Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201631066 nr. 294

31 066 Belastingdienst

Nr. 294 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 juli 2016

In het algemeen overleg over btw-vraagstukken van 2 juni jl. heb ik uw Kamer een brief toegezegd over een aantal technische vraagstukken dat tijdens dit debat aan de orde is gesteld. Allereerst zal ik ingaan op deze technische vragen. Vervolgens wil ik u informeren over de wijze waarop ik met de door uw Kamer aangenomen moties naar aanleiding van het debat omga.

Voorgelegde vraagstukken AO 2 juni 2016

a. Beschrijving teruggaaf BTW derdelanden: Oekraïne

De heer Van Vliet heeft gevraagd naar de werkwijze van Oekraïne waar het de teruggaaf van btw betreft. Oekraïne behoort niet tot de Europese Unie waarbinnen lidstaten zich aan de bepalingen van de btw-richtlijn dienen te houden en de regeling dus voor alle lidstaten gelijk is. Oekraïne heeft daardoor de vrijheid om zelf regelingen vast te stellen en de uitvoering daarvan te bepalen. Om de werkwijze voor ondernemers in Oekraïne en in de EU meer op elkaar af te stemmen wordt in een overlegprocedure getracht de werkwijze in Oekraïne meer in lijn te brengen met de Europese werkwijze. In ieder geval geldt voor niet-ingezetenen die geen vaste inrichtingen hebben in Oekraïne dat zij niet in aanmerking komen voor btw-registratie aldaar. Daarmee komen zij dus ook niet in aanmerking voor teruggaaf van btw.

b. Elektronische facturen en de gescande handtekening

De heer Van Vliet vraagt naar de ontwikkelingen op het gebied van elektronisch factureren en meer specifiek of een gescande handtekening afdoende is. Verder vraagt de heer van Vliet of daar nog extra frauderisico’s aan zitten.

De elektronische handtekening speelt een rol in het vaststellen van de authenticiteit van de herkomst van de factuur en de integriteit van de inhoud. De ondernemer bepaalt zelf hoe beide aspecten worden geborgd. Deze aspecten kunnen worden geborgd door bijvoorbeeld gebruik te maken van specifieke technologieën zoals een geavanceerde handtekening1 of middels elektronische uitwisseling van gegevens (EDI).2 Een geavanceerde handtekening is niet hetzelfde als een gescande handtekening. Integriteit en authenticiteit kunnen worden bewaakt door de elektronische factuur te versleutelen met een geavanceerde elektronische handtekening. De ontvangende computer kan dan controleren of de factuur is veranderd sinds hij is uitgegeven (integriteit) en of de sleutel waarmee de factuur is versleuteld eigendom is van de verzender (authenticiteit). Als de heer Van Vliet in dit verband doelt op het gebruik van de gescande handtekening dan is die controle bij een elektronische factuur met een gescande handtekening niet mogelijk en daarmee dus niet afdoende. De ondernemer zal dan aan de hand van een betrouwbaar controlespoor door bijvoorbeeld offertes, pakbonnen, orderbevestigingen, eerdere bankafschriften en andere correspondentie rond een zakelijke transactie te samen de integriteit en authenticiteit moeten waarborgen.

Met betrekking tot frauderisico’s is in de memorie van toelichting bij de implementatie van de richtlijn factureringsregels opgemerkt dat de nieuwe opzet voor de elektronische facturering niet betekent dat de bestrijdingsmogelijkheden van fraude worden verminderd.3 Ook in de nieuwe regeling geldt immers onverkort de eis dat de authenticiteit van de herkomst, de integriteit van de inhoud en de leesbaarheid van de factuur steeds moeten zijn gewaarborgd vanaf het moment dat de factuur wordt uitgereikt tot het moment waarop de bewaartermijn voor die factuur ten einde loopt.

c. Mogelijkheden forfaitaire regeling btw bij gemengd gebruik

De heer Van Vliet vraagt of een forfaitaire benadering met betrekking tot het gemengd (privé en zakelijk) gebruik van bijvoorbeeld computers mogelijk is. De heer Van Vliet verwijst hierbij naar de forfaitaire benadering voor correcties, zoals die geldt voor de auto van de zaak, die ook voor privé wordt gebruikt.

