30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid

Nr. 564 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 12 december 2017

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de brief van 30 juni 2017 inzake de ontwerpwijziging van de Regeling groenprojecten 2016 (Kamerstuk 30 196, nr. 551).

De vragen en opmerkingen zijn op 14 september 2017 aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 8 december 2017 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Agnes Mulder

Adjunct-griffier van de commissie, Jansma

Algemeen

Een deel van de ontvangen vragen heeft te maken met de werking van de regeling. Daarom zal ik allereerst de werking van de regeling toelichten, zodat ik bij de beantwoording van de betreffende vragen naar deze toelichting kan verwijzen.

Investeerders in projecten met innovatieve technieken en technologische systemen die het milieu- en natuurbeleid ten goede komen, kunnen bij de eerste stappen in de markt moeilijk aan de benodigde financiële middelen komen. Wegens onbekendheid van de betreffende technologie in de markt zijn dergelijke investeringen risicovol. Groenfinanciering zorgt ervoor dat banken daarvoor gemakkelijker leningen verstrekken. Het systeem van groenfinanciering resulteert in een lagere rente op een lening voor de financiering van een «groen» project, in betrokkenheid van burgers bij groene projecten en in de beschikbaarheid van kapitaal. De Regeling groenprojecten is in 1994 op initiatief van de toenmalige leden Vermeend, Melkert en Van der Vaart tot stand gekomen, met het oog op het bevorderen van beleggingen en investeringen die in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos.

De Regeling groenprojecten wijst de projectcategorieën aan die in aanmerking komen voor een groenverklaring. Met een groenverklaring kunnen de projectbeheerders bij een door de Belastingdienst aangewezen groenfonds een groene lening afsluiten. De groene lening heeft betrekking op investeringen in vaste activa. Voor een dergelijke lening wordt een lager rentepercentage gevraagd dan gangbaar is binnen de markt voor projecten met een vergelijkbaar risicoprofiel. Dit wordt mogelijk gemaakt door het inzetten van particuliere spaar- en beleggingsgelden in de groenbanken en groenfondsen. De particulier ontvangt een belastingvoordeel van maximaal 1,9% over deze vermogensbestanddelen. Tegelijkertijd neemt de particulier genoegen met een lager rendement. Aangezien de bank een lagere vergoeding uitbetaalt aan particulieren voor het aantrekken van middelen, kan de bank deze middelen tegen een lagere rente uitlenen aan de projectbeheerders.

Randvoorwaarden voor opname van projectcategorieën in de Regeling groenprojecten zijn dat de investeringen aansluiten bij de beleidsprioriteiten van het Rijk op het gebied van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. Uiteraard onder de voorwaarden dat de groenbanken en groenfondsen deze typen projecten willen financieren en dat particuliere spaarders en beleggers de projecten in de regeling voldoende groen vinden om daarvoor hun middelen beschikbaar te stellen. Dit betekent dat voor alle partijen het «donkergroene» of innovatieve karakter van de regeling gewaarborgd dient te blijven. Op grond hiervan is het noodzakelijk om van tijd tot tijd de projectcategorieën te herzien. Daarnaast moeten de projecten voldoen aan de Europese regels voor staatssteun.

Welke banken en beleggingsinstellingen kunnen worden aangewezen als groenfonds, is vastgelegd in de Wet inkomstenbelasting 2001. Het betreft banken en beleggingsinstellingen die voor ten minste 70 procent van het vermogen van het groenfonds krediet, respectievelijk vermogen verschaffen aan groene projecten om aan de wettelijke voorwaarden te voldoen. Thans zijn onderstaande banken en beleggingsinstellingen door de Belastingdienst aangewezen als groenfonds:

