Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201630139 nr. 164

30 139 Veteranenzorg

Nr. 164 VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG

Vastgesteld 8 juli 2016

De vaste commissie voor Defensie heeft op 20 juni 2016 overleg gevoerd met mevrouw Hennis-Plasschaert, Minister van Defensie, over:

  • de brief van de Minister van Defensie d.d. 3 juni 2016 ter aanbieding van de Veteranennota 2015–2016 (Kamerstuk 30 139, nr. 159);

  • de brief van de Minister van Defensie d.d. 16 juni 2016 met de beantwoording van vragen van de commissie over de Veteranennota 2015–2016 (Kamerstuk 30 139, nr. 163);

  • de brief van de Minister van Defensie d.d. 19 november 2015 ter aanbieding van het verslag van werkzaamheden van de Raad voor civiel-militaire Zorg en Onderzoek juli 2013 – juli 2015 (Kamerstuk 30 139, nr. 153);

  • de brief van de Minister van Defensie d.d. 15 december 2015 inzake thuisfrontcheck veteranen (Kamerstuk 30 139, nr. 154);

  • de brief van de Minister van Defensie d.d. 16 december 2015 inzake de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over een schadevergoeding van een Libanonveteraan (Kamerstuk 30 139, nr. 156);

  • de brief van de Minister van Defensie d.d. 4 maart 2016 inzake de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over een schadevergoeding van een Libanonveteraan en diverse toezeggingen (Kamerstuk 30 139, nr. 157);

  • de brief van de Minister van Defensie d.d. 1 april 2016 inzake de stand van zaken schadevergoedingen veteranen (Kamerstuk 30 139, nr. 158);

  • de brief van de Nationale ombudsman d.d. 20 april 2016 met het verslag van werkzaamheden van de Veteranenombudsman 2015 (Kamerstuk 34 410, nr. 3);

  • de brief van de Minister van Defensie d.d. 18 mei 2016 met het jaarverslag van de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG) over het jaar 2015 (Kamerstuk 34 300 X, nr. 103).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Ten Broeke

De griffier van de commissie, Van Leiden

Voorzitter: Ten Broeke

Griffier: Van Eck

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Belhaj, Ten Broeke, Bruins Slot, Jasper van Dijk, Eijsink, De Roon en Teeven,

en mevrouw Hennis-Plasschaert, Minister van Defensie.

Aanvang 10.02 uur.

De voorzitter:

Vandaag hebben we, zoals ieder jaar, kort voor Veteranendag het notaoverleg over de Veteranennota. Dat is een belangrijk debat voor de commissie voor Defensie, aan de vooravond van wat wij hopen dat een heel mooie Veteranendag zal worden. Laat het vandaag nu wij vergaderen dan maar regenen en laat zaterdag de zon mogen schijnen.

De Veteranendag is dit jaar nog iets specialer voor de Kamer, omdat de Koning – daar wil ik speciaal even op wijzen – aanstaande zaterdag om 12.30 uur in de hal van Binnenhof 1a een nieuw monument van de Staten-Generaal zal onthullen. Namens onze commissie zal mevrouw Eijsink daarbij aanwezig zijn. De beide Voorzitters zullen er vanzelfsprekend ook bij zijn. Het monument met de lijst van gevallenen tijdens oorlogen en missies tijdens en na de Tweede Wereldoorlog wordt dan onthuld. Met dit monument eren en waarderen wij de militairen die tijdens en sinds de Tweede Wereldoorlog ons land onder uitdagende en moeilijke omstandigheden hebben gediend en daarbij hun leven hebben gewaagd en verloren.

Vandaag voeren we het notaoverleg. Daarbij hanteren wij, anders dan bij het laatste notaoverleg, de zogenaamde begrotingsvolgorde. Dat houdt twee dingen in. De woordvoerders zitten al bijna in de juiste volgorde. De partijen zullen namelijk in een andere volgorde aan het woord komen dan u wellicht normaal gesproken gewend bent. Bovendien zijn de spreektijden aangepast. De spreektijd is verdeeld naar rato van de zetelgrootte in het parlement. Dat betekent dat ik vandaag begin met de Socialistische Partij. De woordvoerder daarvan is de heer Jasper van Dijk. Hij heeft net een bestelling doorgegeven, dus ik neem aan dat hij zijn eerste termijn kan aanvangen. Hij heeft daarvoor negen minuten.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Als SP spreken wij vandaag onze waardering uit voor de veteranen, de mannen en vrouwen die huis en haard verlaten en soms in extreme omstandigheden de taken van de krijgsmacht uitvoeren. Wij danken deze mannen en vrouwen voor hun inzet. We danken ook de mensen die de afgelopen jaren meewerkten aan het veteranenbeleid en de uitvoering van de Veteranenwet.

Eerst de actualiteit. Vorige week heeft de Ombudsman een uitspraak gedaan over een veteraan uit Bosnië. Hij kreeg tekortschietende zorg en geen arbeidsongeschiktheidsuitkering. Kan de Minister reageren op deze uitspraak? Wat gaat zij doen met de aanbeveling van de Ombudsman om met hem in gesprek te gaan? Wat zegt deze uitspraak over andere zaken rondom Bosniëveteranen? Is dit een precedent? Ik krijg hierop graag een reactie.

Dan de zaak rond de Libanonveteranen. Hoe gaat de Minister om met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van afgelopen december? We lezen in de brieven van de Minister dat ze in gesprek is met belangenbehartigers. Het gaat om een paar honderd claims. Gaat de Minister voor een goede regeling zorgen? Is ze daarbij bereid om te kijken naar een gemeenschappelijke deler van deze veteranen of kijkt ze naar alle zaken individueel? Wat ons betreft, kan de Minister het beter in een keer goed doen, dan dat er ellenlange zaken bij de rechter volgen.

Dit is de bottom line. Defensie stuurt mensen op pad vanwege missies, waarvan de politiek meent dat ze nodig zijn. Als deze militairen vervolgens beschadigd raken, heeft Defensie de bijzondere plicht om zorg te verlenen, niet alleen voor fysieke schade, maar ook voor psychische schade. Te vaak ontstaat nog de indruk dat Defensie militairen wel wil uitzenden, maar dat het ontbreekt aan een adequate nazorg. Ik krijg hierop graag een reactie.

In de Veteranennota zien wij dat er veel goed werk wordt verricht en gelukkig kunnen we zeggen dat het met de meeste veteranen goed gaat. Maar er liggen ook zaken die beter moeten en soms voelen wij als SP enig ongemak bij het lezen van de nota. Dan lezen we dat er zaken in 2015 niet goed zijn gegaan. Dat wordt dan onderzocht, of er komt nog een evaluatie of het onderzoek is bijna klaar en we zullen er nog van horen. Er wordt bijvoorbeeld verwezen naar de evaluatie van het beleid. Wordt daarmee niet een te rooskleurig beeld geschetst, zoals ook de vakbond AFMP stelt? In het hoofdstuk «erkenning en waardering» lezen we dat Defensie soms wel heel snel erkent dat het beleid goed is. Op pagina 17 staat dat het gevoel van erkenning en waardering op zich een zelfde hoog niveau heeft en het beleid dus voldoende effect heeft gehad. De waardering echter voor het veteranenbeleid daalde van 73% naar 67% en de waardering voor de nazorg blijft steken op 51%, nog maar net boven de helft. Wat vindt de Minister daarvan? Is het beeld dat geschetst wordt dus niet iets te rooskleurig?

Vorig jaar is ook gesproken over het posttraumatische stressstoornis (PTSS)-protocol. De Veteranenombudsman had daar ook al aandacht voor gevraagd, maar de evaluatie van het protocol is er nog niet. Daar moet nog naar gekeken worden. Wanneer gaat de Minister dat doen?

Een ander knelpunt zijn de nazorgvragenlijsten. Ook daar is eerder over gesproken. Het inleveren hiervan is niet verbeterd ondanks een brief van de Commandant der Strijdkrachten (CDS). Defensie gaat zelf uit van een verplichting voor de militair, maar het invullen blijft problematisch. Gaat de Minister op zoek naar andere oplossingen om dit te verbeteren? Zijn de vragen over van de ombudsman over de representativiteit van de huidige cijfers en de achterliggende redenen niet terecht?

We lezen dat er een groeiende vraag om hulp is. Jonge veteranen vragen om meer hulp. De workload aan alle kanten wordt dus groter en dat knelt. Het Veteranenloket is geëvalueerd. Er is een dertigtal aandachtspunten. De Minister schrijft dat het Veteraneninstituut met een plan komt om hieraan wat te doen. In de evaluatie wordt ook ingegaan op de doorontwikkeling, maar de groeiende vraag is niet alleen van de toekomst maar ook van nu. Er komen wel wat extra fte's, maar wordt er nu voldoende ingezet op de groeiende vraag? Kan de Minister de garantie geven dat er echt slagen worden gemaakt, waarop we haar in de volgende Veteranennota kunnen aanspreken? Een belangrijk punt zijn de kortere doorlooptijden. Gaat het programma Prompte Zorg dit oplossen?

Er was ook al eerder aandacht voor de zorg voor het thuisfront. We lezen in de nota dat Defensie onderzoekt of een aanvullend zorgaanbod kan worden toegepast. Bij de evaluatie zal hiernaar specifiek aandacht uitgaan. Welke concrete maatregelen worden er nu genomen? Is de Minister van plan om actiever, individueler, bij de militair en het thuisfront na te gaan welke hulp echt nodig is? Welk maatwerk is daarbij nodig? Er is ook een enquête van vakbond AFMP waaruit blijkt dat zaken beter moeten. Erkent de Minister deze enquête en is zij bereid om de aanbevelingen die daaruit voortvloeien op te pakken?

Ik sluit af met de uitzendbescherming. Blijft de Minister de minimale bescherming in de vorm van «één periode weg, twee periodes rust» respecteren? Blijft de betrokken militair in die rustperiode verschoond van trainingen et cetera? Zo niet, dan is er geen sprake van echte rust in die periode. Ik heb al eerder gepleit voor een recht op uitzendbescherming.

De voorzitter:

Mijnheer Van Dijk, u hebt 6 minuten en 50 seconden gesproken. Dan kunt u zelf uitrekenen hoeveel tijd u nog ter beschikking hebt in uw tweede termijn.

De heer Teeven (VVD):

Voorzitter. Ook de VVD heeft veel waardering voor de veteranen die in de afgelopen jaren hun moeilijke werk hebben gedaan en dat nog steeds doen. Laten we dus de postactieve noch de actieve veteranen vergeten. Ook veel dank aan hen die het systeem hebben opgezet en vooral ook aan hen die ermee werken en zich bezighouden met de zorg voor veteranen. Het is aanzienlijk verbeterd in de afgelopen jaren. De Minister die dit in deze periode heeft opgebouwd, verdient dan ook waardering van onze fractie.

Het is misschien wel eens goed om te bekijken hoe veteranen zelf terugkijken op hun uitzending. Drie kwart van de veteranen kijkt positief terug op een uitzending. Zij voelen zich ook gewaardeerd. 74% van de veteranen heeft geen problemen ervaren na terugkomst. Andere landen, waaronder Duitsland en Frankrijk, kijken ook naar het Nederlandse veteranenbeleid en de wijze waarop daar in Nederland invulling aan wordt gegeven. Het is nog steeds zo dat meer dan drie kwart van de Nederlandse bevolking positief staat tegenover veteranen. Een veteraan wordt omschreven als plichtsgetrouw, behulpzaam, moedig, dapper en trots. Dat is een goede zaak. Over het geheel genomen, kijkend naar de hele periode waarin we ons bezighouden met veteranenbeleid, kun je zeggen dat ongeveer 95% van de veteranen trots is op wat hij of zij heeft gedaan en geen problemen ondervindt. 5% ondervindt wel problemen. Dat betekent niet dat we niet naar die 4% of 5% moeten kijken. Die veteranen moeten alle aandacht krijgen die zij verdienen, maar we moeten ook kijken naar die 94% of 95% die trots is en heel vaak tegen ons zegt: ik vind het fantastisch dat ik veteraan ben geweest en ik kijk daar met veel plezier op terug; het heeft mij een ervaring gegeven voor de rest van mijn leven. Ik ben het echter geheel met de heer Van Dijk eens dat dit niet uitsluit dat we kritisch moeten zijn als het gaat om de vraag of de mensen die zorg behoeven, die ook krijgen.

Ik heb allereerst wat opmerkingen over het thuisfront. Ik denk dat het heel belangrijk is dat er een goed thuisfront is. Dat kan er ook voor zorgen dat veteranen geen problemen ondervinden. Het thuisfront is van grote waarde, maar we moeten ervoor zorgen dat de beloften die zien op het belang van het thuisfront, geen loze beloften zijn. Hoeveel subsidie wordt op dit moment verstrekt aan private thuisfrontorganisaties? We hebben de Defensieorganisatie Thuisfront, die veel doet, maar hoeveel subsidie is er de afgelopen jaren verstrekt aan private thuisfrontorganisaties? Kan de Minister daar iets over zeggen? De antwoorden die zijn gegeven naar aanleiding van de vragenlijsten van de FNV geven geen vrolijk beeld. Hoe denkt de Minister dit te gaan verbeteren? Hebben de commandanten bij Defensie het belang van het thuisfront scherp op het netvlies? In een vorig algemeen overleg heb ik aan de Minister gevraagd of het klopt dat militairen pas laat horen dat ze worden uitgezonden. Op die vraag heb ik nog geen antwoord mogen ontvangen. Uit de antwoorden naar aanleiding van de vragenlijsten van de FNV komt naar voren dat dit juist een van de dingen is waar het thuisfront geïrriteerd over is.

