Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | 30573 nr. G |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | 30573 nr. G |
Vastgesteld 20 oktober 2023
De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad1 van de Eerste Kamer der Staten-Generaal hebben kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 19 april 20232, waarin de Staatssecretaris nadere vragen beantwoordt die zijn gesteld naar aanleiding van de aanbieding van de Staat van Migratie 2022.
Naar aanleiding hiervan is op 7 juni 2023 een brief gestuurd aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid met een aantal nadere vragen van de leden van de fractie van de PVV.
De Staatssecretaris heeft op 17 oktober 2023 gereageerd.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde nader schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad, De Man
BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL / JBZ-RAAD
Aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Den Haag, 7 juni 2023
De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad van de Eerste Kamer der Staten-Generaal hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 19 april 20233, waarin u nadere vragen beantwoordt die zijn gesteld naar aanleiding van de aanbieding van de Staat van Migratie 2022. Naar aanleiding hiervan leggen de leden van de fractie van de PVV graag nog de volgende nadere vragen voor.
De leden van de fractie van de PVV constateren dat de regering, gevraagd naar de afspraken van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) met private partijen, aangeeft hierover geen informatie aan de leden van de Eerste Kamer te kunnen verstrekken omdat het COA als zelfstandig bestuursorgaan (zbo) verantwoordelijk is voor het zorgen voor opvang en het maken van afspraken met partijen die hiertoe locaties aanbieden.4
Kan de regering aangeven hoe deze redenatie zich verhoudt tot artikel 14 lid 1 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA) waarin het volgende is bepaald:
«Onze Minister en het bestuur verstrekken elkaar tijdig alle voor de uitoefening van hun taken benodigde inlichtingen.» 5
Kan de regering aangeven of door het parlement aan de Staatssecretaris gevraagde inlichtingen ― in verband met hun controlerende taak en mede gelet op artikel 68 van de Grondwet ― in dit kader onder zulke «benodigde inlichtingen» vallen? Kan de regering tevens aangeven in hoeverre zij zelf op de hoogte is van de door het COA met private partijen zoals horecaketen Van der Valk gemaakte afspraken en gesloten contracten? Kan de regering aangeven in hoeverre het door haar gevoerde beleid mede wordt afgestemd op basis van zulke afspraken en contracten tussen het COA en private partijen?
De leden van de PVV-fractie verwijzen naar artikel 17 lid 2 van de Wet COA waarin het volgende is bepaald:
«Indien door bijzondere omstandigheden voor het COA kosten ontstaan die niet zijn voorzien bij de indiening van de begroting wordt ter zake van die kosten een aanvullend activiteitenplan en een aanvullende begroting ingediend. Ook het aanvullend activiteitenplan en de aanvullende begroting behoeven de instemming van Onze Minister.»
Kan de regering aangeven of deze bepaling recent is toegepast en, indien dat het geval is, in hoeverre door het COA gesloten contracten met private partijen hier betrekking op hebben?
De leden van de fractie van de PVV wijzen erop dat in de kabinetsreactie op het rapport «Verbinding Verbroken?» van de Onderzoekscommissie Privatisering / Verzelfstandiging Overheidsdiensten van de Kamer van 23 november 20126 al naar voren kwam dat sprake is van een «gebrek aan democratische controle op deze organisaties (de ministeriële verantwoordelijkheid is immers niet volledig)»7 en er mede daarom zeer terughoudend wordt omgegaan met het instellen van nieuwe zbo’s. Kan de regering aangeven waarom zij de bestaande positie van het COA als zbo als een extra drempel opwerpt voor democratische controle, terwijl al zeker tien jaar voor de regering duidelijk is dat dit gebrek aan democratische controle juist een tekortkoming is in ons stelsel?
