zien aanleiding tot het stellen van een aantal vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van de brief van de minister over de aanpak van zwakke scholen. Het is goed om te lezen dat sinds 2009 het aantal zeer zwakke scholen is gehalveerd. Immers, elke dag dat een kind slecht onderwijs krijgt is er één te veel! Deze leden zien dan ook met belangstelling het door de minister aangekondigde wetsvoorstel tegemoet. Op welke termijn komt dit wetsvoorstel naar de Kamer, zo vragen de leden. Daarnaast hebben deze leden nog enige vragen.

De leden van de SP hebben kennisgenomen van de brief van de minister over de aanpak van zeer zwakke scholen. Een zwakke school betekent dat een leerlingen niet het onderwijs krijgen waar hij of zij recht op hebben, omdat het onderwijs van te lage kwaliteit is. Dit kan grote gevolgen hebben voor de toekomst van deze leerlingen. De SP deelt het standpunt van de minister dat deze zwakke scholen snel moeten worden verbeterd. Het moment van de harde taal van de minister richting de scholen vinden de leden van de SP echter opmerkelijk. Waarom wordt juist nu ingegrepen?

De leden van de D66-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van het aangekondigde beleid om het aantal zeer zwakke scholen terug te dringen. Voor deze leden is de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs een absolute prioriteit van het overheidsbeleid. De autonomie van scholen mag nooit leiden tot slecht onderwijs voor de leerlingen. Het is de verantwoordelijkheid van de overheid om in te grijpen als die kwaliteit onder de maat is. De leden hebben daarom al bij de invoering van de Wet goed onderwijs, goed bestuur2 gepleit voor een verkorting van de termijn waarop de minister kan ingrijpen bij zeer zwakke scholen. Het amendement van het lid Pechtold3 strekte ertoe de mogelijkheid van de minister om eerder in te grijpen mogelijk te maken. Het amendement werd toen door de staatssecretaris afgewezen. Deze leden vragen hoe de huidige voorstellen voor uitbreiding van de mogelijkheden van de minister om sneller in te grijpen zich verhouden tot het amendement-Pechtold en wat de minister sinds indiening van dat amendement van mening heeft doen veranderen.

Aantal zeer zwakke scholen

De leden van de VVD-fractie zijn tevreden met de halvering van het aantal zeer zwakke scholen in het primair onderwijs en meer dan een halvering van het aantal zeer zwakke scholen in het voortgezet onderwijs. Graag vernemen de leden hoe groot het aantal zwakke scholen is. Uit de brief blijkt dat er nieuwe zeer zwakke scholen op de lijst van de Inspectie van het Onderwijs blijven komen. De leden vinden dit zorgelijk en vernemen graag of de minister een «terugval» verwacht naar zeer zwak van die scholen die de eerste stap naar verbetering hebben gezet en momenteel «slechts» zwak bevonden zijn. Voorts vernemen de leden graag hoeveel van de scholen die in 2009 nog zeer zwak waren een duurzame verbetering hebben doorgemaakt en het onderwijsproces nu volledig op orde hebben.

De leden van de CDA-fractie vragen de minister om een nadere toelichting waarom het drie jaren duurt voor een school het predicaat zeer zwak heeft gekregen. Kan de minister aangeven wat voor soort scholen een predicaat zeer zwak hebben gekregen, om welke denominatie of richting gaat het, gaat het om nieuw gestichte scholen of juist scholen die al langer bestaan?

Kan de minister aangeven hoeveel scholen zich in de huidige verbetertermijn daadwerkelijk hebben verbeterd en daarmee het etiket «zeer zwak» hebben vermeden? Verwacht de minister dat het huidige aantal scholen met dit etiket zich binnen afzienbare tijd zal kunnen verbeteren of worden deze scholen geconfronteerd met de nieuwe maatregelen, zo vragen de leden.

De leden van de SP willen weten hoeveel scholen «zwak» zijn alvorens zij «zeer zwak» zijn. Hoeveel scholen zijn niet «zwak» voordat zij «zeer zwak» zijn? Hoe komt het dat deze fase van «zwak» wordt overgeslagen? In hoeverre is het mogelijk dat een school de fase van «zwakke school» overslaat, omdat deze school onder verlaagd toezicht stond van de inspectie? Zijn er gevallen bekend van scholen die vanwege het risicogericht toezicht van de onderwijsinspectie minder streng werden gecontroleerd en zo ongemerkt hebben kunnen afglijden tot een «zeer zwakke» school?

Preventieve maatregelen

De leden van de VVD-fractie merken op dat uit de aanpak blijkt dat de Inspectie van het Onderwijs het schoolbestuur in het geval van een scherpe daling van leerresultaten of leerresultaten onder de norm hiervan op de hoogte stelt zodat het schoolbestuur bewust wordt van het treffen van preventieve maatregelen. De leden vrezen dat het uitgeoefende toezicht te beperkt zal zijn en vernemen graag of de minister, evenals deze leden, vindt dat breder toezicht noodzakelijk is. Tegenvallende leerresultaten kunnen het resultaat zijn van moeilijk te definiëren achtergronden. Uit het voorbeeld van De Regenboog in Melissant, zoals op de website van de Besturenraad 4staat vermeld, spelen ondermeer de verhoudingen binnen een school een rol bij het niet op orde hebben van het onderwijsproces. Kan de minister toelichten hoe de Inspectie van het Onderwijs deze op papier «onzichtbare» indicatoren betrekt bij het signaleren van (zeer) zwakke scholen, zo vragen deze leden.

De minister verwacht van schoolbesturen dat zij opbrengstgericht sturen op de kwaliteit van het onderwijs. Graag vernemen de leden welke rol de minister ziet voor individuele (teams van) leraren in het voorkomen van zeer zwakke scholen? Hoe dient een schoolbestuur op deze rol van individuele (teams van) leraren te sturen?

Tot slot vernemen de leden graag welke factoren een rol spelen voor de minister om te besluiten tot het stopzetten van de bekostiging of het opheffen een zeer zwakke school? Spelen louter de factoren onderwijsproces en leerresultaten voor de minister een rol of zal de minister bijvoorbeeld meewegen of een school gevestigd is in een krimpregio? Zo ja, hoe zal de minister de weging van de verschillende factoren gaan bepalen? In hoeveel gevallen verwacht de minister daadwerkelijk over te gaan tot opheffing van de school dan wel tot het stopzetten van de bekostiging? Betekent het stopzetten van de bekostiging dat de school kan én mag voortbestaan, ondanks dat zij zeer zwak bevonden is, zo vragen de leden van deze fractie tot slot.