  • ABN AMRO Groenbank bv

  • ASN Groenprojectenfonds

  • ING Groenbank nv

  • Rabo Groen Bank bv

  • Stichting Groenfonds

  • Stichting NOTS RE Investments

  • Triodos Groenfonds nv

  • Regionaal Duurzaam 1

  • Groenwoningen Fonds

De leden van de VVD-fractie geven aan dat zij signalen krijgen dat er op dit moment niet voldoende goedgekeurde groenprojecten zijn om in te investeren waardoor sommige financiële instellingen geen nieuwe mogelijkheden meer bieden voor groen beleggen of groen sparen. De leden van de VVD-fractie vragen welk beeld ik heb over het aanbod van (nieuwe) projecten met een groenverklaring. Verder vragen de leden van de VVD-fractie naar de reden dat er minder en/of onvoldoende groenprojecten zijn.

Het aantal nieuwe projecten met een groenverklaring is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Desondanks bestaat er bij veel banken geen behoefte aan nieuwe inleg door particulieren. Hiervoor zijn meerdere redenen. Het betreft allereerst gemiddeld kleinere projecten zodat het totale investeringsvolume niet evenredig is gestegen met het aantal aanvragen. Daarnaast biedt het overgrote deel van de financiële instellingen al langer groene leningen aan en heeft daarvan een portefeuille opgebouwd. Aangezien de looptijd van een groenverklaring maximaal tien jaar bedraagt, wordt ieder jaar ongeveer 10% van de leningen afgelost. Zoals in de inleiding aangeven, dient een groenfonds minimaal 70% van het vermogen te besteden aan projecten met een groenverklaring. Bij een gelijkblijvend bedrag aan inleg dient de financiële instelling dus elk jaar voor een substantieel bedrag aan nieuwe leningen te verstrekken aan groenprojecten. Zodra meer nieuwe leningen worden verstrekt, kunnen aanvullende middelen van spaarders of beleggers worden geaccepteerd.

De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel financiële instellingen op dit moment geen nieuwe mogelijkheden meer bieden voor groen sparen, bijvoorbeeld door te weinig aanbod van groenprojecten, terwijl ze dat voorheen wel deden.

Medio 2017 kon er bij vijf groenfondsen geen geld worden ingelegd, hoewel twee groenfondsen de verwachting hadden per eind 2017 weer nieuwe middelen nodig te hebben. Verder heeft Stichting Groenfonds nooit zelf middelen bij particulieren aangetrokken, maar werd gebruik gemaakt van middelen van andere groenfondsen. Bij drie groenfondsen was het medio 2017 wel mogelijk om geld in te leggen.

De leden van de VVD-fractie vragen mij waarom ik het logisch acht om de groep projecten die in aanmerking komt voor een groenverklaring in te perken.

De voorgenomen inperking is ingegeven om te kunnen voldoen aan het (staats)steunkader. Daar komt bij dat projecten in de categorie ontwikkeling en instandhouding van bos en stedelijk groen niet tot nauwelijks gebruik maken van groenfinanciering en ook niet wordt verwacht dat dit in de toekomst zal veranderen.

De leden van de VVD-fractie vragen wanneer er voor het laatst een evaluatie heeft plaatsgevonden over de Regeling groenprojecten en wat daarvan de uitkomst was als het gaat om de effectiviteit en doelmatigheid.

De laatste beleidsevaluatie is gepubliceerd in 2007. Deze evaluatie had betrekking op de periode 2000–2004 en had ook betrekking op de regeling die ziet op milieu-investeringsaftrek (MIA) en willekeurige afschrijving op milieu-investeringen (VAMIL). In de aanbiedingsbrief van de evaluatie aan uw Kamer is opgenomen: «De conclusies van de evaluatie geven aan dat de bestedingen geschieden conform de doelstellingen van de regelingen. Voorts kunnen de regelingen effectief de marktintroductie van hoogwaardige milieutechnologie bevorderen en doen ze dit op een efficiënte wijze. Hierbij spelen diverse systeem specifieke kenmerken van de regelingen een rol. Uit de betrokkenheid en respons van de bancaire sector en de burger blijkt dat er vooral dankzij de fiscale regeling een breed draagvlak voor Groen Beleggen is.» De uitkomsten zijn meer gedetailleerd terug te lezen op Internet1. De volgende beleidsevaluatie van de Regeling groenprojecten vindt naar verwachting in 2018 plaats.