De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat hoogleraar bestuurskunde prof. dr. Yesilkagit aan de Universiteit Leiden in zijn in mei 2021 verschenen essay «Zelfstandige bestuursorganen en de ministeriële verantwoordelijkheid opnieuw bezien. Een pleidooi voor een herstel van het primaat van het parlement»8 er reeds voor heeft gepleit dat herstel van het primaat van het parlement bij de controle op zbo’s het uitgangspunt zou moeten zijn. Kan de regering ― gelet op deze aanbeveling ― aangeven of hieraan op dit moment al deels uitvoering kan worden gegeven door parlementsleden in ieder geval te voorzien van gevraagde inlichtingen ten aanzien van een zbo als het COA? Kan de regering tevens aangeven hoe het niet verstrekken van deze informatie zich verhoudt tot de uitgangspunten van de Wet open overheid?
De leden van de fractie van de PVV wijzen op de onlangs in het Financieel Dagblad verschenen uitvoerige publicatie «Asielopvang als verdienmodel»9 over de commerciële belangen van private partijen bij de opvang van asielzoekers en het verdienmodel dat hieruit ontstaat door de druk en de beperkte onderhandelingsruimte voor het COA. Kan de regering aangeven of zij kennis heeft genomen van deze publicatie? Kan de regering aangeven of ― gelet op de hierin beschreven zaken ― parlementaire controle op de overeenkomsten tussen het COA en private partijen juist essentieel is en gevraagde informatie dan ook alsnog aan leden van het parlement verstrekt zou moeten worden?
Deze leden wijzen daarbij op een op 23 februari jl.10 in het dagblad Trouw gepubliceerd artikel over de omstandigheden van een door Van der Valk bedreven opvang van asielzoekers in de gemeente ’s-Hertogenbosch waarin het volgende wordt geconstateerd:
«De barre situatie op de locatie is al sinds het najaar gaande en bekend bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Coa) en Van der Valk. Het Coa heeft met de hotelketen voor meerdere locaties in het land één overeenkomst voor de noodopvang van asielzoekers.»
Kan de regering aangeven of het klopt dat het COA voor meerdere locaties in Nederland één overeenkomst heeft met horecaketen Van der Valk over de noodopvang van asielzoekers? Kan de regering aangeven in hoeverre zij kennis heeft van de inhoud van deze overeenkomst? Kan de regering tevens aangeven hoe zij de uitvoering van deze overeenkomst ziet in relatie tot de verantwoordelijkheid voor het door haar gevoerde asielopvangbeleid?
De leden van de fractie van de PVV wijzen erop dat bij het sluiten van overeenkomsten door het COA met private partijen voor de opvang van asielzoekers ook andere overheden zoals gemeenten zijn betrokken. Gemeenten brengen bij deze overeenkomsten ook eigen belangen in, zoals het tot stand brengen van een gebiedsontwikkeling voor woningbouw of natuurontwikkeling, wat recentelijk bleek bij een afgeketste overeenkomst tussen het COA en grondeigenaren in ’s-Hertogenbosch.11 Kan de regering aangeven of zij het van belang acht dat er adequate democratische controle moet kunnen plaatsvinden op zulke overeenkomsten nu ook lokale overheden hier een actieve rol in spelen en er beleidsmatige aspecten van bijvoorbeeld gebiedsontwikkelingen aan verbinden? Zou dit niet reden te meer moeten zijn om zulke informatie te delen met het parlement en in voorkomende gevallen ook met de decentrale volksvertegenwoordigers?
De leden van de PVV-fractie wijzen op de volgende passage uit de beantwoording van de eerder door deze leden gestelde vraag 3:
«Er zijn op dit moment geen betrouwbare cijfers uit de systemen van de IND te genereren met betrekking tot hoeveel signalen dit betreft.»12
Kan de regering aangeven waarom deze cijfers niet te genereren zijn, terwijl de regering eerder wel stelde dat deze signalen bekend zijn binnen de migratieketen. De leden van de fractie van de PVV verwijzen in dit kader naar uw brief van 29 november 2022 waarin de volgende passage is opgenomen:
«Er zijn binnen de migratieketen signalen bekend van asielzoekers die oneigenlijk gebruik maken van een asielmotief op voorspraak van of met hulp van derden.»13
Kan de regering aangeven waarop die stellingname was gebaseerd?