Allereerst merk ik op dat het de vraag is of het bedrijfsleven een dergelijke regeling als wenselijk zou ervaren. Een forfait is door het gemiddelde karakter immers geen maatwerk voor de individuele ondernemer.

Voor investeringsgoederen, zoals computers, die de ondernemer volledig tot zijn bedrijfsvermogen bestemt, is de btw over de aanschafprijs aftrekbaar voor zover die investeringsgoederen worden gebruikt voor belaste prestaties. Over het gratis privégebruik van dergelijke goederen moet weer btw worden betaald naar het werkelijk gebruik. De ondernemer dient dit gratis privégebruik in zijn boekhouding bij te houden. De forfaitaire benadering zoals gebruikelijk is bij auto’s is geen haalbare kaart voor andere investeringsgoederen. Een forfait in de btw is een benadering van het gemiddelde gebruik van het goed. Van het (privé)gebruik van andere investeringsgoederen dan personenauto’s zijn echter geen gegevens bekend. Ook zou een forfait de BTW-inkomsten over het privégebruik van deze investeringsgoederen moeten benaderen. Het vaststellen van een forfait, dat een goede weerspiegeling van het gemiddelde gebruik moet zijn, is zonder deze gegevens niet mogelijk. Dit zou voor een uiteenlopend scala aan investeringsgoederen onderzocht moeten worden.

d. Ontwikkelingen fiscale eenheid omzetbelasting: arrest Skandia

De heer Van Vliet heeft gevraagd naar de ontwikkelingen met betrekking tot de fiscale eenheid en de reikwijdte ten aanzien van bijvoorbeeld grensoverschrijdende acties tussen Nederlandse entiteiten en buitenlandse vestigingen daarvan. De heer Van Vliet vraagt in dat kader of de holdingresolutie in relatie tot het arrest Skandia America Corporation van het Hof van Justitie van de Europese Unie nog EU-proof is.

Ik kan de heer Van Vliet geruststellen. Op grond van de zogenoemde holdingresolutie kan een sturende en beleidsbepalende holding onder voorwaarden worden opgenomen in een fiscale eenheid.4 Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat dit beleid Unierechtelijk is toegestaan.5 Ik heb geen plannen om hieraan een einde te maken.

Met betrekking tot het Skandia-arrest van het Hof van Justitie EU heb ik de Europese Commissie bericht dat de Hoge Raad heeft bepaald dat in Nederland zowel de vaste inrichting als ook de hoofdvestiging van een rechtspersoon deel uitmaakt van een fiscale eenheid.6 Dit brengt met zich mee dat er geen sprake kan zijn van aan de heffing van omzetbelasting onderworpen prestaties tussen de hoofdvestiging van een rechtspersoon in Nederland en de vaste inrichting van diezelfde rechtspersoon in een andere EU-lidstaat. Deze situatie is wezenlijk anders dan de casus waarover het Hof van Justitie EU in de zaak Skandia uitspraak heeft gedaan. In deze zaak staat namelijk vast dat alleen de vaste inrichting als zodanig onderdeel uitmaakt van de fiscale eenheid in Zweden. In die specifieke casus volgt Nederland uiteraard het Skandia-arrest. Ik heb de Europese Commissie daarom bericht dat er in Nederland geen maatregelen nodig zijn om te verzekeren dat het Skandia-arrest wordt nageleefd. Dit standpunt is het bedrijfsleven bekend en zal worden gepubliceerd in een actualisering van een beleidsbesluit over vaste inrichtingen. Ik onderzoek nog of naar aanleiding van het Skandia-arrest anti-misbruik bepalingen nodig zijn.

e. Informatieuitwisseling

De heer Van Weyenberg van de fractie van D66 heeft een aantal vragen gesteld over de informatie uitwisseling tussen de Douane en de Belastingdienst in Nederland en tussen Eurofisc/Europol en Eurofisc.