De leden van de CDA-fractie merken op dat minister in haar brief aankondigt dat zij na de genoemde verbetertermijn ernstig zal overwegen de bekostiging van de school in te trekken. Kan de minister benoemen bij welke omstandigheden zij hiertoe zal overgaan en onder welke omstandigheden niet, zo vragen de leden. In het regeerakkoord staat tevens dat scholen het predicaat excellent kunnen verdienen. Kan de minister al aanduiden wat scholen hiervoor moeten doen en vanaf wanneer het predicaat excellent kan worden afgegeven aan scholen, willen deze leden weten.

De leden van de SP-fractie merken op dat de periode dat een school «zeer zwak» kan zijn gehalveerd wordt en komt op een jaar te staan. Is er in dat overgebleven jaar meer dan wel intensievere begeleiding voor de school dan nu het geval is? Hoe ziet deze begeleiding er uit?

De leden van de D66-fractie lezen dat de minister ernstig zal overwegen de bekostiging van een school in te trekken of de school op te heffen als deze na een jaar nog steeds het predicaat zeer zwak heeft. Welke aanvullende criteria zal de minister hanteren bij haar overweging een school al dan niet op te heffen of bekostiging in te trekken?

De leden vragen de minister hoeveel geld de sectorraden jaarlijks tot hun beschikking krijgen om zeer zwakke scholen te ondersteunen in de verbetering van hun onderwijs? Kan de minister benoemen welke vorm deze ondersteuning heeft? De minister geeft aan dat scholen die van de status zeer zwak afkomen onder intensief toezicht blijven staan. Hoe lang blijven deze scholen onder intensief toezicht staan en wat zijn de criteria om het intensieve toezicht voor deze groep scholen op te heffen?

Speciaal onderwijs

De leden van de VVD-fractie merken op dat de PO-Raad alsmede de bonden KBO en KBVO5 zorgen hebben geuit over de positie van scholen in het passend onderwijs. De bonden KBO en KBVO stellen dat het inkorten van de verbetertermijn voor scholen tot één jaar veel effect zal hebben op het speciaal onderwijs. «Immers», zo stellen de bonden KBO en KBVO, «die scholen worden in 2012 instellingen met een gewone basisbekostiging en zijn voor een extra zorgbudget afhankelijk van het samenwerkingsverband.» De leden van deze fractie vragen de minister of zij de Kamer kan informeren over het aantal scholen voor speciaal onderwijs dat momenteel zeer zwak bevonden wordt? Voorts verzoeken de leden om een reactie op de stelling van de bonden KBO en KBVO dat het inkorten van de verbetertermijn tot één jaar specifiek op het speciaal onderwijs veel effect zal hebben.

De leden van de SP-fractie merken op dat er fors bezuinigd wordt op het primair onderwijs, ook wordt er een systeemwijziging doorgevoerd in het onderwijs genaamd «passend onderwijs». Deelt de minister de mening dat door deze bezuinigingen en de grote veranderingen het risico groter is dan normaal dat de kwaliteit van een school in het geding komt, zowel organisatorisch als wat betreft leerprestaties? Hoe komt zij scholen tegemoet die vanwege de bezuinigingen in de knel komen? Hoe komt zij scholen tegemoet die vanwege de invoering van «passend onderwijs» in de knel komen?

Toezicht

De leden van de SP-fractie merken op dat ruim 23 000 mensen hebben een petitie getekend genaamd «Red het basisonderwijs», met daarin een aanklacht tegen het toezicht op het basisonderwijs. Deelt de minister de mening van de ondertekenaars dat het huidige risico- en bestuursgerichte toezicht het onderwijs verlamt en frustreert? Deelt de minister de mening van de ondertekenaars dat de inspectie te veel de nadruk legt op een afstandelijke en cijfermatig ingestelde beoordeling? In hoeverre wordt bij de beoordeling van een school aandacht besteed aan talenten op sociaal, motorisch, creatief en expressief gebied? Hoe ziet de minister het risico dat door de grote nadruk op slechts enkele aspecten van het onderwijs leidt tot eenzijdig onderwijs? Hoe ziet de minister het risico dat door de grote nadruk op slechts enkele aspecten van het onderwijs leidt tot het kunstmatig verhogen van de leeropbrengsten, bijvoorbeeld door bijvoorbeeld toetstraining?

II REACTIE VAN DE MINISTER

Ik constateer dat de brief van 10 februari 2011 met veel belangstelling en instemming is gelezen en ik bedank de leden van de fracties van de VVD, het CDA, D66 en de SP voor hun constructieve inbreng. Ik maak graag van de gelegenheid gebruik de gestelde vragen zo volledig mogelijk te beantwoorden en houd daarbij zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aan.

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie vragen op welke termijn de Kamer het in mijn brief aangekondigde wetsvoorstel kan verwachten waarmee het mogelijk wordt om zeer zwakke scholen die hun onderwijsproces niet binnen een jaar op orde hebben, te sluiten. De SP-fractie vraagt naar het waarom van het moment van de brief. De leden van de D66-fractie vragen hoe deze brief zich verhoudt tot mijn stellingname bij de behandeling van amendement nr. 18 van het lid Pechtold uit het debat over wet Goed onderwijs, goed bestuur.

Ik begin met de vraag van de SP. De verbetertermijn die is aangehouden bij de behandeling van de wet Goed onderwijs, goed bestuur is twee jaar. Intussen is er een nieuw kabinet aangetreden. In het regeerakkoord is aangegeven dat zeer zwakke scholen zich sneller moeten verbeteren. Het is goed mogelijk om binnen een jaar verbeteringen in het onderwijsproces door te voeren. Dat blijkt uit de tussentijdse kwaliteitsonderzoeken die de inspectie sinds maart 2010 uitvoert. Ik wil dat alle scholen die kwaliteitsrisico’s hebben eerder aan de slag gaan met het verbeteren van hun onderwijs en hooguit nog dat laatste jaar nodig hebben. In het najaar van 2012 verwacht ik het aangekondigde wetsvoorstel aan de Kamer te sturen.

