Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 april 2015
In deze brief reageer ik op twee verzoeken van uw Kamer.
1. Omkeren eerste en tweede correctie centrale examens
Het eerste verzoek gaat over het in volgorde omkeren van de eerste en tweede correctie
van de centrale examens in het voortgezet onderwijs. Dit verzoek kwam van het lid
Beertema (PVV).1
2. Een reactie op brief Vereniging Levende Talen
Het tweede verzoek is van het lid Jadnanansing (PvdA). Zij verzocht mij schriftelijk
te reageren op een onderzoek van de Vereniging Levende Talen (VLT).2 Het rapport betreft de ongewenste manieren waarop sommige schoolleidingen en sectieleiders
ervoor zorgen dat het verschil tussen school- en centraal examen kleiner blijft dan
0,5 punt.
1. Omkering eerste en tweede correctie centrale examens
Na overleg met de VO-raad, heb ik besloten gehoor te geven aan het verzoek van het
lid Beertema. Vanaf 2016 worden de eerste en tweede correctie van de centrale examens
in het voortgezet onderwijs in volgorde omgekeerd. Eerst beoordeelt een docent van
een andere school het examen. Pas daarna is de «eigen» docent aan de beurt. Ik wijzig
het Eindexamenbesluit VO daarvoor. In 2017 worden de effecten beoordeeld en bekeken
of verdere of andere maatregelen nodig zijn.
Ik neem dit besluit mede op advies van de VO-raad. De VO-raad baseert zijn advies
op een pilot van tien scholen, met in totaal 39 docenten. Per school ging het om één
of meerdere vakken. Het advies en het onderzoek vindt u in de bijlagen. De raad adviseert
om twee jaar de eerste en tweede correctie om te draaien en om onafhankelijk onderzoek
te laten doen naar de effecten.
Uit de pilot blijkt dat het omdraaien van de correcties leidt tot een zorgvuldiger
beoordeling. Zoals de VO-raad in de bijgevoegde brief stelt heeft de tweede corrector
(een leraar van een andere school) geen houvast meer aan de resultaten van de eerste
correctie en zal dus alles nakijken3. De (oorspronkelijk) eerste corrector doet een zorgvuldige eindcontrole, omdat het
om «zijn» of «haar» leerlingen gaat. Er wordt dus beide keren integraal naar het gemaakte
werk gekeken.
Er is draagvlak voor deze aanpak onder de docenten die bij het onderzoek betrokken
waren. De VO-raad liet een andere variant afvallen, waarbij de eerste en tweede correctie
gelijktijdig plaatsvinden. Dat leidt weliswaar ook tot een zorgvuldiger beoordeling,
maar kost veel tijd. Daardoor heeft deze variant weinig draagvlak onder docenten.
De omdraaiing van de correcties leidt niet tot meer of minder werkdruk. Het corrigeren
is immers al onderdeel van de taken van een docent.
2. Onderzoek VLT
Het lid Jadnanansing heeft tijdens het verslag algemeen overleg over examens in het
vo en mbo op 3 december 2014 gevraagd om mijn reactie op een brief van de VLT. Ik
ga ervan uit dat mevrouw Jadnanansing doelt op het persbericht van de VLT over het
onderzoek «Effecten van sturing op discrepantie tussen de cijfers van het schoolexamen
en het centrale examen bij de talen».
Volgens het VLT-onderzoek sturen sommige schoolleiders en sectieleiders erop aan dat
het verschil tussen schoolexamen en het centrale examen maximaal 0,5 punt is. Die
grens is vastgelegd in de Wet op het voortgezet onderwijs.4
Om het verschil bij Nederlands te beperken, voegen deze schoolleiders en sectieleiders
vaak leesvaardigheid toe aan het schoolexamen. Dat is niet terecht, vindt de VLT,
want leesvaardigheid is al onderdeel van het centraal examen en bepaalt de helft van
het eindexamencijfer. De toevoeging gaat volgens de VLT verder ten koste van andere
onderdelen van het schoolexamen: mondelinge vaardigheid, schrijfvaardigheid en literatuur.
Bovendien wordt het voorafgaande onderwijs nog eenzijdiger gericht op leesvaardigheid.
Ik onderzoek op dit moment of het voorschrift om het verschil beperkt te houden inderdaad
de door de VLT genoemde neveneffecten heeft. Ik heb u dit gemeld in mijn brief van
25 november 2014.5 Naar verwachting kan ik uw Kamer voor het zomerreces over de uitkomsten van dit onderzoek
informeren.
Ik ga ervan uit u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker