Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201830420 nr. 261

30 420 Emancipatiebeleid

Nr. 261 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 november 2017

Eind oktober bleek dat Nederland in het Global Gender Gap Report van het World Economic Forum was gedaald naar de 32e plaats. Voor uw Kamer was dat aanleiding om tijdens het debat over de regeringsverklaring (Handelingen II 2017/18, nr. 16, items 3 en 6 en Handelingen II 2017/18, nr. 17, items 2, 5 en 8) en de regeling van werkzaamheden op 2 november jl. (Handelingen II 2017/18, nr. 17, item 4) te vragen om een brief over dit rapport en over wat de regering wil gaan doen op het gebied van gendergelijkheid.

Daaraan voldoe ik uiteraard graag, want het is een belangrijk onderwerp.

1. Internationale rapporten

Er zijn diverse ranglijsten op het gebied van gendergelijkheid. Zij maken verschillende keuzes over welke terreinen worden meegenomen, hoeveel gewicht elke indicator krijgt, en of zij bijvoorbeeld alleen naar nadelen voor vrouwen kijken of ook naar nadelen voor mannen.

Dit najaar verschenen er twee indexen waarop ik kort wil ingaan: op 10 oktober jl verscheen een rapport van EIGE, en op 2 november jl het eerder genoemde WEF-rapport. Beide rapporten vergelijken niet het niveau van inkomen, kennis, of gezondheid van vrouwen in de diverse landen – maar focussen op het verschil tussen mannen en vrouwen op dergelijke punten. Een voorbeeld: de gemiddelde vrouw in Rwanda verdient volgens het WEF per jaar slechts 5,35% van wat de gemiddelde Nederlandse vrouw verdient. In Rwanda is het verschil tussen de jaarinkomens van vrouwen en mannen echter kleiner dan in Nederland, en daarom scoort Rwanda op dit punt beter dan Nederland op de index van het World Economic Forum.

Het WEF-rapport

Het World Economic Forum is, zoals u weet, een gerenommeerde particuliere organisatie gericht op publiek-private samenwerking. Vele grote internationale bedrijven werken samen in het WEF. Als Minister van Emancipatie ben ik blij dat een dergelijke organisatie gendergelijkheid hoog op de agenda heeft staan. Het WEF doet dit vanuit de gedachte: «Gendergelijkheid is fundamenteel voor of en hoe economieën en samenlevingen floreren. Zorgen voor volledige ontwikkeling en passende inzet van de helft van alle talent in de wereld, heeft een enorm effect op de groei, concurrentiekracht, en toekomstgereedheid van economieën en bedrijven over de hele wereld.»

Deze argumenten deel ik van harte. Emancipatie is van groot belang voor het individuele welbevinden van vrouwen en mannen, maar ook economisch zeer gewenst.

Het WEF gebruikt elk jaar, en voor alle 144 landen in het rapport, dezelfde bron per indicator (bijvoorbeeld cijfers van ILO, UNESCO, of de Interparlementaire Unie). Dat is goed vanuit een oogpunt van vergelijkbaarheid tussen landen, maar het zijn niet altijd de meest actuele cijfers. Bovendien zijn er indicatoren waarvoor dergelijke cijfers niet wereldwijd bestaan, zoals loonverschillen tussen mannen en vrouwen. Daarvoor gebruikt het WEF de eigen Executive Opinion Survey, waarin leiders van grote bedrijven wordt gevraagd hoe groot bijvoorbeeld het loonverschil voor gelijkwaardig werk naar hun inschatting is. Dat levert uiteraard geen exacte gegevens op over de feitelijke stand van zaken.

Per saldo staat Nederland in de WEF index op de 32e plaats (van de 144). Enkele opvallende punten:

  • Op het onderwerp onderwijs hebben we volgens deze index volledige gelijkheid bereikt, en we staan daarmee op een gedeelde eerste plaats.

  • Bij het thema economie scoort Nederland daarentegen slecht. Dit komt vooral door een relatief laag aandeel vrouwen in hogere beroepen, en door een groot verschil in jaarinkomen tussen mannen en vrouwen. Dit wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door het grote aantal vrouwen dat in deeltijd werkt.

  • Op gezondheid scoort Nederland 97 van de 100 punten voor gelijkheid. Niettemin staan we op plek 108 in de ranglijst. Dat komt doordat vrouwen ten opzichte van mannen gemiddeld in Nederland slechts twee jaar langer in gezondheid leven volgens het WEF. Dat verschil in het nadeel van mannen (!) is in andere landen groter, en dat leidt in het systeem van de WEF index tot een lagere plek voor Nederland.