Ik kom op het Veteranenloket. De Kamer heeft vorige week met een groot aantal vertegenwoordigers van veteranenorganisaties gesproken. Uit die gesprekken komt het beeld naar voren dat het Veteranenloket in de afgelopen jaren een fantastisch goede invulling heeft gegeven aan de zorgen die er zijn, maar dat het de laatste tijd knelt. Dat blijkt ook een beetje uit de feitelijke antwoorden van de Minister op de Kamervragen, waarvoor ik haar overigens dank. Er is extra menskracht gekomen, maar er is een misverstand over het precieze aantal fte's. In sommige antwoorden staat dat het om drie fte's gaat, terwijl verderop in de beantwoording staat dat het om vier fte's gaat. Ondanks de extra menskracht die bij het Veteranenloket is gekomen – die mensen zijn overigens nog niet geheel ingewerkt – zou een en ander problematisch zijn. Het is niet duidelijk hoe groot de achterstanden precies zijn, maar uit de beantwoording en de gesprekken die wij met de vertegenwoordigers van het Veteranenloket en de organisaties hebben gevoerd, blijkt wel dat die oplopen. Moet er niet scherper geprioriteerd worden door het Veteranenloket? Er komen bij het Veteranenloket immers mensen die even kunnen wachten en mensen die helemaal niet kunnen wachten. Moet daar geen onderscheid tussen worden gemaakt? Moeten we die prioritering ook niet bekend maken aan mensen? Moeten we in de voorlichtende sfeer de verwachtingen niet soms een beetje temperen door de prioritering wat scherper aan te geven? Je kunt iedereen die komt willen helpen, maar dat lukt niet altijd.

De Bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers (BNMO) heeft in het laatste overleg dat we met hem hebben gehad de vraag opgeworpen of het loket niet alleen voor veteranen open zou moeten staan, maar ook voor andere dienstslachtoffers. Ik zou graag enige reflectie horen van de Minister wat haar standpunt is op dat onderdeel. Moet het Veteranenloket alleen voor veteranen zijn of ook voor andere dienstslachtoffers?

Er worden maatregelen genomen door Defensie wat betreft het bedrijfsmaatschappelijk werk. Vindt de Minister dat die maatregelen ook al zichtbaar zijn als het gaat om de capaciteit daarvoor? Vindt zij het wenselijk dat de wachtlijsten bij het Veteranenloket oplopen? Is zij voornemens meer budget beschikbaar te stellen? Is die ruimte er? Ik heb in de beantwoording gezien dat er al extra budget is gekomen, maar de vraag die daarbij aan de orde is, is of dat budget alleen uit de Defensiebegroting moet komen, of ook uit de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Dat is een serieuze vraag. Dat geldt overigens voor veel meer onderdelen van het veteranenbeleid. Ik heb begrepen dat een van de collega's daar ook nog iets over zal zeggen.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

De heer Teeven snijdt een terecht punt aan over de capaciteit van het Veteranenloket. De keten is zo sterk als de zwakste schakel. Het gaat niet alleen over de mensen achter het loket, maar ook over de zorg die door Stichting de Basis wordt geleverd of over de medisch-specialistische zorg en de geestelijke gezondheidszorg. Als de heer Teeven vraagt om meer geld, gaat het dan alleen over het Veteranenloket of ook over de zorg en ondersteuning die daarna komen?

De heer Teeven (VVD):

Het is tweeërlei. Enerzijds gaat het om de zorg die het Veteranenloket levert. De wachtlijsten moeten niet oplopen. Wanneer dat wel gebeurt, moet je scherp prioriteren. Dat is de eerste zorg. Het is de vraag of drie, vier fte's – de beantwoording op dat punt verschilt – voldoende zijn, zelfs als die mensen volledig zijn ingewerkt. Anderzijds gaat het om de zorg die achter het Veteranenloket wegkomt, de zorg die door Stichting de Basis wordt geleverd, de zorg die door het bedrijfsmaatschappelijk werk wordt geleverd, waarover ik wat vragen heb gesteld, maar ook de zorg die door het Centraal Militair Hospitaal in Utrecht wordt geleverd. Ook op dat punt zien we dat er tekorten zijn bij het Centraal Militair Hospitaal. De VVD-fractie heeft daar ook zorgen over. De capaciteit daar is moeizaam. De vraag is – die heb ik niet kunnen beantwoorden vandaag; daarom vraag ik het aan de regering – of het iets is wat alleen uit het Defensiebudget moet komen, of ook uit het budget van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of uit andere onderdelen van de rijksbegroting. Die vraag ligt nu voor.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Ik sluit aan bij de vraag van collega mevrouw Bruins Slot. Mijn vraag gaat over wat de heer Teeven zojuist inbracht en is tweeledig. We hebben een onderzoek gehad naar hoe het gaat met de veteranen. Dat is een uitstekend onderzoek. Het is een soort basismeting wat veteranen nodig hebben. Er komt verder onderzoek, dat ons duidelijk moet maken welke kwaliteitsmetingen er nodig zijn. Je hebt onderzoek nodig om te zien wat er nodig is in de toekomst, direct en op langere termijn. De Minister heeft al eerder gezegd – ik meen dat dit was tijdens ons eerste notaoverleg met haar – dat er, wat er ook gebeurt, altijd voldoende geld en middelen zijn voor de zorg voor veteranen, voor, tijdens en na de missie. Ongeacht of dat alleen Defensiebreed of regeringbreed is, is de heer Teeven het met mij eens dat dit gewoon blijft staan? Ik ben met de heer Teeven eens dat dit mogelijk ook betrekking heeft op VWS of andere departementen, maar het kan niet alleen uit de Defensiebegroting komen. Het moet breed door de regering gesteund worden en er moeten altijd voldoende middelen zijn.

De heer Teeven (VVD):

Dat is precies wat de heer Van Dijk al zei: als de politiek beslissingen neemt om militairen op missie te sturen en die militairen vervolgens problemen hebben, dan zal het Rijk ervoor moeten zorgen dat de militairen die op missie zijn geweest, worden geholpen. Ongeacht of het gaat om militairen die deze hulp pas nodig hebben nadat zij de dienst hebben verlaten of om militairen die nog in actieve dienst zijn, zullen zij die zorg moeten krijgen. Dat ben ik geheel met mevrouw Eijsink eens. De vraag is alleen waar dat uit het Defensiebudget gaat. Dat is natuurlijk wel een reële vraag.

Over de treinreis op Veteranendag wil ik niet langer dan twintig seconden iets zeggen. Je kunt je afvragen of het nu op de wenselijkste wijze is geregeld voor de actieve veteranen. Wij merken dat operationeel commandanten, leidinggevend in de functionele lijn, soms over die declaratie zeggen: was dat nou allemaal wel nodig? Er zijn ook operationeel commandanten die tegen actieve militairen die met de NS naar Veterendag willen, zeggen: het is prima dat je gaat, maar die declaratie laat je maar even achterwege. Heeft de Minister er een scherp beeld van of dit voor actieve militairen nu goed functioneert? Ik heb de beantwoording van de vragen gezien, maar moet er misschien een andere regeling komen, die inhoudt dat het kaartje wordt vergoed voor mensen in uniform die op Veteranendag naar Den Haag willen reizen? Meer wil ik hier niet over zeggen. Ik hoor wel wat de Minister hierover zegt. Ik zal hier geen motie over indienen, maar voor de VVD-fractie staat in ieder geval vast dat dit niet helemaal goed werkt.

De schadevergoeding en de Centrale Raad van Beroep vormen een heel apart onderwerp. Ik moet de heer Van Dijk nazeggen dat de CRvB heeft geoordeeld dat Defensie tekort is geschoten, omdat er geen nazorg is geboden toen er op enig moment na de uitzending naar Libanon wel aanwijzingen waren. Defensie overlegt met de belangenorganisaties. De Minister geeft aan dat er op dit moment een onderzoek plaatsvindt. Kan zij enigszins aangeven of het tijdpad van dat onderzoek haalbaar is? Dit gaat om het vrij uitgebreide antwoord op vraag 7, waarin melding wordt gemaakt van een onderzoek. Ik hoor graag van de Minister wanneer dat onderzoek gereed is.

Dit brengt ook de vraag met zich mee of de ramingen de laatste jaar wel realistisch zijn geweest; dat heeft betrekking op het antwoord op vraag 8. Moeten die ramingen voor de schadevergoedingen niet omhoog? Kan de Minister daar enige duidelijkheid over geven?

Een soortgelijke vraag heb ik over het PTSS-protocol. Dat is een belangrijk onderwerp. Ook op dat punt loopt er een onderzoek. Liggen de oplevering van dat PTSS-protocol en het onderzoek op schema en zijn er op dit punt nog problemen te verwachten? Waar denkt de Minister nog tegenaan te lopen wanneer dat onderzoek is afgerond?

Wanneer zijn het beleid en de regelgeving met betrekking tot het Draaginsigne Gewonden klaar? We hebben moeten constateren dat er in het geval van psychisch letsel problemen zijn met betrekking tot de toekenning van het draaginsigne. Wanneer kan het onderzoek volgens de Minister worden afgerond?

Ik heb al iets gezegd over het Centraal militair Hospitaal. Wij hebben zorgen over de capaciteit daarvan. Welke afspraken zijn er gemaakt in verband met de civiele tweedelijnsinstellingen? Welke concrete taakverdeling is er gemaakt tussen het benutten van de capaciteit van het Centraal Militair Hospitaal en de civiele instellingen?

Over de nazorgvragenlijsten hebben wij minder zorgen. Wij zouden graag zien dat er niet een heel bureaucratisch systeem wordt opgezet binnen Defensie om er toch maar vooral voor te zorgen dat die percentages omhooggaan. Daar hebben wij vorig jaar ook al iets over gezegd. De meerderheid van de Kamer leek het heel belangrijk te vinden dat al die nazorglijsten binnenkwamen, ook van militairen die geen behoefte hebben aan nazorg. Hoewel de CDS hierop heeft gewezen, blijft de mate van beantwoording laag en gaat het percentage niet omhoog. Die verwachting hadden wij eigenlijk vorig jaar al. Hier moet wel op in worden gezet, maar voor de VVD-fractie moet dit absoluut geen hoge prioriteit hebben. Wij vinden de uitvoering van de nazorg namelijk veel belangrijker dan het retourneren van die vragenlijsten.

Er zit een inconsequentie in het antwoord van vraag 109 over probleemdossiers van veteranen. Mijn rechterbuurman, de heer Van Dijk, heeft dat in zijn algemeenheid al aan de orde gesteld. In de beantwoording van vraag 109 zit iets raars. In de eerste regel staat: «Zoals in de Veteranennota is gemeld, gaat het om ongeveer veertig dossiers.» Vervolgens staat er twee regels verder: «Voor alle dossiers is een oplossing gevonden.» Ik vraag de Minister: zijn er nou nog 40 probleemdossiers van veteranen waar nog geen oplossing voor is, of is het zoals twee regels verder staat, namelijk dat voor alle dossiers een oplossing is gevonden? Ik was even het zicht kwijt. Ik hoop dat het het laatste is, maar ik denk dat het het eerste is, wat best zou kunnen. Kan de Minister dan meteen aangeven wat de kern is van de problemen die er op dit moment nog zijn?

Ik kom tot het laatste, en dan heb ik al wel genoeg gesproken. De waardering moet wel een beetje overheersen op dit dossier. Het is puntjes op de i zetten als je zo veel spreektijd hebt. Mijn vraag gaat over de Centrale Raad van Beroep in relatie tot een onderwerp dat de VVD vorig jaar ook al op de agenda heeft gezet. Ik weet niet wie de vragensteller is, want dat weet je nooit bij de feitelijke vragen, maar er wordt in vraag 123 gevraagd wat voor Defensie de reden is geweest om in 2015 elfmaal cassatie in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep. Het antwoord luidt: «Omdat Defensie of betrokken veteraan zich niet konden vinden in de uitspraak van de rechtbank.» Ik vraag de Minister om enige verdieping. We hadden vorig jaar afgesproken dat alleen maar cassatie bij de Centrale Raad van Beroep zou worden ingesteld als het echt een richtinggevende uitspraak betrof. Ik hoor graag hoeveel keer Defensie in cassatie is gegaan en of het daarbij ging om een uitspraak waarin Defensie zich ten gronde niet kon vinden omdat de lijn verkeerd was, wat zou leiden tot heel veel toekenningen. Of was het toch nog een beetje het uitvechten van individuele zaken? Daaraan heeft de VVD-fractie geen behoefte als de lijn al duidelijk is.

