Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201730196 nr. 479

30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid

Nr. 479 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 oktober 2016

Mede namens de Minister voor Wonen en Rijksdienst en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu stuur ik uw Kamer hierbij de evaluatie van het Energieakkoord en de Nationale Energieverkenning (NEV) 20161. Op basis van de evaluatie van het Energieakkoord en de NEV 2016 kan de balans worden opgemaakt hoe het drie jaar na de start ervan staat met het functioneren van het Energieakkoord, wat de voortgang is richting de doelen en welke mogelijkheden er zijn voor het beleid na het Energieakkoord. Hieronder geef ik een samenvatting van het algemene beeld dat uit de evaluatie en de NEV 2016 naar voren komt. Daarna ga ik in meer detail in op de hoofdconclusies en aanbevelingen van de evaluatie en op de projecties in de NEV 2016.

Het is aan de voorzitter van de Borgingscommissie en alle betrokken partijen om gezamenlijk te bezien hoe de Energieakkoord-partijen willen omgaan met de uitkomsten van de evaluatie en de projecties in de NEV 2016. De uitkomsten van het gesprek hierover tussen alle Energieakkoord-partijen, waaronder het Rijk, zullen hun beslag krijgen in de Voortgangsrapportage die de voorzitter van de Borgingscommissie voor het einde van het jaar wil publiceren.

Algemeen

In het Regeerakkoord zijn afspraken gemaakt om versneld de energietransitie in Nederland in gang te zetten en duurzame groei te realiseren. Om hier invulling aan te geven heeft het kabinet in 2013 het Energieakkoord voor duurzame groei afgesloten met 46 andere partijen: een breed maatschappelijke akkoord met doelen op het terrein van hernieuwbare energie, energiebesparing en werkgelegenheid.

De evaluatie van het Energieakkoord en de NEV 2016 illustreren het succes van deze aanpak. Het Energieakkoord heeft volgens de evaluatie bijgedragen aan een versnelling van de energietransitie en er zijn resultaten geboekt waarvan het zeer aannemelijk is dat die anders niet zouden zijn bereikt. Onderstaande tabel bevat een overzicht van de doelen uit het Energieakkoord en de verwachte realisatie in de NEV 2015 en 2016.

Tabel 1: Overzicht van de resultaten van de NEV 2015 en 2016 in relatie tot de doelen uit het Energieakkoord. De cijfers in de tabel komen overeen met de realisatie die in de NEV wordt verwacht in het meest waarschijnlijk scenario, gebaseerd op de effecten van het vastgestelde en voorgenomen beleid. Tussen haakjes is de onzekerheidsbandbreedte waar relevant aangegeven

Doelen

NEV 2015

NEV 2016

Doel

Aandeel hernieuwbare energie

     

2020

12,%

12,7%

14%

2023

16,1%

15,9%

16%

Energiebesparing

     

Richtlijn Energie-efficiëntie (2014–2020)

540 PJ

(523–578)

520 PJ

(474–636)

480 PJ

Energiebesparingstempo

1,5%

1,5%

1,5% per jaar

Extra energiebesparing in 2020

55 PJ (33–76)

68 PJ (37–99)

100 PJ

Werkgelegenheid

(2014–2020)

80.000

91.000

90.000 (15.000 voltijdsbanen p.j.)

Reductie broeikasgassen

in 2020 t.o.v. 1990

19%

(17–21)

23%

(20–26)

1

X Noot
1

In het vonnis van de Urgenda-zaak is uitgesproken dat de Staat 25% CO2-reductie in 2020 t.o.v. 1990 moet realiseren.

Uit de NEV 2016 blijkt dat het aandeel hernieuwbare energie tussen 2013 en 2023 in Nederland (zeer) sterk zal stijgen: van 4,5% in 2013 naar 15,9% in 2023. De succesvolle aanpak rond windenergie op zee heeft dankzij het nieuwe tendersysteem geleid tot de lage prijs van 7,27 eurocent per kilowattuur (kWh), oftewel circa 8,7 eurocent per kWh inclusief de kosten van de netwerkaansluiting. Daarmee is de kostenreductie van 40% die in tien jaar gerealiseerd zou moeten worden al bereikt. Ook wordt in alle sectoren van de economie actief beleid voor energiebesparing gevoerd, met als resultaat dat we jaarlijks 1,5% energiebesparing realiseren. Het doel van 100 PJ extra energiebesparing is met de extra maatregelen waar we aan werken en die nog niet in de NEV 2016 zijn meegenomen ook binnen bereik. Ik heb er dan ook vertrouwen in dat we met alle Energieakkoord-partijen in de Voortgangsrapportage opnieuw zullen concluderen dat alle doelen binnen bereik zijn.