In het btw-actieplan kondigt de Europese Commissie voor 2016 maatregelen aan ter verbetering van de samenwerking en informatie uitwisseling tussen Belastingdiensten onderling en met de Douane en rechthandhavingsinstanties. Ook de Europese Rekenkamer heeft een aanbeveling gedaan om informatie uit te wisselen tussen Eurofisc en Europol respectievelijk OLAF. In de raadsconclusies aangenomen tijdens de Ecofin van mei jl. hebben de lidstaten zich positief uitgesproken voor de verbetering van de samenwerking en informatie uitwisseling voor zover het de Douane en belastingdiensten betreft. Dit heeft ook direct een vervolg gekregen tijdens de nog onder Nederlands Voorzitterschap gehouden gezamenlijke vergaderingen van douane en belastingen. In deze vergaderingen is een start gemaakt met de verbetering van de samenwerking en informatie uitwisseling betreffende de douaneregeling 4200.

Over de informatie-uitwisseling tussen Eurofisc en Europol respectievelijk OLAF heb ik in de brief over het Speciaal Verslag van de Europese Rekenkamer een toelichting gegeven die heeft geleid tot mijn oordeel om de motie De Groot te ontraden.7 Nu de motie is aangenomen zal ik daar rekening mee houden in de beoordeling van eventuele voorstellen van de Europese Commissie op dit punt. De verwachting over de rol die Nederland daarbij kan spelen moet ik temperen. Tijdens de besprekingen die hebben geleid tot de raadsconclusies van de Ecofin op het btw-actieplan heeft een grote groep lidstaten zich tegen de mogelijkheid uitgesproken om informatie tussen Eurofisc en Europol respectievelijk OLAF uit te wisselen. De reden daarvoor is dat het merendeel van de gegevens van Eurofisc uiteindelijk geen betrekking heeft op strafbare feiten. In de fase dat nog geen sprake van strafbare feiten zien lidstaten een belemmering om deze belastinggegevens met derden uit te wisselen in verband met de bescherming van persoonsgegevens. Uit de aangenomen raadsconclusies blijkt dan ook dat het draagvlak in Europa voor informatie uitwisseling van belastinggegevens met Europol respectievelijk OLAF zeer beperkt is.

f. Btw-heffing game industrie

De heer Van Weyenberg heeft gevraagd om een reactie op de casus over digitale verkoop van games, waar niet alle dienstverleners btw in rekening brengen bij activatiecodes voor games. De heer Van Weyenberg wenst te vernemen wat hieraan wordt gedaan. Over dit onderwerp heb ik recentelijk ook vragen van het lid Bashir beantwoord waar ik graag naar verwijs.8 In aanvulling op deze antwoorden merk ik op dat de betaling voor een digitaal verstuurde activatiecode voor een game, de vergoeding vormt voor een elektronische dienst, die belast is met btw. Er is dan geen sprake van een relatie met een van btw vrijgestelde dienst zoals het geval is bij handelingen inzake aandelen of waardepapieren. De concurrentiepositie van Nederlandse ondernemers die deze elektronische diensten aanbieden en buitenlandse ondernemers die deze diensten vanaf het buitenland aanbieden is qua btw-plicht gelijk. Bij de levering van elektronische diensten aan particuliere consumenten in Nederland is btw verschuldigd. Buitenlandse ondernemers die in Nederland aangifte moeten doen voor deze diensten kunnen ervoor kiezen dat te doen via het systeem van de one-stop shop.