De leden van de VVD-fractie vragen zich -gelet op een toename van groene spaar- en beleggingsproducten op de markt en de tendens dat consumenten die duurzaam willen beleggen daar gretig gebruik van maken- af in hoeverre de voordelen vervallen en welke verschuiving van inleg valt te verwachten richting reguliere spaar- en beleggingsproducten.

Particulieren die sparen of beleggen in door de Belastingdienst aangewezen groenfondsen kunnen fiscaal voordeel hebben door twee faciliteiten in de inkomstenbelasting. Groene beleggingen tot een maximum van € 57.385 per persoon (2017) zijn vrijgesteld van de vermogensrendementsheffing in box 3. Daarnaast geldt een heffingskorting van 0,7% van het bedrag dat is vrijgesteld. Er zijn geen plannen om de fiscale faciliteiten in de inkomstenbelasting te wijzigen. Vanuit dat oogpunt is er geen verschuiving van inleg richting reguliere spaar- en beleggingsproducten te verwachten.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regeling wel voldoende bekend is bij investeerders, gemeenten en burgers en willen weten welke initiatieven momenteel worden ondernomen om de regeling bij een groter publiek bekend te maken.

Naar mijn weten is de regeling goed bekend bij spaarders en beleggers, derhalve zie ik geen noodzaak om de regeling bij een groter publiek bekend te maken.

Bos en Stedelijk groen

De leden van de VVD-fractie vragen waarom projecten voor de ontwikkeling en instandhouding van onder meer bos en stedelijk groen niet meer in aanmerking komen voor een groenverklaring, in hoeverre dit de enige reden is dat er niet of nauwelijks een beroep op wordt gedaan, en welke gevolgen dit heeft voor lopende projecten.

De voorgenomen inperking is ingegeven om te kunnen voldoen aan het (staats)steunkader. Daar komt bij dat projecten in de categorie ontwikkeling en instandhouding van bos en stedelijk groen niet tot nauwelijks gebruik maken van groenfinanciering en ook niet wordt verwacht dat dit in de toekomst zal veranderen. Er zijn geen gevolgen voor projecten met een lopende groenverklaring.

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre stedelijk groen een rol kan spelen in de klimaatadaptatie en een functie kan vervullen om overlast van overvloedige regenval te voorkomen, en in hoeverre groenprojecten hierin een rol spelen of speelden.

Ik ben van mening dat stedelijk groen een belangrijke rol kan vervullen in de klimaatadaptatie om de overlast van overvloedige regenval te voorkomen. Gelijktijdig ben ik van mening dat de Regeling groenprojecten hier geen zinvolle rol in kan spelen omdat het bijzonder lastig is om voor deze categorie een sluitende private business case te krijgen. Het effect van de iets lagere rente, die met behulp van de Regeling groenprojecten kan worden bewerkstelligd, is te beperkt om de business case sluitend te krijgen. Bedacht dient te worden dat investeringen in bos en stedelijk groen nauwelijks financieel rendement opleveren. Er wordt dan ook meestal niet door ondernemers geïnvesteerd. Stedelijk groen wordt over het algemeen aangelegd door lokale overheden als onderdeel van stedelijke ontwikkeling. Bos wordt in de meeste gevallen aangelegd door natuurbeherende organisaties. Deze investeerders financieren hun investeringen niet via een commerciële bank, maar bijvoorbeeld via de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) of uit eigen vermogen. Vandaar dat er in het verleden nauwelijks groenverklaringen in deze categorie zijn aangevraagd. Voor stedelijk groen ken ik geen alternatieven, wel is het zo dat gemeenten die stedelijk groen aanleggen veelal een lening bij een publieke sectorbank zoals de BNG of de Nederlandse Waterschapsbank afsluiten.