Verder heeft de energietransitie grote positieve economische effecten. De toegevoegde waarde van hernieuwbare energie neemt onder invloed van het beleid tot 2023 met jaarlijks 10–20% toe en het doel van 90.000 extra arbeidsjaren tot 2020 als gevolg van het Energieakkoord wordt gehaald.

De evaluatie van het Energieakkoord laat zien dat continuïteit van beleid een belangrijke verdienste is van het akkoord. Die continuïteit biedt burgers en bedrijven de benodigde investeringszekerheid om hun bijdrage aan de energietransitie te leveren. Daarnaast is er een intensieve samenwerking ontstaan tussen de overheid en maatschappelijke partijen, maar ook tussen maatschappelijke partijen onderling. Op die beweging, waarbij duidelijk wordt gevoeld dat de overheid de energietransitie niet alleen kan realiseren maar de bijdragen van de hele samenleving nodig heeft, is voortgebouwd in de Energiedialoog.

De evaluatie en de NEV 2016 laten zien dat we op de goede weg zitten om alle gestelde doelen te halen. Dit is echter niet vanzelfsprekend. Om alle doelen te realiseren zullen de partijen uit het Energieakkoord moeten blijven investeren in het akkoord. De evaluatie biedt hiervoor de nodige handvatten. Daarnaast moeten we gezamenlijk de voortgang richting de doelen goed blijven monitoren. Ik reken erop dat, op basis van de NEV 2016 en de aanvullende acties die al in gang zijn gezet, samen met de inzichten van de evaluatie en de collectieve inzet van alle partijen, we de ambities van het Energieakkoord zullen waarmaken.

Evaluatie van het Energieakkoord

In het Energieakkoord is afgesproken dat er in 2016 een evaluatie van het akkoord plaatsvindt en dat de overheid hierbij het voortouw neemt. Ik heb, samen met de voorzitter van de Borgingscommissie, de KWINK Groep gevraagd om deze evaluatie uit te voeren. De evaluatie moet de vraag beantwoorden of de aanpak van het Energieakkoord voldoet om de afgesproken doelen te behalen. Ter ondersteuning van het evaluatieproces heb ik een begeleidingscommissie ingesteld met een onafhankelijke voorzitter. In deze commissie zaten vertegenwoordigers van Energieakkoord-partners die een brede blik op het functioneren van het akkoord hebben.

De KWINK Groep heeft voor de evaluatie een groot aantal gesprekken gevoerd met partijen die direct of indirect betrokken zijn bij het Energieakkoord en met onafhankelijke partijen die meer van een afstand naar het akkoord kijken, onder andere uit de wetenschap. Op basis van deze interviews en literatuuronderzoek heeft de KWINK Groep de feiten en percepties over het functioneren van het Energieakkoord in kaart gebracht en een aantal hoofdconclusies en aanbevelingen geformuleerd. Op deze hoofdconclusies en aanbevelingen ga ik hieronder nader in.

Hoofdconclusies en aanbevelingen evaluatie

De KWINK Groep trekt op basis van haar onderzoek drie hoofdconclusies:

  • 1) Het Energieakkoord draagt bij aan een versnelling van het beleid op het gebied van energiebesparing en hernieuwbare energie;

  • 2) Het Energieakkoord gaat een volgende fase in: van het vertalen van afspraken in regelingen, projecten en programma’s, naar het omzetten van deze procesresultaten in concrete effecten;

  • 3) Verder vooruitkijkend, voor na de periode van het Energieakkoord, vormen de internationale klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 een dwingend perspectief voor het energie- en klimaatbeleid.

De KWINK Groep geeft verder aan dat het zeer aannemelijk is dat door het Energieakkoord resultaten zijn bereikt die anders niet bereikt zouden zijn en dat de doelen met de gekozen aanpak gehaald kunnen worden. Deze conclusies ondersteunen de ingezette koers, waarbij we met de aanpak in het Energieakkoord versneld een onomkeerbare stap in de energietransitie willen zetten. Bovendien doen we dat op een manier die voor het vervolg van de energietransitie gemeengoed moet worden: in samenwerking met alle betrokken maatschappelijke partijen, op basis van ieders eigen verantwoordelijkheid. Ik zie dat de samenwerking tussen al deze partijen en de aanpak die we hebben gekozen hun vruchten afwerpen. De evaluatie wijst in dat kader ook op het belang van maatschappelijk draagvlak. Dat onderschrijf ik en daarom heb ik de afgelopen maanden de Energiedialoog georganiseerd.

