Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201531066 nr. 228

31 066 Belastingdienst

Nr. 228 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 februari 2015

Tijdens het VAO Belastingdienst op 17 december 2014 heb ik uw kamer toegezegd een brief te sturen waarin inzicht wordt gegeven over de verstrekking van informatie over rulings (Handelingen II 2014/15, nr. 38, item 18). Met deze brief kom ik aan die toezegging tegemoet.

We kennen in Nederland een robuuste rulingpraktijk, die wordt toegepast binnen de kaders van wet, beleid en jurisprudentie. Deze praktijk heeft veel nut voor belastingplichtigen en de Belastingdienst. Het geheel draagt bij aan een gunstig vestigingsklimaat voor bedrijven. Uiteraard moet het parlement in de gelegenheid zijn daarop controle uit te oefenen. Ik wil dan ook zoveel mogelijk openheid geven, temeer omdat over de Nederlandse rulingpraktijk vragen bestaan. Deze openheid mag de belangen van de belastingplichtige echter niet schaden.

Democratische controle op de Nederlandse rulingpraktijk, met inachtneming van vertrouwelijkheid

Het parlementaire recht op informatie is een belangrijke pijler in ons democratisch stelsel. Daarbij kan spanning optreden tussen het recht op informatie en de fiscale geheimhoudingsplicht. Mijn ambtsvoorganger heeft u hierover al in 2012 een brief gestuurd.1 Om uw controlerende taak goed te kunnen uitvoeren, heeft u bepaalde informatie nodig. Dit kan ook informatie betreffen die onder de fiscale geheimhoudingsplicht valt. In het geval uw verzoek dergelijke informatie betreft, moeten de belangen worden afgewogen; enerzijds het democratisch belang van informatie voor het parlement, anderzijds het belang van het vertrouwelijk behandelen van gegevens van de belastingplichtige.2 Dit betekent in de praktijk dat deze gegevens in ieder geval niet in het openbaar worden verstrekt. De geheimhoudingsplicht is daarvoor van een te groot belang voor het vertrouwen in de Belastingdienst en de Nederlandse overheid als geheel.

Uiteraard kunnen zich kwesties voordoen waarbij de behandeling van een specifieke belastingplichtige centraal staat in de beoordeling door uw Kamer van de wetsuitvoering door het kabinet. In zulke gevallen kan het noodzakelijk zijn om uw Kamer vertrouwelijk inzage te geven in de relevante gegevens rond een specifieke belastingplichtige. Dat is in het verleden dan ook gebeurd en dat blijft ook in de toekomst mogelijk. Daarmee zie ik echter nog geen reden om u systematisch, dus zonder specifieke aanleiding, inzage te geven in willekeurige, of in alle rulings. Systematische toezending van rulings, ook al is dit vertrouwelijk, schaadt het vertrouwen van de belastingplichtige in de Nederlandse Belastingdienst en daarmee het vertrouwen in Nederland als vestigingsland.

Feit blijft dat de Kamer haar controlerende taak moet kunnen uitvoeren, ook waar het gaat om een correcte wetstoepassing in de rulingpraktijk. Om die reden heeft uw Kamer vorig jaar aan de Algemene Rekenkamer gevraagd de rulingpraktijk door te lichten. De ARK heeft alle gegevens kunnen inzien, en is op basis daarvan tot een eigen oordeel gekomen. Een andere vorm van informeren, die ook goed recht doet aan de complexiteit van dit onderwerp, is een besloten technische briefing. Daarbij worden geen individuele rulings besproken, maar geven deskundigen van de Belastingdienst aan de hand van een case uitleg over de inhoud van deze rulings en de context waarin deze worden afgegeven. Dat garandeert hoogwaardige informatieoverdracht aan het parlement zonder inbreuk op de geheimhouding. Ik ben daarom graag bereid om de leden van de vaste commissie voor Financiën in een besloten en vertrouwelijke technische briefing verder te informeren over de werkwijze van de Belastingdienst op dit gebied. In deze brief geef ik u vooruitlopend daarop toelichting op onze rulingpraktijk en op mijn voornemen om bij internationale gegevenswisseling over rulings een voortrekkersrol te vervullen.