De leden van de D66-fractie vragen of de Staatssecretaris een alternatief heeft voor ondernemers die in de ontwikkeling en instandhouding van bos en stedelijk groen duurzame initiatieven willen ontwikkelen.

Ik verwijs hierbij naar het antwoord op de vraag van de VVD-fractie.

De leden van de D66-fractie vragen hoe de informatie omtrent potentieel ongeoorloofde staatssteun gelezen moet worden in het licht van duurzame initiatieven op het gebied van bos- en houtbeheer.

Alternatieve duurzame initiatieven in deze sector zijn niet per definitie onmogelijk vanwege ongeoorloofde staatssteun. Bij elk initiatief zal moeten worden beoordeeld of er sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU), en zo ja, of het project aan de voorwaarden van een van de groepsvrijstellingsverordeningen voldoet, gebruik kan worden gemaakt van de de-minimisverordening of dat ervoor gekozen wordt het initiatief bij de Europese Commissie aan te melden voor expliciete goedkeuring. Voorafgaand aan die beoordeling speelt een grote rol of er een sluitende private business case voor het betrokken initiatief gemaakt kan worden en of er voldoende animo voor bestaat bij de gebruikers van de Regeling groenprojecten. Bij de categorie Bos en Stedelijk groen was dat niet het geval.

De leden van de D66-fractie vragen of er mij gevallen bekend zijn waarbij ondernemers in de (nabije) toekomst het risico lopen beticht te worden van het ontvangen van ongeoorloofde staatssteun en het daarmee gemoeide voordeel met terugwerkende kracht terug zouden moeten betalen.

Deze gevallen zijn mij niet bekend. De laatste groenverklaring voor een project in de categorie Bos en Stedelijk groen dateert van 2008. Deze groenverklaring is dus afgegeven onder de voorganger van de huidige regeling, de Regeling groenprojecten 2010 en voldeed op grond van een aanmelding bij de Europese Commissie aan de destijds geldende staatssteunregels. Sinds 2008 zijn er geen nieuwe aanvragen voor projecten in de categorie Bos en Stedelijk groen ingediend.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoeveel projecten in totaal gebruik gemaakt hebben van de Regeling groenprojecten, hoeveel daarvan gericht waren op ontwikkeling en instandhouding van bos en stedelijk groen, en wat de omvang van deze projecten was.

Vanaf de start van de Regeling groenprojecten in 1994 tot en met 31 december 2016 zijn 9.665 groenverklaringen afgegeven voor een bedrag van bijna € 17 mrd. Daarvan hebben 16 projecten betrekking op de categorie bos voor een investeringsbedrag van bijna € 11 mln. Eén project heeft betrekking op stedelijk groen met een investeringsbedrag van ruim € 1,2 mln. De meest recente goedgekeurde aanvraag voor aanleg van bos is afkomstig uit 2006. De enige aanvraag voor stedelijk groen is afkomstig uit 2008.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen op basis waarvan ik verwacht dat het animo voor de deze projecten niet verder zal toenemen, in hoeverre dit gecontroleerd is, of er een consultatie heeft plaatsgevonden en in hoeverre hier onderzoek naar heeft plaatsgevonden.

Er heeft geen consultatie plaatsgevonden, maar op basis van het uitblijven van aanvragen gedurende langere tijd, de kenmerken van deze projecten en de investeerders is deze conclusie getrokken. Allereerst betreft dit projecten die nauwelijks financieel rendement opleveren, zodat het minder voor de hand ligt dat private ondernemers investeren zonder aanvullende financiële prikkels vanuit bijvoorbeeld de overheid. Daarnaast zijn de partijen die wel investeren in bijvoorbeeld stedelijk groen lokale overheden die gebruik maken van leningen die worden verstrekt door een publieke sectorbank.