Ik zeg, tot slot, dat de waardering overheerst, voor 95%. Dit was een beetje puntjes op de i zetten, voor 5%. Zo wil ik het ook tegen de Minister zeggen.

De voorzitter:

Voordat u een punt achter uw eerste termijn zet: er is nog een vraag van de heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De heer Teeven noemde zelf ook al de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over de Libanonveteraan. Aanvankelijk had de Minister gezegd dat ze zou proberen om daar in juni uitsluitsel over te geven. Nu lezen we in antwoord op de feitelijke vragen dat «naar verwachting deze zomer» het onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep zal zijn voltooid. De heer Teeven heeft, als ik goed ben geïnformeerd, al eerder aan de Minister gevraagd of het niet mogelijk is om voor deze veteranen een gemeenschappelijke deler te vinden. Hoe kwalificeert hij nu de gang van zaken? Moeten we niet erkennen dat de zaak op deze manier een beetje wordt vertraagd? De heer Teeven weet net zo goed als ik dat het soms om uiterst ernstige gevallen gaat, om mensen die compleet geruïneerd zijn en wachten op hulp van Defensie.

De heer Teeven (VVD):

Volgens mij ziet de heer Van Dijk ook wel dat we beiden aan hetzelfde eind van het touw staan te trekken. Mijn vraagstelling was iets vriendelijker dan die van de heer Van Dijk en mijn vraagstelling aan de Minister is een stukje vriendelijker dan de vraagstelling van de heer Van Dijk aan mij. De essentie is echter dezelfde: hoeveel van die elf zaken zijn zaken waar individueel nog wat wordt uitgevochten en kun je aan de hand van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep niet een lijn ontdekken waarlangs je vervolgens een aantal schadeclaims sneller kunt afdoen? Ik vind eigenlijk hetzelfde als de heer Van Dijk. Vandaag probeer ik – dat is dat puntjes op de i zetten – wat meer duidelijkheid te krijgen. Wat is nou de vertaling van die ene uitspraak van de Centrale Raad van Beroep naar een aantal individuele schadeclaims? Kan Defensie dat wat sneller doen? En wat zijn die elf zaken die nu nog bij de Centrale Raad van Beroep liggen? Zijn dat totaal andere soorten claims, of is er wel enige vergelijking te maken tussen die ene uitspraak en de elf claims die er nog liggen? En wordt die ene uitspraak dan doorvertaald naar al die individuele dossiers die er nog liggen? We begrijpen dat vertraging in tijd soms onontkoombaar is met het oog op de zorgvuldigheid die de Minister moet betrachten, maar tegelijkertijd gaat het wel ook om individuele zaken waarbij je er de snelheid in moet houden. Dat wringt.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat snap ik. Tegelijk weet de heer Teeven ongetwijfeld ook dat er vandaag veteranen zijn die meekijken met dit debat en die verwachtingen hebben, juist omdat de Minister aanvankelijk zei dat ze in juni uitsluitsel zou geven. Dat is vandaag. Het zou mooi zijn als er vandaag bij dit debat wat meer helderheid komt. Vindt de heer Teeven ook dat wij alles op alles moeten zetten om deze mensen zo snel mogelijk duidelijkheid te geven?

De heer Teeven (VVD):

Ik vind dat de Minister tijdens de beantwoording vandaag in dit debat moet aangeven wat de reden voor de vertraging is. Dat zal ze zeker doen. Daar heb ik alle vertrouwen in. Als die vertraging te maken heeft met het feit dat Defensie uitermate veel zorgvuldigheid moet betrachten, snapt de VVD-fractie dat. Tegelijkertijd moet de vaart er echter ook in blijven.

De voorzitter:

Mijnheer Teeven, u hebt dertien minuten en veertig seconden van uw spreektijd gebruikt. U weet dus hoeveel tijd u nog over hebt voor de tweede termijn.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Voorzitter. Het CDA is trots op de Nederlandse veteranen. Zij leveren een belangrijke bijdrage aan het leven in vrede en veiligheid in alle delen van de wereld. Zij hebben met gevaar voor hun eigen leven in de meest uiteenlopende omstandigheden hun werk als militair gedaan. Dat verdient erkenning en waardering. Er moet erkenning zijn voor de zwaarte van het werk dat ze hebben gedaan en ook voor de buitengewoon moeilijke omstandigheden waarin ze soms geopereerd hebben. Er moet ook waardering zijn voor het feit dat zij dit voor andere mensen hebben willen doen en dat ze hierbij het hoogste offer hebben willen brengen.

Op dit moment kent Nederland meer dan 115.000 veteranen. Een groot aantal van die veteranen zijn vaak jonge mensen. Zij zijn nog aan het werk, vaak inmiddels niet meer bij Defensie, maar bij de overheid en het bedrijfsleven. De kwaliteiten die zij tijdens hun werk bij Defensie hebben geleerd, kunnen ze bij hun nieuwe werk goed gebruiken. Ze hebben doorzettingsvermogen, kunnen goed samenwerken en een klus afmaken. Bovendien houden zij zich aan afspraken. De uitzending is voor hen een positieve levenservaring geweest. De heer Teeven zei dat ook al.

Dat neemt niet weg dat er natuurlijk ook veteranen zijn met wie het niet goed gegaan is. Tijdens de uitzending hebben zij ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt die hen fysiek of psychisch verwond hebben. Hun reactie op de abnormale omstandigheden waarin zij als militairen hebben moeten opereren, is eigenlijk normaal. Voor hen is goede begeleiding en zorg belangrijk. Het CDA vindt het belangrijk dat er daarbij ook aandacht is voor het thuisfront, de familie. Het thuisfront is onmisbaar bij de goede zorg voor veteranen, want dat is zelf natuurlijk ook op uitzending. Voor enkele maanden draagt het thuisfront bijvoorbeeld alleen de zorg voor de opvoeding van de kinderen. Alles thuis komt op de het thuisfront af, want op dat moment is de partner, de militair die op uitzending is, er niet om op terug te vallen.

Defensie heeft de ondersteuning van het thuisfront voor en tijdens de uitzending aardig op orde. Maar als de veteraan thuiskomt, is de uitzending ook voor het thuisfront nog niet klaar. Het CDA zou willen dat er meer aandacht komt voor ondersteuning van de veteraan en vooral ook van het thuisfront na de uitzending, als het thuisfront daar natuurlijk behoefte aan heeft. Wat wil de Minister doen om het thuisfront meer ondersteuning te geven na de uitzending? Ze verwijst in de beantwoording van de schriftelijke vragen naar de evaluatie, maar dat vind ik een beetje een mager antwoord op het moment dat wij ook spreken over veteranen.

Het CDA complimenteert de medewerkers van het Veteranenloket, de zorgcoördinatoren en de maatschappelijke hulpverleners, met het goede werk dat zij doen. Het CDA krijgt tegelijkertijd duidelijke aanwijzingen dat de capaciteit van het Veteranenloket, de zorgcoördinatoren en de zorgverlening echt continu onder druk staat. In de verschillende documenten die de Kamer heeft ontvangen, kondigt de Minister een aantal maatregelen aan. Wat gaat de Minister de komende tijd concreet doen om ervoor te zorgen dat er voldoende capaciteit blijft, ook op de langere termijn? De medewerkers die dat werk doen, moeten namelijk overeind blijven.

Ik ben voor het CDA ook woordvoerder op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg. Regelmatig heb ik daarover debatten met de Minister van VWS. De laatste tijd gaan die debatten vooral over het feit dat er steeds meer wachtlijsten komen in de geestelijke gezondheidszorg. De zorg staat onder druk en mensen dreigen tussen wal en schip te raken. De Minister van VWS heeft de Kamer toegezegd dat zij een overzicht gaat publiceren van de wachtlijsten en de wachttijden die er zijn bij de geestelijke gezondheidszorg. Ik wil hetzelfde vragen aan de Minister van Defensie. Wil zij het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen vragen om de wachttijden per instelling centraal te registreren? Dat gebeurt nu namelijk niet. Daardoor hebben wij geen goed inzicht in hoelang mensen eigenlijk moeten wachten en hoelang ze overbruggingszorg krijgen. Het gaat daarbij om de wachttijd voor intake, de wachttijd voor de diagnose en de wachttijd voor de start van de behandeling. Als je dat bij elkaar optelt, kan het soms maanden verder zijn voordat een veteraan daadwerkelijk gepaste zorg krijgt. Kan de Minister de Tweede Kamer hierover regelmatig informeren?

Tijdens de voorbereiding op de uitzending is er altijd een uitzendconferentie. De geestelijke verzorgers hebben daar een belangrijke bijdrage in, want zij organiseren deze conferentie. Het is een goed moment voor de militair die op uitzending gaat, voor bezinning, het vergroten van de geestelijke weerbaarheid en de persoonlijke veerkracht en om het te hebben over het nut van de missie en de morele grenzen die gelden bij het optreden in een missie.

In de afgelopen jaren zagen wij dat de deelname van militairen aan die uitzendconferenties een dalende lijn laat zien. In 2015 wordt door nog maar een op de vijf militairen deelgenomen aan zo'n uitzendconferentie. Wat wil de Minister doen om de deelname aan de uitzendconferentie te vergroten? Deze kan een belangrijke bijdrage leveren aan de veerkracht van de militair. Is zij bereid om daarvoor een streefcijfer vast te leggen of is dat volgens haar niet nodig en kan dat op een andere manier worden verbeterd?

Een terugkerend punt, waar we het een paar keer over hebben gehad met de Veteranenombudsman, is dat hij zich ernstig zorgen maakt over de juridische benadering van veteranen. De ombudsman zou graag zien dat er meer menselijke maat komt en meer tijd voor een gesprek. De gesprekken met de veteranen worden te snel in het juridische getrokken, terwijl men ook kan zeggen dat door langer in contact te blijven een zware juridische procedure voorkomen kan worden. Hoe ziet de Minister dit? Hoe kan zij voor elkaar krijgen dat er een cultuuromslag bij Defensie komt? Uiteindelijk hebben we een gedeeld belang om de veteranen daarin te ondersteunen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Bruins Slot. U hebt vijfenhalve minuut gesproken. Er is nog een vraag van de heer Teeven.

De heer Teeven (VVD):

Mevrouw Bruins Slot spreekt over de cultuur bij Defensie. Tegelijkertijd moet Defensie betrouwbaar zijn en niet te snel op individuele claims ingaan die uitstralende werking kunnen hebben, dus de zorgvuldigheid vecht met het streven naar snelheid. Is de CDA-fractie het ermee eens dat Defensie misschien wat scherper moet selecteren op waar zij in cassatie gaat, maar dat je tegelijkertijd wel zorgvuldigheid moet betrachten en betrouwbaarheid moet uitstralen? Dat is niet altijd te verenigen met snelheid.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Ik sprak over veteranen die nog niet in de complete juridische procedure zitten. De vraag die de heer Teeven stelt, gaat over veteranen die wel in een juridische procedure terecht zijn gekomen. Als je in cassatie gaat, moet je jezelf altijd goed afvragen, zowel als veteraan als defensieorganisatie, wat je erbij te winnen hebt. Levert dit een bijdrage, is het in het belang van de veteraan? Er spelen altijd twee belangen: aan de ene kant dat je snel tot een oplossing wilt komen en aan de andere kant de zorgvuldigheid. Als de Minister een toezegging doet om in juni met die informatie te komen, ga ik er ook vanuit dat een militaire organisatie zoals Defensie is, probeert die tijden te halen en als die niet worden gehaald, heel goed motiveert waarom dat niet mogelijk is. Ik moet zeggen dat het antwoord op vraag 23 buitengewoon teleurstellend is. Eigenlijk word je van het kastje naar de muur gestuurd. Dat is jammer.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Voorzitter. Wilt u mij een waarschuwing geven bij tien minuten?

De voorzitter:

Ja.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Voorzitter. Achttien medailles op de Invictus Games. Foto's met de Commandant der Strijdkrachten en met George W. Bush. Fantastisch mooie foto's en fantastische prestaties. Zoals collega Bruins Slot ook zei: het zijn deze mensen die offers gebracht hebben. We danken hen zeer, net als alle militairen, actief dienend, waar ook ter wereld, ook in Nederland, of op welke missie ook, met welke duur dan ook.

Daarmee wil ik complimenten geven aan eenieder die werkzaam is in die organisatie. Als mensen het systeem niet dragen, werkt het niet, zoals al eerder is gezegd. Dat geldt voor alle organisaties, inclusief de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, de Veteranenombudsman en de substituut-ombudsman en allen die een bijdrage leveren, want zonder mensen geen systeem.

Ik wil daarbij wijzen op het prachtige nummer van Checkpoint van deze maand met als thema «brothers in arms». Ik vind het zo mooi dat ik het even omhoog moet houden. Er staan prachtige artikelen in over kameraadschap, inclusief een prachtig gedicht van de voormalige CDS Van Uhm over kameraadschap. Ik kijk ook zeer uit naar Veteranendag op aanstaande zaterdag. Het belooft heel zonnig te worden, in plaats van het weer van vandaag. Ik kan het allemaal in mijn spreektekst opnemen, want ik heb veel tijd.

