Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201531015 nr. 112

31 015 Kindermishandeling

Nr. 1121 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juni 2015

Met deze brief informeer ik uw Kamer over de voortgang van de aanpak kinderpornografie en kindersekstoerisme. Hierin treft u aan een beschrijving van de algehele voortgang en de ontwikkelingen over de periode september 2014 tot aan heden.

1. Kinderpornografie

De afgelopen jaren is in overleg met uw Kamer de aanpak van kinderpornografie versterkt. Sinds de herinrichting van de aanpak van kinderpornografie en kindersekstoerisme in 2012, en daarmee de landelijke sturing door het Openbaar Ministerie (OM) vormgegeven door het Landelijk Parket, is de aanpak van kinderpornografie zowel kwalitatief als kwantitatief sterk verbeterd. In toenemende mate richten OM en politie hun pijlen, naast het aanpakken van de downloaders en kijkers, juist ook op de verspreiders en producenten van kinderpornografie. Het doel van deze focusverschuiving is om op deze manier meer slachtoffers uit hun misbruiksituatie te ontzetten. De focusverschuiving krijgt gestalte door een scala aan inspanningen die politie en OM plegen, waarbij verder gerechercheerd wordt naar mogelijke productie of misbruik. Een focusverschuiving omvat derhalve meer dan enkel operationele resultaten.

Prestatieafspraken 2012–2014

Centraal in de aanpak van kinderpornografie staat de focus op productie (misbruik) en het identificeren van slachtoffers. Bij de tot doel gestelde focusverschuiving van de aanpak van downloaders van kinderpornografie naar verspreiders en vervaardigers van kinderpornografie, worden de downloaders niet uit het oog verloren. Ook de downloaders worden nog steeds aangepakt. In 2014 is het identificeren van slachtoffers verder geïntensiveerd met als resultaat dat in 2014 de meeste slachtoffers zijn geïdentificeerd tot nu toe: 423 in 2014 ten opzichte van 130 in 2013 en 239 in 2012.2 Deze focusverschuiving is tevens zichtbaar in een verdere stijging in 2014 van het aantal verspreiding en productiezaken (zie figuur 1). In 2014 was in 30,8% van de zaken die aan het OM zijn aangeleverd sprake van verspreiding. In 14,4% van de zaken was sprake van productie. Daarnaast zijn in 2014 6 kindersekstoerismezaken behandeld, waarvan 3 zaken hebben geleid tot een dossier richting het OM.

Figuur 1: focusverschuiving
 

Verspreiding

Productie

Misbruik

2012 (N=480 zaken)

11,3%

 7,9%

15,6%

2013 (N=518 zaken)

20,7%

12,9%

12,4%

2014 (N=542 zaken)

30,8%

14,4%

11,4%

Op basis van politiegegevens

In 2013 en vooral in 2014 is een aantal zeer moeilijke en arbeidsintensieve (internationale) onderzoeken gestart, dat zich richt op verdachten waar de politie tot dan toe nauwelijks zicht op had en die buiten het bereik van het OM bleven. Het gaat hierbij om personen die zich met veel zorg afschermen en die moeilijk te identificeren zijn. Dit zijn bij uitstek de subjecten die in de donkere wereld van kinderpornografie een rol van betekenis spelen. De inzet van politie en OM op dit soort onderzoeken sluit goed aan bij de eerder genoemde tot doel gestelde focusverschuiving.

In 2014 heeft de politie 560 verdachten aangeleverd bij het OM (zie figuur 2). Daarvan waren er begin dit jaar 516 als zodanig herkenbaar in de OM-systemen.3

Figuur 2: kwantitatieve prestatieafspraken politie en OM 2012–2014
 

Streven

Gehaald

2010

n.v.t.