Bij de behandeling van de wet Goed onderwijs, goed bestuur heeft het kamerlid Pechtold een amendement ingediend dat ertoe strekte dat hij een aanwijzingsbevoegdheid in het leven wilde roepen die kan worden ingezet bij zeer zwakke scholen die na één jaar nog steeds zeer zwak zijn. Tijdens de behandeling van de begroting 2011 hebben de leden Van der Ham en Smits een motie ingediend (Tweede Kamer, 32 500-VIII, nr. 26) die dezelfde strekking heeft als het amendement van het lid Pechtold. Deze motie is vervolgens door uw Kamer aangenomen.

Ik heb destijds het amendement afgewezen en daarna de motie ontraden omdat de wet Goed onderwijs, goed bestuur onderscheid maakt tussen «bestuur» en «onderwijskwaliteit». Beide kennen een apart regime. De aanwijzing aan het bestuur is een instrument om bestuurlijk wanbeheer te bestrijden op een beperkt aantal handelingen. Het betreft de handelingen van een rechtspersoon die een school in stand houdt. Aanwijzingen zijn gericht op een ongewenste situatie, die relatief eenvoudig en in korte tijd beëindigd kan worden.

Wat betreft de onderwijskwaliteit kent de wet een ander regime. Het verbeteren van de onderwijskwaliteit vraagt naar zijn aard om een proces dat gedurende een relatief lange periode de inzet vraagt van alle betrokkenen op een school. De inspectie houdt gedurende dit traject geïntensiveerd toezicht en spreekt het bestuur aan op haar verantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit. Het geïntensiveerd toezicht vangt aan zodra de inspectie een school zeer zwak heeft bevonden. Als de onderwijskwaliteit niet tijdig verbetert en er ook geen uitzicht is op tijdige verbetering kan ik, zodra de wet is gewijzigd, een afweging maken of het belang van de leerlingen niet beter is gediend met het voortzetten van hun schoolloopbaan op een andere school. Als dat naar mijn mening zo is, kan ik als uiterste maatregel na een jaar de bekostiging intrekken of de school opheffen. Mijn mening dat dit een veel krachtigere en snellere werkwijze is dan de tussenstap van een bestuurlijke aanwijzing, is onveranderd. Uitvoering geven aan de motie van de leden Van der Ham en Smits acht ik dan ook onwenselijk.

2. Aantal zwakke en zeer zwakke scholen

De leden van de VVD-fractie vragen naar het aantal zwakkescholen. Bovendien vragen zij in hoeverre ik verwacht dat scholen die zeer zwak zijn geweest en nu zwak zijn, weer zeer zwak zullen worden. Tenslotte vernemen zij graag hoeveel van de scholen die in 2009 nog zeer zwak waren een duurzame verbetering hebben doorgemaakt en het onderwijsproces nu volledig op orde hebben.

Per 1 juni 2011 is het aantal zwakke scholen/onderwijssoorten als volgt:

Basisonderwijs

367

Speciaal basisonderwijs

66

Voortgezet onderwijs

264

De ervaring leert dat zwakke scholen, die eerder «zeer zwak» waren, slechts zelden weer terugvallen naar «zeer zwak». Ik kan niet voorspellen of en wanneer er zich weer een dergelijke casus voordoet, maar in de praktijk zal het aantal zeer gering zijn.

Ik wijs erop dat de inspectie ook op zwakke scholen geïntensiveerd toezicht uitoefent, dus ook op scholen die eerder «zeer zwak» waren. Deze geïntensiveerde toezichttrajecten hebben er mede in geresulteerd dat er in het afgelopen jaar minder nieuwe zeer zwakke basisscholen zijn bijgekomen dan in eerdere jaren. In 2008 verschenen er 61 nieuwe basisscholen op de lijst, in 2009 kwamen er 48 bij en in 2010 ging het om 30 basisscholen.

In het speciaal basisonderwijs was er in 2008 geen sprake van nieuwe zeer zwakke scholen. In 2009 waren het er echter acht, maar in 2010 slonk het aantal nieuwe zeer zwakke scholen naar twee.

In het voortgezet onderwijs ging het in 2008 om acht nieuwe zeer zwakke scholen en in 2009 om 22 nieuwe gevallen. De toename in 2009 was onder andere het gevolg van de overschakeling van oordelen op schoolniveau naar oordelen op het niveau van de onderwijssoorten. In 2010 kwamen er zestien nieuwe casussen bij in het voortgezet onderwijs.

Wat betreft het vervolg van de scholen die in 2009 «zeer zwak» zijn geworden het volgende. Op 1 augustus 2009 waren er 107 zeer zwakke basisscholen. Daarvan geeft de inspectie aan dat per 1 juni blijkt dat zich er daarvan 90 hebben verbeterd: 63 scholen zijn teruggekeerd naar het basisarrangement en 27 scholen zijn nog zwak. Zes scholen die destijds zeer zwak waren, zijn inmiddels gefuseerd of opgeheven. De overige elf scholen zijn nog zeer zwak. Voor de 27 onderwijssoorten die per 1 augustus 2009 zeer zwak waren in het voortgezet onderwijs geldt dat er inmiddels 23 onderwijssoorten verbeterd zijn: negen schoolsoorten hebben een basisarrangement, veertien zijn er zwak. De overige vier schoolsoorten zijn nog zeer zwak. Voor de acht scholen in het speciaal basisonderwijs die op 1 augustus 2009 zeer zwak waren, geldt dat er inmiddels vijf een basisarrangement hebben en twee nog zwak zijn. Op 1 juni is er nog één zeer zwakke school in het speciaal basisonderwijs over uit die groep van 2009.

Mijn conclusie is dat het aantal nieuwe zeer zwakke scholen afneemt en dat verreweg de meeste zeer zwakke scholen binnen twee jaar weer voldoende kwaliteit leveren. Desondanks ben ik van mening dat de kwaliteitsverbetering in zeer zwakke scholen, in het belang van de leerling, sneller tot stand moet komen door het traject van verbetering eerder te starten.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom het drie jaren duurt voor een school het predicaat zeer zwak heeft gekregen. Daarnaast vragen de leden naar de denominatie, de richting en de leeftijd van de scholen die «zeer zwak» zijn geworden.