Rulings van belang voor bedrijven en voor de Belastingdienst

Voor bedrijven

De Nederlandse Belastingdienst biedt nationaal- en internationaal opererende bedrijven, maar ook individuen en kleine ondernemers de mogelijkheid om binnen de kaders van de wet- en regelgeving, jurisprudentie en beleid vooraf zekerheid te krijgen over de fiscale duiding van voorgenomen (rechts)handelingen. Onderdeel van deze manier van werken is de mogelijkheid tot het afsluiten van Advance Pricing Agreements (APA) en Advance Tax Rulings (ATR). Een APA of ATR geeft een bedrijf zekerheid vooraf over de reguliere wetstoepassing.

De (uitleg van) fiscale wet- en regelgeving is voor een APA of ATR hetzelfde als voor een belastingplichtige die geen zekerheid vooraf vraagt. De waarde van een ruling zit voor een bedrijf dus in de zekerheid vooraf, niet in een fiscale gunst. Of het oordeel van de inspecteur nu vooraf of achteraf wordt gegeven, de Belastingdienst volgt altijd de wet. Buitenwettelijke afspraken over tarieven of vrijstellingen worden nooit gemaakt.

Voor bedrijven is deze duidelijkheid in een vroeg stadium erg belangrijk. Dit biedt een Nederlandse concernvennootschap bepaalde zekerheden, wanneer de productie, marketing en verkoop over verschillende landen en vennootschappen zijn verspreid. Zo kan een Nederlandse concernvennootschap van tevoren nagaan of de toerekenbare winst in Nederland voldoet aan de internationaal geldende regels voor transfer pricing. Ook krijgen belastingplichtigen zekerheid vooraf of de deelnemingsvrijstelling in Nederland van toepassing is, wanneer een dochtervennootschap dividend uitkeert aan een Nederlandse vennootschap.

Met deze handelwijze draagt de Belastingdienst bij aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor nationale- en internationale bedrijven. Bedrijven kiezen er eerder voor om zich te vestigen in een land waar ze weten waar ze aan toe zijn, dan in een land waar veel onzekerheden zijn. In het verleden is gebleken dat onze aanpak wat betreft afspraken met belastingplichtigen als voorbeeld heeft gediend voor andere Europese landen.

Voor de Belastingdienst

De Nederlandse Belastingdienst heeft als uitgangspunt niet alleen in beeld te komen als controleur, heffer en inner van belastingen. Zij probeert het ook voor bedrijven in Nederland zo gemakkelijk mogelijk te maken om te voldoen aan hun wettelijke verplichtingen. Hierbij valt te denken aan vooraf ingevulde aangiften, horizontaal toezicht, maar ook aan het sluiten van APA’s en ATR’s. Het aantal correcties dat de Belastingdienst achteraf moet maken, wordt op deze manier verminderd. Door middel van gerichter toezicht kan de capaciteit van de Belastingdienst daarmee efficiënter worden ingezet. Deze aanpak past in de bredere werkwijze van de Belastingdienst, waarbij zoveel mogelijk wordt gestuurd op zekerheid en controle vooraf. Hierdoor worden onnodige geschillen achteraf voorkomen.

Zekerheid vooraf, maar altijd binnen de wet

De APA-/ATR praktijk is in Nederland gecentraliseerd in één team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam). Hiervoor is gekozen om te garanderen dat alle bedrijven die zekerheid vooraf vragen, hetzelfde worden behandeld. In dit team is veel kennis aanwezig, waardoor het gemakkelijker is om de aanvragen te beoordelen. Een gecentraliseerd team heeft ook een beter overzicht van de wijze waarop internationale concerns zijn vormgegeven en hoe hun werkzaamheden worden uitgevoerd.

Tevens bestaat een «aanspreekpunt buitenlandse investeerders» dat zich speciaal bezighoudt met buitenlandse multinationals die zich in Nederland willen vestigen. De organisatie en competentie van het APA-/ATR-team en het aanspreekpunt buitenlandse investeerders is vastgelegd in een beleidsbesluit.3

Een APA- dan wel ATR-verzoek dient te worden gericht aan de inspecteur waaronder de belastingplichtige ressorteert. Een buitenlands bedrijf dat zich nog niet eerder vestigde in Nederland, kan zijn verzoek doorgaans richten aan het «aanspreekpunt buitenlandse investeerders». De inspecteur legt vervolgens het verzoek voor bindend advies voor aan het APA-/ATR-team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen. Het verzoek wordt naast de lokale inspecteur beoordeeld door minimaal twee personen. Het APA-/ATR-team stemt waar nodig ook af met het Ministerie van Financiën en verschillende kennis- en coördinatiegroepen zoals de Coördinatiegroep Verrekenprijzen. Hiermee is de eenheid van beleid en uitvoering geborgd.