475

2012

511 (+7,5%)

522 (+9,9%)

2013

546 (+15%)

568 (+19,6%)

2014

594 (+25%)

560 (+17,9%)

Op basis van politiegegevens

De kwantitatieve doelstelling van 594 door de politie bij het OM aan te leveren verdachten (+25% ten opzichte van 2010) is niet gerealiseerd. Desondanks ben ik tevreden met de behaalde resultaten. Vooral gelet op de inzet van de politie en het OM in de zeer moeilijke en arbeidsintensieve (internationale) onderzoeken en de behaalde resultaten in het kader van de kwalitatieve afspraken. Zo zijn in 2014 de meeste slachtoffers geïdentificeerd tot nu toe en is er een verdere stijging geweest in de aanpak van zaken waarin verspreiding en productie van kinderpornografie centraal staat. Tevens is er, ter uitvoering van het meerjarige plan van aanpak kindersekstoerisme, door de politie en het OM meer dan voorheen geïnvesteerd in de bestrijding van kindersekstoerisme.4

Prestatieafspraken 2015–2018

Op 16 september 2014 is uw Kamer geïnformeerd over de door de regioburgemeesters, het college van procureurs-generaal en de Minister van Veiligheid en Justitie opgestelde Veiligheidsagenda 2015–2018.5 De prestatieafspraken 2015–2018 maken onderdeel uit van deze veiligheidsagenda. De Veiligheidsagenda heeft als doel de integrale samenwerking bij de aanpak van criminaliteit en onveiligheid verder te ontwikkelen. De bestrijding van kinderpornografie maakt onderdeel uit van deze veiligheidsagenda. Hierin is opgenomen dat in de dienaangaande aanpak de bestaande focus op slachtoffers en op vervaardigers en verspreiders verder wordt uitgebreid. Het maatschappelijk effect bij de bestrijding van kinderpornografie komt (in toenemende mate) centraal te staan. Hierin wordt nadrukkelijk de focus gelegd op het ontzetten van slachtoffers uit hun acute misbruiksituatie, waarbij elk signaal van actueel misbruik wordt opgepakt. In de dadergerichte aanpak komt de nadruk meer te liggen op de aanpak van recidivisten, daders opererend in besloten netwerken en daders in risicovolle beroepen en posities. Dit betekent in toenemende mate een focus op het type dan wel de zwaarte van de zaak (kwaliteit) versus het aantal zaken (kwantiteit), waarbij de aanpak van downloadzaken nadrukkelijk niet uit het oog zal worden verloren. De interventies zullen bestaan uit maatwerk, passend bij het delict.

Dit leidt voor de politie tot de beleidsdoelstelling dat meer onderzoeken worden gedraaid die gericht zijn op de aanpak van kindermisbruik, productie van kinderpornografie en kindersekstoerisme. Deze complexe zaken betreffen proactieve en reguliere onderzoeken naar daadwerkelijk misbruik en zijn omvangrijk en derhalve arbeidsintensief. Om hiervoor voldoende opsporings- en vervolgingscapaciteit vrij te maken wordt aan de voorkant, op basis van meldingen/aangiftes en kortstondig onderzoek bij zogenaamde eenvoudige zaken, meer gebruik gemaakt van het voorwaardelijk sepot (bijvoorbeeld verplichte therapie en reclasseringstoezicht) en van alternatieve interventies (waarschuwing, hulpverlening, etc.).

Zoals opgenomen in de Veiligheidsagenda 2015–2018 ziet de doelstelling met ingang van 2015 op het aantal interventies. In de Veiligheidsagenda is eveneens opgenomen dat interventies bestaan uit proactieve, grootschalige en eenvoudige onderzoeken en alternatieve interventies.6 Daarbij is de doelstelling in 2015 het realiseren van 600 interventies en zal deze geleidelijk stijgen naar 700 interventies in 2018. Dit betekent echter niet dat het aantal bij het OM aan te leveren verdachten uit het oog wordt verloren. Het aantal slachtoffers en verdachten kan per interventie variëren. Door het aantal interventies als doelstelling te nemen, kan met de huidige opsporingscapaciteit meer de focus gelegd worden op de zwaardere zaken met als inzet dat verdachten in dergelijke zaken ook bij het OM aangeleverd worden. Het aanleveren van verdachten bij het OM heeft derhalve nog steeds prioriteit.