De leden van de Groen Links-fractie vragen in hoeverre het passend is om bos en stedelijk groen niet meer onder deze regeling te laten vallen.

Ik verwijs hierbij naar het antwoord op de vraag van de VVD-fractie.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of stedelijk groen niet juist meer gestimuleerd zou moeten worden.

Ik verwijs hierbij naar het antwoord op de vraag van de VVD-fractie.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of er een mogelijkheid bestaat om investeringen in (grootschalige) groene daken en gevels via de Regeling groenprojecten extra te stimuleren.

Met de inwerkingtreding van de Regeling groenprojecten op 1 april 2016 zijn vegetatiedaken en verticale tuinen als nieuwe categorie opgenomen in de regeling onder artikel 12, onderdeel c.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen op welke wijze de Regeling groenprojecten bijdraagt aan de doelstelling zoals gesteld in het Rijksbrede programma Circulaire Economie2.

Ook projecten op het gebied van Circulaire Economie kunnen gebruik maken van de Regeling groenprojecten. Zo hebben onder andere een bedrijf dat zich richt op hoogwaardige plastic recycling, een bedrijf dat zich richt op recycling van drankkartons en een bedrijf dat metaalfracties uit bodemas haalt gebruik gemaakt van groenfinanciering.

Biologische landbouw

De leden van de VVD-fractie vragen waarom biologische landbouwprojecten op steun kunnen blijven rekenen en andere landbouwprojecten niet. Tevens wordt gevraagd of ik op de hoogte ben van het feit dat de CO2-footprint van biologische projecten vaak hoger ligt dan van reguliere landbouw, waarom er bevoordeling plaatsvindt van biologische landbouw, hoe dit het gelijk speelveld verstoort, op welke manier er overleg met de sector heeft plaatsgevonden en wat de uitkomsten daarvan waren.

In de biologische productie mag geen gebruik worden gemaakt van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen. Daarmee begeeft deze vorm van landbouw zich al op een ander speelveld dan de reguliere landbouw. Het gebruik van organische meststoffen en natuurlijke bestrijdingsmiddelen zorgt voor een verantwoorde omgang met de omgeving. Ook is bij de biologische productie veel aandacht voor de microbiologische gesteldheid van de bodem, evenals voor de zorg voor dierenwelzijn en het behoud van biodiversiteit. Dit alomvattende kwaliteitssysteem is vastgelegd in Europese en nationale regelgeving en wordt van overheidswege gecontroleerd. De biologische landbouw is een aansprekend voorbeeld van verduurzaming. Door middel van het biologisch keurmerk vervult de biologische landbouw een voortrekkersrol bij het bewustmaken van consumenten over het belang van een robuust en duurzaam voedselsysteem. Via groenfondsen is er een markt die zowel beleggers als spaarders de mogelijkheid biedt om te beleggen in dit integrale duurzaamheidsconcept. Ten aanzien van de uitbreiding van de Regeling groenprojecten ten behoeve van de aankoop van biologische landbouw heeft binnen het Beraad Groenfondsen van de Nederlandse Vereniging van Banken overleg plaatsgevonden. De banken hebben hierin ook informatie uit klantcontacten met de sector meegenomen.

De leden van de D66-fractie vragen of de wijziging in de voorgenomen ontwerpwijziging met betrekking tot de verwerving van landbouwgrond voor het produceren van biologische landbouwproducten voldoende toereikend is.

De voorgestelde wijziging levert een toereikende bijdrage aan de verduurzaming van de landbouw. Een verdere verruiming is gezien de Europese staatssteunregels niet mogelijk en zou het risico tot het verstrekken van ongeoorloofde staatssteun met zich meebrengen.

De leden van de D66-fractie vragen of de mogelijkheid is onderzocht om het doel van de Regeling groenprojecten te verbreden door innovaties die ten goede komen aan de leefomgeving toe te voegen aan de lijst met groenprojecten.