De KWINK Groep doet vijf aanbevelingen om het Energieakkoord te versterken. Het gesprek over de wijze waarop met deze aanbevelingen moet worden omgegaan, zal de komende maanden binnen de Borgingscommissie gevoerd worden. Hieronder ga ik kort in op mijn beelden bij deze aanbevelingen.

1) Versterken van de borgingsfunctie

De KWINK Groep doet de aanbeveling om goede borging van de gemaakte afspraken te realiseren. Het is evident dat dit geen gemakkelijke zaak is bij een akkoord dat gestoeld is op de gedachte dat iedere partij vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid een bijdrage levert aan het realiseren van de doelen. Dat betekent dat alle partijen er zelf verantwoordelijk voor zijn om de afgesproken resultaten te boeken. Het is vervolgens aan de voorzitter van de Borgingscommissie om partijen hierop aan te spreken. Het proces rondom het intensiveringspakket van april jl. (Kamerstuk 30 196, nr. 456) heeft laten zien dat deze borging van de afspraken werkt. Er zijn heldere afspraken gemaakt over extra maatregelen en over opties voor als de voortgang onverhoopt niet voldoende blijkt. Deze aanpak vergroot de zekerheid dat de doelen behaald worden. Hier kunnen we op voortbouwen.

2) Versterken van de organisatie en samenwerking

De KWINK Groep wijst op het belang dat partijen blijven investeren in de platformfunctie van het Energieakkoord om lastige kwesties in de uitvoering van afspraken in goed onderling overleg op te lossen. Dit is inderdaad een belangrijk aandachtspunt. Er is volgens de KWINK Groep al een intensieve samenwerking tussen de partijen ontstaan en mijn ervaring is dat partijen elkaar weten te vinden als het spannend wordt. De evaluatie biedt voldoende handvatten om op deze ervaring voort te bouwen en de onderlinge samenwerking te versterken in de nieuwe fase die het akkoord ingaat. Het is aan de voorzitter van de Borgingscommissie om richting de andere partijen van het Energieakkoord aan te geven op welke wijze hij deze aanbeveling wil oppakken.

3) Waarborgen van de continuïteit van het energiebeleid

In de evaluatie constateert de KWINK Groep dat de continuïteit en langjarige zekerheid over het energiebeleid voor veel partijen de belangrijkste reden is geweest om aan het Energieakkoord deel te nemen. Uit de evaluatie blijkt dat het akkoord al veel heeft opgeleverd. De beweging richting een CO2-arme energievoorziening is in gang gezet, maatschappelijke partners zijn in actie gekomen en er is een kader vanuit de overheid neergezet waar burgers en bedrijven op kunnen bouwen. De continuïteit van beleid die met het Energieakkoord wordt beoogd, vereist wel dat de ingezette politieke koers van het Energieakkoord wordt voorgezet. In dat kader signaleert de KWINK Groep dat er een gespannen relatie is tussen het Energieakkoord en de politiek. Die spanning is volgens de KWINK Groep inherent aan de keuze voor een netwerkaanpak, waarbij de overheid niet alleen de rol heeft van opdrachtgever, maar ook één van de samenwerkingspartners is. Daarbij geeft de KWINK Groep aan dat het aan alle ondertekenaars is om zich de komende periode door middel van hun inzet bij de uitvoering van de afspraken te committeren aan het ingezette beleid en zo een signaal te geven over de gewenste voortzetting hiervan. Het kabinet kan zich hierin vinden en zal hier haar bijdrage aan leveren.

4) Achterban van akkoordpartijen mobiliseren

Vanwege de nieuwe, meer uitvoerende fase waarin het Energieakkoord zich nu bevindt, beveelt de KWINK Groep aan dat de Energieakkoord-partijen verkennen op welke wijze zij hun achterban effectief kunnen mobiliseren. De randvoorwaarden voor het uitvoeren van het Energieakkoord zijn de afgelopen jaren gecreëerd en ik herken zodoende de noodzaak dat burgers en bedrijven de komende jaren aan de slag gaan om alle regelingen en programma’s te benutten. De Energieakkoord-partners hebben hierbij een belangrijke verantwoordelijkheid richting hun achterban. Juist die inzet is in deze fase van de uitvoering van het akkoord cruciaal om ervoor te zorgen dat de doelen gehaald worden.