Gemiddelde duur opgelegde vrijheidsstraf in kinderpornografiezaken

Tijdens het AO van 20 maart 2014 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer toegezegd om in de daarop volgende voortgangsrapportage in te gaan op de gemiddelde duur van vrijheidsstraffen die zijn opgelegd in kinderpornografiezaken (Kamerstuk 31 015, nr. 102). Ten tijde van de voorbereiding van de voortgangsrapportage van 4 september 2014 was deze informatie nog niet beschikbaar.7 Inmiddels is van het OM een overzicht hiervan ontvangen betreffende het jaar 2013. In 2013 is in 135 kinderpornografiezaken een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd. De tabel in figuur 4 geeft een overzicht van de duur van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde vrijheidsstraf en hoe vaak deze is opgelegd. De duur van de vrijheidsstraffen varieert van een enkele dag tot meer dan 10 jaar. Dit hangt sterk samen met de context en aard van het delict.

Figuur 4: aantal keer opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf

Figuur 4: aantal keer opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf

Nationaal Programma Zeden, Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (NPZKK)

Het Nationaal Programma ter bestrijding van Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (NPKK) van de politie liep 31 december 2014 af. Binnen de portefeuille Zeden, Kinderpornografie en Kindersekstoerisme is de komende jaren sprake van een fors aantal uitdagingen. De aanpak van kinderpornografie is één van de vijf prioriteiten van de zojuist genoemde Veiligheidsagenda 2015–2018. Binnen het zedenveld is sprake van een aantal vraagstukken dat in politiek/maatschappelijk opzicht volop in de belangstelling staat. Voorbeelden hiervan zijn sexting, de multidisciplinaire aanpak van seksueel geweld tegen kinderen en de effecten van de Wet Langdurig Toezicht. Een geïntegreerde aanpak van zeden en kinderpornografie is noodzakelijk omdat de ontwikkelingen op het terrein van zeden en kinderpornografie onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Een kinderpornografische afbeelding is immers in feite niets anders dan een digitale vastlegging van seksueel misbruik van een minderjarige.

Om de aanpak van kinderpornografie en kindersekstoerisme verder door te ontwikkelen zal het programma worden voortgezet en gelijktijdig worden verbreed met de aanpak van zeden. Met ingang van 1 januari 2015 is dan ook het nieuwe Nationaal Programma Zeden, Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (NPZKK) van start gegaan, waarbij politie en OM wederom samenwerken. De looptijd van het NPZKK is gekoppeld aan de duur van de nieuwe Veiligheidsagenda 2015–2018. In deze periode zal de verbinding van de aanpak van zeden met de aanpak van kinderpornografie en kindersekstoerisme worden vormgegeven.

Onderzoek naar herziening zedentitel in het Wetboek van Strafrecht

Het onderzoek naar titel XIV (misdrijven tegen de zeden) van het Wetboek van Strafrecht waarover mijn ambtsvoorganger uw Kamer tijdens het AO van 20 maart 2014 heeft geïnformeerd, loopt nog. Hierin wordt onderzocht wat in de literatuur, parlementaire stukken, rechtspraak en rechtspraktijk wordt aangegeven over een algemene herziening van titel XIV. De bedoeling van het onderzoek is om een wetenschappelijke onderbouwing te geven voor het al dan niet herzien van titel XIV van het Wetboek van Strafrecht. Ik verwacht dat ik uw Kamer voor het einde van het jaar kan informeren over mijn waardering van het onderzoek en de vervolgstappen die ik zal nemen.

Internationaal

Internationale samenwerking

Vanwege het met het internet samenhangende grenzeloze karakter van het produceren, verspreiden en downloaden of real time en op afstand bekijken van afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen, is het noodzakelijk bij de aanpak hiervan intensief samen te werken op internationaal niveau. Nederland heeft een dergelijke internationale samenwerking vanaf het begin actief ondersteund, door deelname aan onder andere de European Financial Coalition Against Child Sexual Abuse Online (European Financial Coalition) en de Global Alliance Coalition Against Child Sexual Abuse Online (Global Alliance). De Nederlandse politie is inmiddels ook lid van de Virtual Global Taskforce (VGT).