Toezicht op de naleving van de btw-wetgeving wordt verricht op basis van handhavingsregie, waarbij het instrument wordt gekozen dat hoort bij het gedrag van de belastingplichtige. Uiteraard worden relevante signalen van derden gebruikt om na te gaan of belastingplichtigen aan hun fiscale verplichtingen voldoen. Als de Belastingdienst signalen krijgt over niet voldoen van btw, worden deze signalen opgepakt om tot heffing te komen. Dat is niet anders in het geval van de bewuste casus die de heer Van Weyenberg aanhaalt. Bij dit toezicht zullen alle feiten en omstandigheden worden beoordeeld. Dat houdt bijvoorbeeld in dat als blijkt dat de elektronische dienst wordt verricht door een bedrijf dat in Nederland is gevestigd, zal worden nageheven van dat bedrijf, met (in voorkomende gevallen) toepassing van fiscale boetes.

g. Btw in relatie tot samenwerkingsvormen onderwijsveld

De heer Van Weyenberg heeft een aantal specifieke vragen gesteld over de gevolgen voor de btw van samenwerkingsvormen waarbij onderwijsinstellingen zijn betrokken. De heer Van Weyenberg wil weten of de recente jurisprudentie van de Hoge Raad over een casus waarin onderwijsinstellingen in samenwerking onderwijs aanboden, gevolgen heeft voor de uitwisseling van mensen en middelen tussen onderwijs, gemeenten en zorginstellingen en of een optimale jeugdzorg is geborgd. Bij samenwerking in het onderwijs spelen meerdere btw-aspecten een rol. Daarom geef ik hieronder eerst een algemeen overzicht van die aspecten. Daarna volgt een antwoord op de gestelde vragen.

Arrest van de Hoge Raad

In een situatie dat twee onderwijsinstellingen in samenwerking volwassenenonderwijs aanbieden, oordeelde de Hoge Raad dat onderwijsondersteunende diensten onderdeel kunnen zijn van de btw-vrijgestelde onderwijsprestatie, die iedere onderwijsinstelling verricht in het kader van deze samenwerking.9 Bij onderwijsondersteunende diensten kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de werkzaamheden van een roosteraar, facilitaire en huisvestingsdiensten, financiële administratie en ict-diensten. De Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Onderwijs hebben vervolgens besloten deze uitleg van de Hoge Raad te benutten om de toepassing van de onderwijsvrijstelling nader te duiden.

Dit betekent dat onderwijsondersteunende diensten onder de volgende voorwaarden zijn vrijgesteld van btw:

  • 1. De onderwijsondersteunende diensten worden verricht tussen onderwijsinstellingen;

  • 2. De door de onderwijsinstelling verrichte werkzaamheden kwalificeren als geheel genomen als één ondeelbare onderwijsprestatie. De onderwijsondersteunende diensten zijn dan bijkomstig aan die btw-vrijgestelde onderwijsprestatie die de onderwijsinstelling in het kader van de samenwerking verricht. Het maakt hierbij niet uit dat de ene onderwijsinstelling in voorkomende gevallen gebruik maakt van de door de andere onderwijsinstelling verrichte onderwijsondersteunende diensten;

  • 3. De onderwijsondersteunende diensten moeten qua omvang en inhoud gebruikelijk zijn bij het geven van het specifieke onderwijs waarin de samenwerking plaatsvindt.

Uitlenen van personeel

Het uitlenen van personeel is in beginsel een btw-belaste prestatie. Uitlenen van personeel is – onder voorwaarden – alleen btw-vrijgesteld in de volgende gevallen:

  • 1. Bij structurele uitleen die voldoet aan de voorwaarden van het besluit ter beschikking stellen personeel.10 Voor de onderwijssector is in dit besluit bepaald dat heffing van omzetbelasting voor het ter beschikking stellen van personeel – onder voorwaarden – achterwege kan blijven bij het ter beschikking stellen van wetenschappelijk personeel of van personeel in het kader van het bevorderen van arbeidsmobiliteit.

  • 2. Het uitlenen van personeel kwalificeert als een nauw samenhangende prestatie bij onderwijs, bij het verzorgen en verplegen van in een inrichting opgenomen personen of bij prestaties van sociale of culturele aard.