  • Op de deelname van vrouwen aan de politiek staat Nederland op plaats 25. Dat komt voor een belangrijk deel doordat we nog nooit een vrouwelijke Minister-President hebben gehad. Wat betreft het aandeel vrouwen in het parlement staan we op de 26e plaats, en wat betreft het aandeel vrouwelijke Ministers op plaats 15.

De EIGE-index

Het European Institute for Gender Equality, een autonoom EU-instituut, publiceerde op 10 oktober 2017 de derde editie van de Gender Equality Index over de situatie in de EU-28. Op 26 oktober jl. vond in het Ministerie van OCW een conferentie over de Index plaats, die EIGE in samenwerking met het Ministerie had georganiseerd. Enkele leden van uw Kamer hebben ook met de EIGE delegatie gesproken.

EIGE baseert de Index op cijfers van Eurostat en Eurofound. Dat betekent dat bijvoorbeeld voor loonverschillen de feitelijke loonverschillen, in Nederland gemeten door het CBS, worden gebruikt.

In de EIGE index staat Nederland per saldo op de vierde plaats (van de 28). Enkele opvallende punten:

  • Op het terrein van arbeid staat Nederland op de 3e plaats. Nederland scoort met name goed op de onderwerpen kwaliteit van werk en segregatie1. Qua gendergelijkheid staan we hier op de eerste plaats binnen Europa. Op arbeidsparticipatie daarentegen scoren we slecht: we staan hier op de 20e plaats. Dat komt doordat EIGE niet de arbeidsparticipatie in personen hanteert (hoeveel mannen en vrouwen hebben betaald werk), maar de arbeidsparticipatie in uren. Vrouwen werken in Nederland zoals gezegd vaak in deeltijd.

  • Op het terrein van tijdsbesteding staat Nederland op de 2e plaats qua gendergelijkheid, op het terrein van geld op de 4e plaats, op het terrein kennis op de 6e plaats, en op het terrein gezondheid op de 7e plaats.

  • Op het terrein macht staat Nederland op de 11e plaats. Op de subdomeinen sociale en politieke macht staan we op de 7e plaats, op het subdomein economische macht op de 15e. Dat komt vooral door het lage aantal vrouwen in besluitvormende posities bij de Nederlandse Bank. Dat weegt nogal zwaar in deze index. Het aandeel vrouwen in de top van de Nederlandse Bank is inmiddels overigens verbeterd. Op dit moment zijn drie van de acht Commissarissen vrouw. De Directie bestaat nu uit vier mannen, maar in juli 2018 zal een van hen worden opgevolgd door een vrouw.

2. Beleid

De rapporten van het WEF en van EIGE onderstrepen het belang van een daadkrachtig emancipatiebeleid.

Als Minister van Emancipatie ben ik verantwoordelijk voor het beleid voor gendergelijkheid en voor het beleid voor lhbti-emancipatie. Deze twee terreinen hangen samen. De stereotiepe invulling van mannelijkheid en vrouwelijkheid speelt mee in bijvoorbeeld homofobie en transfobie, maar ook in verschil in beloning tussen «mannenberoepen» en «vrouwenberoepen», of in rolpatronen bij de verdeling van arbeid en zorg.

Ik zal uw Kamer dit voorjaar een nota doen toekomen waarin ik aangeef wat ik precies ga doen op het gebied van zowel gendergelijkheid als lhbti-emancipatie.

Vooruitlopend op de nota geef ik in deze brief alvast de contouren aan.

Inhoudelijke prioriteiten

Inhoudelijk zal ik in elk geval aandacht besteden aan de volgende terreinen:

  • 1. Vrijheid van burgers om hun identiteit zelf vorm te geven, los van stereotiepe opvattingen over mannelijkheid, vrouwelijkheid, en seksualiteit.

    Dit betekent onder meer dat ik zal inzetten op het versterken van de juridische en feitelijke gelijke behandeling van mannen en vrouwen, en van lhbti-personen. Ook zal ik mij inzetten voor ruimte voor genderdiversiteit. Jongeren zijn hierbij een belangrijke doelgroep.

  • 2. Sociale veiligheid van vrouwen en lhbti-personen.

    Hierbij gaat het onder andere om sociale acceptatie en sociale veiligheid van lhbti-personen in alle geledingen van de samenleving. Minder intimidatie en geweld tegen vrouwen is een ander belangrijk punt in dit verband. De huidige #metoo ontwikkelingen onderstrepen het belang hiervan. Uw Kamer heeft hierover onlangs een brief van het Kabinet ontvangen.

  • 3. Verbetering van de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt.

    Hierbij wil ik mij richten op alle lagen van de (potentiële) beroepsbevolking. Het gaat enerzijds om vrouwen die nog niet economisch zelfstandig zijn omdat zij niet of weinig werken. Sommigen hebben de weg naar de arbeidsmarkt nog niet gevonden als gevolg van bijvoorbeeld laaggeletterdheid. Anderzijds gaat het ook om een gelijkere aanwezigheid van vrouwen in hogere functies, aan de top en in besluitvormende posities in het algemeen.

