Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201631066 nr. 276

31 066 Belastingdienst

Nr. 276 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 juni 2016

Tijdens het Algemeen Overleg Belastingdienst van 1 juni jl. heb ik aan de vaste Kamercommissie voor Financiën toegezegd een brief te sturen waarin ik in zou gaan op een aantal door de leden van de commissie gestelde vragen. Aan die toezegging kom ik met deze brief tegemoet.

Pleegkinderen als toeslagpartner

Het lid Omtzigt heeft gevraagd naar het recht op toeslagen van een inwonend pleeg- of stiefkind dat 18 jaar wordt. Het gaat dan om het partnerschap. Dit punt werd ook aan de orde gesteld in recente vragen van het lid Ypma aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.1

Inwonende kinderen of stiefkinderen die jonger zijn dan 27 jaar worden niet als fiscaal partner of als toeslagpartner aangemerkt. Dit geldt ook voor pleegkinderen, mits deze worden onderhouden en opgevoed als eigen kinderen.

Als er kinderen inwonen waarvoor een pleegvergoeding wordt of werd ontvangen op grond van de Jeugdwet, dan voldoet de verzorgende ouder niet aan het onderhoudsvereiste. De kosten van levensonderhoud worden dan immers gedragen door het Rijk. In fiscale zin en voor toeslagen is dan geen sprake van een pleegkind.

Het is mogelijk dat een kind in die specifieke situatie na het bereiken van de 18-jarige leeftijd als partner van de verzorgende ouder wordt aangemerkt. Dit kan zich voordoen als deze ouder nog geen partner heeft en er ook een minderjarig kind is ingeschreven op hetzelfde adres (de regeling voor samengestelde gezinnen). In dat geval worden het inkomen van het pleegkind dat de 18-jarige leeftijd heeft bereikt en dat van de ouder samengeteld voor het recht op toeslagen. Ook kan het partnerschap gevolgen hebben in de inkomstenbelasting. Het hangt van de individuele situatie af of een en ander voor- of nadelen meebrengt voor de betrokkenen.

Inkomensverklaringen buitenlandse belastingplichtigen

Het lid Omtzigt heeft tevens een vraag gesteld over de inkomensverklaring die nodig is om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt. Enkele buitenlandse belastingdiensten, waaronder de Spaanse en de Litouwse belastingdienst, zouden de inkomensverklaring niet willen ondertekenen en alleen hun eigen formulier willen gebruiken.

Alle buitenlandse belastingdiensten zijn vooraf geïnformeerd over de inkomensverklaring en daarop zijn geen berichten gekomen dat zij de inkomensverklaring niet zouden willen gebruiken. Dat zij de Nederlandse inkomensverklaring niet zouden willen ondertekenen ligt ook niet voor de hand, omdat de buitenlandse belastingdiensten bekend zijn met de werkwijze bij het ondertekenen van het Duitse formulier dat eenzelfde functie heeft als de Nederlandse inkomensverklaring. Voor zover bekend zijn er geen buitenlandse belastingdiensten die het Duitse formulier niet wensen te ondertekenen.

Om de bedoeling van de inkomensverklaring en de rol van de buitenlandse belastingdienst bij de ondertekening van de inkomensverklaring te verduidelijken, is contact opgenomen met de Spaanse belastingdienst. Ook met de Litouwse belastingdienst is contact opgenomen. Met de vertaling van de inkomensverklaring in de andere Europese talen verwacht ik dat de ondertekening door buitenlandse belastingdiensten eenvoudiger zal verlopen. Er zijn inmiddels ook al duizenden inkomensverklaringen door de Belastingdienst ontvangen. De Belastingdienst houdt het gebruik van de inkomensverklaringen verder goed in de gaten en onderneemt actie als dat nodig is.