Op grond van jurisprudentie kwalificeert het uitlenen van personeel enkel als nauw samenhangende prestatie indien:

  • De uitleen wordt verricht door een ondernemer die zelf onderwijs verricht, personen verzorgt/verpleegt in een inrichting of prestaties van sociale of culturele aard verricht; én

  • Het uitlenen onontbeerlijk is voor het verrichten van een vrijgestelde onderwijsprestatie, voor de verzorging/verpleging van personen in een inrichting of voor het verrichten van een prestatie van sociale of culturele aard. Dit is het geval als het uitlenen van personeel van zodanige aard of kwaliteit is dat zonder die dienst niet de gelijkwaardigheid kan worden verzekerd van de door de inlenende instelling verzorgde prestatie; én

  • De uitleen niet in hoofdzaak tot doel heeft om de uitlenende instelling extra opbrengsten te verschaffen waarmee in rechtstreekse concurrentie wordt getreden met commerciële btw-belaste ondernemers (denk aan uitzendbureaus).

Het leerstuk van nauw samenhangende prestaties kan niet worden toegepast over de verschillende btw-vrijstellingen heen. Dit betekent bijvoorbeeld dat een instelling die gebruik maakt van de onderwijsvrijstelling niet – onder gebruikmaking van het leerstuk van nauw samenhangende prestaties – personeel btw-vrijgesteld kan uitlenen aan een instelling die gebruik maakt van de vrijstelling voor sociale of culturele prestaties.

Samenwerkingsverbanden en btw

De btw-koepelvrijstelling houdt in dat een samenwerkingsverband diensten vrijgesteld van btw kan verrichten aan haar leden. Uit de btw-richtlijn en de Wet OB volgt (o.a.) dat:

  • 1. het samenwerkingsverband moet bestaan uit leden die geen ondernemer zijn voor de btw of daarvan (gedeeltelijk) zijn vrijgesteld;

  • 2. de leden de (vrijgestelde) diensten van het samenwerkingsverband rechtstreeks nodig moeten hebben voor hun vrijgestelde of niet-ondernemers prestaties.

Om concurrentieverstoring te voorkomen is – tenzij in de regelgeving anders bepaald- de koepelvrijstelling niet van toepassing op de volgende prestaties:

  • het verstrekken van spijzen en dranken;

  • het verrichten van onderzoek;

  • het ter beschikking stellen van personeel;

  • het verzorgen van loon- en salarisadministraties, financiële administraties en grootboekadministraties.

De heer Van Weyenberg vraagt wat het effect is van de uitspraak van de Hoge Raad op de volgende vormen van samenwerking. Hij stelt de vraag of deze kunnen worden vrijgesteld van btw en op welke termijn dat kan worden gerealiseerd.

Ten eerste: Uitwisseling van mensen en middelen tussen schoolbesturen, mits in het belang van het onderwijs en de ontwikkeling van het kind.

Het uitlenen van personeel is vrijgesteld van btw via de onderwijsvrijstelling als de werkzaamheden jegens de andere school algeheel kwalificeren als één ondeelbare onderwijsprestatie. Het is daarmee niet mogelijk om alle vormen van uitwisseling van mensen en middelen tussen schoolbesturen van btw vrij te stellen. Zoals aangegeven is het uitlenen van personeel in beginsel belast en zal per geval beoordeeld moeten worden of op de werkzaamheden jegens de andere school de onderwijsvrijstelling van toepassing is. Voor zover sprake is van het uitlenen van personeel kan dit vrijgesteld van btw plaatsvinden als wordt voldaan aan de voorwaarden uit het besluit ter beschikking stellen personeel of het leerstuk nauw samenhangende prestaties. De koepelvrijstelling biedt in dit soort gevallen geen oplossing omdat het uitlenen van personeel is uitgezonderd van de toepassing van de koepelvrijstelling.

Ten tweede: Uitwisseling van personeel bij samenwerking tussen een onderwijsinstelling, kinderopvang, VVE, sportvereniging en huiswerkbegeleiding.