Verenigde Staten

Van 29 september tot en met 1 oktober 2014 heeft mijn ambtsvoorganger een bezoek gebracht aan de Verenigde Staten en deelgenomen aan de tweede ministeriële conferentie van de Global Alliance. Die conferentie was gericht op het politiek op de agenda zetten van de verdere aanpak van het probleem van seksueel misbruik van kinderen online in de komende jaren. Mijn ambtsvoorganger heeft in een statement naar voren gebracht dat de doelen8 van de alliantie uit 2012 nog steeds gelden, dat op alle onderdelen grote vooruitgang is geboekt, dat de gezamenlijke inspanningen moeten worden doorgezet en dat de inspanningen moeten worden uitgebreid met het oog op het bestrijden van kindersekstoerisme door de live streaming van webcambeelden. Mijn ambtsvoorganger heeft aangegeven dat Nederland zich actief wil blijven inzetten en heeft de verklaring die oproept tot verdere intensivering van een gezamenlijke aanpak volledig onderschreven.

Verenigd Koninkrijk

Premier Cameron van het Verenigd Koninkrijk heeft in december 2014 geprobeerd deze verklaring nog verder te concretiseren, vooral wat betreft het identificeren van slachtoffers en het vergroten van barrières om kinderpornografische afbeeldingen op internet te plaatsen en dergelijke plaatsingen verder te bestrijden. Aan deze Engelse conferentie heeft het ministerie op ambtelijk niveau deelgenomen. De daar aangenomen verklaringen omtrent gemeenschappelijke inzet van rechtshandhavingsdiensten, is door Nederland ondersteund en kon al concreet vorm gegeven worden door de hiervoor weergegeven uitvoering van de motie van het lid Berndsen-Jansen (D66).

Uitvoering motie Berndsen-Jansen (D66)

Tijdens de begrotingsbehandeling van Veiligheid en Justitie op 27 november 20149 is een motie van het lid Berndsen-Jansen (D66) aangenomen, waarin wordt verzocht in de strijd tegen kinderpornografie en kindersekstoerisme een financiële bijdrage aan Interpol te leveren voor de volgende projecten:

  • analyse en ontwikkeling van training en opleiding op het gebied van slachtoffer identificatie;

  • ontwikkeling van training en opleiding tegen transnationaal kindermisbruik;

  • ontwikkeling van een Internationale Verklaring Omtrent het Gedrag;

  • ontwikkeling van een campagne voor het gebruik van internationale allertering van misbruikers.

Bij brief van 18 december 2014 is uw Kamer geïnformeerd dat ter uitvoering van deze motie een eenmalige financiële bijdrage van € 2 miljoen aan de begroting van de Nationale Politie 2014 is toegevoegd.10 Aan de politie is gevraagd om samen met Interpol invulling te geven aan deze projecten en hierbij rekening te houden met lopende (internationale) trajecten op het terrein van kinderpornografie en kindersekstoerisme.

De politie heeft samen met Interpol en met betrokkenheid van Europol een plan van aanpak opgesteld ter invulling van de € 2 miljoen aan de genoemde projecten. Interpol is verantwoordelijk voor de uitvoering van de projecten en activiteiten. De Nederlandse politie zal de betaling verdelen over 3 jaren.

2. Kindersekstoerisme

Plan van aanpak kindersekstoerisme

In het meerjarige plan van aanpak kindersekstoerisme van 9 oktober 2013 zijn onder drie actielijnen (preventie, strafrechtelijke aanpak en samenwerking nationaal en internationaal) verschillende maatregelen opgenomen om de aanpak van kindersekstoerisme in de komende jaren te intensiveren.11 Sindsdien wordt door mijn departement, politie en OM veel geïnvesteerd in de realisatie van deze maatregelen. Hieronder is de belangrijkste voortgang op al deze maatregelen opgenomen. Verder zal het plan van aanpak kindersekstoerisme in de zomer van dit jaar samen met politie en OM in zijn geheel bezien worden op mogelijkheden voor inhoudelijke aanscherping en concretisering. Dit met het doel om het plan van aanpak in kwalitatieve zin een impuls te geven.

