Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201731066 nr. 322

31 066 Belastingdienst

Nr. 322 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 13 december 2016

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over de brief van 14 juni 2016 over de beantwoording van onbeantwoorde vragen tijdens het algemeen overleg Belastingdienst van 1 juni 2016 (Kamerstuk 31 066, nr. 292).

De vragen en opmerkingen zijn op 8 september 2016 aan de Staatssecretaris van Financiën voorgelegd. Bij brief van 13 december 2016 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Duisenberg

De griffier van de commissie, Berck

Inleiding

Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, de PvdA, de SP, het CDA, de PVV en D66. Voor de duidelijkheid heb ik de antwoorden – met verwijzing naar de fracties – gebundeld naar onderwerp.

Hierna ga ik achtereenvolgens op de volgende onderwerpen in:

  • 1. Pleegkinderen als toeslagpartner

  • 2. Inkomensverklaringen buitenlandse belastingplichtigen

  • 3. DigiD in het buitenland

  • 4. PGB-tegoeden voor box-3-inkomen en toeslagen

  • 5. Uitstroomregeling Belastingdienst

1. Pleegkinderen als toeslagpartner

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de omvang van de groep die te maken krijgt met de situatie waarbij een pleegkind fiscaal en voor toeslagen gezien wordt als partner. Huishoudsamenstellingen en toeslagpartnerrelaties worden door de Belastingdienst/Toeslagen (in belangrijke mate) gebaseerd op de basisregistratie personen (BRP). Uit de BRP blijkt niet dat er sprake is van een pleegkind. Dat leidt ertoe dat als voldaan wordt aan het partnercriterium van het samengestelde gezin een persoon wordt aangemerkt als toeslagpartner. Op deze wijze kan een pleegkind voorshands worden aangemerkt als toeslagpartner. Als in deze situatie de Belastingdienst/Toeslagen een reactie ontvangt van de burger dan zal het pleegkind niet meer als toeslagpartner worden aangemerkt. Betreft het een kind ouder dan 18 jaar waarvoor een pleegzorgvergoeding wordt ontvangen, en dat dus niet als pleegkind wordt aangemerkt, dan blijft het partnerschap in stand. Het is niet aan te geven in hoeveel gevallen dat precies gebeurt.

De leden van de SP-fractie vragen hoe betrokken weten dat pleegkinderen als toeslagpartner worden aangemerkt en waar informatie hierover is te vinden op de website van de Belastingdienst. De leden van de SP-fractie stellen terecht dat de uitleg inzake het partnerschap van pleegkinderen niet aan de orde is geweest bij de behandeling van het huidige partnerbegrip. Een mogelijk partnerschap van kinderen voor wie een pleegvergoeding wordt ontvangen is inherent aan de criteria van het partnerbegrip en is daardoor in enkele praktijkgevallen aan het licht gekomen. Deze uitleg vloeit voort uit het in de rechtspraak gevormde criterium dat van een pleegkind sprake is als het kind wordt opgevoed en onderhouden als een eigen kind. Kinderen voor wie een pleegvergoeding wordt verstrekt zijn daarom fiscaal en voor toeslagen geen pleegkinderen. De uitzondering dat kinderen tot 27 jaar niet als partner kunnen kwalificeren geldt daarom niet voor deze kinderen. Betrokkenen kunnen op MijnToeslagen en op beschikkingen van toeslagen zien wie wordt aangemerkt als zijn/haar toeslagpartner. Om de website voor burgers overzichtelijk te houden is de keuze gemaakt om veel voorkomende situaties en vragen hier toe te lichten en voor weinig voorkomende situaties te verwijzen naar de Belastingtelefoon. Het partnerschap van kinderen voor wie een pleegvergoeding wordt ontvangen is voor de Belastingdienst een zeer weinig voorkomende situatie, om die reden wordt hier geen specifieke informatie over gegeven.

De leden van de fractie van de SP geven aan dat het partnerbegrip steeds meer uitzonderingen krijgt, terwijl de eenduidigheid en eenvoud was. Zij vragen hoe ik kijk naar de langer wordende lijst van uitzonderingen op de hoofdregel.

Het klopt dat de uitzonderingen op het uniforme partnerbegrip de eenduidigheid en eenvoud niet ten goede komen. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel om tot het uniforme partnerbegrip te komen, werd echter al aangegeven dat door introductie van de bepaling voor samengestelde gezinnen niet alle situaties op voorhand waren in te schatten. Na verloop van enige tijd na inwerkingtreding van het uniforme partnerbegrip bleek dat zich inderdaad onvoorziene en soms ook onbedoelde situaties voordeden. Deze laatste situaties zijn in de afgelopen jaren als uitzondering op het uniforme partnerbegrip opgelost. Die uitzonderingen maken het partnerbegrip als zodanig niet eenvoudiger, maar hebben er wel toe geleid dat de onbedoelde gevolgen van het uniforme partnerbegrip voor bepaalde groepen personen – soms na een roep daarom van uw Kamer – adequaat zijn weggenomen.