Ik zal het verder hebben over de Veteranennota 2015–2016. Daarin wordt ingegaan op de plannen en het beleid op diverse fronten. Er wordt goed bekeken waar we mee bezig zijn. Ik houd pagina 37 omhoog uit de evaluatie van het Veteranenloket. Daar zal ik mijn inbreng omheen bouwen. Ik heb die pagina vergroot. Het is vanaf een afstand nog niet te zien, maar dan weet iedereen een klein beetje waarover ik het heb. Hierop staat het systeem. Het gaat, nogmaals, om de mensen die dat systeem dragen.

Ik wil nu terugkijken naar jaren geleden. Tien jaar geleden begonnen we aan de Veteranenwet, die wordt geëvalueerd. We keken toen sterk naar het Canadian Veterans Charter. In het Canadian Veterans Charter ging men onder andere heel sterk in op financiering en waarborging bij het «Canadese VWS». In Nederland konden we op dat moment die discussie nog niet aan. We zijn dus vanuit de Defensieorganisatie begonnen aan de Veteranenwet.

Waar staan we in 2016? In het overzicht dat ik zojuist liet zien, gaan we ervan uit dat het systeem ondersteunend is voor «één man, één plan, één vrouw, één plan». Het gaat namelijk zo. Iemand meldt zich bij het Veteranenloket. Ere wie ere toekomt: deze mensen doen fantastisch werk, zoals iedereen onderschrijft. Als je geen vriendelijke stem hoort als de telefoon wordt opgenomen, haak je al af, en als je geen geruststellende woorden hoort ook. De medewerkers van het Veteranenloket horen verschrikkelijk veel, of het nu gaat over de tuin die gedaan moet worden of de vreselijke verhalen over PTSS en onrust in de thuissituatie. Zij vangen de eerste gesprekken op. Zij verdienen daar net als ieder ander enorme waardering voor.

Maar dat is het eerste facetje. Daarna gaat iemand het systeem in. Als het systeem af en toe meer wachttijden oplevert dan bedacht is, is dat vervelend. Hebben we dat bedacht aan de voorkant? Nee. Maar is dat misschien wel een klein beetje de bureaucratie zoals het vandaag geworden is? Ja, dat wel. Er zitten wachttijden in, omdat er soms mensen tekort zijn en we niet helemaal kunnen voorspellen hoeveel zorgcoördinatoren en maatschappelijk werkers we nodig hebben. Is dat een verwijt aan iemand? Nee, aan niemand.

Het betekent wel dat we, zeg ik onder andere op basis van het onderzoek «Veteraan, hoe gaat het met u?» en andere onderzoeken, aan de voorkant inzicht moeten krijgen. Daarover gaat mijn eerste vraag aan de Minister. Hoe kunnen we sneller inzicht krijgen in wat nodig is voor de veteraan, actief dienend, postactief en voor het thuisfront? Ik noem het koppelsystemen, want alles is aan elkaar gekoppeld. Als de ene schakel niet werkt en iemand te lang moet wachten, werkt de volgende schakel ook niet. Ik zou de Minister willen vragen hoe daarmee om te gaan.

Voor mijn tweede vraag ga ik even terug naar het Canadian Veterans Charter. Zou de Minister eens willen reageren op het feit dat het ook voor Nederland mogelijk zou moeten zijn om stappen te zetten naar VWS toe? De krijgsmacht is immers geen zorgdepartement. Mevrouw Bruins Slot haalde ook al een aantal zaken aan. Kijk naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Kijk naar het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen (LZV). Daar zitten veel civiele organisaties in. Er is aan alle kanten een koppeling mee. Ik zou de Minister willen vragen daar eens naar te kijken en er een reactie op te geven. Ik ben namelijk van mening dat dit voor de toekomst van groot belang is.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Daar snijdt mevrouw Eijsink een terecht punt aan, want natuurlijk niet alleen de Minister van Defensie heeft de bijzondere zorgplicht die in de Veteranenwet is neergelegd, maar ook het hele kabinet. De Minister van gezondheidszorg, Minister Schippers, heeft daarvoor dus ook een verantwoordelijkheid. Wat wil mevrouw Eijsink concreet van de Minister hebben in de komende jaren om ervoor te zorgen dat de bijzondere zorgplicht voor veteranen goed ingevuld kan worden?

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Ik begrijp deze vraag van mevrouw Bruins Slot heel goed. Het gaat allereerst over de middelen. Die moeten we niet allemaal willen halen uit de Defensiebegroting. Dat heeft te maken met wat de Inspectie Militaire Gezondheidszorg ons al heeft geschreven. Die valt namelijk onder de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). De vraag is waar de verantwoordelijkheid ligt. Een en ander is sinds 1989 gemandateerd aan de Inspectie Militaire Gezondheidszorg, maar uiteindelijk ligt de verantwoordelijkheid voor bijvoorbeeld de civiele organisaties van het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen bij de IGZ. Hoever kan het systeem gaan? Ik moet het toch allemaal benoemen. Mevrouw Bruins Slot zegt terecht dat de IGZ deel uitmaakt van VWS. Ik zou ten eerste willen dat de Minister van Defensie in overleg gaat met de Minister van VWS om te bezien wat de raakvlakken zijn. Die zijn er namelijk veelvuldig. Ik wil dat deze raakvlakken in kaart worden gebracht en dat die informatie naar de Kamer wordt gestuurd. Nogmaals, ik ben van mening dat er een slag gemaakt moet worden richting VWS. De bijzondere positie van militairen brengt een bijzondere zorg met zich die de gehele regering aangaat. Vanuit de regering zou er dan ook budget moeten komen voor al deze koppelvlakken.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Ik heb er vertrouwen in dat de Minister van Defensie al contact hierover heeft opgenomen met de Minister van VWS, maar misschien komt er nog ontzettend weinig uit. Dat heeft te maken met de betrokkenheid van beide kanten. Ik weet dat de Minister van VWS over een begroting gaat van ongeveer 70 miljard. De zorg voor veteranen zal daar een klein onderdeel van zijn. Denk eens aan de collectiviteitspolis. Ook mag er op het gebied van veteranen een grotere betrokkenheid zijn van zorgverzekeraars. Ik wil daar graag wat meer over horen van mevrouw Eijsink.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Dat punt heb ik al in mijn spreektekst staan. Daarom dank ik mevrouw Bruins Slot voor deze vraag. Wat betreft de collectiviteitsverzekering zit er nog iets meer bij. Daarom haalde ik de IGZ al even aan. Het gaat erom hoe de Kamer kan controleren. Mevrouw Bruins Slot weet ook dat de Kamer is begonnen met de controletaak in het kader van de Veteranenwet. Als Kamer controleren we onder andere de kwaliteit. Gelet op wat voorligt, kan ik constateren dat het organisatiesysteem staat, maar dat de Kamer vooralsnog geen kwaliteitsmeting kan doen. De meting van het kwaliteitssysteem zal hand in hand moeten gaan met de controle van VWS, want daar liggen veel gelden van de Wmo en andere soorten gelden die te maken hebben met de civiele instellingen van de LZV et cetera. Mevrouw Bruins Slot heeft terecht naar de wachtlijsten gevraagd. Ik sluit mij aan bij die vraag. VWS zit echter in de driving seat. We kunnen en mogen het niet allemaal neerleggen bij Defensie. Defensie is de krijgsmacht en niet een zorgdepartement. Ik vraag de Minister om een kwaliteitssysteem. Indien deze Minister daar ondersteuning bij nodig heeft in de vorm van een motie, dan vind ik mevrouw Bruins Slot vast aan mijn zijde. Daarmee kunnen we de gehele regering een stimulans geven, en dus niet alleen de Minister van Defensie. Ik ben van mening dat dit de komende jaren verder moet worden uitgewerkt, zoals ook de Canadezen hebben gedaan. Zij zijn ons voorbeeld. In het kader van onze Veteranenwet moet een en ander naar het Ministerie van VWS toe.

Voorzitter. Ik blijf het woord «koppelvlakken» gebruiken, want het is een mooi woord dat uit het gesprek met diverse partijen naar voren kwam. Een en ander heeft ook te maken met het thuisfront. Het heeft niet alleen betrekking op de partners maar ook op de kinderen. Wat betreft de reikwijdte – ik neem dat woord nu nog maar een keer in de mond – van de kwaliteitszorg voor het thuisfront, sluit ik mij graag aan bij eerdere vragen daarover. Ik heb weliswaar heel veel informatie kunnen halen uit de thuisfrontcheck. De thuisfrontcheck is overigens uitgevoerd naar aanleiding van de motie-Segers/Eijsink (34 000-X, nr. 24). Er is nu echter een analyse gedaan op basis van wetenschappelijke onderzoeken en beleidsonderzoeken. Het spreekt voor zich dat ik waardering heb voor het onderzoek, maar in aanvulling daarop zou ik van de Minister willen weten wat we verder gaan doen. Wat gaat er verder worden uitgewerkt voor het thuisfront, in aanvulling op wat er binnen Defensieorganisatie Thuisfront (DOT) gebeurt? Binnen Defensie gebeurt het nodige. We hebben daar de systemen en de mensen, maar wat moet er aanvullend gebeuren om dit uit te bouwen voor zowel de partners als de kinderen? Ik zal niet zeggen «op orde krijgen», maar ik denk dat een aantal zaken in de vrijwillige sfeer kunnen worden aangevuld.

Ik kom op de rol van de BNMO, een belangenorganisatie voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers. Die organisatie is van groot belang. Ik zou de Minister het volgende willen vragen. Wij hebben jaren gesproken over de 200 dossiers – het klinkt wat technocratisch, maar zo noem ik het maar – die zijn overgedragen aan het ABP. Compliment daarvoor, maar vervolgens liggen ze nu wel bij het ABP. Wat betekent dat? Het gaat om mensen die nog steeds ergens op wachten. Het ABP is deel van het systeem waarover ik het zojuist had; deel van die koppelvlakken. Graag krijg ik hierop een antwoord.

Ik kom nu op de Centrale Raad van Beroep en het protocol PTSS. Stel dat dit protocol, op basis van het onderzoek, op de uitkomsten waarvan wij nog wachten, tekort blijkt te schieten, wat betekent dit dan voor de bezwaarschriften die bij het ABP zijn ingediend en de ingestelde beroepsprocedures bij de rechtbank en/of de Centrale Raad van Beroep? Er komt natuurlijk een uitwerking. Het onderzoek loopt hierop vooruit.

Mijn volgende vraag, die hierop aansluit, betreft de schadeclaims. Ik maak de Minister mijn complimenten voor het uitgewerkte overzicht van de schadeclaims die hebben gespeeld, op pagina 2 en 3 van de Veteranennota, het bedrag van 110 miljoen dat in 2011 is vrijgespeeld, niet uit de Defensiemiddelen, maar uit de algemene middelen. Inmiddels hebben wij 230 miljoen uitgegeven. Dat baart mij enorme zorgen. Als ik het goed lees, komen die middelen uit de Defensiebegroting. Is dat zo, zo vraag ik de Minister. Laat ik eerst zeggen dat het terecht is dat aan de veteraan en het thuisfront deze ondersteuning wordt toegekend. Dat spreekt voor zich, maar de vraag of dit uit de Defensiebegroting moet komen, baart mij grote zorgen. Zou de Minister daarop willen reageren?

Ik wacht op het antwoord van de Minister als het gaat om de uitkomsten betreffende de Libanonveteranen. Ik heb in de antwoorden gelezen dat die uitkomsten mogelijk op zich laten wachten, maar dat duurt te lang. Kan de Minister eens reageren op het feit dat de schadeclaims die nog komen – en die komen onherroepelijk – uit de Defensiebegroting worden betaald? Ik vraag de Minister, hoe hiermee wordt omgegaan. Van groot belang is ook het volgende. In hoeveel gevallen zal de Centrale Raad van Beroep mogelijk zeggen dat Defensie in gebreke is gebleven? Te laat reageren is ook in gebreke blijven. Dit betreft een heel andere toekenning dan toekenning op basis van inhoudelijke gronden. Graag krijg ik daarop een reactie.