We moeten voorkomen dat de beoordeling van de inspectie is gebaseerd op min of meer toevallige fluctuaties in de opbrengstencijfers die geen relatie hebben met de onderwijskwaliteit op de school. Anders gezegd: het oordeel van de inspectie over de leerresultaten moet betrouwbaar zijn. Om die reden is de opbrengstbeoordeling ook vastgelegd in ministeriële regelingen die horen bij de wet Goed onderwijs, goed bestuur.

Die opbrengstbeoordeling werkt op hoofdlijnen als volgt. Pas als de score van een school over een langere periode achterblijft bij die van scholen met een vergelijkbare leerlingenpopulatie kan er gesproken worden van onderpresteren. Daarom kijkt de inspectie bij scholen in het primair en voortgezet onderwijs naar de resultaten van de laatste drie jaar. Als de resultaten drie jaar achtereen onder de norm zijn, beoordeelt de inspectie de resultaten als onvoldoende. Voor kleine scholen gelden overigens andere beslisregels: er worden meer jaargroepen in de beoordeling betrokken. Het oordeel «zeer zwak» wordt gegeven als een school, naast onvoldoende resultaten, op cruciale onderdelen van het onderwijsproces onvoldoende kwaliteit laten zien.

In onderstaande tabellen is te lezen hoe de verdeling van de zeer zwakke scholen over de denominaties en didactisch concept is.

Toezichtarrangementen PO naar denominatie op 1 september 2010 (in percentages, n=7 173)
 

Landelijk

Openbaar

Rooms-katholiek

Protestant-christelijk

Gereformeerd Vrijgemaakt

Reformatorisch

Islamitisch

Algemeen bijzonder

Basis

93,0

90,8

95,1

93,3

92,2

92,8

72,5

95,0

Zwak

6,0

8,1

4,1

5,9

6,2

4,8

20,0

4,1

Zeer zwak

1,0

1,1

0,8

0,8

1,6

2,4

7,5

0,9

Totaal

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Toezichtarrangementen PO naar didactisch concept op 1 september 2010 (in percentages, n=7 173)

 

Landelijk

Dalton

Jenaplan

Montessori

Vrijeschool

Basis

93,0

92,7

92,5

92,9

91,3

Zwak

6,0

6,1

6,8

7,1

7,2

Zeer zwak

1,0

1,2

0,7

0,0

1,5

Totaal

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Verdeling zeer zwakke vestigingen en onderwijssoorten VO naar denominatie in 2009 en 2010.

Denominatie

Aantal vestigingen (%)

Aantal onderwijssoorten

Openbaar

9 (35%)

10 (26%)

Protestants-Christelijk

5 (19%)

8 (21%)

Algemeen Bijzonder

3 (12%)

3 (8%)

Samenw. PC-RK-Alg.Bijz.

2 (8%)

2 (5%)

Samenw. PC-RK

2 (8%)

3 (8%)

Samenw. PC-Alg. Bijzonder

1 (4%)

1 (3%)

Islamitisch

2 (8%)

8 (21%)

Reformatorisch

1 (4%)

2 (5%)

Rooms-Katholiek

1 (4%)

1 (3%)

Totaal

26 (100%)

38 (100%)

Wat betreft de «leeftijd» van zeer zwakke scholen het volgende. Het gaat in de praktijk om zulke kleine aantallen dat over de relatie tussen de leeftijd van een school of schoolvestiging enerzijds en de kwaliteit anderzijds geen significante uitspraken gedaan kunnen worden. Over 2009 en 2010 is in het primair onderwijs zichtbaar dat het aantal zeer zwakke scholen relatief iets groter is onder scholen en schoolvestigingen die minder dan tien jaar oud zijn. In het voortgezet onderwijs is dit effect niet zichtbaar.

De leden van de CDA-fractie informeren voorts hoeveel scholen zich in de huidige verbetertermijn daadwerkelijk hebben verbeterd en daarmee het etiket «zeer zwak» hebben vermeden. Bovendien vragen zij naar de verwachting of de huidige zeer zwakke scholen zich binnen afzienbare tijd zal kunnen verbeteren of dat zij met de nieuwe maatregelen worden geconfronteerd.

De termijn die nu wordt gehanteerd voor zeer zwakke scholen is twee jaar. Deze twee jaar gaan in op het moment dat de school zeer zwak wordt. In het antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie heb ik aangegeven dat het de meeste zeer zwakke scholen lukt om zich binnen deze termijn te verbeteren. Er is geen sprake van een verbetertermijn die vanaf een bepaald moment gaat gelden vóórdat een school «zeer zwak» wordt verklaard. Het is dus niet mogelijk zicht te hebben op het aantal scholen dat zonder verbetermaatregelen zeer zwak had kunnen worden, maar door tijdige verbeteringen dat predikaat heeft weten te vermijden.

Zoals ik al heb aangegeven, lukt het verreweg de meeste zeer zwakke scholen zich binnen afzienbare tijd te verbeteren. Uit de cijfers blijkt dat het daadwerkelijk mogelijk is om binnen een jaar het predicaat «zeer zwak» af te schudden. De stand van zaken per 1 juni 2011 is dat dat lukt bij 43 (57%) van de zeer zwakke scholen in het basisonderwijs die na een jaar een heronderzoek hebben gekregen. Van deze 43 scholen zijn er nog 30 zwak en 13 scholen zijn dusdanig verbeterd, dat de inspectie het basistoezicht heeft toegekend. De acht tussentijdse kwaliteitsonderzoeken in het speciaal basisonderwijs laten zien dat vijf van de onderzochte scholen nog zeer zwak zijn. De drie andere scholen zijn nog als zwak beoordeeld. In het voortgezet onderwijs zijn er zeventien tussentijdse kwaliteitsonderzoeken uitgevoerd. Daaruit blijkt dat elf gevallen (65%) nog steeds zeer zwak zijn, vier (23%) als zwak zijn beoordeeld en twee (12%) onder basistoezicht kunnen worden gesteld.

De nieuwe, preventieve maatregelen zoals aangekondigd in mijn brief van 10 februari jongstleden gaan in per schooljaar 2011/2012. De inspectie gaat met ingang van dat schooljaar eerder en scherper waarschuwen wanneer de resultaten van een school achteruit gaan. Voor de huidige zeer zwakke scholen komt er geen nieuw regime. De sluitingsmaatregel, op basis waarvan een zeer zwakke school in het uiterste geval kan worden gesloten als ze er niet in slaagt de onderwijskwaliteit binnen een jaar op orde te krijgen, gaat in zodra de wet is gewijzigd.