De leden van de fractie van de SP vragen hoeveel geld is gemoeid met deze uitleg over pleegkinderen. Tevens vragen zij hoeveel het zou kosten om pleegkinderen tot 27 jaar nooit als toeslagpartner aan te merken. Zoals hiervoor al is aangegeven is niet goed aan te geven hoe vaak het voorkomt dat kinderen voor wie een pleegvergoeding wordt ontvangen als partner worden aangemerkt. Het is daarom ook niet aan te geven hoeveel geld daarmee is gemoeid. Het standpunt dat deze kinderen niet als pleegkind kwalificeren raakt overigens ook andere kindgerelateerde regelingen, zoals de kinderbijslag en het kindgebonden budget. Zou dit standpunt ten principale worden losgelaten dan gaat het waarschijnlijk wel om aanzienlijke bedragen, waarbij ook in ogenschouw moet worden genomen dat dan dubbele faciliteiten worden verleend: naast tegemoetkomingen op grond van de genoemde regelingen wordt immers ook een kostendekkende pleegvergoeding gegeven.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Belastingdienst haar standpunt heeft gewijzigd rond het fiscaal meerderjarig worden van een pleegkind. Tevens vragen zij of belastingplichtigen vertrouwen kunnen ontlenen aan mijn brief van 14 juni 2016 als de Belastingdienst in hun zaak het standpunt heeft ingenomen dat meerderjarige pleegkinderen geen pleegkind meer zijn. Het standpunt van de Belastingdienst dat zowel minder- als meerderjarige kinderen voor wie een pleegvergoeding wordt ontvangen geen pleegkinderen zijn is niet nieuw. Het wijkt ook niet af van mijn standpunt in de brief van 14 juni 2016.

Ook vragen de leden van de CDA-fractie of kan worden aangegeven op welke wijze belastingplichtigen moeten beoordelen of een kind wordt onderhouden, als ware het een eigen kind. Eveneens wordt gevraagd of hier bij het ontvangen van een pleegvergoeding nooit sprake van is, of er moet worden gekeken naar de overige kosten die de pleegouder zelf betaalt en hoe dit laatste in voorkomend geval moet worden gewogen worden ten opzichte van de kosten die andere ouders dragen. Hiermee vragen zij of er bij het ontvangen van een pleegvergoeding nooit sprake kan zijn van het onderhouden van het kind als een eigen kind. Naar mijn oordeel is dat inderdaad het geval. Voor een eigen kind zal een ouder immers niet een dergelijke substantiële vergoeding vanuit de overheid ontvangen.

2. Inkomensverklaringen buitenlandse belastingplichtigen

De leden van de fractie van de VVD en de leden van de fractie van het CDA hebben verschillende vragen gesteld over de inkomensverklaringen voor buitenlandse belastingplichtigen.

Zo vragen zij naar de vertaling van de inkomensverklaring in de andere Europese talen. De inkomensverklaring en de toelichting op de inkomensverklaring zijn vertaald in alle relevante Europese talen. In totaal zijn er nu documenten in 24 talen. De vertalingen zijn in de periode juni/juli op de website van de Belastingdienst geplaatst.

Deze leden vragen verder uit welke landen inkomensverklaringen zijn ontvangen en uit welke landen nog niet. Ook vragen de leden van de fractie van het CDA uit welke landen inkomensverklaringen zijn ontvangen. Uit een inventarisatie blijkt dat uit vrijwel alle landen inkomensverklaringen zijn ontvangen, daaronder Duitsland, België, Polen, Frankrijk, Spanje en Verenigd Koninkrijk. Tot nu toe zijn er rond de 70.000 verklaringen binnen. Van niet alle landen kon precies worden vastgesteld of verklaringen zijn ontvangen. Dit komt doordat de inkomensverklaringen in een geautomatiseerd systeem zijn opgenomen en uit dit systeem nog geen compleet overzicht kon worden verkregen.

De leden van de fractie van het CDA verwijzen naar het bericht dat de Belgische belastingdienst voor november 2016 geen inkomensverklaringen zal afgeven. Deze leden vragen of dit overgangsproblemen zijn of dat het elk jaar zo lang zal duren voordat een inkomensverklaring uit België kan worden afgegeven. De datum van 1 november heeft te maken met het tijdstip waarop de Belgische belastingdienst over de loonfiches kan beschikken. België heeft bovendien een latere termijn waarop de belastingaangifte moet worden ingediend dan in Nederland het geval is, zodat men pas later over de relevante gegevens beschikt. Om die reden is de verwachting dat deze situatie ook de komende jaren zich zal voordoen. Inmiddels ontvangt de Belastingdienst inkomensverklaringen die uit België afkomstig zijn. Er is met België regelmatig contact over de afhandeling van de inkomensverklaringen.