De Algemene Rekenkamer heeft in opdracht van de Tweede Kamer onderzoek gedaan naar de APA-/ATR praktijk en de beoordeling en afhandeling van verzoeken van belastingplichtigen4 . Het oordeel luidde dat dit «zorgvuldig en conform de opzet» plaatsvindt. De voorwaarden voor het maken van dergelijke afspraken met de Belastingdienst zijn helder vastgelegd5 . Ook de Europese Commissie heeft een onderzoek ingesteld naar rulings in verschillende lidstaten en concludeerde over de APA-/ATR-praktijk het volgende: «In particular, the Commission notes that The Netherlands seem to generally proceed with a thorough assessment based on comprehensive information required from the tax payer. The Commission therefore does not expect to encounter systematic irregularities in tax rulings.»6 Zowel de Algemene Rekenkamer als de Europese Commissie bevestigt hiermee dat de APA-/ATR-praktijk, zoals vormgegeven in Nederland, een solide en transparante uitvoering van Nederlandse wet- en regelgeving is. Het onderzoek dat de Europese Commissie doet naar een specifieke APA, doet geen afbreuk aan het positieve oordeel over de organisatie van de praktijk in zijn geheel.

Om uw kamer een inzicht te geven in de aard van APA’s en ATR’s die worden afgegeven, volgen hieronder een aantal voorbeelden. In de bijlagen vindt u tevens enkele voorbeeldteksten die worden gebruikt, aangevuld met een overzicht van de aantallen en soorten die zijn afgegeven7. De rechtsvragen waarover vooraf zekerheid wordt gegeven, gaan over toepassing van de Nederlandse fiscale wetgeving en zijn geen specifiek uitvloeisel van de APA-/ATR-praktijk. Vaak wordt verzocht om zekerheid over één of een combinatie van onderstaande rechtsvragen:

Deelnemingsvrijstelling en dividendbelasting

In de deelnemingsvrijstelling zijn anti-misbruik bepalingen opgenomen die de toepassing van de deelnemingsvrijstelling uitsluiten in het geval de dochtermaatschappij geen actieve onderneming drijft en in het land van vestiging niet aan een reële belastingheffing is onderworpen. Een ATR kan de belastingplichtige zekerheid geven dat de anti-misbruik bepalingen in de deelnemingsvrijstelling niet op hem van toepassing zijn. Wanneer zekerheid vooraf wordt gevraagd, moet de moedermaatschappij in Nederland bovendien voldoen aan substance eisen. Vaak wordt een verzoek om de deelnemingsvrijstelling gecombineerd met een verzoek om zekerheid over de dividendbelasting voor het geval de Nederlandse moedermaatschappij haar winst later als dividend wil uitbetalen aan haar moeder in het buitenland. Ook hier zijn anti-misbruik bepalingen opgenomen voor het geval er geen onderneming wordt gedreven.8 Zekerheid vooraf over de inhoudingsplicht voor Nederlandse dividendbelasting kan ook worden gevraagd ten aanzien van Coöperaties. Coöperaties zijn in Nederland doorgaans niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting. In de wet zijn anti-misbruik bepalingen opgenomen die er toe kunnen leiden dat een coöperatie wel inhoudingsplichtig wordt. Om zekerheid te krijgen of een coöperatie niet onder deze anti-misbruik wetgeving valt, kan hierover een ATR verzoek worden gedaan.9