De leden van de SP-fractie hebben gevraagd hoe lang scholen die zeer zwak zijn geweest onder intensief toezicht blijven staan, hoe lang dat intensieve toezicht duurt en wat de criteria zijn om het intensieve toezicht voor deze groep scholen op te heffen.

Een zeer zwakke school die zich gedeeltelijk verbeterd heeft, maar nog wel zwak is, blijft onder geïntensiveerd toezicht staan. Het geïntensiveerd toezicht wordt opgeheven zodra de school – na een nieuw kwaliteitsonderzoek door de inspectie – weer in aanmerking komt voor basistoezicht. Mocht een school te lang zwak blijven, dan kan de inspectie ertoe overgaan de school opnieuw als zeer zwak te beoordelen. Dit gebeurt in de praktijk hoogstzelden.

De leden van de SP-fractie willen daarnaast weten hoeveel zeer zwakke scholen zwak waren en hoeveel zeer zwakke scholen niet zwak waren voordat zij het oordeel «zeer zwak» kregen. Zij vragen zich af hoe het komt dat zeer zwakke scholen de fase «zwak» kunnen overslaan en of de verklaring erin is gelegen dat de inspectie minder toezicht op deze scholen heeft uitgeoefend. Zij vragen naar scholen die vanwege het risicogericht toezicht minder toezicht kregen van de inspectie en zo als het ware ongemerkt hebben kunnen afglijden tot een «zeer zwakke» school.

Van de 53 basisscholen die op 1 juni 2011 zeer zwak waren, geldt dat 41 scholen daarvoor een basisarrangement hadden en elf daarvoor al zwak waren. Eén school had nog niet eerder een toezichtarrangement van de inspectie gekregen. Van de 27 zeer zwakke onderwijssoorten in het voortgezet onderwijs op 1 juni 2011, hadden er elf daarvoor een basisarrangement. Elf onderwijssoorten waren al zwak. Vijf van de zeer zwakke onderwijssoorten in het vo kregen nog niet eerder een toezichtarrangement van de inspectie.

De inspectie heeft jaarlijks inzicht in de ontwikkeling van de opbrengsten van scholen. Als uit de risicoanalyse blijkt dat een school onvoldoende opbrengsten heeft (dat wil zeggen als de opbrengsten voor het derde jaar onder de norm zijn) of als er andere signalen zijn die op kwaliteitsrisico’s wijzen, voert de inspectie een kwaliteitsonderzoek uit op de school. Als in dat onderzoek blijkt dat het onderwijsproces op cruciale onderdelen tekortschiet, wordt de school als «zeer zwak» beoordeeld. Een school wordt als zwak beoordeeld als de opbrengsten onvoldoende zijn, terwijl het onderwijsproces op cruciale onderdelen voldoende kwaliteit vertoont. Het kwaliteitsonderzoek is een vereiste om een school «zwak» of «zeer zwak» te kunnen verklaren.

De inspectie heeft een evaluatie-onderzoek uitgevoerd naar het risicogerichte toezicht (Tweede Kamer, 2009/10, 32 123-VIII, nr. 127). Dit onderzoek wijst uit dat de risicoanalyse van de inspectie betrouwbaar is: de inspectie richt haar aandacht en energie op die scholen die het grootste risico hebben om zwakke of zeer zwakke kwaliteit te leveren.

Zwakke scholen of afdelingen staan onder geïntensiveerd toezicht van de inspectie. De school wordt daardoor aangezet tot verbetering. Het is de bedoeling dat de kwaliteit van een zwakke school/afdeling daardoor niet verder achteruit gaat en zeer zwak wordt. Dat lukt grotendeels: de meeste zwakke scholen worden later niet zeer zwak.

3. Preventieve maatregelen

De leden van de VVD-fractie merken op dat uit de aanpak blijkt dat de Inspectie van het Onderwijs het schoolbestuur in het geval van een scherpe daling van leerresultaten of leerresultaten onder de norm hiervan op de hoogte stelt zodat het schoolbestuur zich bewust wordt van het treffen van preventieve maatregelen. De leden vrezen dat het uitgeoefende toezicht te beperkt zal zijn en vernemen graag of ik met hen van mening ben dat breder toezicht noodzakelijk is. Zij vragen bovendien om een toelichting op het betrekken van «onzichtbare factoren» die niet op papier staan, bijvoorbeeld de verhoudingen binnen een school, bij het signaleren van (zeer) zwakke scholen door de inspectie. Ten slotte vernemen deze leden graag welke rol ik zie voor individuele (teams van) leraren in het voorkomen van zeer zwakke scholen en hoe naar mijn mening een schoolbestuur op deze rol van individuele (teams van) leraren dient te sturen.

Uit de evaluatie van het risicogerichte toezicht blijkt dat de risicoindicator «leerresultaten», samen met de andere risicoindicatoren (jaargegevens en signalen), een goede voorspeller is van de kans dat een school (zeer) zwakke onderwijskwaliteit biedt. Als de risicoindicatoren erop wijzen dat die kans er is, vindt dieper onderzoek plaats naar de onderwijskwaliteit van de school. Dit gebeurt aan de hand van het toezichtkader waarin veel meer aspecten van de onderwijskwaliteit worden onderzocht. Het vaststellen van onvoldoende leerresultaten is daarvoor niet genoeg. Dat bredere onderzoek is in dat geval wel degelijk noodzakelijk. Het is op basis van zo’n breder onderzoek dat een school «zeer zwak» kan worden verklaard.

De «onzichtbare» factoren die genoemd worden door de leden van de VVD- fractie kunnen niet zonder meer betrokken worden in de risicoanalyse. De risicoanalyse wordt namelijk gebaseerd op gegevens die bij de inspectie bekend zijn, zoals opbrengstgegevens en jaarstukken. De bedoelde factoren kunnen pas zichtbaar worden bij gesprekken met het bestuur of bij onderzoek op de school.