De leden van de fractie van het CDA vragen welke afspraken zijn gemaakt met de belastingdiensten van de 10 landen die de meeste inkomensverklaringen zouden moeten afgeven. Eind vorig jaar zijn alle belastingdiensten geïnformeerd over de inkomensverklaringen. Met enkele landen waaruit de meeste verklaringen te verwachten zijn, is intensiever contact geweest. Dit geldt voor Polen en België. Zo heeft de Belastingdienst bij de Poolse belastingdienst voorlichting gegeven. Met de Belgische belastingdienst is intensief overlegd over de af te geven verklaringen en de hierover aan belastingplichtigen te verstrekken informatie. Met deze landen is naar verwachting meer dan 75% van de inkomensverklaringen bestreken. Naar aanleiding van recente klachten is onlangs eveneens contact opgenomen met de Franse en Portugese belastingdiensten.

Belastingplichtigen die langer op een inkomensverklaring moeten wachten, kunnen de Nederlandse aangifte inkomstenbelasting alvast indienen. Zij kunnen de inkomensverklaring vervolgens later insturen. Informatie hierover staat op de website van de Belastingdienst. Dit in antwoord op vragen hierover van de leden van de fractie van het CDA.

Ten slotte vragen de leden van de fractie van het CDA naar de situatie met Spanje. Werkt Spanje mee, is er overleg met Spanje en wat moeten inwoners van Spanje doen? Er is de afgelopen tijd meermalen contact geweest met de Spaanse belastingdienst en met de Nederlandse ambassade in Madrid. De Spaanse belastingdienst heeft aangegeven mee te werken aan het afgeven van de inkomensverklaringen. De lokale belastingdiensten in Spanje zijn hiervan op de hoogte gesteld. Inwoners van Spanje met nagenoeg alleen in Nederland belast inkomen kunnen dus met hun inkomensverklaringen naar de Spaanse belastingdienst gaan om de door hen ingevulde verklaringen te laten ondertekenen.

3. DigiD in het buitenland

De leden van de VVD-fractie vragen naar de stand van zaken van het onderzoek dat de Minister van BZK naar veilige alternatieven voor de aanvraag van DigiD doet, zij vragen naar het moment van afronding hiervan en op welke wijze de Tweede Kamer over de uitkomsten wordt geïnformeerd. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 25 augustus jongstleden een brief gestuurd aan de Kamer over de impuls die het kabinet wil geven aan eID.1 Daarin is aangegeven op welke wijze de komende periode gewerkt wordt aan verschillende hoog betrouwbare inlogmiddelen voor natuurlijke personen. Uitgangspunt daarbij is nog steeds een multimiddelenstrategie, die het mogelijk maakt om zowel publieke als private inlogmiddelen te gebruiken voor authenticatie bij elektronische dienstverlening in het BSN-domein. Kortheidshalve verwijs ik naar de inhoud van de genoemde brief.

De leden van de VVD-fractie vragen eveneens hoe – nu en in de toekomst – mensen in het buitenland worden geïnformeerd over de alternatieve inlogmiddelen. Mensen die in het buitenland wonen, kunnen op de website van de Belastingdienst informatie vinden over de wijze waarop zij kunnen inloggen om belastingaangifte te doen: (http://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/prive/internationaal/nieuw_in_2015_en_2016/aangifte_doen_over_2015_geen_pincode_meer/aangifte_doen_over_2015_geen_pincode_meer). Op de website van DigiD is informatie te vinden over de wijze waarop mensen die in het buitenland wonen een DigiD kunnen aanvragen: (https://www.digid.nl/nl/vraag-en-antwoord/). Ook in de toekomst blijven dit de kanalen waar informatie over inlogmogelijkheden voor mensen in het buitenland beschikbaar wordt gesteld.