De leden van de fractie van de PVV wijzen verder op de volgende passage uit de beantwoording van de eerder door deze leden gestelde vraag 4:
«Indien daartoe aanleiding bestaat kan het Handhavingsinformatieknooppunt (HIK) van de IND gevraagd worden nader onderzoek naar een melding te doen.»14
Kan de regering aangeven welke stappen kunnen worden genomen naar aanleiding van een dergelijk nader onderzoek en wie of welke instantie daar verantwoordelijk voor is? Kan de regering tevens aangeven of en in hoeverre het gebruiken van een oneigenlijk asielmotief ook aan de asielaanvrager wordt tegengeworpen in de asielprocedure en in hoeverre dit in de afgelopen vijf jaar gevolgen heeft gehad voor asielprocedures. Is in dit kader bijvoorbeeld een asielstatus geweigerd?
Verder lezen deze leden bij de beantwoording van de door hen eerder gestelde vraag 4 het volgende:
«Gebleken is dat er in de afgelopen twee jaar slechts in één geval een melding gemaakt is bij een lokale deken van een advocaat die een cliënt zou hebben aangespoord een oneigenlijk motief aan te voeren. Het is vervolgens aan de lokaal deken om te bepalen of en welke gevolgen hij/zij geeft aan deze melding en of en in hoeverre daarover een terugkoppeling wordt gedaan.»
Kan de regering ook aangeven hoe dit zit voor de afgelopen vijf jaar en of van zo’n melding ook terugkoppeling wordt gedaan aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en wat de IND vervolgens hiermee geacht wordt te doen?
De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en zij verzoeken u deze bij voorkeur binnen vier weken na dagtekening van deze brief, te mogen ontvangen.
De voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad, M.H.M. Faber – van de Klashorst
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 oktober 2023
De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad van de Eerste Kamer hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van 19 april 202315, waarin nadere vragen worden beantwoord die zijn gesteld naar aanleiding van de aanbieding van de Staat van Migratie 2022. Naar aanleiding hiervan hebben de leden van de fractie van de PVV aanvullende vragen gesteld. Hierbij ontvangt uw Kamer een reactie op deze aanvullende vragen.
De leden van de PVV constateren dat de regering, gevraagd naar de afspraken van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) met private partijen, aangeeft hierover geen informatie aan de leden van de Eerste Kamer te kunnen verstrekken omdat het COA als zelfstandig bestuursorgaan (zbo) verantwoordelijk is voor het zorgen voor opvang en het maken van afspraken met partijen die hiertoe locaties aanbieden.16
Kan de regering aangeven hoe deze redenatie zich verhoudt tot artikel 14 lid 1 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA) waarin het volgende is bepaald:
«Onze Minister en het bestuur verstrekken elkaar tijdig alle voor de uitoefening van hun taken benodigde inlichtingen.»17
Het COA en ik verstrekken elkaar tijdig inlichtingen om te zorgen dat er (voldoende) asielopvang en begeleiding wordt gerealiseerd. Daarbij merk ik op dat het COA uitvoeringsverantwoordelijk is. Dit houdt concreet in dat het COA verantwoordelijk is voor het ten uitvoer leggen van haar wettelijke taak op het terrein van asielopvang (zie artikel 3 Wet COA). Deze verantwoordelijkheid dient te worden onderscheiden van de stelselverantwoordelijkheid en daarmee eindverantwoordelijkheid die bij mij is belegd. Deze verantwoordelijkheid betekent in de eerste plaats dat ik aanspreekbaar ben op een duidelijke toedeling van taken en bevoegdheden, in de wetgeving. Daarnaast is het mijn taak om zorg te dragen voor heldere kaders voor de uitvoering én te voorzien in de benodigde condities waaronder het asielstelsel goed kan functioneren. Zodanig beschouwd is de inrichting en het functioneren van het asielstelsel, en als onderdeel daarvan de asielopvang, een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Rijk, het COA en andere betrokken organisaties binnen en buiten de asielketen.