De heer De Roon (PVV):

Ik ben het met mevrouw Eijsink eens dat het zorgelijk is dat de kosten van de nazorg aan veteranen en de kosten van schadevergoedingen aan veteranen ten laste van de Defensiebegroting worden gebracht. Wij als defensiewoordvoerders zouden natuurlijk allemaal liever zien dat dit niet gebeurt. Wij sturen wel militairen op missies. Voordat wij daarmee akkoord gaan, krijgen wij altijd van Defensie een schatting van de kosten van de uitzending. Daarin zit echter geen schatting van de kosten van de nazorg. Het is natuurlijk lastig om die tot op de cijfers achter de komma te geven, maar ik denk dat het in grote lijnen wel mogelijk is om daar, al is het maar op statistische gronden, een bedrag bij te plaatsen. Mijn vraag aan mevrouw Eijsink is of zij het ermee eens is dat er bij uitzendingen van tevoren al een inschatting moet worden gemaakt van wat het achteraf allemaal gaat kosten.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Ik ben het zeer met collega De Roon eens. Het gebeurt nu ook al. De Kamer, ook ikzelf, maar ook op basis van de motie-Ten Broeke/Aasted Madsen, heeft dit punt destijds bevochten. Daarbij gaat het om de kosten die worden ingeschat voordat men op missie gaat. Dat betreft de zorg voor tijdens en na de missie. Een tweede onderdeel, zou ik willen zeggen, betreft een situatie die mogelijk ontstaat, maar waarvan wij de kosten niet op voorhand kunnen inschatten. Ik zou ook graag onderscheid willen maken tussen missies als die in Libanon, waarbij wij een volstrekt andere zorg hadden – in de woorden van vandaag een tekortschietende zorg – en een missie als die in Afghanistan. Wat de Afghanistanveteranen betreft vind ik ook dat wij het woord preventief best in de mond mogen nemen, want vanaf 2006 is er een ander systeem ontstaan. Het systeem is verfijnd naarmate wij verder kwamen. Ik vind het ook van groot belang om te zeggen dat de Afghanistanveteranen eerder in de zorgketen terechtkomen. Zij komen sneller met hun vragen, hun problemen kunnen eerder worden opgelost en dus zijn er hopelijk ook minder schadeclaims. Maar daar waar ze relevant zijn, zullen ze er uiteraard komen. In die zin denk ik niet zozeer dat we in den brede over veteranenschadeclaims kunnen spreken, maar wel dat er door de tijd heen een veel verfijnder systeem is ontstaan. Om kort te zijn: ja, het gebeurt al. Wat de schadeclaims betreft kunnen we het nog maar moeilijk inschatten, want ik denk niet dat we bijvoorbeeld bij een missie ... Het is een deel van de artikel 100-brief. U kunt het vinden in de financiën. We vragen het iedere keer zelf in de overleggen. Het staat er ook in. Op voorhand schadeclaims instellen zie ik niet zitten.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Kan mevrouw Eijsink iets meer zeggen over de kwestie rond de Libanonveteranen? Dat ging wat snel. De Minister heeft ons geantwoord dat zij daarover in de zomer meer hoopt te kunnen zeggen. Hoe kwalificeert mevrouw Eijsink die gang van zaken?

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Als het om de Libanonveteranen gaat, vind ik het lastig dat ... Ik neem aan dat de heer Van Dijk verwijst naar de krantenartikelen in de Volkskrant over 400 Libanonveteranen. Ik vind dat Defensie en de Minister het op pagina 2 en 3 van de Veteranennota goed uitleggen. Veel van deze Libanonveteranen hebben gelukkig ook de ereschuld ontvangen. Ze hebben een militair invaliditeitspensioen. Ze krijgen een aanvullende uitkering. Ze krijgen aanvullende zorg. Terecht! Dat moeten we vasthouden. We hebben in dit land ook het systeem dat je een uitslag of een uitspraak mag aanvechten via de rechter. Daar gaat de rechter verder over. Laat ik uitspreken dat daar waar het terecht is en er een ernstige situatie is ontstaan, de overheid ... Ik wil het weghalen bij Defensie, althans die middelen. Daar waar wij als overheid, daar waar wij als politiek zeggen «de bijzondere positie van de militair is het draagvlak onder de Veteranenwet», moeten we dat kunnen borgen. Ik zeg hier wel dat het van belang is dat het op basis van individuele situaties gebeurt. Waarom zeg ik dit? Ik zeg dit, omdat we, let wel, in 2011, met dank aan voormalig Minister Hans Hillen, 110 miljoen belastingvrij hebben vrijgespeeld voor meer dan 2.000 situaties. Ik zeg nogmaals «gelukkig», want daar hebben we veel te lang op moeten wachten. Maar ik kan niet zeggen dat we nu de criteria van toen moeten gaan oprekken of veranderen naar aanleiding van de situaties die nu weer ingediend worden. Dat is aan de rechter. Daar ga ik niet over. Ik kan u verzekeren dat wij daar toen jarenlang over hebben gesproken in de Kamer. We hebben jarenlang getracht daarmee rechtvaardig om te gaan. Was het terugkijkend rechtvaardig genoeg? Nee, waarschijnlijk niet. Kunnen we aan die emoties tegemoetkomen? Nee, niet in alle gevallen, zo zeg ik met u. Ik wil het wel individueel, want ik ken situaties die opgerekt mogen worden. Naar de reikwijdte van de schadeclaims moeten we ook kijken. Ik vind in dit geval echt dat het aan de rechter is. Ik zei tien jaar geleden al dat er een systeem moest ontstaan. Ik vind anno 2000, gezien alle regels en de criteria die er zijn, dat er een rechter naar moet kijken. Zeg ik dat dat statisch is? Nee. Dat blijft altijd dynamisch aan de hand van de missies die zijn gevoerd. Maar het moet wel met recht en reden, want anders kan ook de veteraan die in 2011 ... Ik kan u verzekeren dat er meer dan 2.000 veteranen echt stonden te juichen. Die kunnen naderhand ook zeggen: ja, maar ik ben akkoord gegaan met de gegeven criteria en vervolgens blijken er toch weer andere reikwijdtes en schuiven te zijn. Dat vind ik lastig. Nogmaals, ik vind dat dit echt aan de rechter is.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik dacht mevrouw Eijsink aanvankelijk te horen zeggen dat ze een uitspraak van de Minister in de zomer te laat vond. Maar misschien heb ik haar verkeerd begrepen. Kan zij dit punt voor mij verhelderen? Ik zou haar ook graag om een reactie willen vragen op de uitspraak van de Ombudsman dat Defensie haar zorgplicht heeft verzuimd in het geval van een Bosniëveteraan. Die kwestie kent zij ongetwijfeld. Wat vindt zij adequaat? Wat zou de Minister moeten doen met deze zaak?

Mevrouw Eijsink (PvdA):

De eerste opmerking ging over «te laat». De kwestie is dat ik echt van mening ben dat de Minister sneller zou moeten kunnen reageren op de individuele situaties. Dat mensen zo lang moeten wachten, is niet goed. Als mensen na eerdere uitspraken via een letselschadespecialist toch een claim willen indienen, is dat aan hen. Maar die snelheid kunnen we misschien niet altijd betrachten. Ik vraag de Minister daarom hoeveel mensen er daarvoor beschikbaar zijn. Het gaat ook om het ABP. Ik heb daar al eerder naar verwezen. Hoeveel mensen bij het ABP zoeken deze dossiers uit? Ik weet zelf ook dat er mensen zijn die zich nog nooit bij Defensie gemeld hebben, maar nu aangeven dat ze bij die groep van 400 Libanonveteranen horen. Dan kan ik mij voorstellen dat dit goed uitgezocht wordt. Dat vind ik ook rechtvaardig tegenover de veteranen van de schadeclaims 2011. «Te laat» bedoel ik dus in de zin van snelheid waar dat kan. Iedere situatie is echt heel erg anders. Het is van belang om dat te benadrukken.

Wat de uitspraken van de Veteranenombudsman betreft: de zaak ligt bij de rechter. Dat is ook een uitspraak, dus ik wacht even af wat de Minister hier zelf over te melden heeft. Als het te laat is, dan vindt u mij zeker aan uw zijde. Indien de Minister meer had kunnen en moeten doen, dan wil ik een reactie hierop horen van de Minister. Ik neem aan dat zij die zo meteen ook zal geven.

De voorzitter:

Mevrouw Eijsink, u vervolgt uw betoog. U zit op 9 minuten.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Dat even over de schadeclaims. De vraag is heel duidelijk of het ergens anders vandaan kan komen dan uit de begroting van Defensie, want het daaruit halen, vindt mijn fractie niet gerechtvaardigd. Wij spreken hier immers al jarenlang over meer middelen voor Defensie en over de NAVO-norm van 2%. Ik heb vorige week al gezegd dat ik vind dat pensioenen en uitkeringen evenmin daarin horen te zitten. Laten we er niet op vooruitlopen, want dat zou ik niet willen, maar mocht het zich voordoen, dan is de situatie dat et cetera.

Dan de geestelijke verzorging. Samen met collega Bruins Slot en voorheen collega Aasted-Madsen hebben wij jarenlang erop ingezet dat Beukbergen van ongelofelijk groot belang is. Wij hadden eerder een verplichting in dezen. Tien jaar geleden is daar al een motie over ingediend. Sommige moties uit het verleden doen er nog toe. Beukbergen is van groot belang, ook als ik kijk naar de uitzendconferenties en de bijeenkomsten daar. Wij hebben zelf een keer mogen meedraaien. Dat is indrukwekkend. Ook mijn fractie is van mening dat er eens gekeken moet worden of er voldaan kan worden aan het verzoek en of daar ruimte voor gegeven kan worden door de commandanten. Geestelijke verzorging is van groot belang binnen de gehele organisatie, niet alleen op missies, maar ook in Nederland, waar gesprekken gevoerd kunnen worden met geestelijke verzorgers. Ook heel veel dank voor de bijdrage die zij leveren.

Nog een enkele opmerking over het Draaginsigne Gewonden (DIG). Ik sluit mij graag aan bij de eerdere opmerkingen hierover. Het militair hospitaal hebben wij ook eerder al besproken, in het algemeen overleg over defensiepersoneel. De Minister heeft ons eerder al toegezegd om hierop terug te komen, maar het is van belang om het te blijven noemen.

Afgelopen zaterdag was ik bij de Veteranendag van de Stichting Baarnse Veteranen met burgemeester Röell. Het was echt fantastisch. Het was zo leuk! De heer Brandsma kreeg een insigne opgespeld namens de Minister voor zijn verdiensten nog in Indië. De heer Brandsma is 95 jaar oud. Dat was een prachtige bijeenkomst met zowel jonge actief dienende militairen als ook oudere veteranen. Het kan dus. De bijzondere positie van de veteraan, de bijzondere positie van een militair werd zeer door hen gewaardeerd.

Afsluitend, mijn fractie wil graag komen tot «één man, één vrouw, één plan». De volgende stappen zouden moeten zijn dat we kijken naar een kwaliteitssysteem rondom hetgeen wat in de evaluatie staat van het Veteranenloket. Mijn fractie wil graag niet hoeven wachten op uitwerking van de 29 aanbevelingen vanuit het Veteranenloket. In de evaluatie staat een aantal aanbevelingen dat per direct ingevoerd kan worden en per direct uitgevoerd. Het is natuurlijk jammer om op een evaluatie te wachten die nog een jaar lang gaat duren.

Ik dank ook voor de Raad voor civiel-militaire Zorg en Onderzoek (RZO)-onderzoeken van de afgelopen jaren, maar we hebben ze niet toegezonden gekregen via de Minister. Ik zou graag aan de Minister vragen om RZO-onderzoeken rechtstreeks naar de Kamer te sturen zodra ze klaar zijn. Ook dat is waardering en ook dat is vooruitkijken naar wat er nodig is voor die wachtlijsten en de prognoses die onderzoeken ons kunnen meegeven.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Eijsink. U hebt precies 12 minuten gesproken. Dan gaan wij nu door naar de heer De Roon van de fractie van de Partij van de Vrijheid.

De heer De Roon (PVV):

Voorzitter. Ik zou graag na zes minuten een waarschuwing van uw krijgen.

Nederland kan trots zijn op de meer dan 100.000 veteranen in ons land en de PVV is dat in ieder geval zeker. Daar blijft het niet bij, want ook na hun actieve dienst dragen veteranen hun steentje bij aan onze samenleving, en vaak op meer dan voortreffelijke wijze. Zo zijn er veteranen die al of niet in functies bij de overheid of in het bedrijfsleven hun cv op heel verdienstelijke wijze hebben uitgebouwd, waarbij de lessen en vaardigheden die ze hebben geleerd bij Defensie, vaak flink hebben bijgedragen aan het succes in de carrière na Defensie. Een van de voorgaande sprekers wees al op bepaalde kwaliteiten als doorzettingsvermogen en het vermogen om samen te werken. Dat zijn inderdaad heel belangrijke punten. Als het aan mij ligt, komt er dus ook meer aandacht voor die mooie en positieve verhalen, want het beeld dat een militair na een missie toch wat gestoord terugkomt, leeft nog bij te veel mensen, terwijl wij in deze zaal allemaal weten dat dit beeld mijlenver van de realiteit verwijderd staat. Ik heb daarom twee vragen aan de Minister. Is zij het met mij eens dat die succesverhalen onderbelicht zijn in de publieke beeldvorming, die natuurlijk in belangrijke mate wordt bepaald door wat er in de media verschijnt? Zo ja, dan hoor ik graag van haar of er gerichte acties worden ondernomen om dat beeld te verbeteren en recht te zetten. Dat zou heel wenselijk zijn.

Het beeld dat veteranen allemaal met een posttraumatisch stresssyndroom terugkeren kan mogelijk mede worden rechtgezet door middel van het scholenproject Veteraan voor de klas. Dat is een fantastisch educatief project voor leerlingen van groep zeven tot en met het hoger onderwijs. De PVV is en blijft zeer verheugd over dat scholenproject. Het is een belangrijk middel om meer kennis, begrip, erkenning en waardering voor veteranen te kweken bij jongere generaties. Maar dat niet alleen: leerlingen kunnen op die manier ook enthousiast worden gemaakt voor een baan bij Defensie. Het kan zomaar zo zijn dat een veteraan die voor een klas aan het spreken is over zijn ervaringen, de toekomstige Macro Kroon of Gijs Tuinman voor zich heeft zitten in een van die schoolbanken. Mede daarom is het goed om te constateren dat het aantal gastoptredens van veteranen in het vorig schooljaar in absolute getallen is toegenomen.