Voor de aanpassing van de Regeling groenprojecten, die op 1 april 2016 in werking is getreden, zijn inderdaad zeer breed voorstellen ontvangen en beoordeeld op inpasbaarheid. Eén van de criteria voor opname in die regeling is dat een project technisch en financieel af te bakenen moet zijn. Innovaties die ten goede komen aan de leefomgeving en die aan alle criteria voldoen, zijn opgenomen in de huidige regeling. Uiteraard zullen er weer nieuwe innovaties ontstaan met een bijdrage aan de leefomgeving en die zal ik bij een volgende wijziging beoordelen op inpasbaarheid.

De leden van D66-vragen of ik voornemens ben om initiatieven toe te voegen die gericht zijn op het verbeteren van de luchtkwaliteit, en proefdiervrije innovaties, gericht op verfijning, vermindering, of vervanging. Daarnaast wordt gevraagd wat mijn houding is ten opzichte van het toevoegen van innovaties gericht op het verduurzamen van reeds bestaande systemen.

Voor zover initiatieven die zijn gericht op het verbeteren van de luchtkwaliteit voldoen aan de criteria voor opname in de Regeling groenprojecten zal ik deze in de toekomst zeker opnemen. Ten aanzien van proefdiervrije innovaties het volgende. Ik heb een verkenning uitgevoerd of investeringen in initiatieven die gericht zijn op proefdiervrije innovaties zich lenen voor opname in de Regeling groenprojecten. De toepassing van de regeling groenprojecten is beperkt tot de investeringen in vaste activa. Bij proefdiervrije innovaties bestaan de investeringen in vaste activa bijvoorbeeld uit apparatuur om driedimensionale structuren uit cellen te creëren, hoogwaardige meetapparatuur, apparatuur en software die resulteert in nieuwe beeldvormende technieken, big data en biobanken. Dergelijke investeringen worden in zeer veel sectoren gedaan met uiteenlopende doeleinden en niet uitsluitend ten behoeve van proefdiervrije innovaties. De afbakening van het projectvermogen tot «investeringen in vaste activa» alleen, zoals de Regeling groenprojecten doet, is in het geval van proefdiervrije innovaties dus ontoereikend en zou moeten worden aangevuld met eisen voor de toepassing. De toepassing van de investering zou moeten worden meegenomen in de beoordeling, wat tegen de systematiek van de Regeling groenprojecten ingaat. Mijn conclusie is dat de investeringen in humane proefdiervrije innovaties niet voldoende onderscheidend zijn om als categorie te benoemen in de Regeling groenprojecten. De verduurzaming van reeds bestaande systemen kan worden opgenomen in de Regeling groenprojecten als aan de criteria voor opname in de regeling wordt voldaan. Zo kunnen verbeterprojecten een groenverklaring krijgen, en is renovatie van de bestaande bouw een belangrijk onderdeel van de Regeling groenprojecten. Mocht er in de toekomst aanleiding zijn dit te wijzigen, dan neem ik dat graag in overweging.

De leden van de D66-fractie vragen of er overleg is geweest met de Europese Commissie over het verlengen van de looptijd van goedkeuringen van de Europese Commissie of het uitzonderen van bepaalde projecten en vragen dit nader toe te lichten.

Zoals eerder door mij aangegeven, dient bij elk initiatief te worden beoordeeld of er sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107 van het VWEU, en zo ja, of het project aan de voorwaarden van de groepsvrijstellingsverordeningen voldoet, gebruik kan worden gemaakt van de de-minimisverordening of dat ervoor gekozen wordt het initiatief bij de Europese Commissie aan te melden voor expliciete goedkeuring. Voorafgaand aan die beoordeling speelt een grote rol of er een sluitende private business case voor het betrokken initiatief gemaakt kan worden en of er voldoende animo voor bestaat bij de gebruikers van de Regeling groenprojecten. Dit was niet het geval. Op grond hiervan heeft er geen overleg met de Europese Commissie plaatsgevonden over een mogelijke verlenging van de goedkeuring voor bepaalde (categorieën) projecten.