    Vrouwen werken minder uren dan mannen. Zoals in het Regeerakkoord aangegeven, wil het kabinet dat meer werken meer gaat lonen.

    Een ander belangrijk onderwerp is de loonkloof tussen vrouwen en mannen. De Staatssecretaris van SZW komt naar aanleiding van het Regeerakkoord met een vervolg op het Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie, waarbij onder andere aandacht wordt gegeven aan het bestrijden van discriminatie in sollicitatieprocedures, bij zwangerschap en een stevige handhavende rol voor de inspectie SZW. Daarbij zal ook aandacht zijn voor beloningsdiscriminatie. Andere oorzaken van de loonkloof, zoals verschil in functieniveau en ervaring, zullen aan de orde komen in de eerder genoemde emancipatienota.

Taken voor de Minister van Emancipatie

Een belangrijke taak voor de Minister van Emancipatie bij dit alles is de coördinatie en mainstreaming van het emancipatiebeleid. Voor effectieve emancipatie is immers betrokkenheid van andere departementen en overheden nodig. Zo coördineer ik de uitvoering van het Regenboog Stembusakkoord, zoals opgenomen in het Regeerakkoord. Ook zorg ik dat het belang van gendergelijkheid en lhbti-gelijkheid wordt meegenomen bij wat andere departementen doen op het gebied van bijvoorbeeld arbeidsparticipatie, sociale veiligheid, of discriminatie. Daarnaast werk ik samen met gemeenten aan bijvoorbeeld veiligheid en acceptatie van lhbti’s, en aan economische zelfstandigheid.

De andere rol van de Minister van Emancipatie is het vormgeven en uitvoeren van het specifieke emancipatiebeleid.

Samenwerking met andere actoren in de maatschappij is daarbij van groot belang. In dat kader gaan bij beeld in 2018 acht strategische partnerschappen van start met diverse maatschappelijke allianties die instellingssubsidie krijgen. Deze partnerschappen richten zich op de onderwerpen combineren van betaalde arbeid en onbetaalde zorg; doorbreken van genderstereotiepe beeldvorming in het onderwijs en op de arbeidsmarkt; gendersensitieve en lhbti-sensitieve gezondheidszorg; preventie van gender gerelateerd geweld bij jongeren en jongvolwassenen; sociale acceptatie en veiligheid van lhbti’s; sociale veiligheid en acceptatie van zowel gender- als lhbti-gelijkheid in vluchtelingen- en migrantengemeenschappen; een bibliotheek en archieffunctie op het terrein van gendergelijkheid, en een bibliotheek en archieffunctie op het terrein van lhbti.

Tot slot

De Emancipatiemonitor van SCP en CBS, die in opdracht van mijn ministerie elke twee jaar verschijnt, houdt de ontwikkelingen op gendergelijkheid in Nederland gedetailleerd bij. Eind 2018 verschijnt de volgende editie.

Ranglijsten waarin de gendergelijkheid wordt vergeleken met andere landen zijn een interessante aanvulling hierop, omdat ze laten zien of we van andere vergelijkbare landen iets kunnen leren. Maar emancipatie is geen wedstrijd. Als Minister vind ik het van minder belang of wij andere landen «inhalen». Het belangrijkste is dat we de gendergelijkheid in Nederland een stap verder brengen. Daarvoor zet ik mij in.

Uw kamer heeft mij op 27 oktober gevraagd om u te informeren welke stukken te verwachten zijn op het terrein van emancipatie. Naast de onderhavige brief, kunt u in het vroege voorjaar van 2018 een voortgangsbrief over het aandeel vrouwen aan de top tegemoet zien. Hierin staan de resultaten van de bedrijvenmonitor, en mijn reactie op de aanbevelingen van de commissie monitoring, op de resultaten van de evaluatie van het streefcijfer in de Wet bestuur en toezicht, en op het onderzoek naar doorstroom vanuit de subtop van bedrijven.

Zoals gezegd volgt in het voorjaar van 2018 ook een Emancipatie Nota waarin ik aangeef hoe het kabinet stappen gaat zetten op het terrein van gendergelijkheid en op het terrein van lhbti-emancipatie. De eerste contouren van mijn beleid heb ik in deze brief aangegeven.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Hieronder verstaat EIGE: het percentage mannen dat werkt in de sectoren onderwijs, gezondheidszorg, en welzijn; de mogelijkheid om een of twee uur vrij te nemen voor bijvoorbeeld gezinszaken; en werkzekerheid en loopbaanperspectieven.