De wettelijke beïnvloedingsbevoegdheden van regering en parlement ten aanzien van zbo’s horen niet verder te strekken dan nodig om het beleid van zbo’s af te stemmen op het algemeen regeringsbeleid. Bij de inwerkingtreding van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is bepaald dat het COA binnen algemene door de Minister gestelde kaders zijn opdracht om zorg te dragen voor de opvang en begeleiding van asielzoekers naar eigen inzichten invult. Daarbij heeft het COA de ruimte om naar eigen inzichten het passende instrumentarium te kiezen en opvanglocaties te verwerven en af te stoten (vgl. TK 2009–2010, 32 205, nr. 3). Artikel 14 van de Wet COA vormt een aanvulling op artikel 20 van de Kaderwet zbo en bepaalt dat de Minister en het COA elkaar wederzijds, gevraagd en ongevraagd, die informatie verstrekken die van belang is voor een goede taakuitoefening door het COA. Daarbij gaat het om meer algemene informatie zoals de capaciteitsraming, de ontwikkeling van de bezetting, de werving van opvanglocaties, de inrichting daarvan, e.d. Het is daarbij niet de bedoeling geweest van de wetgever dat het COA iedere individuele contractbespreking deelt met de Minister. Integendeel, het COA is juist een zbo om, los van de dagelijkse betrokkenheid van de Minister, vanuit de eigen professionaliteit capaciteit te verwerven of af te stoten. Daarnaast kan het kabinet geen correspondentie en afspraken en contracten tussen partijen aan het parlement verstrekken. Indien dergelijke documenten openbaar zouden worden, zou dit (toekomstige) onderhandelingen tussen COA en derde partijen kunnen benadelen omdat in dat geval op voorhand duidelijk is onder welke (financiële) voorwaarden afspraken kunnen worden gemaakt over de opvang. Ook zou het potentiële geïnteresseerden kunnen afschrikken als dit soort informatie openbaar gemaakt wordt. Afspraken die met partijen worden gemaakt bieden daarnaast geen inzicht in beleid omdat deze per geval verschillen.
De Minister beschikt over het Toezichtsarrangement zoals opgenomen in de Kaderwet zbo. In 2016 is er een Toezichtsarrangement opgesteld tussen het COA en het departement waarin is opgenomen dat een categorie uitgaven van het COA vooraf goedkeuring van de toezichthouder binnen JenV behoeft. De toezichthouder is de eigenaar. Het gaat hierbij om aanbestedingen waarvan de geschatte contractwaarde per jaar inclusief BTW het bedrag van € 20 miljoen overstijgt. Daarnaast gaat het ook om investeringen die het geldelijk belang met een bedrag van € 10 miljoen inclusief BTW overstijgt. Voor grote investeringen is derhalve de instemming van de Minister vereist zonder dat de Minister het uitgangspunt dat het COA naar eigen inzichten handelt ter discussie stelt.
Kan de regering aangeven of door het parlement aan de Staatssecretaris gevraagde inlichtingen ― in verband met hun controlerende taak en mede gelet op artikel 68 van de Grondwet ― in dit kader onder zulke «benodigde inlichtingen» vallen? Kan de regering tevens aangeven in hoeverre zij zelf op de hoogte is van de door het COA met private partijen zoals horecaketen Van der Valk gemaakte afspraken en gesloten contracten? Kan de regering aangeven in hoeverre het door haar gevoerde beleid mede wordt afgestemd op basis van zulke afspraken en contracten tussen het COA en private partijen?
Aanspreekpunt voor het parlement is de Staatssecretaris en niet de uitvoeringsorganisatie. Daarnaast zijn artikelen 17 en 18 van de Kaderwet zbo relevant voor de controlerende taak van het parlement. Uit de artikelen volgt dat de tarieven van het COA de goedkeuring behoeven van het departement en een zelfstandig bestuursorgaan elk jaar haar jaarverslag met het departement en beide Kamers der Staten-Generaal deelt. Het jaarverslag beschrijft de taakuitoefening en het gevoerde beleid. Het jaarverslag beschrijft voorts het gevoerde beleid met betrekking tot de kwaliteitszorg. Zie verder het antwoord op de eerste vraag.