5) Vergroten van bewustwording en draagvlak in de samenleving

De aanbevelingen van de KWINK Groep over bewustwording en draagvlak zijn herkenbaar. Uit de evaluatie komt naar voren dat er in brede zin draagvlak voor de energietransitie is, maar dat het draagvlak voor specifieke maatregelen sterk kan verschillen. Ook hierbij hebben alle betrokken partijen een verantwoordelijkheid. Mijn uitgangspunt is dat de omgeving wordt betrokken bij beleid en projecten. In mijn brief over omgevingsmanagement van 1 februari jl. (Kamerstuk 31 239, nr. 211) heb ik mijn visie hierop met uw Kamer gedeeld.

Aanbevelingen over de periode na het Energieakkoord

Naast de aanbevelingen over de uitvoering van het Energieakkoord in de komende jaren doet de KWINK Groep ook een aantal aanbevelingen voor de periode na het Energieakkoord. De KWINK Groep stelt een aantal vragen waar bij de invulling van het beleid voor de periode 2020–2030 rekening mee zou moeten worden gehouden. Het gaat dan met name om de context waarin de energietransitie zich bevindt. Zo benoemt de KWINK Groep het belang van het benutten van de energie die te vinden is in regionale initiatieven, de verbinding met de politiek, het ontwikkelen van een visie op de benodigde kennisinfrastructuur en het betrekken van burgers en individuele bedrijven bij de energietransitie. Deze vragen sluiten aan bij de elementen die in het Energierapport zijn benoemd en die in de Energiedialoog veelvuldig aan de orde zijn geweest. Tezamen met het Energierapport, de uitkomsten van de Energiedialoog, de evaluatie van het Energieakkoord en de Energieagenda, die voor het eind van dit jaar zal verschijnen, ligt er een goede basis om het beleid voor de energietransitie op de lange termijn verder vorm te geven. Daarbij zal de uitwerking van het beleid voor de periode na 2020 moeten passen binnen de nieuwe Europese kaders van het energie- en klimaatbeleid en de Europese uitwerking van het Klimaatakkoord. Aangezien wereldwijd de ontwikkelingen op het gebied van hernieuwbare energie een enorme vlucht hebben genomen, zal tevens beoogd worden aangehaakt te blijven bij mondiale innovaties waar die voor Nederland relevant zijn.

Nationale Energieverkenning 2016

De NEV 2016 geeft een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen in de Nederlandse energievoorziening en een doorkijk naar de verwachte ontwikkelingen voor de periode tot 2035. In het bijzonder geeft de NEV inzicht in de voortgang richting de doelen van het Energieakkoord. Hieronder ga ik in op de conclusies in de NEV 2016 over de realisatie van de doelen uit het Energieakkoord. Daarnaast ga ik in op de verwachtingen in de NEV 2016 ten aanzien van de broeikasgasemissies in Nederland richting 2020.

Doelen Energieakkoord

Uit de NEV 2016 blijkt dat we op koers liggen om drie van de vijf doelen uit het Energieakkoord te halen. Het doel van 16% hernieuwbare energie in 2023 ligt binnen bereik, het energiebesparingstempo ligt tot 2020 op 1,5% per jaar en in de periode tussen 2014 en 2020 worden door het Energieakkoord 90.000 extra arbeidsjaren gerealiseerd. Daartegenover staat dat de doelen van 14% hernieuwbare energie en 100 PJ extra energiebesparing in 2020 volgens de doorrekening uit de NEV 2016 nog niet gehaald worden. Het aandeel hernieuwbare energie in 2020 is volgens de NEV 2016 12,7% en er wordt in 2020 68 PJ extra energiebesparing gerealiseerd. Het beeld hierover in de NEV 2016 is echter nog niet volledig. Op basis van de NEV 2015 heb ik het afgelopen jaar met de partijen bij het Energieakkoord gewerkt aan extra maatregelen om alle doelen binnen bereik te brengen. Dit heeft geresulteerd in een intensiveringspakket dat partijen in april jl. zijn overeengekomen (Kamerstuk 30 196, nr. 456). Op basis van dit pakket hebben alle partijen uitgesproken er vertrouwen in te hebben dat de doelen binnen bereik zijn. Nog niet alle maatregelen uit dit pakket zijn meegenomen in de NEV 2016. Wanneer al deze maatregelen wel meegenomen zouden worden in de ramingen van de NEV, ben ik ervan overtuigd dat we opnieuw met alle Energieakkoord-partijen zullen concluderen dat alle doelen binnen bereik zijn.