Als de inspectie signalen ontvangt dat er in de organisatie, het management en/of het bestuur problemen zijn, kan dat een aanleiding zijn om onderzoek uit te voeren. Het is de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur mogelijke knelpunten in de context van de school te melden, bijvoorbeeld bij een bestuursgesprek. Dergelijke signalen kunnen ook pas tijdens het onderzoek blijken. In die gevallen wordt het onderzoek uitgebreid en wordt daarover gerapporteerd, onder meer bij het aspect «voorwaarden kwaliteitszorg». Zo nodig kan een inspecteur vanwege een problematische context van de beslisregels afwijken en een school die in aanmerking zou komen voor basistoezicht, toch als zwak of zeer zwak beoordelen. De school komt dan onder geïntensiveerd toezicht te staan.

Het team van leraren speelt bij de realisatie van de onderwijskwaliteit een belangrijke rol. Het schoolbestuur is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs. Het schoolbestuur moet de randvoorwaarden scheppen waarin het team van leraren zijn werk goed kan doen. Noodzakelijke randvoorwaarden zijn mijns inziens een opbrengstgerichte cultuur en een lerarenteam met de kwaliteit om dat te realiseren. Het schoolbestuur bepaalt zelf hoe het daarop stuurt en wat dat betekent voor de inzet van mensen en middelen.

De leden van de VVD-fractie, de CDA-fractie en de D66-fractie willen weten welke factoren ik zal betrekken bij een mogelijk besluit om bij een zeer zwakke school de bekostiging te stoppen of deze op te heffen en hoe ik deze factoren zal wegen. De VVD-fractie informeert daarbij nog naar het aantal scholen waarbij dat naar mijn verwachting zal gaan spelen en of een zeer zwakke school kan en mag voortbestaan na zo’n besluit.

Bij een zeer zwakke school is de kwaliteit van de school ernstig en/of langdurig onvoldoende. Elk geval bedreigt de onderwijsloopbaan van de leerlingen. Elke zeer zwakke school kent zijn eigen context en dynamiek: de oorzaken van de problemen zijn divers. De zware maatregel van sluiting of het opheffen van de bekostiging noopt daarom altijd tot een zorgvuldige weging van alle betrokken factoren. Die zullen bij elke individuele casus anders luiden.

Bij de afweging of ik een besluit moet nemen tot opheffing of beëindiging van de bekostiging, staan het belang van de leerlingen en de wijze waarop de continuïteit en de kwaliteit van hun schoolloopbaan kan worden gegarandeerd voorop. Het moet glashelder zijn dat elke leerling recht heeft op onderwijs van voldoende kwaliteit.

Om hoeveel gevallen het zal gaan, kan ik niet voorspellen. Ik ga ervan uit dat het er niet veel zullen zijn. Ik verwacht dat door het steviger en eerder waarschuwen door de inspectie de verantwoordelijke besturen eerder maatregelen zullen nemen om de onderwijskwaliteit krachtig aan te pakken. Ik verwacht dat minder scholen «zeer zwak» zullen worden.

Het stopzetten van de bekostiging van een bijzondere school betekent dat de school niet als bekostigde school kan voortbestaan. Het is in beginsel mogelijk dat de school dan haar activiteiten voortzet als niet-bekostigde school. De leerplichtwet stelt een aantal voorwaarden waaraan niet-bekostigde scholen moeten voldoen. De inspectie beoordeelt of leerlingen aan een niet-bekostigde school hun leerplicht kunnen vervullen. Als een niet-bekostigde school niet aan de gestelde voorwaarden voldoet, kan de leerplichtambtenaar procesverbaal opmaken en kan het openbaar ministerie de ouders vervolgen.

Wanneer een openbare school van rijkswege gesloten wordt, betekent dit dat de school daadwerkelijk wordt opgeheven. Voortbestaan is in dat geval geen optie.

De leden van de SP-fractie vragen of er in het laatste jaar meer intensievere begeleiding wordt geboden aan zeer zwakke scholen dan nu het geval is. Zij willen weten hoe deze begeleiding er uit ziet en hoeveel geld de sectorraden jaarlijks tot hun beschikking krijgen om zeer zwakke scholen te ondersteunen in de verbetering van hun onderwijs.

Allereerst wijs ik ten overvloede op de verantwoordelijkheidsverdeling inzake onderwijskwaliteit. Het is en blijft het bestuur van de school dat verantwoordelijk is voor de onderwijskwaliteit. Dat ik besturen en scholen ondersteuning aanbied, is ingegeven vanuit het belang van de leerlingen: zij zijn er het meest bij gebaat dat de kwaliteit zo snel mogelijk weer op orde komt.

Op dit moment voert de PO-Raad het programma «Goed Worden, Goed Blijven» uit. Dit programma is bedoeld is om het ontstaan van zeer zwakke scholen te voorkomen en, als dat toch gebeurt, ondersteuning te bieden om de onderwijskwaliteit op de kortst mogelijke termijn weer op orde te krijgen. De PO-Raad zet daarvoor onder meer analyseteams in die bij de start van het verbetertraject de kwaliteit van het onderwijs diepgaand analyseren. Het bestuur krijgt daardoor aangrijpingspunten aangeleverd voor het plan van aanpak dat ze moeten opstellen.

Daarnaast zijn sinds begin 2010 de Vliegende Brigade voor zeer zwakke scholen actief. Het doel van deze teams van gespecialiseerde en ervaren onderwijsadviseurs is om de kwaliteit van het onderwijsproces op orde te krijgen. De Vliegende Brigade helpt scholen om in het eerste jaar nadat de school zeer zwak is verklaard het plan van aanpak uit te voeren. Als het lukt om het onderwijsproces te verbeteren, is de school na dat jaar niet langer zeer zwak.

Het totale aanbod is gericht op scholen voor regulier primair onderwijs, speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De laatste jaren bedroegen de kosten voor deze ondersteuning ongeveer € 2 miljoen per jaar. De huidige afspraken lopen rond de zomer van dit jaar af. Op dit moment ben ik in gesprek met de PO-Raad om nadere afspraken te maken over het ondersteuningsaanbod voor periode na de zomer van 2011.