De PVV is echter van mening dat er toch nog ruimte voor verbetering is. Er valt nog terreinwinst te behalen, om in defensietermen te spreken. Gebleken is dat maar 14% van de schoolgaande kinderen met dit project wordt bereikt. Dat is dus maar een op de zes. Ziet de Minister mogelijkheden op dat percentage verder op te krikken? Gaat de Minister daarmee aan de slag? Ik kan me zo voorstellen dat de groei die nu plaatsvindt – ik heb het dan over het absolute aantal – meer beslag legt op het budget van het Veteraneninstituut. Is er nog wel voldoende financiële ruimte om dat scholenproject niet alleen voort te zetten maar ook veel verder uit te bouwen, waardoor veel meer jongeren worden bereikt? Twee jaar geleden gaf de Minister tijdens een van onze vorige veteranenoverleggen aan dat financiering geen beperking mag zijn. Kunnen die woorden worden waargemaakt nu het geld bij Defensie nog bepaald niet over de drempel klotst?

Ik kom op de veteranenzorg. Ik moet toch beginnen met de constatering dat die in Nederland vergelijkingsgewijs vaak goed geregeld is. Ik vind dat wij daar best trots op mogen zijn. Vooral in de laatste jaren zijn er in Nederland veel goede stappen gezet op dat gebied. Maar we moeten natuurlijk wel de vinger aan de pols blijven houden. Dat doen we dan ook, onder andere door middel van deze overleggen. Ik constateer dat er op een aantal punten nog winst te behalen is, bijvoorbeeld bij het Veteranenloket. De vorige sprekers hebben daar ook aandacht voor gevraagd. Ik zal alles wat zij daarover gezegd hebben niet herhalen, maar ik wil erop wijzen dat uit de evaluatie van het Veteranenloket wel blijkt dat de toegang tot de zorg en de dienstverlening is verbeterd, maar dat de bekendheid van het Veteranenloket nog te wensen overlaat. Dat moet natuurlijk veranderen. Ziet de Minister mogelijkheden daartoe? Gaat zij aan de slag om ervoor te zorgen dat veteranen, hun relaties en de Nederlandse samenleving in het algemeen beter bekend raken met wat het Veteranenloket is en wat het kan betekenen?

Met de bekendheid van Veteranendag zit het gelukkig wel helemaal goed. Ook aanstaande zaterdag zal het hier in Den Haag wel weer een drukte van jewelste zijn. Dat doet mijn fractie veel plezier. De PVV is blij dat de Nederlandse Veteranendag zeer wordt gewaardeerd. Alle veteranen moeten daarom optimaal in de gelegenheid worden gesteld om kosteloos naar dat evenement toe te reizen. Daar zijn vragen over gesteld vanuit de Kamer en de Minister heeft daar netjes en goed op geantwoord. Nu blijkt dat het onderscheid tussen actief dienende veteranen en postactieve veteranen eigenlijk alleen maar te maken heeft met de manier waarop je dat treinkaartje naar Den Haag kunt verkrijgen of achteraf kunt declareren.

Er is nog wel een puntje dat in dat verhaal onbeantwoord is gebleven. Misschien kan de Minister daar nog even over nadenken. Mijn vraag is waarom dit verhaal ineens zo is opgeborreld. Zijn actief dienende veteranen misschien onvoldoende bekend met het feit dat zij deze reiskosten kunnen declareren of wordt daar achteraf moeilijk over gedaan? Ik denk dat het van belang is dat daar meer aandacht aan wordt besteed, zodat ook actief dienende veteranen goed gaan deelnemen aan de Veteranendag of in ieder geval niet belemmerd worden door de reiskosten.

Ik zie dat mijn spreektijd in eerste termijn voorbij is. Ik bewaar daarom de rest van mijn tekst voor de tweede termijn.

De voorzitter:

U hebt zes en een halve minuut gesproken, mijnheer De Roon. Uw tijd is dus nog niet geheel voorbij, maar u hebt ongetwijfeld nog tijd nodig voor de tweede termijn.

Aan het slot van de eerste termijn van de zijde van de Kamer gaan we naar de fractie van Democraten 66. Ik geef het woord aan mevrouw Belhaj.

Mevrouw Belhaj (D66):

Voorzitter. Er is al veel opgemerkt door mijn collega's van de andere politieke partijen, dat ook terug zal komen in mijn korte betoog. Zowel nationaal als internationaal komt er inderdaad steeds meer waardering en erkenning voor veteranen. Zoals mevrouw Eijsink al zei, komt dat onder andere door de Invictus Games, een internationaal sportevenement voor militairen die gewond zijn geraakt. De filmpjes van Obama en de Queen waren hilarisch en die gingen dan ook viral. Ook Nederland deed mee aan de Invictus Games en haalde een recordaantal medailles.

D66 heeft veel waardering voor de inzet van veteranen voor de internationale vrede en veiligheid. De laatste jaren zijn er met de Veteranenwet enorme stappen gezet om het veteranenbeleid te verbeteren. Het Veteranenloket is een gemakkelijke toegangspoort voor zorg en dienstverlening. Er is een Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen en er is een Veteranenombudsman ingesteld. Nu is het de taak om het beleid naar een uitstekend niveau te tillen. Veteranen en het thuisfront moeten kunnen rekenen op goede zorg en informatie.

Het Veteranenloket is een goede verbetering. Veteranen en relaties kunnen nu met vragen eenvoudig terecht bij een loket. Uit onderzoek blijkt dat dit wordt gewaardeerd. De opstart is soepel verlopen en de medewerkers hebben een juiste invulling weten te geven aan deze nieuwe instelling. Uit de evaluatie kwamen echter 30 aanbevelingen om het loket naar een hoger niveau te tillen. Wat gaat de Minister precies doen met die aanbevelingen? Het grootste probleem is het capaciteitsknelpunt onder de zorgcoördinatoren. In de beantwoording van de vragen geeft de Minister aan dit probleem te willen oplossen. Kan de Minister ons op de hoogte houden of de prestatie-indicatoren gehaald worden en de veteranen binnen drie dagen contact kunnen krijgen met een zorgcoördinator en of de beoogde oplossingen werken voor het capaciteitsknelpunt?

Dan de thuisfrontcheck. Een belangrijk onderdeel bij de ondersteuning aan veteranen is het thuisfront. Zoals de Minister in haar brief aangeeft, heeft Defensie de verantwoordelijkheid om het thuisfront zo goed mogelijk te informeren.

De voorzitter:

Mevrouw Belhaj, u hebt natuurlijk een beperkte spreektijd, maar het verzoek is om iets langzamer te spreken, want dan kan men uw vragen bijhouden. U hebt een behoorlijk tempo.

Mevrouw Belhaj (D66):

Dat zal ik doen.

De voorzitter:

We zijn hier meer van de woorden en minder van de daden, dat weet u.

Mevrouw Belhaj (D66):

Daarom kan ik ook snel praten.

Een onderzoek van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) wijst uit dat de informatievertrekking tijdens de missie nog te wensen overlaat. De D66-fractie ziet waardevolle ideeën en aanbevelingen in het rapport van de NLDA. Graag hoor ik van de Minister hoe zij dit gaat oppakken en of ze de Kamer op de hoogte kan houden van de implementaties. Het thuisfront geeft aan dat zij op de hoogte wil worden gehouden van de ontwikkelingen en gebeurtenissen tijdens de missie. Is de nieuwe website opgericht om te voldoen aan de vraag naar meer informatie voor het thuisfront? D66 wil dat er daarnaast voor het thuisfront een aanspreekpunt komt. Zoals het verslag van de NLDA aangeeft, zou er naar Duits model een thuisfrontfunctionaris kunnen worden ingesteld die bereikbaar is voor vragen. Ik krijg hierop graag een reactie van de Minister.

De PVV heeft eerder al gesproken over de schoolgaande kinderen. Wij zijn uiteraard ook zeer benieuwd hoe men door middel van de gastlessen op scholen draagvlak, maar ook begrip kan creëren.

De instelling van een Veteranenombudsman is een positieve ontwikkeling in de dienstverlening aan veteranen. De veteranen weten de Ombudsman steeds beter te vinden voor hun klachten. Zoals ook opgemerkt door de SP was er een opvallend bericht van de Veteranenombudsman over een Bosniëveteraan. De vragen die daarover gesteld zijn, wacht ik af. Het aantal klachten bij de Ombudsman over de behandeltermijn van klachten bij Defensie is flink gestegen. Kan de Minister nogmaals aangeven wat de oorzaak van de langdurige behandeltermijn is? In de beantwoording van de vragen geeft de Minister aan dat er per 1 juli 2016 een nieuwe klachtenprocedure in werking treedt. Wellicht kan zij al zeggen hoe deze klachtenprocedure er precies uitziet en hoe de veteranen in de toekomst sneller geholpen kunnen worden.

In Libanon hebben Nederlandse militairen gediend. Dit is lang een vergeten groep geweest. Recentelijk hebben zij meer aandacht gekregen door een nogal belangrijke uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Al eerder heb ik daar schriftelijke vragen over gesteld. De zorg voor deze veteranen is ontoereikend geweest en dat verdient geen schoonheidsprijs. Er lopen nog 473 schadeclaims bij Defensie. In navolging van vragen van mijn collega's wil D66 weten wat de stand van zaken rond deze dossiers is. In deze nota geeft de Minister de kenmerken van de claims. We zouden echter graag willen weten hoelang het gaat duren om deze zaak af te handelen. Gezien de enorm lange duur achten wij het enorm relevant dat er een termijn wordt aangeven.

D66 wil weten welke concrete verbeteringen er komen om de wachttijden bij het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen te beperken, zodat er komend jaar wel verbeteringen plaatsvinden.

Aankomende zaterdag mag ik als woordvoerder Defensie voor de eerste keer naar de Nationale Veteranendag. Ik kijk dan ook erg uit naar deze bijzondere dag. De afgelopen weken werd ik er vaak aan herinnerd door reclameposters en reclame op trams. Mijn complimenten daarvoor aan de stichting. Op deze dag kunnen wij allen onze waardering voor en erkenning over de 117.000 Nederlandse veteranen uitspreken. Dit evenement komt tegemoet aan de wens van driekwart van de Nederlanders om veteranen veel waardering te geven. Het is van belang dat het evenement gemakkelijk te bezoeken is door de veteranen zelf. D66 vindt dan ook dat zowel actief dienende veteranen als postactieve veteranen moeten worden gecompenseerd voor hun reiskosten.

De voorzitter:

Mevrouw Belhaj, ik heb vijfenhalve minuut voor uw eerste termijn genoteerd. Dat betekent dat u nog tweeënhalve minuut over hebt voor uw tweede termijn. Dat lijkt mij ruim voldoende.

Daarmee is een einde gekomen aan de eerste termijn van de Kamer. Ik stel voor dat we eerst gaan lunchen. Dat is een vroege lunch, maar ik denk dat we allemaal ook vroeg zijn opgestaan en dus vroeg hebben ontbeten.

De vergadering wordt van 11.16 uur tot 12.00 uur geschorst.

De voorzitter:

De eerste termijn van de Kamer hebben wij reeds afgerond voor de vroege lunchpauze. We gaan nu luisteren naar de beantwoording door de Minister in eerste termijn.

Minister Hennis-Plasschaert:

Voorzitter. Ik dank de leden voor hun bijzondere inbreng. Het is en blijft een bijzonder debat. Er zijn maar weinig onderwerpen waarbij de Kamer zo nauw betrokken is geweest als bij het veteranenbeleid. Ik heb het vorig jaar en het jaar daarvoor gezegd, maar ik blijf het herhalen: het is de Kamer geweest die doorslaggevend was in de vormgeving van dit beleid met de Veteranenwet, die in 2012 door alle partijen is ingediend en aangenomen. Als er iets is wat we moeten doen, dan is het dat we het veteranenbeleid koesteren en verder uitbouwen. Daarnaast moeten we natuurlijk scherp blijven op ruimte voor mogelijke verbeteringen en dat ook uitdragen. Ik meen dat de heer De Roon opmerkte dat er andere landen zijn die naar ons kijken. Dat klopt. We mogen daar ook wel trots op zijn en het bij andere landen onder de aandacht brengen. We moeten er ook over blijven praten.

Ik heb de afgelopen jaren veel in contact gestaan met veteranen van respectabele leeftijd, onlangs nog bij het bevrijdingsdefilé in Wageningen met Joe McAllister. Hij raakte daar 70 jaar geleden tijdens Market Garden gewond en lag urenlang gewond in de modder van de Rijn. Ik denk ook aan de veteranen – de Kamer sprak zelf ook al over hen – die actief waren tijdens de Invictus Games en die ons land veel recenter hebben vertegenwoordigd. Verder denk ik aan een jong meisje dat vluchtte uit Somalië. Ik zal haar citeren in mijn speech tijdens Veteranendag. Zij heeft een prachtige bedankbrief geschreven aan alle militairen en veteranen in Nederland.