De leden van de PVV-fractie verwijzen naar artikel 17 lid 2 van de Wet COA waarin het volgende is bepaald:
«Indien door bijzondere omstandigheden voor het COA kosten ontstaan die niet zijn voorzien bij de indiening van de begroting wordt ter zake van die kosten een aanvullend activiteitenplan en een aanvullende begroting ingediend. Ook het aanvullend activiteitenplan en de aanvullende begroting behoeven de instemming van Onze Minister.»
Kan de regering aangeven of deze bepaling recent is toegepast en, indien dat het geval is, in hoeverre door het COA gesloten contracten met private partijen hier betrekking op hebben?
Doorgaans wordt door de Minister de beschikte subsidie aan het COA bijgesteld, middels een aanvullende subsidiebeschikking, overeenkomstig artikel 7 van het Subsidiebesluit Centraal Orgaan opvang asielzoekers 2005. Dit gebeurt omdat de initiële beschikking aan het COA gebaseerd wordt op ramingen, welke worden bijgesteld door fluctuaties gedurende het jaar, in elk geval bij voor- en najaarsbesluitvorming. Indien zich extra kosten voor doen in de loop van het jaar, worden deze kosten door het COA verwerkt in de aanvullende offerte, welke wordt opgesteld naar aanleiding van de aanvullende offerteaanvraag. Na ontvangst van de aanvullende offerte, wordt de aanvullende subsidie beschikt door de Minister. Tijdens het bijstellen van het subsidiebedrag gedurende het jaar, wordt geen nieuwe begroting dan wel activiteitenplan opgesteld door het COA.
De leden van de fractie van de PVV wijzen erop dat in de kabinetsreactie op het rapport «Verbinding Verbroken?» van de Onderzoekscommissie Privatisering / Verzelfstandiging Overheidsdiensten van de Kamer van 23 november 201218 al naar voren kwam dat sprake is van een «gebrek aan democratische controle op deze organisaties (de ministeriële verantwoordelijkheid is immers niet volledig)»19 en er mede daarom zeer terughoudend wordt omgegaan met het instellen van nieuwe zbo’s. Kan de regering aangeven waarom zij de bestaande positie van het COA als zbo als een extra drempel opwerpt voor democratische controle, terwijl al zeker tien jaar voor de regering duidelijk is dat dit gebrek aan democratische controle juist een tekortkoming is in ons stelsel?
Een groot deel van de ZBO’s kent hun oorsprong in de jaren ’90 doordat Ministers en departementen zich op beleids- en/of kerntaken gingen concentreren en zich juist minder wilden gaan bemoeien met de uitvoering. Dit gaat ook op voor het COA. Voor 1994 werden asielzoekers op decentraal niveau opgevangen, hetgeen (het zicht op) de naleving van verplichtingen die voortvloeien uit internationale en Europese wet- en regelgeving, belegd op het niveau van het Rijk, compliceerde. Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om de oordeelsvorming daarover aan het COA over te laten. Beleid en uitvoering moesten beter gescheiden worden. Het ministerie maakt beleid en is daarmee kaderstellend voor de uitvoering. De opvangtaken van het COA waren door hun aard geschikt om door een verzelfstandigde organisatie uitgevoerd te worden. De uit te voeren taken hadden een publiekrechtelijk karakter. Daarom was er een publiekrechtelijke organisatie nodig en geen privatisering. Het bestuur van het COA kreeg de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de taken, de vormgeving van de organisatie en de bedrijfsvoering. Hiermee zou de Minister niet meer verantwoordelijk zijn voor iedere individuele beslissing, maar wel voor de organisatie als geheel.
De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat hoogleraar bestuurskunde prof. dr. Yesilkagit aan de Universiteit Leiden in zijn in mei 2021 verschenen essay «Zelfstandige bestuursorganen en de ministeriële verantwoordelijkheid opnieuw bezien. Een pleidooi voor een herstel van het primaat van het parlement»20 er reeds voor heeft gepleit dat herstel van het primaat van het parlement bij de controle op zbo’s het uitgangspunt zou moeten zijn. Kan de regering ― gelet op deze aanbeveling ― aangeven of hieraan op dit moment al deels uitvoering kan worden gegeven door parlementsleden in ieder geval te voorzien van gevraagde inlichtingen ten aanzien van een zbo als het COA? Kan de regering tevens aangeven hoe het niet verstrekken van deze informatie zich verhoudt tot de uitgangspunten van de Wet open overheid?