Voor het voortgezet onderwijs zijn er bij de VO-raad (en de AOC raad) een Steunpunt (Zeer) Zwakke Scholen en een Taskforce Zeer Zwakke Scholen belegd. Het steunpunt zorgt voor ondersteuning van zwakke en zeer zwakke scholen door middel van kennisopbouw en uitwisseling van kennis en ervaring. Het doel hierbij is de zeer zwakke en zwakke scholen snel op gang te helpen bij hun verbetertraject. Daarnaast begeleidt de taskforce individuele (nieuwe) zeer zwakke scholen om het onderwijsproces en de kwaliteit snel weer op orde te krijgen. Procesbegeleiders inventariseren de hulpvraag van de scholen en zijn gedurende het hele traject beschikbaar om het proces van kwaliteitsverbetering te ondersteunen. Daarbij kunnen scholen een beroep doen op hulp van buiten, bijvoorbeeld in de vorm van aanvullend onderzoek of interim-management. Voor de uitvoering van het steunpunt en de taskforce ontvangt de VO-raad (en de AOC raad) jaarlijks een bedrag van € 1,3 miljoen. Dit bedrag is toegezegd voor de jaren 2011–2014.

4. Speciaal onderwijs

Ten aanzien van het speciaal onderwijs hebben de leden van de VVD-fractie gevraagd naar het aantal scholen voor speciaal onderwijs dat momenteel zeer zwak is alsmede om een reactie op dat het inkorten van de verbetertermijn tot één jaar specifiek op het speciaal onderwijs veel effect zal hebben.

Per 1 juni 2011 zijn er acht zeer zwakke scholen in het (voortgezet) speciaal onderwijs.

De maatregel om de verbetertermijn van zeer zwakke scholen te verkorten tot één jaar en in het uiterste geval bij onvoldoende zicht op verbetering de school op te heffen of de bekostiging te stoppen is niet van toepassing op scholen voor speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De reden daarvoor is tweeledig. Veel scholen voor sbo en (v)so kunnen zich nog niet verantwoorden over de leerresultaten. Om die reden is het risicogerichte toezicht op basis van opbrengsten nog niet aan de orde voor deze scholen en kan de inspectie de school niet waarschuwen dat de kwaliteit achteruit gaat.

Daarnaast heb ik de verantwoordelijkheid om de toegankelijkheid van het stelsel te garanderen. Scholen voor sbo en (v)so hebben veelal een regionale of expertise-functie en sluiting van deze scholen zou beteken dat leerlingen geen toegang meer hebben tot de onderwijsvorm die voor hen noodzakelijk is. Dat is onwenselijk. Dat neemt niet weg dat de inspectie geïntensiveerd toezicht zal blijven uitoefenen op scholen voor sbo en (v)so die onvoldoende kwaliteit leveren.

De leden van de SP-fractie hebben gevraagd of ik hun mening deel dat door de bezuinigingen en de grote systeemverandering in het kader van Passend Onderwijs het risico groter is dan normaal dat de kwaliteit van een school zowel organisatorisch als wat betreft leerprestaties in het geding komt. Zij willen weten hoe ik scholen tegemoet kom die vanwege de bezuinigingen en de invoering van «passend onderwijs» in de knel komen.

Ik realiseer me heel goed dat de voorgenomen bezuinigingen en veranderingen op het gebied van passend onderwijs impact hebben op (v)so-scholen. Daarbij werd expliciet ook de koppeling met het oorspronkelijke tijdpad als bijzonder knellend ervaren. Daarom heeft het kabinet op 13 april jongstleden besloten de bezuinigingen een jaar later en geleidelijker te laten plaatsvinden. Dit betekent dus dat er géén bezuiniging plaatsvindt per 1 augustus 2012, zodat scholen meer tijd krijgen om op de invoering van passend onderwijs te kunnen anticiperen. De bezuiniging start in 2013 met een bedrag van 100 miljoen euro, oplopend naar 200 miljoen euro in 2014 en structureel 300 miljoen euro vanaf 2015. Hierdoor is er meer tijd voor de invoering van passend onderwijs waardoor de risico's worden beperkt.

Het is wel van belang om snel van start te gaan en voorbereidingen voor het nieuwe stelsel te treffen. In het nieuwe stelsel voor passend onderwijs is er meer ruimte voor maatwerk waarbij er oog is voor wat de leerling nodig heeft en voor wat de school kan bieden. De benodigde ondersteuning aan leerlingen, maar ook aan scholen, kan regionaal zo passend mogelijk worden georganiseerd, aansluitend bij de lokale situatie.

Als mensen weggaan en de taken verdwijnen, kunnen de omstandigheden veranderen waaronder het werk moet worden uitgevoerd. Daarmee houdt de inspectie rekening bij de uitoefening van het toezicht. Tegelijk gelden de wettelijke eisen die worden gesteld aan het onderwijs onverkort. Ik heb er vertrouwen in dat het onderwijspersoneel, zowel in het huidige systeem als in het nieuwe systeem, zijn taken zo goed mogelijk zal blijven uitvoeren.

5. Toezicht

Tenslotte vragen de leden van de SP-fractie of ik de mening deel van de ondertekenaars van de petitie «Red het Basisonderwijs» dat het huidige risico- en bestuursgerichte toezicht het onderwijs verlamt en frustreert en dat de inspectie te veel de nadruk legt op een afstandelijke en cijfermatig ingestelde beoordeling.

Uit onder meer de evaluatie van het risicogericht toezicht, die op 25 mei 2010 aan uw Kamer is toegestuurd, blijkt dat een groot deel van de scholen en besturen het risico- en bestuursgerichte karakter van het toezicht waardeert. De uitgangspunten van het risico- en bestuursgerichte toezicht zijn in mijn beleving juist. De inspectie richt haar energie en aandacht op scholen die risico’s lopen. Daar voert de inspectie de meest intensieve onderzoeken uit en bij zwakke of zeer zwakke kwaliteit voert de inspectie geïntensiveerd toezicht uit. Dat hoort bij een effectieve toezichthouder. Daarnaast is het niet meer dan logisch dat de inspectie het bestuur aanspreekt als de onderwijskwaliteit onder de maat is. Het bestuur is, zoals ik elders in dit schriftelijk overleg heb aangegeven, verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs.

Ik vind niet dat de inspectie op een afstandelijke en cijfermatige manier scholen de maat neemt. Het is waar dat de resultaten het aangrijpingspunt zijn bij de risicoanalyse die de inspectie jaarlijks van elke school maakt. Als de resultaten risicovol zijn, volgt altijd een onderzoek op de school. De school kan dan in het gesprek met de inspecteur de opbrengsten toelichten. Ook kijkt de inspecteur dan breder: hij bezoekt klassen en voert gesprekken om zich een goed beeld te kunnen vormen van de school als geheel. Pas dan volgt er een oordeel. De inspectie is dus geenszins de onbetrouwbare, kille rekenmeester die uit het beeld van de petitie naar voren komt. Met deze werkwijze doet de inspectie juist recht aan de realiteit en de kwaliteit van de scholen waarop ze toezicht houdt.