Met heel veel veteranen gaat het goed. Ons stelsel heeft een goed fundament. Zoals de woordvoerders opmerkten, betekent dat niet dat we de dingen die niet goed gaan of die verbetering behoeven, kunnen negeren. Sterker nog, dat moeten we niet eens willen.

De heer De Roon sprak over de beeldvorming. Ik ben het erg met hem eens. Ik meen dat ook de heer Teeven er iets over zei. We moeten waken voor het volgende, voor iets wat ik ook weleens over politieagenten heb gezegd. Er zijn militairen die door een uitzending of ervaring PTSS hebben. Dat is natuurlijk vreselijk, maar dit betekent niet dat iedere militair die op uitzending gaat, terugkomt met een kans op PTSS. Maar dat is af en toe wel, als je daar door een rietje naar kijkt, de berichtgeving die dominant is. Je hoort weinig de verhalen over de militairen die zeggen dat hun uitzending hen sterker heeft gemaakt. Dat is veruit de meerderheid. Ik heb de media niet aan een touwtje, en dat wil ik ook helemaal niet; dat is het mooie van Nederland. We doen natuurlijk wel ons best om de veteranen met wie het juist heel goed gaat en die heel goed kunnen vertellen hoe verrijkt zij zijn, op de voorgrond te zetten. Dat doen we. Ook de Nederlandse Veteranendag doet dat, net als een veelheid aan andere activiteiten die worden georganiseerd. Ik doe dat zelf ook in mijn publieke optredens en ga ervan uit dat de leden dat ook doen. Ik ben er echt van overtuigd dat de aanhouder in dezen een beetje wint. Dat doet niets af aan het feit – ik zie dat ieder jaar weer – dat wanneer we bijvoorbeeld dichter bij Veteranendag komen, vooral de heel verschrikkelijke verhalen de krant halen. Dat is ook wel een beetje de wijze waarop we op dit moment omgaan met nieuws. Bloed, zweet en tranen doen het soms beter dan gewoon een heel rechttoe rechtaan verhaal over verrijking. Maar ik blijf er zeker alert op. De heer Van Dijk heeft vaak de neiging om heel specifiek op een individueel geval in te zoomen. Dat begrijp ik ook wel. Dit keer gaat het om de zorgplicht ten aanzien van een Bosniëveteraan. Vorige week, op 16 juni, is daarover een rapport uitgebracht. Vergeef mij: ik heb tussen 16 juni en vandaag, 20 juni, nog niet de kans gehad om dat hele rapport tot mij te nemen. Voor zover mij nu bekend heeft het rapport vooral betrekking op een re-integratieproces dat in 2006–2007 niet goed is verlopen. De Ombudsman heeft ons gevraagd om met de betrokkene in gesprek te gaan. Dat gaan wij natuurlijk doen. Ik voer veel gesprekken en ook onze medewerkers voeren veel gesprekken; ik kan niet alles zelf doen. Ik heb echter echt wat meer tijd nodig om goed naar het rapport te kijken en om de gevolgen daarvan voor eventuele andere gevallen in kaart te brengen. Dat is geen onwil. Ik kan de heer Van Dijk in dat opzicht op dit moment dus nog niet bedienen.

Er zijn verscheidene vragen gesteld over het PTSS-protocol en de evaluatie daarvan. Dit is een lang verhaal. Begin 2015 is de evaluatie van het protocol gestart. Daar weet de Kamer alles van, want daarover is zij geïnformeerd. Met de evaluatie van het PTSS-protocol beogen wij natuurlijk om bestaande vragen over het protocol te beantwoorden en de acceptatie te vergroten. Onvrede over het protocol en over keuringen die aanleiding zijn voor vele bezwaar- en beroepsprocedures, staat het herstel van de veteranen in de weg. We hebben er dus allemaal baat bij dat dit voor eens en voor altijd goed wordt geadresseerd. De evaluatie bestaat uit twee delen; ik zal dat allemaal niet herhalen, want volgens mij is de Kamer daarover geïnformeerd. Ook hiervoor geldt echter dat dit tijd kost. Ik doe dit niet zelf. Dit wordt aangestuurd door een evaluatiecommissie, waarin naast Defensie natuurlijk ook de vakbonden zitting hebben, alsmede enkele deskundigen. De evaluatie wordt naar verwachting eind dit jaar voltooid. Mevrouw Eijsink vroeg wat dit betekent. Dat weet ik nog niet, want dat is een als-danvraag. Ik kan echt niet vooruitlopen op die evaluatie en de eventuele gevolgen daarvan, maar het spreekt voor zich dat ik en vooral de Kamer direct worden geïnformeerd zodra we daar zicht op hebben.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik kom terug op de Bosniëveteraan over wie de Ombudsman een uitspraak heeft gedaan. Ik snap dat de Minister nog even tijd nodig heeft, maar ten eerste vraag ik haar wanneer wij hierover bericht kunnen verwachten. Ten tweede vraag ik haar of zij het eens is met het uitgangspunt van de Ombudsman, de heer Van Zutphen, dat «Defensie aan de zorgplicht moet voldoen, ook als op dat moment wordt betwist of de zorg die de veteraan nodig heeft, een gevolg is van zijn inzet als militair. Defensie heeft die zorg niet gegeven». Deelt de Minister dat uitgangspunt?

Minister Hennis-Plasschaert:

Defensie – het Rijk zelfs – heeft een zorgplicht ten opzichte van alle veteranen. Ik ga mij er echt niet toe laten verleiden om op deze casus te reageren, omdat ik het rapport echt nog tot mij moet nemen. Ik ga de Kamer ook niet in allerlei aparte brieven informeren. Wij gaan dit gesprek met de betrokkene aan. Ik vind het van veel meer belang dat we dit verder brengen dan dat ik dit nu in allerlei scenario's met de Kamer ga bepraten. Ik moet het rapport echt nog tot mij nemen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat begrijp ik, maar mijn vraag was of de Minister kan inschatten wanneer zij ons daarover kan berichten. De tweede vraag was of de Minister het door de Ombudsman aangegeven algemene uitgangspunt deelt. Dat gaat dus niet over deze casus. De Ombudsman zegt dat Defensie een zorgplicht heeft, «ook als op dat moment wordt betwist of de zorg die de veteraan nodig heeft, een gevolg is van zijn inzet als militair». Kan de Minister daar in het algemeen op reageren?

Minister Hennis-Plasschaert:

Daar reageerde ik zojuist al in het algemeen op. Defensie heeft een zorgplicht. Die plicht leidt tot een hoeveelheid van rechten. Dit luistert allemaal nauw. Als het niet goed gaat met een veteraan, zal Defensie zich in ieder geval altijd verplicht voelen om de betrokkene bij te staan, maar ik herhaal dat ik niet op deze specifieke casus inga en daar is de uitspraak van de Ombudsman uiteindelijk wel op gebaseerd. Ik vind het eigenlijk ook moeizaam als ik de Kamer nu weer over allerlei individuele gevallen moet gaan informeren. Ik ken de heer Van Dijk als een vasthoudend type, dus ik denk dat het in dit geval goed is om dit mee te nemen voor het WGO-P en hem dan hierover te informeren.

De voorzitter:

Met «WGO-P» bedoelt de Minister het wetgevingsoverleg Personeel. Ik zal straks de datum even noemen.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Ik neem aan dat de Minister het punt «verbetering PTSS-protocol» hiermee heeft afgerond. Ik heb een vraag om te checken of ik begrijp wat ze zei naar aanleiding van mijn vraag. In de nota lees ik dat de evaluatie «naar verwachting» dit jaar wordt voltooid. Ik heb de Minister zojuist horen zeggen dát het protocol dit jaar wordt voltooid. Mag ik ervan uitgaan – dit is gewoon maar eventjes een als-danvraag – dat dan zo spoedig mogelijk deze evaluatie naar de Kamer zal worden gestuurd? De Kamer moet uiteraard niet hoeven te wachten om dit te behandelen in het notaoverleg van juni volgend jaar. Daarvoor is het te belangrijk. Er is al vertraging opgelopen – dat kan: kwaliteit voor snelheid, ook in dit geval – maar het lijkt me belangrijk dat de Kamer hier zo spoedig mogelijk over kan spreken.

Minister Hennis-Plasschaert:

Dat wil ik best met de Kamer delen. De bedoeling is: voor het einde van 2016. Ik heb er ook geen zin in dat het nog een keer vertraagd zou worden. Ik gebruik echter «naar verwachting» in het kader van onvoorziene omstandigheden. Die formulering ziet de Kamer in zo ongeveer alles, want als je die niet gebruikt, dan heb je onmiddellijk een probleem aan je broek hangen. Hoe dan ook, de inzet is om het voor het einde van 2016 te doen. De evaluatie wordt dan opgeleverd. Op basis van die evaluatie moet worden bezien of en, zo ja, in hoeverre het protocol daadwerkelijk moet worden aangepast en wat de eventuele gevolgen daarvan zijn. Daar hebben we dus niet ook meteen zicht op aan het einde van het jaar. Laat ik dat even duidelijk zeggen. De aanpassingen van het systeem zijn dan onderwerp van overleg met de vakcentrales van overheidspersoneel. We moeten in dezen wel even de rollen scherp krijgen.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Ik begrijp de volgtijdelijkheid. Echter, voor zover mijn kennis over de onderzoeksvragen reikt, denk ik dat daar gelet op de inhoud wel met enige snelheid op gereageerd kan worden. Er zit al vertraging in. We hadden het al eerder willen hebben. We hebben eerder het Groningenonderzoek gehad, dat al meer tijd in beslag heeft genomen. Ik acht de evaluatie van het protocol van groot belang. We zijn volgend jaar pak hem beet tien jaar verder, gerekend vanaf de instelling in Afghanistan, toen deze discussie is begonnen. Het is prima, uitstekend dat de Minister voor kwaliteit gaat, maar het moet niet nog een halfjaar duren, lijkt mij. Het is in de onderzoeksvragen namelijk juist al meegenomen. De Kamer heeft aan de voorkant meegekeken in dezen.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik denk dat mevrouw Eijsink en ik het belang daarvan allebei onderschrijven. Maar, nogmaals: er zit een evaluatiecommissie op – ik doe het allemaal niet zelf – waarin deskundigen zitten, zoals leden van vakbonden en natuurlijk ook vertegenwoordigers van Defensie. En, nogmaals: de inzet is om het voor het einde van dit jaar op te leveren en dan z.s.m. de gevolgen ervan in kaart te brengen. Dan weten we of het protocol moet worden aangepast en of daar actie op moet worden ondernomen. Het heeft mijn volle aandacht.

Over de nazorgvragenlijst is het nodige gezegd. Ik moet wel iets zeggen over de grootste klacht. We hebben het ook in andere overleggen weleens gehad over de zogenoemde «dissatisfiers», de punten van ergernis, de top tien van ergernissen. Een van die ergernissen bij heel veel actief dienende militairen is dat hun eindeloos vaak wordt gevraagd om mee te werken aan onderzoek zus of onderzoek zo. Ik begrijp dat. Ze denken heel vaak: houd eens op, het gaat goed met me, doe niet zo ingewikkeld. Het belang van zo'n vragenlijst is voor mij echter evident, en voor de Kamerleden ook. Als de Ombudsman verwijst naar bij wijze van spreken nog een onderzoek, dan moet je je op dat moment volgens mij wel afvragen hoe effectief dat is en welke resultaten dat gaat opleveren.

We hebben een groot aantal maatregelen genomen om de respons op de nazorgvragenlijst te verhogen. De Commandant der Strijdkrachten heeft dit zeer onlangs, naar ik meen twee weken geleden, onderstreept in een commandantenbrief. Het effect daarvan moet nog blijken. Dat kunnen we op dit moment nog helemaal niet meten. Het niet invullen van de vragenlijst wordt inmiddels ook besproken in het jaarlijkse functioneringsgesprek met de betrokken militair. Zoals bekend is er een nazorgmonitor in ontwikkeling, waarmee de lijnmanager meer inzicht krijgt in het doorlopen van het nazorgtraject door de uitgezonden militair. De nazorgvragenlijst komt daar ook in te staan. Het daadwerkelijk invullen van die lijst wordt beter geborgd doordat ze wordt opgenomen als taak in de elektronische takenlijst van zowel de militair als diens lijnmanager. We zijn aan het bekijken hoe wij de respons van het thuisfront kunnen verhogen, bijvoorbeeld door de nazorgvragenlijst rechtstreeks aan het thuisfront te versturen. Daarnaast is ook het invullen aantrekkelijker gemaakt door het verkorten van de invultijd. Bovendien zal de nazorgvragenlijst vanaf 2017 ook via de zogenoemde moderne media beschikbaar zijn. Ik denk dat dit heel belangrijk is en dat wij daardoor echt een verschil zullen zien.