Hernieuwbare energie

De NEV 2016 laat zien dat het doel van 16% hernieuwbare energie in 2023 binnen bereik is. De komende jaren zal er een versnelling van de groei van het aandeel hernieuwbare energie plaatsvinden, aangejaagd door de afspraken uit het Energieakkoord. De energietransitie komt op gang: vijf oude kolencentrales zijn of worden gesloten, steeds meer daken zijn voorzien van zonnepanelen en de komende jaren worden de vijf grootste windparken op zee ter wereld gebouwd. Ook de participatie van burgers in de energietransitie neemt toe. We zien een groeiend aantal lokale energiecollectieven die zich richten op hernieuwbare energieproductie, energiebesparing en collectieve inkoop van zonnepanelen en energie.

Het doel van 14% hernieuwbare energie in 2020 wordt volgens de NEV 2016 vooralsnog niet behaald. De belangrijkste reden hiervoor is dat het doel van 6.000 MW wind op land in 2020 nog niet volledig gerealiseerd zou zijn. In de NEV 2016 wordt verwacht dat in 2020 ruim 5.000 MW wordt gerealiseerd. In de meest recente Monitor Wind op Land van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt uitgegaan van ruim 5.200 MW wind op land in 2020. Tussen de partijen in het kernteam Wind op Land is een gezamenlijk actieplan afgesproken en vindt er intensief overleg plaats om de 6.000 MW wind op land in 2020 binnen bereik te brengen. Ik constateer dat het behalen van de 6.000 MW een grote opgave is en zie de NEV als een extra signaal om de intensieve samenwerking in het kernteam Wind op Land te continueren.

Zoals hierboven aangegeven, zijn in de NEV 2016 niet alle maatregelen meegenomen die de afgelopen maanden in gang zijn gezet, omdat deze op 1 mei nog onvoldoende concreet waren uitgewerkt. Het betreft de volgende maatregelen:

  • Aparte openstelling voor monomestvergisting op boerderijschaal: Via een aparte openstelling van de SDE+ in 2017 stel ik € 150 miljoen beschikbaar om versneld 200 monomestvergisters te realiseren. FrieslandCampina heeft aangegeven te verwachten dat er in 2020 1.000 monomestvergisters in gebruik kunnen zijn.

  • Geothermie: De garantieregeling Aardwarmte wordt de komende vijf jaren jaarlijks opengesteld. Met de sector wordt er bovendien gekeken naar het verbeteren van de financierbaarheid van geothermieprojecten en ik werk samen met EBN en TNO aan een pilotproject rond ultradiepe geothermie. Hiermee kan zowel in 2020 als in 2023 extra hernieuwbare energieproductie gerealiseerd worden.

  • ISDE-regeling: Dit jaar heb ik voor het eerst deze nieuwe regeling voor kleinschalige hernieuwbare warmteprojecten opengesteld. Hoewel de benutting van de regeling relatief langzaam op gang is gekomen, worden er meer aanvragen verwacht voor 2017. De sector, onder leiding van de Nederlandse Verenging voor Duurzame Energie (NVDE), zal de regeling met extra promotie onder de aandacht brengen en zorgen dat burgers en bedrijven ontzorgd worden bij het kiezen voor een duurzaam alternatief voor hun gasketel. Bij de nieuwe openstelling in 2017 neem ik de ervaringen van het afgelopen jaar mee.

  • Biomassa en biostoom in SDE+ 2017: Om hernieuwbare warmteopties zoals kleinschalige biomassaketels en biostoom-installaties in de industrie verder te ondersteunen, zal ik in de SDE+ 2017 de ondergrens voor het minimale vermogen van deze ketels en installaties verlagen, zodat zij voor een groter segment van de markt aantrekkelijker worden.