De leden van de D66-fractie vragen naar de omvang van de groep Nederlanders die woonachtig in het buitenland is en daar op dit moment geen toegang heeft tot DigiD en daarmee ook niet tot de vooringevulde aangifte. Tevens vragen zij naar de ontwikkeling van dit aantal in de afgelopen jaren. Eveneens vragen zij welk deel van deze groep wel toegang tot een Nederlandse bankrekening heeft, ofwel welke groep bij een positief resultaat van de uitgevoerde pilot, via de bankpas zou kunnen inloggen om aangifte bij de Belastingdienst? Er zijn bij de Belastingdienst geen precieze cijfers beschikbaar over de groep Nederlanders die in het buitenland woont en geen toegang heeft tot DigiD. Wel beschikt de Belastingdienst over cijfers over het aantal zogenoemde C-aangiften (van buitenlandse belastingplichtigen) over belastingjaar 2014. Het betrof in totaal 250.533 aangiftes, waarvan er 20.000 werden gedaan met DigiD, 20.314 op papier, 82.282 door een fiscaal dienstverlener en 127.937 met de speciale inlogcode (gebruikersnaam en wachtwoord) die buitenlandse belastingplichtigen met ingang van dat belastingjaar konden opvragen om hun vooringevulde aangifte op MijnBelastingdienst te gebruiken.

Het aantal mensen dat in de klantadministratie van de Belastingdienst is opgenomen met een Nederlands rekeningnummer en een buitenlands woonadres bedraagt 116.204 (46% van het aantal buitenlandse belastingplichtigen dat over 2014 een C-aangifte deed). Dit aantal geeft een goede indicatie van de groep mensen die met het inlogmiddel van hun bank via iDIN aangifte zouden kunnen doen.

De cijfers over 2015 zijn nog niet compleet, omdat nog niet alle C-aangiften voor belastingjaar 2015 binnen zijn. De verwachting is dat voor belastingjaar 2015 uiteindelijk ca. 300.000 C-aangiften zullen binnenkomen. Uit cijfers van 27 oktober 2016 blijkt dat het percentage mensen uit deze groep dat een Nederlands rekeningnummer heeft heel licht stijgt naar 48%.

4. PGB-tegoeden voor box-3-inkomen en toeslagen

De leden van de fractie van de SP vragen naar het drempelbedrag voor schulden in box 3 en de gevolgen daarvan voor belastingplichtigen die op de peildatum de verplichting hebben een restant van hun persoonsgebonden budget terug te betalen. Bepaalde, geringe schulden komen pas in aanmerking voor zover een grens van € 3.000 wordt overschreden. Ook de verplichting tot terugbetalen van het restant van het persoonsgebonden budget aan een zorgkantoor valt in beginsel onder de aftrekbeperking. Die beperking geldt echter voor het totaal van de kwalificerende schulden die een belastingplichtige op de peildatum 1 januari van het belastingjaar heeft. Een en ander is ook in de brief van 27 mei 2016 van de Staatssecretaris van Financiën2 aan de orde gekomen. De beperking van de schulden is opgenomen vanuit doelmatigheidsoogpunt. Verder is het ook zo dat een deel van die schulden betrekking kan hebben op de financiering van vermogensbestanddelen die buiten de rendementsgrondslag vallen, zoals bijvoorbeeld de persoonlijke lening voor een auto of een TV. Om deze redenen is het afschaffen van de aftrekbeperking dan ook niet gewenst. Overigens ben ik voornemens een tegemoetkoming te treffen op basis van de hardheidsclausule van de Awir op basis waarvan een restant van een persoonsgebonden budget onder omstandigheden buiten beschouwing kan blijven voor de vermogenstoetsen van de toeslagen. 3

5. Uitstroom

De leden van alle bovengenoemde fracties hebben vragen gesteld over de uitstroomregeling van de Belastingdienst. Deze vragen zijn nagenoeg geheel beantwoord in de brieven van 14 september, 4, 5, 12, 14, en 28 oktober en 4 en 9 november.

Ik heb toegezegd dat de vragen die samenhangen met het precieze aantal vertrekkende en in Switch instromende medewerkers kunnen worden beantwoord op het moment dat dit aantal definitief vaststaat. De uitstroomcijfers worden zoals in mijn Kamerbrief van 9 november aangegeven in december met uw Kamer gedeeld.4 Zoals ik daarbij aangaf zal ik uw Kamer dan op basis van de meest actuele stand van zaken informeren. In januari 2017 zal ik de toegezegde continuïteitsrapportage aan uw Kamer sturen. Hierin zal ik ook ingaan op de vraag van de leden van de fractie van SP of kan worden beloofd dat de dienstverlening er niet op achteruit zal gaan met de snelle teruggang van het werknemersbestand.


X Noot
1

Kamerstukken II 2015/16, 26 643, nr. 415

X Noot
2

Kamerstukken II 2015/16, 34 300 IX, nr. 26, p.3.

X Noot
3

Zie ook de antwoorden op kamervragen van Bergkamp en Van Weyenberg en van Voortman in Kamerstukken II, Aanhangsel van de Handelingen 2016/2017, nrs. 566 en 567.

X Noot
4

Kamerstuk 31 066 nr. 316, vergaderjaar 2016–2017.