Preventie

SOMEC-Project

Het SOMEC (Serious Offending by Mobile European Criminals) project heeft tot doel het bevorderen dat Europese lidstaten proactief informatie uitwisselen over een selecte groep daders van ernstige zeden- en geweldsdelicten die zich, na het uitzitten van hun straf, wederrechtelijk aan het toezicht kunnen onttrekken door zich naar een andere lidstaat te begeven.

Zoals in de voortgangsrapportage van 4 september 2014 is aangegeven heeft op 5, 6 en 7 november 2014 in Den Haag de internationale slotconferentie van het SOMEC project plaatsgevonden. Daar zijn de aanbevelingen vastgesteld en vervolgens aangeboden aan de Europese Commissie. De aanbevelingen richten zich op het beter gebruik maken van bestaande mechanismen om informatie te delen tussen de lidstaten en het verbeteren van toezicht op, en de begeleiding van deze selecte dadergroep. Mede afhankelijk van de reactie van de Europese Commissie op de aanbevelingen om het risico op slachtofferschap in de toekomst te beperken, zullen het Verenigd Koninkrijk en Nederland bezien welke mogelijkheden er zijn om tot gezamenlijke maatregelen te komen.

Weigeren/vervallen verklaren paspoort

In de voortgangsrapportage van 4 september 2014 is opgenomen dat het OM is gevraagd om in lopende zaken aangaande pedoseksuelen met hoog recidiverisico te bezien welke mogelijkheden er zijn om een locatiegebod of locatieverbod als bijzondere voorwaarde op te nemen in de strafeis, waarbij het weigeren of vervallen verklaren van het paspoort in die zaken als extra bekrachtiging van het locatieverbod of locatiegebod zou kunnen worden ingezet. Het OM heeft laten weten dat zij de mogelijkheden hiervoor in de bij hun in behandeling zijnde kindersekstoerismezaken zullen bezien.

Daarnaast wordt binnen mijn departement momenteel een beleidsvisie uitgewerkt over het weigeren en vervallen verklaren van het paspoort aan/van veroordeelde zedendelinquenten met een hoog recidiverisico ten behoeve van de handhaving van het reisverbod. Het reisverbod vormt onderdeel van het wetsvoorstel Langdurig Toezicht, Gedragsbeïnvloeding en Vrijheidsbeperking en het «weigeren en vervallen verklaren van het paspoort» kan als handhaving van dit reisverbod ingezet worden. Onderhavig wetsvoorstel ligt op dit moment in de Eerste Kamer.

Campagne tegen kindersekstoerisme

In het plan van aanpak kindersekstoerisme is opgenomen dat in 2014 mogelijkheden worden verkend voor de aansluiting bij de Europese campagne tegen kindersekstoerisme onder de slogan «Don’t Look Away». Deze campagne is in 2010 door de overheden van de Duitstalige landen (Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland) in samenwerking met de NGO ECPAT, de reisbranche en Interpol ontwikkeld.

De verkenning in 2014 heeft er toe geleid dat Nederland op 23 maart 2015, tijdens een door de Oostenrijkse autoriteiten in Wenen georganiseerde «Don’t Look Away» conferentie, de aansluiting bij de Europese campagne formeel heeft bevestigd. Ter uitvoering daarvan is op 26 maart 2015 op Schiphol de nieuwe campagne tegen kindersekstoerisme onder de slogan «Don’t Look Away» van start gegaan. Met deze nieuwe campagne, die de voorgaande nationale campagne tegen kindersekstoerisme vervangt, wordt bijgedragen aan het creëren van internationale draagvlak voor het melden van kindersekstoerisme.

Na de start van de Europese campagne in 2010 door de drie Duitstalige landen zijn inmiddels naast Nederland ook Frankrijk, Luxemburg en Polen hierbij aangesloten. In de komende jaren zullen samen met de andere deelnemende landen ook gezamenlijke campagne activiteiten worden uitgevoerd.

Opsporing en vervolging

Verbetering informatiepositie

Ten behoeve van een verbetering van de informatiepositie en een betere centrale sturing op de aanpak van kindersekstoerisme door de politie eenheden, is een handboek kindersekstoerisme ontwikkeld. Het handboek beschrijft de wijze waarop met kindersekstoerisme informatie en onderzoeken omgegaan dient te worden voor een maximaal resultaat. Internationale rechtshulpverzoeken, relevante wetteksten en casuïstiek maken deel uit van dit handboek. Daarnaast is in dit handboek een checklist opgenomen.