Nog daargelaten de vraag of de conclusies van het genoemde essay moeten worden omarmd dient over het essay een breder gesprek plaats te vinden dan uitsluitend de inlichtingen ten aanzien van het COA. Het essay ziet op de ministeriële verantwoordelijk voor een zbo in zijn algemeenheid en niet specifiek op die van het COA. Daarbuiten staat het parlement de democratische controlemogelijkheden ter beschikking en is het toezicht op het COA door de Minister neergelegd in de Wet COA en de Kaderwet zbo. Verder is het uitgangspunt van de Woo dat de overheid zoveel mogelijk transparant is, en ook dat het openbaar maken van informatie zo nodig kan worden geweigerd. De vraag of informatie aan de Kamer moet worden verstrekt is een andere. Daarbij kan informatie in het belang van de Staat worden geweigerd. Deze uitzonderingsgrond is op de desbetreffende informatie van toepassing, ik verwijs u hiervoor naar mijn eerdere beantwoording.
De leden van de fractie van de PVV wijzen op de onlangs in het Financieel Dagblad verschenen uitvoerige publicatie «Asielopvang als verdienmodel»21 over de commerciële belangen van private partijen bij de opvang van asielzoekers en het verdienmodel dat hieruit ontstaat door de druk en de beperkte onderhandelingsruimte voor het COA. Kan de regering aangeven of zij kennis heeft genomen van deze publicatie? Kan de regering aangeven of ― gelet op de hierin beschreven zaken ― parlementaire controle op de overeenkomsten tussen het COA en private partijen juist essentieel is en gevraagde informatie dan ook alsnog aan leden van het parlement verstrekt zou moeten worden?
De in de publicatie beschreven causale relatie tussen de druk op de asielopvang en de onderhandelingsruimte van het COA en gevraagde marktprijzen kan ik onderschrijven. Nu de druk op de opvang wederom hoog is, er snel keuzes moeten worden gemaakt en er soms sprake is van noodoplossingen, bestaat de kans dat zaken duurder uitvallen. Van het COA wordt verwacht dat de organisatie op doeltreffende en doelmatige wijze uitvoering geeft aan de op haar rustende taak op het terrein van asielopvang en de daartoe bestemde publieke middelen ook zo besteedt. Opvanglocaties moeten derhalve het doel van het bieden van opvang dienen en dat doel moet met een zo beperkt mogelijke inzet van (financiële) middelen wordt bereikt. Via de Rijksbegroting kan democratische controle worden uitgeoefend op de mate waarin de beginselen van doeltreffendheid en doelmatigheid worden nageleefd, met inachtneming van de beperkingen zoals reeds genoemd in mijn eerdere beantwoording. Wij verwijzen u voorts naar de beantwoording op eerdere vragen.
Deze leden wijzen daarbij op een op 23 februari jl.22 in het dagblad Trouw gepubliceerd artikel over de omstandigheden van een door Van der Valk bedreven opvang van asielzoekers in de gemeente ’s-Hertogenbosch waarin het volgende wordt geconstateerd:
«De barre situatie op de locatie is al sinds het najaar gaande en bekend bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Coa) en Van der Valk. Het Coa heeft met de hotelketen voor meerdere locaties in het land één overeenkomst voor de noodopvang van asielzoekers.»
Kan de regering aangeven of het klopt dat het COA voor meerdere locaties in Nederland één overeenkomst heeft met horecaketen Van der Valk over de noodopvang van asielzoekers? Kan de regering aangeven in hoeverre zij kennis heeft van de inhoud van deze overeenkomst? Kan de regering tevens aangeven hoe zij de uitvoering van deze overeenkomst ziet in relatie tot de verantwoordelijkheid voor het door haar gevoerde asielopvangbeleid?