Het uitlenen van personeel door een onderwijsvrijstelling is vrijgesteld van btw als het uitlenen onontbeerlijk is voor het verrichten van een vrijgestelde onderwijsprestatie én de uitleen niet in hoofdzaak als doel heeft om extra inkomsten te verkrijgen. Het is daarmee niet mogelijk om alle genoemde vormen van uitwisseling van personeel van btw vrij te stellen. Ook hier geldt dat moet worden beoordeeld of de werkzaamheden als geheel genomen kwalificeren als één ondeelbare onderwijsprestatie. Als dit niet het geval is, is het uitlenen van het personeel in beginsel belast met btw. Op grond van het leerstuk van nauw samenhangende prestaties is het uitlenen van personeel enkel vrijgesteld van btw als het uitlenen plaatsvindt door een onderwijsinstelling én het uitlenen onontbeerlijk is voor het verrichten van een vrijgestelde onderwijsprestatie én de uitleen niet in hoofdzaak als doel heeft om extra inkomsten te verkrijgen. In hoeverre wordt voldaan aan deze voorwaarden vraagt om een individuele beoordeling van een specifiek geval. Tot slot biedt ook hier de btw-koepelvrijstelling hier geen oplossing, omdat het uitlenen van personeel wettelijk uitgezonderd is van de toepassing.

Ten derde: Uitwisseling van mensen en middelen tussen onderwijs, gemeenten en zorginstellingen om optimale jeugdzorg te faciliteren.

Het is niet mogelijk om alle genoemde vormen van uitwisseling van personeel en middelen van btw vrij te stellen. De prestatie betreft hier per definitie geen onderwijs, maar jeugdzorg. Daarom is de uitspraak van de Hoge Raad over onderwijs dat scholen in samenwerking verzorgen, op deze situaties niet van toepassing.

Ten vierde: Samenwerking tussen schoolbesturen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs.

Op 1 augustus 2014 is de Wet passend onderwijs ingevoerd. In verband hiermee heeft het Ministerie van Financiën, middels een nieuwsbericht van 9 oktober 2014 op zijn website, kenbaar gemaakt dat samenwerkingsverbanden passend onderwijs en hun scholen over verschillende prestaties die zij over en weer aan elkaar verrichten de btw-vrijstelling mogen toepassen tot 1 augustus 2016.11 Het gaat om prestaties die voortvloeien uit het ondersteuningsplan dat samenwerkingsverbanden ingevolge de Wet passend onderwijs moeten opstellen. Per 1 augustus 2016 is de vrijstelling voor deze activiteiten wettelijk geregeld.12

Ten vijfde: Samenwerking tussen onderwijsinstellingen uit verschillende onderwijssectoren om doorgaande leerlijnen te bevorderen

Of een btw-vrijstelling van toepassing is, is afhankelijk van de prestatie die in het kader van de samenwerking wordt verricht. Zowel de uitspraak van de Hoge Raad, als het leerstuk van nauw samenhangende prestaties en het besluit ter beschikking stellen van personeel en de btw-koepelvrijstelling kunnen mogelijk leiden tot een btw-vrijstelling voor de prestatie die wordt verricht. Of dit ook daadwerkelijk zo is, vraagt om een individuele beoordeling van het concrete geval.

De heer Van Weyenberg vraagt verder of kan worden toegelicht op welke wijze de diverse ontwikkelingen op fiscaal vlak, met name die rondom de koepelvrijstelling, sociaal en culturele vrijstelling en de onderwijsvrijstelling, samenhangen met de inhoudelijke ontwikkelingen in het onderwijsveld. Hij vraagt of hierin rekening wordt gehouden met de ontwikkeling dat scholen steeds meer samenwerken om goed onderwijs, passende zorg en dagopvang/buitenschoolse opvang voor kinderen te realiseren.

