Vragen van het lid Ypma (PvdA) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport over toeslagen voor gezinnen bij meerderjarige, thuiswonende pleegkinderen
en over tegemoetkomingen pleegzorg voor gezinnen net over de grens (ingezonden 1 februari
2016).
Antwoord van Staatssecretaris Van Rijn (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen
18 maart 2016) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 1623
Vraag 1
Klopt het dat de ouder-kind relatie bij een pleegkind nadrukkelijk verandert vanaf
het 18e jaar van het pleegkind? Zo ja, in welke opzicht verandert die situatie en
hoe uit zich dit in het vervallen van bepaalde rechten op toeslagen voor zowel pleegkind
als ouder?
Antwoord 1
Indien pleegkinderen na hun 18de jaar nog behoefte hebben aan ondersteuning en begeleiding,
kunnen ze tot hun 23ste jaar een beroep doen op voortgezette pleegzorg. De gemeente
beslist over deze vorm van voortgezette jeugdhulp. Zolang er sprake is van voortgezette
pleegzorg, zorgt de pleegzorgorganisatie voor begeleiding van pleegouders en jongere
en voor een pleegvergoeding voor de pleegouders.
De pleegvergoeding op grond van de Regeling Jeugdwet bestaat uit drie elementen: het
basisbedrag, eventuele toeslagen op de pleegvergoeding en eventuele vergoeding van
bijzondere kosten voor pleegkinderen met een kinderbeschermingsmaatregel en pleegkinderen
onder pleegoudervoogdij.
Zie verder de antwoorden op vraag 2 en 3.
Vraag 2
Wat is uw oordeel over de situatie waarin pleegkinderen die begeleiding nodig hebben,
en die nog niet zelfstandig kunnen leven en dus bij hun pleegouder(s) wonen, worden
gekort op hun toeslagen zodra zij meerderjarig zijn?
Antwoord 2
Bij de zorgtoeslag is het niet van belang of het om een pleegkind of een eigen kind
gaat. Het gaat er om dat iemand die 18 jaar is geworden in een huishouden bij zijn
(pleeg)ouders zorgtoeslag mag aanvragen aangezien het betrokken kind dan ook verzekeringsplichtig
is geworden. Het inkomen van de pleegouders is in de regel niet van invloed op de
zorgtoeslag van het kind. Wel is het eventuele eigen inkomen van het pleegkind relevant
omdat de zorgtoeslag inkomensafhankelijk is. Zodra een meerderjarig pleegkind en pleegouder
toeslagpartners zijn, tellen beide inkomens voor de zorgtoeslag.
Vraag 3
Klopt het dat een meerderjarig pleegkind in een ouder-kind situatie als toeslagpartner
van een ouder kan worden gezien? Zo ja, vindt u het redelijk dat dit dan negatieve
gevolgen kan hebben voor de toeslagen voor biologische, (minderjarige) kinderen in
eenzelfde gezin?
Antwoord 3
Een meerderjarig pleegkind kan onder bepaalde omstandigheden toeslagpartner van een
alleenstaande pleegouder zijn als zij bij elkaar op hetzelfde woonadres wonen. In
deze gevallen gaat de wetgever ervan uit dat er sprake is van een samengesteld gezin
dat voor wat betreft de in aanmerking te nemen draagkracht vergelijkbaar is met gehuwden
of ongehuwd samenwonende meerderjarigen met een minderjarig kind.
Dat kan gevolgen hebben voor de hoogte van de toeslag of toeslagen die zij ontvangen
voor minderjarige kind(eren) omdat beide inkomens dan meetellen. Te denken valt aan
het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag.
Ook is er geen sprake meer van aanspraak op een verhoging van het kindgebonden budget
voor de alleenstaande ouder (meerderjarig pleegkind of pleegouder) met een minderjarig
kind.
Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat de pleegvergoeding op grond van de Jeugdwet
daarbij niet als inkomen wordt beschouwd.
Vraag 4
Bent u bekend met situaties waarbij Nederlandse pleegouders, woonachtig net over de
grens in België of Duitsland en werkzaam in Nederland, wél fungeren als pleeggezin
maar géén recht hebben op een pleegvergoeding voor het gezin? Kunt u aangeven om hoeveel
gevallen dit (potentieel) gaat?
Antwoord 4
Vanaf 1 januari 2015 geldt het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet. Dat betekent dat
Nederlandse pleegoudervoogden die woonachtig zijn in België of Duitsland geen recht
hebben op een pleegvergoeding omdat de Jeugdwet niet geldt in het buitenland. Uitgezonderd
zijn Nederlandse pleegoudervoogden die onder het overgangsrecht voor de pleegzorg
vallen.
In hoofdstuk 10 van de Jeugdwet is geregeld dat de rechten en verplichtingen die vóór
1 januari 2015 golden met betrekking tot verwijzingen en indicaties voor vormen van
zorg of jeugdzorg die vanaf dat moment onder de Jeugdwet vallen, blijven gelden, maar
dan jegens de gemeente waarbinnen de betreffende jeugdige zijn woonplaats in de zin
van de Jeugdwet heeft. Als het een indicatiebesluit betreft waarin is vastgesteld
dat de jeugdige is aangewezen op pleegzorg, dan geldt het voor de duur die is vastgesteld
in het betreffende indicatiebesluit. Dit kan betekenen dat de pleegzorg op basis van
dat indicatiebesluit doorloopt tot het pleegkind 18 jaar wordt.
Gemeenten geven uitvoering aan het overgangsrecht en het woonplaatsbeginsel. Het is
mij niet bekend hoeveel Nederlandse pleeggezinnen die over de grens wonen geen recht
(meer) hebben op pleegvergoeding.
Vraag 5
Welke mogelijkheden zijn er om dergelijke Nederlandse gezinnen, die in een grensgebied
zorgen voor noodzakelijke pleegopvang voor een of meerdere Nederlandse kinderen, ook
in een van de buurlanden van een vorm van vergoeding voor pleegzorg te voorzien en
bent u eventueel bereid om hierin ondersteuning te bieden?
Antwoord 5
Pleegoudervoogden in België en Duitsland kunnen hiervoor terecht bij de verantwoordelijke
Belgische en Duitse instanties.