Inzet liaisons en de strategische politiefunctionaris

Er zijn in 2014 twee (operationele) liaison officers (LO’s) aangesteld die zich toeleggen op bestrijding van kindersekstoerisme in de gebieden Azië en Zuid-Amerika (Brazilië) voor een periode van respectievelijk twee en één jaar. Daarnaast is in 2014 een politieadviseur aangesteld voor één jaar voor internationale advisering op strategisch niveau. Deze adviseur brengt de bevindingen van de operationele LO’s in kaart en onderzoekt kansen en mogelijkheden op het gebied van bestrijding van kindersekstoerisme en verdere internationale samenwerking. In 2014 stonden het opzetten van een eigen (internationaal) netwerk en het verkennen van de lokale aanpak centraal. De operationele kindersekstoerisme (LO’s) hebben in verschillende zaken assistentie verleend aan hun collega’s van buitenlandse politieorganisaties waardoor verdachten konden worden aangehouden dan wel waardoor het opsporingsonderzoek anderszins verder geholpen werd. In de Filipijnen heeft de LO en de teams bestrijding Zeden, Kinderporno en Kindersekstoerisme (TBZKK’s) van de Nationale Politie een cruciale rol gespeeld in de opsporing en aanhouding van een zeer gewelddadige Australiër naar aanleiding van gevonden materiaal in Nederland. Het daadwerkelijke onderzoek is uitgevoerd door de Filipijnen. In dit onderzoek hebben de LO en medewerkers van de TBZKK’s intensieve ondersteuning verleend in nauwe samenwerking met de Filipijnen en de Australische Federale Politie (tevens VGT-lid). Uiteraard hebben de investeringen in het versterken van de internationale samenwerking tevens geleid tot dit mooie resultaat. Op basis van deze ervaringen wordt thans geëvalueerd en beoordeeld of en op welke wijze deze aanpak gecontinueerd kan worden. In de eerstvolgende voortgangsrapportage zal ik hier verder op in gaan.

Samenwerking nationaal en internationaal

Samenwerking met NGO’s

In 2013 is door politie en het OM in projectverband onderzocht of er juridisch gezien mogelijkheden zijn om voor, tijdens of na de opsporing van kindersekstoeristen samen te werken met NGO’s. Dit heeft in 2014 geleid tot een samenwerkingspilot tussen politie en NGO’s met als pilotlanden de Filipijnen en Thailand. Het doel van de pilot was om de strafrechtelijke aanpak van kindersekstoerisme te versterken door bij het opsporingsonderzoek ook informatie van NGO’s te betrekken. De werkwijze ziet erop dat informatie uit een melding door de politie wordt gedeeld met de pilotpartners ten behoeve van verificatie en duiding van de melding of verdenking. De rol van de NGO’s is gericht op het geven van inzicht in omgevings- en locatiefactoren en algemene informatie die niet opsporingsgericht is. Deze werkwijze is inmiddels geborgd in het reguliere proces. Dat betekent dat concreet dat bij iedere melding die de politie binnenkrijgt wordt afgewogen of informatie uit de melding kan worden geverifieerd bij de NGO’s en of zij aanvullende informatie zouden kunnen leveren. Andersom weten de NGO’s waar zij met hun meldingen en signalen terechtkunnen. Het gaat erom dat men elkaar weet te vinden als dat nodig is en in voorkomende gevallen elkaar kunnen versterken en ondersteunen. De samenwerking is dus praktisch ingestoken en incidentgericht.

Strafrechtelijke samenwerking met bronlanden van kindersekstoerisme

Op 25 maart jongstleden hebben Nederland en de Filipijnen een Memorandum of Understanding (MoU) ondertekend. Hierin zijn afspraken neergelegd die zien op strafrechtelijke samenwerking en informatie uitwisseling op het gebied van zowel kindersekstoerisme als mensenhandel.