Het COA heeft momenteel overeenkomsten met verschillende partijen ten aanzien van hotelcapaciteit waaronder Van der Valk. De overeenkomsten voor de inzet van hotellocaties vallen binnen de opdracht aan het COA om zorg te dragen voor opvang van asielzoekers gedurende hun procedure en naar eigen inzicht vastgoed te verwerven. Niemand vindt noodopvang wenselijk en de voorkeur gaat altijd uit naar reguliere opvang.
De leden van de fractie van de PVV wijzen erop dat bij het sluiten van overeenkomsten door het COA met private partijen voor de opvang van asielzoekers ook andere overheden zoals gemeenten zijn betrokken. Gemeenten brengen bij deze overeenkomsten ook eigen belangen in, zoals het tot stand brengen van een gebiedsontwikkeling voor woningbouw of natuurontwikkeling, wat recentelijk bleek bij een afgeketste overeenkomst tussen het COA en grondeigenaren in ’s-Hertogenbosch.23 Kan de regering aangeven of zij het van belang acht dat er adequate democratische controle moet kunnen plaatsvinden op zulke overeenkomsten nu ook lokale overheden hier een actieve rol in spelen en er beleidsmatige aspecten van bijvoorbeeld gebiedsontwikkelingen aan verbinden? Zou dit niet reden te meer moeten zijn om zulke informatie te delen met het parlement en in voorkomende gevallen ook met de decentrale volksvertegenwoordigers?
Onder verwijzing naar mijn eerdere beantwoording vul ik kortheidshalve aan dat de democratische controle over besluitvorming verband houdend met de realisatie van een specifieke opvanglocatie plaatsvindt in de lokale volksvertegenwoordiging, te weten de gemeenteraad.
De leden van de PVV-fractie wijzen op de volgende passage uit de beantwoording van de eerder door deze leden gestelde vraag 3:
«Er zijn op dit moment geen betrouwbare cijfers uit de systemen van de IND te genereren met betrekking tot hoeveel signalen dit betreft.»24
Kan de regering aangeven waarom deze cijfers niet te genereren zijn, terwijl de regering eerder wel stelde dat deze signalen bekend zijn binnen de migratieketen. De leden van de fractie van de PVV verwijzen in dit kader naar uw brief van 29 november 2022 waarin de volgende passage is opgenomen:
«Er zijn binnen de migratieketen signalen bekend van asielzoekers die oneigenlijk gebruik maken van een asielmotief op voorspraak van of met hulp van derden.»25
Er zijn bij de IND signalen bekend van gevallen waarbij asielzoekers oneigenlijk gebruik maken van een asielmotief op voorspraak van derden. Dit kunnen derhalve ook anderen zijn dan asieladvocaten. Ik verwijs hiervoor naar enkele voorbeelden, weergegeven in een brief aan de Tweede Kamer van 8 juli 202126 en in twee stukken betreffende de eerdere beantwoording van vragen van de Tweede Kamer,27 waarin uitgebreid op een aantal van die signalen wordt ingegaan en de stappen die naar aanleiding daarvan zijn ondernomen.
Het aantal signalen dat de IND krijgt over asielzoekers die oneigenlijk gebruik maken van een asielmotief op voorspraak van of met hulp van derden wordt niet als zodanig geregistreerd in de systemen van de IND, waardoor hierover geen gevalideerde cijfers te genereren zijn.
Kan de regering aangeven waarop die stellingname was gebaseerd? De leden van de fractie van de PVV wijzen verder op de volgende passage uit de beantwoording van de eerder door deze leden gestelde vraag 4:
«Indien daartoe aanleiding bestaat kan het Handhavingsinformatieknooppunt (HIK) van de IND gevraagd worden nader onderzoek naar een melding te doen.»28
Kan de regering aangeven welke stappen kunnen worden genomen naar aanleiding van een dergelijk nader onderzoek en wie of welke instantie daar verantwoordelijk voor is? Kan de regering tevens aangeven of en in hoeverre het gebruiken van een oneigenlijk asielmotief ook aan de asielaanvrager wordt tegengeworpen in de asielprocedure en in hoeverre dit in de afgelopen vijf jaar gevolgen heeft gehad voor asielprocedures. Is in dit kader bijvoorbeeld een asielstatus geweigerd?
