Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 juni 2012
In het Algemeen Overleg met de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu op 27 maart
2012 is gesproken over het bijmengen van stookolie.
Het lid Van Veldhoven (D66) heeft mij gevraagd de Kamer te informeren over de handhaving
van de aanpak van het bijmengen van chemische stoffen in stookolie (Kamerstuk 30 872, nr. 105).
Bij de regeling van werkzaamheden op 27 maart 2012 heeft het lid Jansen (SP) (Handelingen
II 2011/12, nr. 68, item 9, blz. 17–20) aan de minister van Veiligheid en Justitie en aan mij gevraagd
om in een brief aan uw Kamer te reageren op de constatering van het KLPD dat het bestrijden
van het illegaal bijmengen van chemisch afval in scheepsbrandstoffen buitengewoon
lastig is vanwege tekortkomingen in de wetgeving.
Hieronder ga ik, mede namens de minister van Veiligheid en Justitie, in op deze vragen.
In de komende jaren zullen in internationaal verband strengere zwavelnormen voor scheepsbrandstoffen
van kracht worden. Deze leiden in de praktijk tot toepassing van gedistilleerde brandstoffen,
die veel schoner zijn dan de thans toegepaste stookolie en waarbij minder gemakkelijk
onopgemerkt gevaarlijke afvalstoffen kunnen worden bijgemengd.
Reeds heb ik toegezegd dat ik het opportuun acht om in internationaal gremia, met
name in de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), mij in te spannen om op termijn
de aanbevelingen van CE Delft gedaan in het rapport «Blends in Beeld», indien relevant
voor de internationale regelgeving, zo veel mogelijk te implementeren.
Zoals reeds in mijn brief van 9 november 2011 is aangekondigd (Kamerstuk 30 872, nr. 80), ben ik met de betrokken partijen in gesprek over aanpassingen van enkele minimumstandaarden,
zodat nuttige toepassing van bepaalde oliefracties als brandstof alleen is toegestaan
binnen inrichtingen waarin toereikende emissiebeperkende maatregelen zijn getroffen.
Dat betekent dat verwerken van die oliefracties tot brandstoffen voor motoren van
voer- en vaartuigen niet is toegestaan. In deze brief heb ik ook vermeld wat er naar
aanleiding van het onderzoek van CE Delft naar de keten van bunkerolie in Nederland,
in internationaal verband aan acties is ingezet om ondermeer de monstername in deze
keten te intensiveren en te verbeteren.
Versterkte aanpak van milieucriminaliteit is één van de landelijke prioriteiten van
de politie. In dat kader zijn in maart 2012, onder regie van het KLPD met medewerking
van de ILT, weer controles uitgevoerd bij de Kreekraksluizen. Via de economische delicten
probeert het KLPD voldoende aangrijpingspunten te vinden. Het huidige instrumentarium
is echter onvoldoende. Het KLPD geeft aan behoefte te hebben aan een zogenaamde black
list van stoffen die niet in stookolie mogen voorkomen, gekoppeld aan normen voor
maximaal toelaatbare gehaltes aan schadelijke componenten.
Vanaf 2011 kent ook de ILT prioriteit toe aan een integrale ketenbenadering van risicovolle
afvalketens. De bunkerolieketen is één van deze ketens.
In het kader van deze ketenaanpak verricht de ILT in 2012 controles, naast de reguliere
controles naar zwavelgehalte, bij bedrijven die in de keten werkzaam zijn.
In dit kader heeft de ILT het RIVM opdracht gegeven om een analysestrategie op te
stellen om aanwijzigen te krijgen van ongewenste bijmengingen in scheepsbrandstoffen.
Het RIVM heeft een rapport uitgebracht wat een hulpmiddel is om bijmenging aan te
tonen. Het rapport maakt inzichtelijk welke stoffen er niet boven een bepaalde concentratie
in bunkerolie thuis horen. Ten slotte bevat het rapport een analysestrategie in twee
fasen, waarbij de eerste fase gericht is op het screenen of kritische stoffen aanwezig
zijn en in fase 2 wordt dan het precieze gehalte en identiteit van de stof vastgesteld.
Hiermee kan zo efficiënt en effectief mogelijk de samenstelling van scheepsbrandstoffen
bepaald worden.
De komende maanden zal ik in overleg met de ILT, het ministerie van Veiligheid en
Justitie en het KLPD bekijken hoe het rapport van het RIVM kan bijdragen aan de verbetering
van het instrumentarium voor de handhaving tegen illegale bijmenging van afval in
stookolie en opsporing van gelieerde (zware) milieucriminaliteit. Onderzocht wordt
of een black list van stoffen, gekoppeld aan normen voor maximaal toelaatbare gehaltes
aan gevaarlijke componenten kan worden opgesteld.
Het is overigens van belang om te vermelden dat het niet wenselijk en haalbaar is
om als Nederland zelfstandig aanvullende eisen op te stellen, gelet op het internationale
karakter van de bunkeroliemarkt en de mogelijke economische consequenties voor de
Nederlandse bunkeroliemarkt. Alle stappen die gezet worden, moeten in internationaal
verband worden gedaan en dat vraagt om veel tijd en om strategisch handelen. Om die
reden ben ik ook positief over de vraag van Christen Unie Europarlementariër Van Dalen
aan de Europese Commissie om actie te ondernemen om het bijmengen van schadelijke
afvalstoffen in scheepsbrandstof te stoppen. Deze kwestie moet op internationaal niveau
en bij voorkeur binnen de IMO aangepakt worden.
De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
J. J. Atsma