Vaste inrichting en buitenlandse belastingplicht

Niet in Nederland gevestigde vennootschappen kunnen in Nederland buitenlands belastingplichtig worden in verband met bepaalde activiteiten die zij in Nederland verrichten of bepaalde inkomsten die zij uit Nederland ontvangen. De belangrijkste twee bronnen van buitenlandse belastingplicht zijn de aanwezigheid van een vaste inrichting in Nederland en de inkomsten uit een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap.10 Voor het bedrijfsleven is het cruciaal om in een vroeg stadium uitsluitsel te krijgen over de vraag of er een vaste inrichting in Nederland bestaat. Belastingplichtigen vragen vaak zekerheid van het APA-/ATR-team of er een vaste inrichting in Nederland bestaat, of er een vaste inrichting op de BES-eilanden bestaat en, wanneer er een vaste inrichting in Nederland bestaat, of aandelen in een andere vennootschap aan deze vaste inrichting kunnen worden toegerekend. Bij het antwoord op die vragen hanteert het APA-/ATR-team de criteria die in de wet en in het van toepassing zijnde belastingverdrag gelden.

De buitenlandse belastingplicht bij inkomsten uit een aanmerkelijk belang is een anti-misbruik maatregel. In principe worden aandeelhouders alleen daar belast waar ze gevestigd zijn. Echter, wanneer buitenlandse aandeelhouders een aanmerkelijk belang in een Nederlandse vennootschap houden met als voornaamste doel de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan en dit aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming, wordt de (buitenlandse) aandeelhouder in Nederland belast. Bij een verzoek om zekerheid vooraf wordt daarom getest of de buitenlandse aandeelhouder een onderneming drijft en of het ontgaan van belasting het voornaamste doel is.

Kwalificatie van een financiering

In de fiscaliteit worden eigen vermogen en vreemd vermogen verschillend behandeld.

Dividenden (eigen vermogen) kunnen niet worden afgetrokken van de winst van de uitkerende vennootschap en worden onder de deelnemingsvrijstelling niet belast in de winst van de ontvangende vennootschap. Per saldo wordt de winst die leidt tot het dividend één keer belast, en wel bij de uitkerende vennootschap.

Rentelasten (vreemd vermogen) kunnen bij de uitkerende vennootschap worden afgetrokken van de winst maar zijn bij degene die de lening verstrekt belast. Per saldo ontstaat zo een symmetrische behandeling.

Wanneer een belastingplichtige zeker wil weten of de financiering kwalificeert als eigen vermogen of als vreemd vermogen kan hij een ATR vragen, waarbij aan de hand van de criteria uit wet en jurisprudentie zekerheid wordt gegeven over de behandeling als dividend of rente in Nederland. Hierbij kan de Nederlandse vennootschap als ontvangende partij of als betalende partij fungeren.

Kwalificatie van een entiteit

Buiten de rechtsvormen BV en NV bestaan in Nederland verschillende andere rechtspersonen en samenwerkingsverbanden. Ook het buitenland heeft verschillende rechtsvormen. Sommige van deze rechtsvormen zullen naar Nederlands recht als fiscaal transparant worden gekwalificeerd. Als naar Nederlandse maatstaven sprake is van een transparante entiteit, wordt de winst rechtstreeks aan de participanten toegerekend en bij de participanten belast. Om zeker te weten of een rechtsvorm naar Nederlandse maatstaven al dan niet transparant is kan zekerheid vooraf worden gevraagd. De criteria hiervoor zijn vastgelegd in de Nederlandse wet en in het besluit kwalificatie buitenlandse samenwerkingsverbanden11

Beloning voor functies, gelopen risico’s en gebruikte activa

Op basis van het arm’s length beginsel dient elke belastingplichtige in Nederland van verbonden partijen een zakelijke beloning te krijgen voor de uitgeoefende functies, voor gelopen risico’s en voor de gebruikte activa.12 Steeds meer multinationals zijn in de afgelopen decennia van lokaal geïntegreerde organisaties geëvolueerd naar centraal aangestuurde organisaties waarbij functies per land zijn geclusterd en centraal worden aangestuurd. Iedere vennootschap in ieder land heeft een eigen functie binnen de multinational. Voor elk van deze functies zal een zakelijke beloning moeten worden vastgesteld. De hoogte daarvan wordt gebaseerd op de prijs die onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden zouden zijn overeengekomen. Dit principe geldt voor alle activiteiten. Behalve productie kan in Nederland bijvoorbeeld ook een financieringsfunctie zitten of een vennootschap die intellectueel eigendom creëert of bezit. Elke vennootschap in Nederland moet voldoen aan het arm’s length beginsel. Transfer pricing is echter geen exacte wetenschap. Voor belastingplichtige kan het daarom van belang zijn om vooraf zekerheid te krijgen of de interne verrekenprijzen inderdaad voldoen aan het arm’s length beginsel.13

Hiermee geeft een ruling alleen uitsluitsel over bovenstaande fiscale vragen waar anders, zonder een ruling, achteraf een zelfde oordeel van de inspecteur over zou zijn gegeven. Rulings gaan dus nooit over afwijkende tarieven, grondslagvoordelen, fiscale vakanties of andere buitenwettelijke toezeggingen.