Indien bij de IND concrete signalen bekend worden, kan dit aanleiding geven tot nader onderzoek. Signalen die bij de IND binnenkomen in individuele zaken waarin nog niet op een asielaanvraag is beslist worden betrokken bij de beoordeling van de desbetreffende asielaanvraag. Dit kan er toe leiden dat een asielaanvraag door de IND wordt afgewezen.
Indien het signaal ziet op een vreemdeling aan wie reeds een asielvergunning is verleend, kan dit leiden tot een herbeoordeling van de verleende asielvergunning door de IND. Zoals in eerdergenoemde Kamerbrief van 8 juli 202129 is aangegeven wordt van het betreffende signaal melding gedaan bij de IND afdeling die zich richt op herbeoordelingen van asielvergunningen. Zij beoordelen of de melding voldoende objectieve informatie bevat die tot intrekking zou kunnen leiden. Als dat niet het geval is, wordt beoordeeld of nader onderzoek alsnog objectieve informatie kan opleveren. Indien door het nader onderzoek wordt voldaan aan de bewijslast en aannemelijk kan worden gemaakt dat zich een intrekkingsgrond voordoet, wordt ook beoordeeld of een intrekking in strijd is met het Vluchtelingverdrag of artikel 3 EVRM. Als dat niet aan de orde is, kan er een voornemen tot intrekking worden uitgebracht. In hoeveel zaken een asielvergunning is afgewezen, dan wel ingetrokken omdat de asielzoeker op voorspraak van derden een asielmotief heeft gefingeerd is niet te achterhalen uit de systemen van de IND.
Verder lezen deze leden bij de beantwoording van de door hen eerder gestelde vraag 4 het volgende:
«Gebleken is dat er in de afgelopen twee jaar slechts in één geval een melding gemaakt is bij een lokale deken van een advocaat die een cliënt zou hebben aangespoord een oneigenlijk motief aan te voeren. Het is vervolgens aan de lokaal deken om te bepalen of en welke gevolgen hij/zij geeft aan deze melding en of en in hoeverre daarover een terugkoppeling wordt gedaan.»
Kan de regering ook aangeven hoe dit zit voor de afgelopen vijf jaar en of van zo’n melding ook terugkoppeling wordt gedaan aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en wat de IND vervolgens hiermee geacht wordt te doen?
Zoals aangegeven in de eerdere beantwoording is het aan de Deken om te bepalen welke gevolgen er aan de melding gegeven worden en of daarover een terugkoppeling wordt gegeven. De IND heeft in deze geen doorzettingsmacht. Voor hoe de IND omgaat met signalen hierover wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, E. van der Burg
Samenstelling:Croll (BBB), Marquart Scholtz (BBB), Griffioen (BBB), Karimi (GroenLinks-PvdA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Kaljouw (VVD), Meijer (VVD), Van Toorenburg (CDA), Bakker-Klein (CDA), Dittrich (D66), Aerdts (D66) (ondervoorzitter), Faber-Van de Klashorst (PVV) (voorzitter), Koffeman (PvdD), Nanninga (Ja21), Kox (SP), Huizinga (CU), Van den Oetelaar (FVD), Van Dijk (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL).
Raadpleegbaar via: https://www.trouw.nl/binnenland/vluchtelingen-tussen-de-ratten-bij-locatie-van-der-valk~bb9c34ac/.
Zie hiervoor: https://www.s-hertogenbosch.nl/nieuwsbericht/archive/2023/05/article/detail/News/keuze-plek-opvang-asielzoekers-nog-niet-gemaakt.
Raadpleegbaar via: https://www.trouw.nl/binnenland/vluchtelingen-tussen-de-ratten-bij-locatie-van-der- valk~bb9c34ac/.
Zie hiervoor: https://www.s-hertogenbosch.nl/nieuwsbericht/archive/2023/05/article/detail/News/keuze-plek-opvang-asielzoekers-nog-niet-gemaakt.
Kamerstuk 19637, nr. 2759 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30573-G.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.