De leden van de SP-fractie vragen verder in hoeverre bij de beoordeling van een school aandacht wordt besteed aan talenten op sociaal, motorisch, creatief en expressief gebied. Zij vragen hoe ik aankijk tegen wat zij noemen het risico dat de grote nadruk op slechts enkele aspecten van het onderwijs resulteert in eenzijdig onderwijs en het risico dat de grote nadruk op slechts enkele aspecten van het onderwijs leidt tot het kunstmatig verhogen van de leeropbrengsten, bijvoorbeeld door toetstraining.

Het accent in het toezicht op het basisonderwijs ligt op de kennis en vaardigheden in de vakken taal en rekenen. De mate waarin aandacht besteed wordt aan andere vakken wordt tijdens een schoolbezoek in de gaten gehouden door middel van gesprekken en informatie op grond van het rooster. In het voortgezet onderwijs wordt rekening gehouden met het volledige vakkenpakket: zowel examenvakken als kerndoelen worden daarbij betrokken. Daarnaast is de inspectie bezig met de ontwikkeling van de beoordeling van de sociale opbrengsten. Er is dus wel degelijk aandacht vanuit het toezicht voor de bredere opdracht van scholen.

De nadruk die ik leg op Nederlandse taal en rekenen-wiskunde hoort bij de taak van de overheid om – met scholen en schoolbesturen – ervoor te zorgen dat in het funderend onderwijs een goede basis wordt gelegd voor het verdere leren. Een zo hoog mogelijk beheersingsniveau op deze basisvaardigheden is cruciaal. Dat neemt niet weg dat het onderwijs natuurlijk een bredere opdracht heeft dan alleen taal en rekenen. Een opdracht die is neergelegd in de wetgeving en van groot belang is. Onderwijs in andere vakken, zoals geschiedenis, aardrijkskunde, natuur, lichamelijke opvoeding, burgerschap en de bevordering van sociale redzaamheid en gezond gedrag, neemt niet voor niets ongeveer de helft van de beschikbare onderwijstijd in beslag.

Scholen in Nederland werken steeds meer opbrengstgericht. Dat betekent dat ze hun best doen om de leerlingen op een zo hoog mogelijk niveau te brengen. Het onderwijs gaat op een professionele manier om met toetsen en testen: het zijn hulpmiddelen bij de inrichting van het onderwijs en bij het opbrengstgericht werken. Het kunstmatig verhogen van toetsresultaten, als het al mogelijk zou zijn, gebeurt in mijn beleving niet of nauwelijks. De inspectie heeft hier in 2006 nog onderzoek naar gedaan en kwam tot de conclusie dat nagenoeg alle scholen die meedoen aan de Eindtoets Basisonderwijs, de afnamecondities van de toets waarborgen.

Ten slotte vragen de leden van de CDA-fractie naar mijn plannen omtrent de bevordering van excellente scholen. Zij vragen of ik al kan aanduiden wat scholen hiervoor moeten doen en vanaf wanneer het predicaat excellent kan worden afgegeven aan scholen.

Het is mijn voornemen om vanaf 2012 de eerste basisscholen en schoolsoorten van het voortgezet onderwijs te identificeren die in aanmerking komen voor het predicaat excellent. Dit zijn de scholen die zeer goede opbrengsten hebben en die voldoen aan een aantal basisvoorwaarden, zoals de naleving van wet- en regelgeving. De scholen die bij deze eerste stap worden geïdentificeerd leveren een goede prestatie. Het zijn echter nog geen excellente scholen. Excellente scholen zijn scholen die naast de goede prestaties ook uitblinken op andere onderdelen van het onderwijs. Zoals aangekondigd in mijn actieplannen voor het primair onderwijs en voortgezet onderwijs zal ik uw Kamer in het najaar van 2011 mijn uitgewerkte plannen sturen.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Ham, B. van der (D66), Bochove, B.J. van (CDA), Voorzitter, Haverkamp, M.C. (CDA), Miltenburg, A. van (VVD), Ortega-Martijn, C.A. (CU), Bosma, M. (PVV), Dijk, J.J. van (SP), Ouwehand, E. (PvdD), Dibi, T. (GL), Wolbert, A.G. (PvdA), Ondervoorzitter, Biskop, J.J.G.M. (CDA), Smits, M. (SP), Elias, T.M.Ch. (VVD), Beertema, H.J. (PVV), Dijkstra, P.A. (D66), Jadnanansing, T.M. (PvdA), Dekken, T.R. van (PvdA), Dijkgraaf, E. (SGP), Çelik, M. (PvdA), Lucas-Smeerdijk, A.W. (VVD), Klaveren, J.J. van (PVV), Klaver, J.F. (GL) en Liefde, B.C. de (VVD).

Plv. leden: Koşer Kaya, F. (D66), Ferrier, K.G. (CDA), Werf, M.C.I. van der (CDA), Burg, B.I. van der (VVD), Schouten, C.J. (CU), Dille, W.R. (PVV), Kooiman, C.J.E. (SP), Thieme, M.L. (PvdD), Peters, M. (GL), Dam, M.H.P. van (PvdA), Toorenburg, M.M. van (CDA), Wit, J.M.A.M. de (SP), Hennis-Plasschaert, J.A. (VVD), Mos, R. de (PVV), Pechtold, A. (D66), Dijsselbloem, J.R.V.A. (PvdA), Klijnsma, J. (PvdA), Staaij, C.G. van der (SGP), Hamer, M.I. (PvdA), Harbers, M.G.J. (VVD), Gerbrands, K. (PVV), Sap, J.C.M. (GL) en Lodders, W.J.H. (VVD).

X Noot
2

Kamerstuk 31 828.

X Noot
3

Kamerstuk 31 828, nr. 18.

X Noot
4

«Zeer zwakke school niet in één jaar op de rails» op www.besturenraad.nl

X Noot
5

Bond Katholiek Primair Onderwijs, Bond Katholiek Beroeps- en Voortgezet Onderwijs.

Naar boven