Naar een voortrekkersrol van Nederland in uitwisseling van informatie

Zoals gezegd, rulings zijn van belang voor het bedrijfsleven en voor de Belastingdienst en dragen bij aan een gunstig vestigingsklimaat. Het voordeel van een ruling komt niet voort uit een speciaal gunstige fiscale behandeling, maar uit de zekerheid die hij biedt.

Wij moeten ons echter wel bewust zijn dat de Nederlandse Belastingdienst uitsluitend zekerheid vooraf biedt over de uitleg van het Nederlandse recht.

Een ruling van de Nederlandse Belastingdienst heeft geen enkele invloed op de toepassing van het recht van een andere staat. Dit betekent bijvoorbeeld dat, anders dan vaak wordt geschreven, met behulp van een ruling geen winst kan worden verplaatst naar Nederland. De autoriteiten in een andere staat blijven immers volledig competent om op basis van het belastingrecht daar de winst vast te stellen.

Dit betekent bijvoorbeeld ook dat een standpunt van de Nederlandse belastingdienst over de kwalificatie van een vermogensverstrekking evenmin de autoriteiten in de andere staten bindt. Die autoriteiten kunnen tot een andere conclusie komen. Een dergelijke zogenoemde mismatch kan leiden tot uitholling van de wereldwijde belastbare grondslag. Dat is één van de knelpunten waarvoor in het kader van het Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) project van de OESO een oplossing wordt gezocht. Ook in het kader van de Europese Unie worden hiertegen maatregelen genomen zoals de aanpassing van de «Moeder Dochter Richtlijn» in juni 2014. Om het risico op kwalificatieverschillen zoveel mogelijk te voorkomen is een standaard onderdeel van een APA en ATR, dat de belastingplichtige in Nederland verklaart dat hij de autoriteiten in een andere staat een juist en volledig beeld geeft over zijn activiteiten en de fiscale behandeling daarvan in Nederland.

Dergelijke problemen bij internationale belastingheffing zijn dus niet het gevolg van het afgeven van rulings, maar worden veroorzaakt doordat de rechtssystemen van de verschillende landen niet op elkaar zijn afgestemd en dat niet alle landen op de hoogte zijn van alle feiten. Belangrijker en effectiever dan eenzijdige maatregelen van Nederland hiertegen, zijn maatregelen in internationaal verband. In het kader van het BEPS project van OESO, binnen de G20 en binnen de Europese Unie wordt daarom gezocht naar oplossingen voor het uiteenlopen van de systemen. Uitkomsten daarvan worden in het najaar verwacht. Ik zal u daarover blijven informeren.

Een belangrijke bijdrage aan de oplossing kan bestaan uit het delen van relevante informatie tussen Belastingdiensten van verschillende landen. Nederland wil, waar het kan, de ervaring die onze Belastingdienst heeft bij het afgeven van rulings gebruiken om bij de ontwikkeling van effectieve en evenwichtige afspraken daarover een voortrekkersrol te spelen. Op dit moment loopt op dat gebied al een aantal belangrijke initiatieven. Hieronder geef ik u een samengevat overzicht hiervan:

OESO/BEPS: Actiepunt 5 Herleving van het Forum on Harmful Tax Practices

Het Forum on Harmful Tax Practices zet zich in om transparantie te verbeteren bij preferentiële regimes. In het kader hiervan is besloten dat landen spontaan rulings dienen uit te wisselen die zien op preferentiële regimes. Tot dusver zijn innovatieboxen aangemerkt als preferentiële regimes.

OESO/BEPS: Actiepunt 13 Country by Country-rapportage

Onder dit Actiepunt is een template ontwikkeld op basis waarvan multinationals jaarlijks per land gaan rapporteren over hun winsten en belastingafdracht. In dat kader wordt ook gewerkt aan het inzichtelijk maken van APA’s voor andere belastingdiensten.