Zoals in de voortgangsrapportage van 4 september 2014 is vermeld, maken best practices van strafrechtelijke samenwerking tussen andere landen met bronlanden onderdeel uit van het advies dat de strategische politiefunctionaris binnenkort zal uitbrengen. Op basis hiervan zullen de mogelijkheden van intensivering van strafrechtelijke samenwerking met ook andere bronlanden verder worden verkend.

Actieve participatie binnen internationale organisaties en bijeenkomsten

Zowel de extra liaisons en de strategische functionaris als het Nationaal Programma Zeden, Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (NPZKK) zetten hun actieve deelname aan diverse expertmeetings voort. Dit betreft onder andere meetings van Interpol, Europol en de Virtual Global Taskforce (VGT), als ook internationale conferenties op dit vlak. In november 2014 vond in de Amsterdamse Beurs van Berlage de zesde editie van de internationale VGT-conferentie plaats. Nederland organiseerde als gastland deze internationale conferentie «Kindersekstoerisme; Bescherm kinderen voorbij de landsgrenzen».

Project ECPAT/Defence for Children

In de vorige voortgangsrapportage is vermeld dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken een project van ECPAT/Defence for Children financiert voor € 2 miljoen voor de periode van 1 april 2014 tot 1 juli 2015.12 Dit project richt zich op het bestrijden van geweld tegen kinderen, met een nadruk op seksuele uitbuiting van kinderen en kindersekstoerisme in een dertigtal landen. De financiering voor dit project is inmiddels, als gevolg van een amendement op de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, uitgebreid naar € 5 miljoen voor de periode van 1 april 2014 tot 1 juli 2016.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Het eerder onder dit kamerstuknummer verschenen Kamerstuk is gepubliceerd onder Kamerstuk 28 345/31 015, nr. 135

X Noot
2

In 2014 zijn er in totaal 329 slachtoffers door de inzet van kinderpornografiecapaciteit geïdentificeerd. In totaal zijn er in 2014 door een gecombineerde inzet van zeden en kinderpornografie 423 slachtoffers geïdentificeerd.

X Noot
3

Dit heeft te maken met de verschillende manieren van inschrijven van zaken door het OM en de politie. Soms worden dossiers die door de politie in december naar het OM worden gestuurd, door het OM in januari ingeschreven. Ook kan het voorkomen dat een dossier uitstroomt bij de politie en deze ter nader onderzoek wordt overdragen aan een (ander) zedenteam, waardoor het dossier pas later instroomt bij het OM.

X Noot
4

Kamerstuk 31 015, nr. 93.

X Noot
5

Kamerstuk 28 684, nr. 412.

X Noot
6

Proactieve opsporingsonderzoeken: achterhalen van verdachten die niet in beeld komen via reguliere meldingen; inzet nieuwe tools en methodieken.

Reguliere opsporingsonderzoeken: volledig opsporingsonderzoek nodig vanwege relevante hoeveelheid of ernstiger vormen van strafbaar materiaal, recidive, gevoelig beroep e.d.

Eenvoudige onderzoeken: m.n. gericht op inzet voorwaardelijk sepot (behandeltraject en reclasseringstoezicht).

Alternatieve interventies: gericht op meldingen (uit buitenland) met zwakke/geen verdenking; waarschuwing.

X Noot
7

Kamerstuk 31 015, nr. 104.

X Noot
8

Doelen zijn: identificeren van slachtoffers; vergroten van het aantal onderzoeken naar verdachten van seksueel misbruik van kinderen; bewustwording van kinderen en volwassenen vergroten waar het betreft mogelijke risico’s van communicatie via internet; en, het verminderen van het aantal afbeeldingen van seksueel misbruik dat online beschikbaar is.

X Noot
9

Kamerstuk 29 628, nr. 494.

X Noot
10

Kamerstuk 29 628, nr. 500.

X Noot
11

Kamerstuk 31 015, nr. 93.

X Noot
12

In de voortgangsrapportage kinderpornografie en kindersekstoerisme van 4 september 2014 is abusievelijk vermeld dat dit een project van ECPAT en Terre des Hommes betrof. Dat moet zijn ECPAT en Defence for Children.