Gevolgen PGB-tegoeden voor box 3-inkomen en toeslagen

Het lid Van Weyenberg heeft gevraagd naar de gevolgen voor het meetellen van het uitgekeerde PGB voor het box 3-vermogen en het recht op toeslagen als gevolg van de vermogenstoets. Dit onderwerp is eerder in de Kamer aan de orde geweest.2 Ook in mijn brief van 27 mei jl. ben ik op deze problematiek ingegaan.3

In de beantwoording van de aangehaalde Kamervragen in 2013 is aangegeven dat om aan de PGB-houders tegemoet te komen, met zorgkantoren is afgesproken dat zij allemaal de PGB-voorschotten sinds 2014 uitbetalen na 1 januari van het jaar waarop het PGB betrekking heeft, zodat deze in dat jaar niet meetellen voor het box 3-vermogen. Daarnaast is van belang dat tegenover een eventueel op de peildatum voor box 3 meetellend nog resterend PGB tegoed staat dat een nog aan een zorgkantoor terug te betalen bedrag kwalificeert als een box 3-schuld. In mijn recente brief heb ik er op gewezen dat toeslaggerechtigden die dit bedrag in hun aangifte niet als schuld hebben opgegeven, de inspecteur kunnen verzoeken deze schuld ambtshalve alsnog in mindering te brengen, zodat Belastingdienst/Toeslagen hier bij toepassing van de vermogenstoets ook rekening mee houdt.

Informeren over recht op belastingteruggaaf

Het lid Bashir heeft verzocht om op basis van de bij de Belastingdienst bekende gegevens mensen proactief te informeren dat zij recht hebben op een belastingteruggaaf en dat zij daarvoor aangifte moeten doen. Hij heeft er daarbij op gewezen dat in de betreffende groep ook burgers zitten die eerder van de Belastingdienst een brief hebben gekregen dat zij geen aangifte hoeven te doen.

Jaarlijks na afloop van de aangiftecampagne worden de mensen geselecteerd die geen aangifte hebben gedaan en op grond van de gegevens van de Belastingdienst (waaronder de polisadministratie) recht hebben op een teruggaaf. Deze mensen ontvangen van de Belastingdienst reeds een brief waarin zij op de mogelijke belastingteruggaaf worden geattendeerd. Zij kunnen de teruggaaf realiseren door het indienen van een aangifte. Dit geldt ook voor mensen die een brief hebben gekregen aan het begin van het jaar dat zij geen aangifte hoeven doen. Op het moment van het versturen van laatstgenoemde brief beschikt de Belastingdienst namelijk nog niet over alle gegevens die na afloop van de aangifteperiode beschikbaar zijn.

DigiD in het buitenland

Het lid Aukje de Vries heeft gevraagd naar het aanvraagproces voor een DigiD vanuit het buitenland. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – verantwoordelijk voor DigiD – laat op dit moment veilige alternatieven voor de aanvraag via grensgemeenten, de balie op Schiphol en ambassades in het buitenland onderzoeken. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het bezorgen van de DigiD-code per koerier. Naar verwachting wordt het onderzoek deze zomer afgerond. Op basis daarvan zal de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten over te realiseren alternatieven. Naast veiligheid speelt daarbij ook het kostenaspect een rol.

Het alternatieve inlogmiddel dat de Belastingdienst nu al beschikbaar heeft voor het doen van aangifte inkomstenbelasting door buitenlandse belastingplichtigen (de zogenoemde C-aangifte) is een combinatie van gebruikersnaam en wachtwoord die mensen kunnen aanvragen bij de Belastingdienst. Zij kunnen daarmee aangifte doen via de online aangiftevoorziening, maar nog geen gebruik maken van de vooringevulde aangifte. De reden daarvoor is dat het betrouwbaarheidsniveau van deze inlogvoorziening niet hoog genoeg is om op basis daarvan zoveel persoonlijke gegevens van de belastingplichtige klaar te zetten. Dat kan wel als DigiD buitenland breder beschikbaar is.

De Belastingdienst heeft deze aangiftecampagne een pilot gedaan met het gebruik van de veilige inlogmiddelen van banken voor het doen van de aangifte inkomstenbelasting. De pilot wordt nu geëvalueerd. Als de resultaten daarvan positief zijn, zal deze mogelijkheid breder worden ingezet. Dit kan ook een oplossing bieden voor mensen die in het buitenland wonen en een rekening hebben bij een Nederlandse bank. Zij kunnen dan vanuit het buitenland met hun bankpas inloggen.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes


X Noot
1

Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 1933.

X Noot
2

Kamerstukken II 2012/13, Aanhangselnummer 2102 respectievelijk Kamerstukken II 2012/13, 33 204, nr. 33.

X Noot
3

Kamerstukken II 2015/16, 34 300 IX, nr. 26, p.3.