Consultatie

De leden van de VVD-fractie vragen welke wijzigingen op initiatief van vertegenwoordigers van financiële instellingen zijn doorgevoerd, welke andere wijzigingen door hen zijn voorgesteld maar uiteindelijk niet zijn doorgevoerd, welke wijzigingen het gevolg zijn van beleidswijzigingen en wat daarvoor de aanleiding was.

De aanpassing voor verwerving van grond voor de biologische landbouw is op initiatief van de financiële instellingen en hun klanten doorgevoerd. De financiële instellingen hebben bijvoorbeeld ook voorgesteld om de looptijd van de groenverklaringen te verlengen. Ik ben van mening dat de huidige termijn van tien jaar voldoende is, mede omdat verlenging tot een groter budgettair beslag zal leiden. Een wijziging die het gevolg is van een beleidswijziging betreft het op een andere manier vaststellen van de milieuprestatie van de Groen Label Kas. Aanleiding daarvoor is het beleid om de energieprestatie te baseren op de emissie van CO2in plaats van op de efficiënte omzetting van fossiele energie.

De leden van de D66-fractie vragen met welke organisaties en sectoren ik heb gesproken over de voorgestelde wijziging.

Ik heb gesproken met de groenfondsen over de voorgenomen wijzigingen. Daarnaast heb ik gesproken met vertegenwoordigers uit de glastuinbouwsector.

De leden van de D66-fractie vragen welke financiële instellingen betrokken zijn bij het proces.

De voorgenomen wijziging van de Regeling groenprojecten is besproken in het Beraad Groenfondsen van de Nederlandse Vereniging van Banken.

De leden van de D66-fractie vragen of de Belastingdienst sinds februari 2016 meer financiële instellingen aan de lijst heeft toegevoegd.

Op dit moment zijn er negen door de Belastingdienst aangewezen groenfondsen, zoals genoemd in mijn algemene toelichting. Het actuele overzicht van aangewezen groenfondsen wordt gepubliceerd via Internet3.

De leden van de D66-fractie vragen mij of ik actief op zoek ga om meer financiële instellingen bij de financiering van de groenprojecten te betrekken.

Ik ben hier niet actief naar op zoek, maar het staat financiële instellingen uiteraard vrij zelf een verzoek tot aanmelding als groenfonds te doen. Zo heeft de Belastingdienst in 2016 het Groenwoningen Fonds als nieuw groenfonds aangewezen.

De leden van de D66-fractie vragen of ik inzicht wil geven met welke partijen is gesproken en in hoeverre deze positief staan tegenover deze wijziging en of zij behoefte hebben aan andere vormen van ondersteuning voor groenprojecten.

Ik heb gesproken met de groenfondsen over de voorgenomen wijzigingen. Dit overleg vond plaats in het Beraad Groenfondsen van de Nederlandse Vereniging van Banken. Daarnaast heb ik gesproken met vertegenwoordigers uit de glastuinbouwsector. In dit overleg waren vertegenwoordigers aanwezig van LTO Glaskracht, WUR en Stichting Milieukeur. Uit deze overleggen kwam naar voren dat de betrokken sectoren positief of neutraal stonden tegenover de voorgenomen wijzigingen. Ik heb de betrokken sectoren voor deze wijziging niet gevraagd of zij behoefte hebben aan andere vormen van financiering of ondersteuning.

Proefdiervrije innovaties

De leden van de Groenlinks-fractie vragen of de uitbreiding van de Regeling groenprojecten met humane proefdiervrije innovaties nader is verkend4 en of dit nader kan worden toegelicht.

Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op de vraag met gelijke strekking van de D66-fractie.

De leden van de SGP-fractie vernemen graag middels een toelichting of ik bereid ben om proefdiervrije innovaties in de wijziging mee te nemen.

Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op de vraag met gelijke strekking van de D66-fractie.

Naar boven