  • Evaluatie salderingsregeling: Ik heb eerder aangegeven dat de salderingsregeling in elk geval zal blijven bestaan tot 2020 en dat er een overgangsregeling zal komen voor mensen die er op dat moment gebruik van maken. Door snel duidelijkheid te verschaffen over de toekomst van salderen na 2020 verwacht ik de nu al sterke groei van zonne-energie verder te kunnen ondersteunen.

  • Versnellingstafels: Met een groot aantal partners uit het Energieakkoord wordt in zogenaamde versnellingstafels samengewerkt om concrete hernieuwbare energieprojecten te versnellen en nieuwe projecten te realiseren. Hierbij ligt het voortouw met name bij de NVDE. Ik heb een apart programmabureau ingericht om de uitvoering van de afspraken uit de versnellingstafels te ondersteunen. Dit programmabureau ondersteunt ook projecten voor energiebesparing.

Naast deze acties die specifiek gericht zijn op het realiseren van meer hernieuwbare energie zal er ook een Energietransitie Financieringsfaciliteit (ETFF) door de BNG Bank in samenwerking met het NIA worden opengesteld. De ETFF zich richt op zowel hernieuwbare energie- als energiebesparingsprojecten en zal – in eerste aanleg – € 100 miljoen aan achtergestelde leningen verstrekken voor energietransitie-projecten die momenteel door een te kleine inbreng van risicodragend vermogen niet financierbaar zijn. De faciliteit biedt oplossingen voor in de kern economisch en technologisch gezonde investeringsprojecten die worden geconfronteerd met verschillende financieringsknelpunten, zoals lange terugverdientijden, (te) beperkte schaal, niet behorend tot de kernactiviteiten van de kernondernemingen, noodzaak tot «off-balance» financiering en/of nieuwheid van de technologie. Met de ETFF kunnen energieprojecten die nu nog over onvoldoende eigen vermogen beschikken, (eerder) gerealiseerd worden. Het gaat bij de ETFF in eerste instantie om projecten op het gebied van aardwarmte, energiebesparing, energieopslag en biomassa. Het Ministerie van Economische Zaken verstrekt een garantie van 80% voor een «ETFF-luik» onder de regeling Garantie Ondernemingsfinanciering. Voorts heeft de Europese Investeringsbank (EIB) – in het kader van EFSI (de «Junckermiddelen») – de intentie uitgesproken om al bij de openstelling de ETFF via cofinanciering te verdubbelen. De openstelling, die voorzien is voor het einde van dit jaar, is afhankelijk van de omstandigheid dat de Europese Commissie geen bezwaren opwerpt tegen de ETFF.

Energiebesparing

Voor wat betreft het doel van 100 PJ extra energiebesparing in 2020 laat de NEV 2016 een duidelijke verbetering zien ten opzichte van de NEV 2015. Daarbij past eveneens de kanttekening dat in de NEV 2016 de twee belangrijke afspraken uit het intensiveringspakket van april jl. nog niet zijn meegenomen: de besparingsverplichting in de gebouwde omgeving en de aanpak om 9 PJ energiebesparing in de energie-intensieve industrie te realiseren.

Zoals ik in mijn brief over het intensiveringspakket van 28 april jl. (Kamerstuk 30 196, nr. 456) heb aangegeven, zal ik in overleg met de Energieakkoord-partijen op korte termijn een keuze maken over de twee varianten die wij hebben uitgewerkt voor een besparingsverplichting in de gebouwde omgeving. Daarbij is voor mij wel duidelijk er bij deze keuze geen sprake kan zijn van een extra heffing op de energierekening van burgers en bedrijven. Met deze verplichting kan 15 PJ en mogelijk zelfs 20 PJ extra energiebesparing worden behaald. Zoals in de NEV 2016 is aangegeven, zal effectieve implementatie van een besparingsverplichting een opwaarts effect op de projecties hebben.

