31 289 Voortgezet Onderwijs

Nr. 235 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 april 2015

In deze brief reageer ik op twee verzoeken van uw Kamer.

1. Omkeren eerste en tweede correctie centrale examens

Het eerste verzoek gaat over het in volgorde omkeren van de eerste en tweede correctie van de centrale examens in het voortgezet onderwijs. Dit verzoek kwam van het lid Beertema (PVV).1

2. Een reactie op brief Vereniging Levende Talen

Het tweede verzoek is van het lid Jadnanansing (PvdA). Zij verzocht mij schriftelijk te reageren op een onderzoek van de Vereniging Levende Talen (VLT).2 Het rapport betreft de ongewenste manieren waarop sommige schoolleidingen en sectieleiders ervoor zorgen dat het verschil tussen school- en centraal examen kleiner blijft dan 0,5 punt.

1. Omkering eerste en tweede correctie centrale examens

Na overleg met de VO-raad, heb ik besloten gehoor te geven aan het verzoek van het lid Beertema. Vanaf 2016 worden de eerste en tweede correctie van de centrale examens in het voortgezet onderwijs in volgorde omgekeerd. Eerst beoordeelt een docent van een andere school het examen. Pas daarna is de «eigen» docent aan de beurt. Ik wijzig het Eindexamenbesluit VO daarvoor. In 2017 worden de effecten beoordeeld en bekeken of verdere of andere maatregelen nodig zijn.

Ik neem dit besluit mede op advies van de VO-raad. De VO-raad baseert zijn advies op een pilot van tien scholen, met in totaal 39 docenten. Per school ging het om één of meerdere vakken. Het advies en het onderzoek vindt u in de bijlagen. De raad adviseert om twee jaar de eerste en tweede correctie om te draaien en om onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de effecten.

Uit de pilot blijkt dat het omdraaien van de correcties leidt tot een zorgvuldiger beoordeling. Zoals de VO-raad in de bijgevoegde brief stelt heeft de tweede corrector (een leraar van een andere school) geen houvast meer aan de resultaten van de eerste correctie en zal dus alles nakijken3. De (oorspronkelijk) eerste corrector doet een zorgvuldige eindcontrole, omdat het om «zijn» of «haar» leerlingen gaat. Er wordt dus beide keren integraal naar het gemaakte werk gekeken.

Er is draagvlak voor deze aanpak onder de docenten die bij het onderzoek betrokken waren. De VO-raad liet een andere variant afvallen, waarbij de eerste en tweede correctie gelijktijdig plaatsvinden. Dat leidt weliswaar ook tot een zorgvuldiger beoordeling, maar kost veel tijd. Daardoor heeft deze variant weinig draagvlak onder docenten.

De omdraaiing van de correcties leidt niet tot meer of minder werkdruk. Het corrigeren is immers al onderdeel van de taken van een docent.

2. Onderzoek VLT

Het lid Jadnanansing heeft tijdens het verslag algemeen overleg over examens in het vo en mbo op 3 december 2014 gevraagd om mijn reactie op een brief van de VLT. Ik ga ervan uit dat mevrouw Jadnanansing doelt op het persbericht van de VLT over het onderzoek «Effecten van sturing op discrepantie tussen de cijfers van het schoolexamen en het centrale examen bij de talen».

Volgens het VLT-onderzoek sturen sommige schoolleiders en sectieleiders erop aan dat het verschil tussen schoolexamen en het centrale examen maximaal 0,5 punt is. Die grens is vastgelegd in de Wet op het voortgezet onderwijs.4

Om het verschil bij Nederlands te beperken, voegen deze schoolleiders en sectieleiders vaak leesvaardigheid toe aan het schoolexamen. Dat is niet terecht, vindt de VLT, want leesvaardigheid is al onderdeel van het centraal examen en bepaalt de helft van het eindexamencijfer. De toevoeging gaat volgens de VLT verder ten koste van andere onderdelen van het schoolexamen: mondelinge vaardigheid, schrijfvaardigheid en literatuur. Bovendien wordt het voorafgaande onderwijs nog eenzijdiger gericht op leesvaardigheid.

Ik onderzoek op dit moment of het voorschrift om het verschil beperkt te houden inderdaad de door de VLT genoemde neveneffecten heeft. Ik heb u dit gemeld in mijn brief van 25 november 2014.5 Naar verwachting kan ik uw Kamer voor het zomerreces over de uitkomsten van dit onderzoek informeren.

Ik ga ervan uit u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Algemeen overleg over examens in het onderwijs (vo en mbo) op 9 oktober 2014 (Kamerstuk 31 289, nr. 202) en het gerelateerde verslag algemeen overleg (vao) op 3 december 2014 (Handelingen II 2014/15, nr. 32, item 3).

X Noot
2

Dit verzoek deed het lid Jadnanansing (PvdA) in het verslag algemeen overleg (vao) op 3 december 2014 (Handelingen II 2014/15, nr. 32, item 3).

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
4

In de wet staat dat het verschil school- en centraal examen wordt bepaald met het gewogen examengemiddelde over drie examenjaren van alle vakken met een schoolexamen (se) en een centraal examen (ce). Doordat alle vakken meetellen, en dan ook nog over drie examenjaren, is de uitkomst relatief objectief. Als het verschil structureel groter is dan 0,5 punt, meldt de inspectie dat en moet de school voor verbetering zorgen.

X Noot
5

Kamerstuk 31 289, nr. 203.

Naar boven