EU: Modelinstructie voor de spontane uitwisseling van rulings en unilaterale APA’s

Het Committee on Administrative Cooperation for Taxation (CACT) en het EU Joint Transfer Pricing Forum hebben in opdracht van de EU-Gedragscodegroep (Code of Conduct for business taxation) een modelinstructie inzake de spontane uitwisseling van informatie over ATR’s en unilaterale APA’s opgesteld.

EU: Code of Conduct documentatieverplichtingen

In 2006 heeft het EU Joint Transfer Pricing Forum een code of conduct voor transfer pricing documentatie ontwikkeld waarin een documentatieverplichting voor transfer pricing is opgenomen. Multinationals kunnen een master file aanleveren met een lijst van APA’s die lidstaten raken. Nederland heeft deze code of conduct geïmplementeerd in het verrekenprijsbesluit14 .

EU: richtlijnvoorstel voor de automatische uitwisseling van informatie over rulings

In het werkprogramma van de Europese Commissie voor 2015 kondigt de Commissie een richtlijnvoorstel aan met het oog op de verplichte uitwisseling van informatie over grensoverschrijdende rulings. Voorts heb ik begrepen dat de Europese Commissie nadenkt over regels voor de inhoud en de procedure bij het verstrekken van rulings.

Ondanks dat de hiervoor genoemde initiatieven binnen de EU en de OESO op het gebied van transparantie over APA’s en ATR’s nog volop in ontwikkeling zijn, heeft het kabinet in de brief van 1 december 201415 aangekondigd informatie over rulings uit te gaan wisselen met andere landen. Nederland loopt hiermee voorop. De eerste stap is al gezet. Met Duitsland zijn inmiddels concrete afspraken gemaakt over de uitwisseling van informatie over rulings. Binnenkort worden deze afspraken neergelegd in een Memorandum of Understanding. Daarna kan de eerste uitwisseling van start gaan. De uitwisseling van informatie over rulings met Duitsland kan worden gezien als een pilot. De ervaring die met deze pilot wordt opgedaan, kan worden gebruikt voor een effectieve uitwisseling van informatie met andere landen.

Gebrek aan afstemming tussen wettelijke systemen moet met internationaal overleg opgelost worden. Systematische uitwisseling van rulings draagt eraan bij dat in elk geval in alle landen de feiten hetzelfde worden uitgelegd. Uitwisseling van rulings tussen landen zal bovendien naar verwachting alle andere landen blijvend motiveren om bij afspraken vooraf de wet te blijven volgen. Daarmee zal de geur van fiscale douceurtjes voor eeuwig tot het verleden behoren.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes


X Noot
1

Kamerstuk 33 003, nr. 83.

X Noot
2

Er hoeft geen beroep te worden gedaan op de uitzonderingsgrond van artikel 67, derde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel 68 Grondwet kent zijn eigen juridisch kader, daaraan wordt getoetst.

X Noot
3

Besluit DGB 2014/296M (Stcrt. 2014, 15954)

X Noot
4

Kamerstuk 25 087, nr. 78; Algemene Rekenkamer 2014, Belastingontwijking; Een verdiepend onderzoek naar belastingontwijking in relatie tot de fiscale regels en het verdragennetwerk. P.83

X Noot
5

Ik ben mij ervan bewust dat de Tweede Kamer een groot aantal vragen over dit rapport heeft gesteld. Ik verwacht deze vragen op afzienbare tijd te kunnen beantwoorden.

X Noot
6

Europese Commissie persbericht 11 juni 2014.

X Noot
7

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
8

Artikel 4 Wet op de dividendbelasting 1965

X Noot
9

Artikel 1, zevende lid, Wet op de dividendbelasting 1965

X Noot
10

Artikel 17, derde lid, Wet op de Vennootschapsbelasting 1969

X Noot
11

Besluit van 11 december 2009, nr. CPP2009/519M

X Noot
12

Artikel 8b Wet op de vennootschapsbelasting 1969

X Noot
13

Artikel 8b Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 en de OECD Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations

X Noot
14

Besluit IFZ 2013–184M (Stcrt. 2013, 32854), paragraaf 14.

X Noot
15

Kamerstuk 25 087, nr. 80