De reikwijdte van de btw-vrijstellingen wordt bepaald door de btw-richtlijn, de implementatie daarvan in de nationale wet en de Europese en nationale jurisprudentie. Nieuwe ontwikkelingen in het onderwijsveld worden voor de btw beoordeeld tegen deze achtergrond. De ruimte die nieuwe jurisprudentie biedt wordt daarbij maximaal benut. Dat geldt bijvoorbeeld voor de uitspraak van de Hoge Raad. Echter, als de btw-richtlijn noch de jurisprudentie een grondslag bieden voor toepassing van een btw-vrijstelling kan een dergelijke vrijstelling ook niet worden verleend. Dit zou namelijk contra-legem zijn met een risico op precedentwerking, concurrentieverstoring en een inbreukprocedure door de Europese Commissie. Dit betekent dat mogelijk niet in alle gevallen een btw-vrijstelling kan worden toegekend aan ontwikkelingen in het onderwijs.

De heer Van Weyenberg vraagt ten slotte op welke termijn het arrest van de Hoge Raad in het onderwijsbesluit zal zijn verwerkt.

De uitleg van het arrest van de Hoge Raad is op 11 maart 2016 door een nieuwsbrief op de website van de rijksoverheid gecommuniceerd. Het arrest wordt ook al toegepast door de Belastingdienst en zal op korte termijn worden opgenomen in het btw-onderwijsbesluit.

h. Budgettaire derving bij belasten van groente en fruit tegen 0%

De heer Bashir vraagt wat de budgettaire derving is van het belasten van groente en fruit tegen 0%. De structurele jaarlijkse budgettaire derving van een btw verlaging op groenten en fruit van 6% naar 0% bedraagt € 435 mln.

i. Gevolgen bedrijfsleven afschaffen drempel btw-vrijstelling bij invoer

Mevrouw De Vries heeft mij gevraagd naar de gevolgen voor het bedrijfsleven bij het afschaffen van de btw-vrijstelling voor de invoer van kleine zendingen. De Commissie kondigt in het btw-actieplan een wetgevingsvoorstel aan, dat het btw-stelsel minder complex en duur maakt voor lidstaten en bedrijven. Naar verwachting zal de Commissie het voorstel eind 2016 presenteren. Eén van die maatregelen in het voorstel is volgens het btw-actieplan het afschaffen van de btw-vrijstelling bij de invoer van kleine zendingen van niet EU-leveranciers. Deze vrijstelling werkt momenteel concurrentieverstorend. Niet EU-leveranciers kunnen namelijk, in tegenstelling tot bedrijven in de lidstaten, goederen met een waarde van maximaal 22 euro btw vrij leveren aan Europese consumenten. Het afschaffen van de vrijstelling zou een einde moeten maken aan het concurrentienadeel. In de raadsconclusies die de Ecofin naar aanleiding van het btw-actieplan heeft aangenomen, hebben de lidstaten unaniem gewezen op het belang om dit concurrentienadeel te elimineren en te analyseren of de vrijstelling weggenomen kan worden. Of de gewenste doelen met het voorstel van de Commissie ook daadwerkelijk worden bereikt, kan ik pas bezien op het moment dat het voorstel voor aanpassing van de btw-richtlijn gepresenteerd is. Het is daarbij gebruikelijk dat de Commissie voorafgaand aan het indienen van een wetgevingsvoorstel een impact assessment laat uitvoeren. Daarbij worden ook de gevolgen voor het bedrijfsleven meegenomen. Over het voorstel zal een BNC-fiche worden opgesteld dat aan uw Kamer zal worden aangeboden. In de BNC-fiche vormen de gevolgen voor de uitvoering van de regelgeving en de effecten voor administratieve lasten en regeldruk een beoordelingselement.