In mijn brief van 28 april jl. heb ik daarnaast aangekondigd dat de energie-intensieve industrie tot 1 oktober de kans zou krijgen om door middel van 1-op-1 afspraken de afgesproken 9 PJ extra energiebesparing binnen bereik te krijgen. Daarbij heb ik aangegeven dat ik verplichtende maatregelen zal nemen indien dit voor 1 oktober niet zou lukken. Volgens de NEV 2016 wordt in de energie-intensieve industrie 1,5 PJ extra energiebesparing in 2020 gerealiseerd. Samen met de Energieakkoord-partijen heb ik geconstateerd dat via de 1-op-1 afspraken op dit moment geen zicht is op de afgesproken 9 PJ energiebesparing. Met de Energieakkoord-partijen heb ik afgesproken dat het bedrijfsleven nog tot medio november de tijd krijgt om een nieuw voorstel uit te werken voor de invulling van de afspraken uit het Energieakkoord. Zoals in april afgesproken bereid ik een verplichting onder de wet Milieubeheer voor, waarmee de extra 9 PJ energiebesparing gerealiseerd kan worden. Ik streef ernaar deze verplichting per 1 januari 2018 in werking te laten treden, tenzij over het nieuwe voorstel van het bedrijfsleven overeenstemming bereikt kan worden met alle Energieakkoord-partijen.

Broeikasgasreductie

Naast inzicht in de voortgang richting de doelen uit het Energieakkoord, bevat de NEV 2016 ook informatie over andere ontwikkelingen in de Nederlandse energievoorziening. Een opvallende conclusie in de NEV 2016 is dat de verwachte broeikasgasreductie in 2020 op basis van nieuwe inzichten hoger uitvalt dan in de NEV 2015 verwacht werd. In de NEV 2015 verwachtte men 19% broeikasgasreductie in 2020 ten opzichte van 1990, terwijl in de NEV 2016 een reductie van 23% wordt verwacht, met een bandbreedte van 20%–26%.

Dat in de NEV 2016 meer emissiereductie verwacht wordt, is voor 40% het gevolg van bijstellingen in de historische emissiestatistieken en voor 60% van veranderingen in de verwachte emissies in 2020. In de NEV 2016 zijn de nieuwe IPCC-richtlijnen toegepast en heeft er een bijstelling van de statistieken van de uitstoot in 1990 plaatsgevonden, waardoor de relatieve emissiereductie die bereikt wordt in 2020 hoger ligt. Ten opzichte van de NEV 2015 wordt daarnaast tot 2020 een lagere conventionele elektriciteitsproductie in Nederland verwacht en een toename van de import van elektriciteit, wat resulteert in minder CO2-emissies in Nederland. Deze elektriciteitsimport kan van jaar tot jaar verschillen. Bovendien leveren dalend gasverbruik in de gebouwde omgeving, minder inzet van WKK’s in de landbouwsector, een toename van biobrandstoffen in het verkeer en een afname van methaanuitstoot uit diverse bronnen een bijdrage aan het verminderen van de broeikasgasemissies in 2020 ten opzichte van de NEV 2015.

In de kabinetsreactie op het Interdepartementaal Beleidsonderzoek «Kostenefficiëntie CO2-reductiemaatregelen» (IBO CO2) (Kamerstuk 32 813, nr. 122) heeft het kabinet aangegeven welke additionele maatregelen zij overweegt om 25% CO2-reductie in 2020 ten opzichte van 1990 te realiseren. Deze CO2-reductie moet de Staat behalen naar aanleiding van het vonnis in de Urgenda-zaak. De nieuwe cijfers uit de NEV 2016 zullen meegenomen worden bij de uitwerking van deze maatregelen, waarover het kabinet uw Kamer voor eind november nader zal informeren.

Tot slot

Door het Energieakkoord is een versnelling in de energietransitie ingezet. Daarbij is een actief samenwerkingsverband ontstaan waarin partijen elkaar weten te vinden. Dat zal de komende jaren hard nodig blijven om verdere stappen te zetten in de energietransitie. Er zijn veel concrete maatregelen genomen waardoor de doelen gehaald kunnen worden. We zijn er echter nog niet. Uit de evaluatie van het Energieakkoord en de NEV 2016 komt naar voren dat het behalen van de doelen geen vanzelfsprekendheid is. Ik neem dit signaal serieus. De discussie hoe hiermee om te gaan moet in de eerste plaats in de Borgingscommissie Energieakkoord plaatsvinden. De aanbevelingen uit de evaluatie kunnen hierbij benut worden om te inventariseren welke acties alle ondertekenaars van het Energieakkoord nog kunnen doen om hun eigen inzet te versterken, hun achterban te mobiliseren en welke ondersteuning zij elkaar hierbij kunnen geven. Alle partijen hebben hierbij een verantwoordelijkheid. Zelf zal ik mij onverminderd blijven inzetten om, samen met de Energieakkoord-partijen, het huidige beleid te versterken en waar nodig bij te sturen om de doelen te realiseren.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.