j. Naheffingsaanslagen leden lokale rekenkamers

Mevrouw De Vries heeft mij gevraagd in te gaan op het punt dat leden van lokale rekenkamers vaak geconfronteerd zouden worden met naheffingsaanslagen, omdat ze btw-ondernemer zijn. Ik kan het beeld niet bevestigen dat leden van rekenkamers vaak worden geconfronteerd met naheffingsaanslagen omzetbelasting. Dat kan in een individueel geval zijn gebeurd. Voor zover mij bekend is echter geen sprake van een breed fenomeen of een specifieke handhavingsactie van de Belastingdienst op dit punt. Een btw-ondernemer is een ieder die zelfstandig een bedrijf of beroep uitoefent en geregeld deelneemt aan het economisch verkeer. Het is niet mogelijk om in algemene zin te beantwoorden of bij leden van lokale rekenkamers sprake is van btw-plicht. Dit hangt namelijk sterk af van de feiten en omstandigheden waaronder deze personen optreden. Zo hoeft geen btw in rekening te worden gebracht als een lid van een lokale rekenkamer hiervoor in dienstbetrekking treedt bij de gemeente of wanneer slechts incidenteel wordt gepresteerd. Daarnaast kan de betreffende persoon onder een btw-ontheffing voor kleine ondernemers vallen. Het is dan ook aan de bevoegde inspecteur om per individueel geval een positie hierover in te nemen en daar naar te handelen.

Aangenomen moties

Uw Kamer heeft naar aanleiding van het algemeen overleg een tweetal moties met betrekking tot de btw aangenomen.

Met de motie Thieme/Groot wordt het kabinet opgeroepen om zich in het kader van het btw-actieplan in te zetten voor maximale beleids- en tariefvrijheid voor de lidstaten door aanpassing van de btw-richtlijn.13 Onder Nederlands Voorzitterschap heeft de Ecofin Raad unanimiteit bereikt over raadsconclusies waarmee de Raad een politieke uitspraak over de voorstellen in het btw-actieplan heeft geformuleerd. Nu de 28 lidstaten voor het eerst sinds jaren overeenstemming hebben bereikt over meer flexibiliteit voor lidstaten op het terrein van de tarieven, is de motie grotendeels al in resultaat omgezet. De Ecofin Raad heeft overeenstemming bereikt over drie aanpassingen van de btw-richtlijn op het punt van de tarieven. In de eerste plaats gaat het om de door Nederland vurig bepleite gelijke behandeling van e-books en andere e-publicaties. In de tweede plaats heeft de Ecofin Raad ingestemd met een aanpassing inzake de sanitaire producten voor vrouwen. Tot slot heeft de Ecofin Raad ingestemd met een verruiming van beleidsvrijheid van lidstaten op het punt van de tarieven, zodat lidstaten kunnen profiteren van verlaagde tarieven die al in andere Europese lidstaten bestaan, bijvoorbeeld als gevolg van overgangsrecht. De Commissie heeft aangekondigd nog dit jaar met een voorstel tot wijziging van de btw-richtlijn op deze drie punten te zullen komen. Ik neem de strekking van de motie mee in het onderhandelingstraject over deze aangekondigde voorstellen en zal uw Kamer op de gebruikelijke wijze informeren over de resultaten daarvan.

Op de uitvoering van de motie Groot ben ik hiervoor bij onderdeel e al uitgebreid ingegaan.14 Voor zover de motie ziet op het aanpakken van grensoverschrijdende btw-carrouselfraude in algemene zin zie ik deze als een oproep om alle mogelijke middelen in te zetten voor een effectieve fraudebestrijding. Ik ben het daar mee eens en het sluit ook aan bij mijn speerpunt.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes


X Noot
1

in de zin van de Richtlijn 1999/93.

X Noot
2

zoals gedefinieerd in de Aanbevelingen 1994/820/EG van de Commissie van 19 oktober 1994.

X Noot
3

Kamerstuk 32 877, nr. 3

X Noot
4

Holdingresolutie van 18 februari 1991, VB91/347.

X Noot
5

Arrest van 25 april 2013, zaak C-65/11.

X Noot
6

Arrest op 14 juni 2002, nr. 35 976.

X Noot
7

Kamerstuk 31 066, nr. 282

X Noot
8

Aanhangsel handelingen II 2015/16, nr. 1947, d.d. 21 maart 2016

X Noot
9

Arrest van 22 januari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:83).

X Noot
10

besluit van 14 maart 2007, Nr. CPP2007/347M

X Noot
12

Zie Bijlage B, onderdeel b, posten 17 en 18 bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968

X Noot
13

Kamerstuk 33 529, nr. 218.

X Noot
14

Kamerstuk 31 066, nr. 282