Kortom, wij doen daar ontzettend veel aan. Ik begrijp de wens van de Kamer heel goed dat iedere militair deze plicht – in feite is het dat – serieus neemt. Maar deze plicht tot een verplichting maken met vergaande consequenties in de vorm van sancties, heeft op dit moment bij niemand geleid tot actie. Wij hebben daarnaar gekeken, maar als we dat doen, twijfelen wij sterk aan de betrouwbaarheid van de antwoorden die worden gegeven. Wij zullen dus blijven kijken naar aanvullende maatregelen, maar onthoud dat er ook een grens is aan de maakbaarheid van wat een militair allemaal moet invullen. Die grens hebben wij nog niet bereikt. Er kan nog veel meer, maar daar moeten wij ons wel bewust van zijn in toekomstige debatten.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Ik neem aan dat de vragen over de vragenlijst hiermee beantwoord zijn. Ik probeer even in blokjes te denken. De Minister weet dat ik al jaren van mening ben dat er, als er een recht is, ook een plicht is. In de nota staat dat op pagina 20 sterker verwoord dan andere jaren. Daar staat namelijk dat er gekozen is voor opvoering van de druk, onder andere om teamgenoten te laten weten dat het niet alleen voor hen is, maar ook voor onderzoek en voor later. Ik blijf van mening dat er doorgesproken moet worden over het recht, maar ik geef de Minister graag het volgende mee. Afgelopen week sprak ik met een actief dienende. Hij vroeg verzuchtend: waarom heet het «nazorgvragenlijsten»? Kan dit een andere naam krijgen? Ik was daar nog niet op gekomen. Dat geef ik eerlijk toe, maar dat zette mij aan tot denken. Het is toch: what's in a name? Een actief dienende zei dus verzuchtend tegen mij: alleen de naam al staat mij tegen. Ik had daar nog niet over nagedacht, dat zeg ik heel eerlijk, want ik zit af en toe ook vast in mijn eigen denken daarover. Ik denk daar nu over en ik geef dat bij dezen ook mee aan de Minister. Wellicht is een andere aanspreektitel ook een mogelijkheid om ervoor te zorgen dat recht gedaan wordt aan de verplichting.

Minister Hennis-Plasschaert:

Grappig genoeg reageer ik waarschijnlijk hetzelfde en zeg ik: het is slechts een titel, een benaming. Tegelijkertijd herken ik wel uit de gesprekken die ik zelf heb gevoerd dat dit enigszins een allergische reactie oproept. Dit is een goed advies. Ik zal bekijken of wij wellicht alleen al met de naamgeving wat warmere gevoelens hiervoor kunnen creëren.

Mevrouw Bruins Slot, mevrouw Eijsink en anderen hebben volop aandacht gevraagd voor de veteranenzorg. Het is bekend dat wij in gesprek zijn met VWS over de gevolgen van de stelselwijziging in de zorg voor de veteranenzorg. Feit is dat eventuele meerkosten op dit moment eigenlijk niet goed te duiden zijn. Wel hebben wij inmiddels de Auditdienst Rijk (ADR) gevraagd om mee te kijken. Dat vind ik ook belangrijk, want uiteindelijk heeft de ADR daar goed zicht op. Wij volgen het nauwgezet, maar ik kan de Kamer daar nog geen specifieke dingen over meegeven. Wij zien wel een aantal dingen op ons af komen. Het is alleen de vraag of die zich daadwerkelijk gaan manifesteren of dat het wel zal meevallen. Ze manifesteren zich op dit moment in ieder geval nog niet.

Ik weet dat er ook veel te doen is geweest over de concrete voortgang van de duurzame financiering van het LZV. Het is bekend dat Defensie met de Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht (SZVK) een onderzoek uitvoert naar de mogelijkheden om te komen tot een kostendekkende structuur via een collectiviteitsverzekering voor veteranen. Eerst worden de daadwerkelijke meerkosten van de veteranenzorg via de LZV ten opzichte van de reguliere ggz zo veel mogelijk inzichtelijk gemaakt. Daarna wordt met VWS en de zorgverzekeraars besproken hoe dit binnen de collectiviteitspolis gedekt kan worden. Dit is zacht gezegd een complex proces, waar veel mensen bij betrokken zijn, en dat is niet omdat ik ervan houd om dingen weg te bonjouren naar allerhande onderzoeken. Ik verwacht dat we daar nog tot eind 2016, dus wel dit jaar, voor nodig hebben. Inmiddels zijn er wel de nodige stappen gezet. De LZV-behandelingen zijn gedekt. Er is een basis van maatschappelijke werk in de eerste lijn geborgd door middel van een subsidie. We zijn ook met de LZV in gesprek over de borging van de continuïteit.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Dank voor de verheldering die de Minister op een aantal punten geeft, maar deze roept ook een vraag op. Ik had niet zo scherp voor ogen dat straks de financieringskosten van de LZV in een collectiviteitsverzekering terechtkomen. Dat betekent feitelijk dat de LZV wordt betaald door de veteranen die deze collectiviteit afsluiten, en niet door het Ministerie van VWS. Waarom kiest het Ministerie van VWS niet voor een beschikbaarheidsbijdrage die van zijn begroting afgaat? Waarom wordt de rekening bij de veteranen gelegd en niet bij het ministerie?

Minister Hennis-Plasschaert:

Dat zal ik voor u nagaan. Eerlijk gezegd moet ik het antwoord hierop schuldig blijven. Ik ben niet de Minister of de Staatssecretaris van VWS, dus ik zal even een lijntje moeten leggen naar de collega's van VWS.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Ik begrijp dat de Minister van Defensie geen Minister van VWS is, maar zij is er wel mee akkoord gegaan om dat pad te bewandelen. Een collectiviteitsverzekering is niets anders dan een plus op je basisverzekering, zoals mensen bij de HEMA verzekerd zijn of bij andere bedrijven. Dat betaal je zelf. Het is ook een keuze van het Ministerie van VWS, op grond van haar bijzondere zorgplicht, om het uit de begroting te betalen. Dat kan via de beschikbaarheidsbijdrage. Ik stel deze vraag toch aan de Minister van Defensie, omdat zij in dat gesprek klaarblijkelijk wel die richting opgaat, maar als hier sprake is van spraakverwarring, hoor ik dat graag.

Minister Hennis-Plasschaert:

Nee, er is geen sprake van spraakverwarring, maar u loopt op de zaken vooruit. U brengt dit met een zekere stelligheid, terwijl ik net zei dat we hierover in gesprek zijn met VWS en dat dit een complex proces is. Ik heb deze zorgen luid en duidelijk gehoord en die neem ik mee in dat gesprek. Ik stel voor dat u deze ook aan de andere tafel en in andere debatten ter sprake brengt, zodat al die lijntjes bij elkaar komen. Die zorg heb ik genoteerd, maar die stelligheid is nog niet noodzakelijk, omdat dit proces onder handen is.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Het is fijn dat de Minister deze zorgen noteert, maar als men dit pad opgaat, betekent dit dat de bijzondere zorgplicht van VWS heel slecht wordt ingevuld. Ik ben overtuigd van de onderhandelingskracht of het vermogen van de Minister, maar wanneer kan zij de Kamer erover informeren wat er precies uitkomt? Dit luistert wel heel nauw.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik heb net gezegd dat ik denk dat we hier tot eind 2016 voor nodig hebben, dus het wordt eind 2016.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Ik wil ook nog even terugkomen op dit punt, dat wordt genoemd op pagina 34 van de nota. De Minister heeft ons in de brief van 20 april geïnformeerd over de stand van zaken. We hebben het verschoven naar dit moment om erover te spreken. Ik ben ervan overtuigd dat de Minister ook vindt dat de bijzondere positie van militairen en de benadering van VWS niet hetzelfde zijn. Wij zijn ooit overeengekomen dat er vanwege die bijzondere positie van de militair geen extra bijdrage nodig is voor veteranen of actief dienenden om zichzelf te verzekeren. Men is verzekerd via de organisatie van Defensie. Dat is allemaal staand beleid. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van dat gesprek. We hebben eerder langlopende trajecten met VWS gehad, waar de Minister goed uitgekomen is met haar collega's. Kan de Minister hier toch uitspreken dat de bijzondere positie van de militair geen vestzak-broekzak-verhaal mag zijn, als ik het zo duidelijk verwoord?

Minister Hennis-Plasschaert:

Nogmaals, de gesprekken zijn gaande. Ik heb de punten goed gehoord. Ik neem aan dat die ook aan de andere tafel worden ingebracht. Ik zal ze ook in de gesprekken inbrengen. Ik verwacht dat die gesprekken tot eind 2016 lopen. Daarna kan ik de Kamer nader informeren.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Wij zijn Defensiewoordvoerders, dus in eerste instantie ligt het in deze commissie. Uiteraard is er een gesprek met VWS, maar het kan niet zo zijn dat het straks ergens tussen wal en schip valt. Ik weet zeker dat de Minister vast blijft houden aan een bijzondere positie voor de militairen. Er zouden geen extra bijdrages mogen en moeten zijn voor de actief dienende en postactieve militairen. Dat lijkt mij toch wel het uitgangspunt.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik begrijp niet eens dat daar een misverstand over is, want dat hebben wij altijd uitgedragen. Dat is dus ook de inzet tijdens de gesprekken.

De voorzitter:

De Minister vervolgt haar beantwoording.

Minister Hennis-Plasschaert:

Is het nu duidelijk?

De voorzitter:

Als de Minister gaat terugvragen, opent ze een nieuwe ronde. Als er geen misverstand is, hoeft er ook niet heel lang over gesproken te worden, is over het algemeen mijn stelling. Ik denk dat het helder is. Ik zie niemand aandringen. We hebben iets genoteerd. We zullen straks bij de behandeling van de toezeggingen zien of dat terecht was. De Minister vervolgt haar beantwoording.

Minister Hennis-Plasschaert:

We hebben nog alle tijd.

De heer Teeven vroeg naar de DIG-zaken, met name naar het psychisch letsel in relatie tot een eventuele aanpassing van de DIG-criteria. Hij weet dat Defensie zich beraadt op de criteria op grond waarvan het DIG wordt toegekend. Tot die tijd worden nieuwe aanvragen aangehouden. Ik verwacht dat we ook hierover voor einde van het jaar uitsluitsel kunnen geven. Ik zal de Kamer t.z.t dan ook conform informeren.

Er zijn vele vragen gesteld over het thuisfront, in het bijzonder over wat het meest irriteert, bijvoorbeeld te laat geïnformeerd worden over een aanstaande uitzending. Het streven is – ik denk dat de heer Teeven dat weet – om militairen uiterlijk drie maanden van tevoren te informeren over uitzending. In individuele gevallen komt het echter voor dat militairen later worden aangewezen. Hoe graag ik dat ook zou willen, kan dat nooit volledig worden voorkomen. Dat heeft ook te maken met de aard en het karakter van de organisatie. Omdat het de laatste tijd te vaak is voorgekomen, is het wel echt helder voor de Defensiestaf dat er strak gestuurd moet worden op de minimale termijn van drie maanden. Garanties dat het nooit meer voorkomt, ga ik alleen niet geven, omdat de situatie in operatiegebieden zich nu eenmaal niet laat voorspellen, hoe graag we dat af en toe ook zouden willen.

Er zijn nog een aantal aanbevelingen gekomen uit de thuisfrontcheck. Ik heb net de aanwijzing voor de uitzending genoemd, maar ook de operationele noodzaak versus quality time wordt genoemd. De heer Van Dijk vroeg specifiek naar de uitzendbescherming. Er wordt natuurlijk op die uitzendbescherming gestuurd. Als je thuiskomt, krijg je verlof. Afhankelijk van waar je bent geweest en de aard van de uitzending, krijg je een aantal dagen tot een aantal weken. Daarna wordt er natuurlijk wel gewoon getraind. Als je drie maanden op uitzending bent geweest, is het niet zo dat je zes maanden niet hoeft te trainen. Dat zou wat zijn, want dan kun je zo ongeveer op nul beginnen als je weer op uitzending zou moeten. Je gaat dus gewoon weer terug naar je operationele eenheid en bent weer beschikbaar voor van alles en nog wat, maar alleen niet voor uitzending. Volgens mij moet je het heel veel militairen ook niet aan willen doen om ze een aantal maanden uit hun trainingsschema's te trekken.

Ik ga nu in op de thuisfrontdagen. Een meerderheid van de ondervraagde partners, namelijk 75%, heeft aangegeven die zeer zinvol te vinden. 10% vindt ze niet zinvol. Laatst was ik bij een uitreiking waar ik met mensen van het thuisfront sprak. Toen werd me ook maar weer eens duidelijk dat je het thuisfront niet over één kam kunt scheren. «Het thuisfront» bestaat en tegelijkertijd ook weer niet, omdat heel veel partners, familieleden en kinderen totaal verschillend reageren. De een moet niets van al die bemoeienis hebben en vindt het totaal betuttelend. De ander kan het niet genoeg zijn. Daar moeten we ons zeer bewust van zijn als we praten over «het thuisfront».

Er is ook veel gesproken over de uitzending en het gezin. Ik snap heel goed dat juist de partners van militairen het zwaar hebben door de extra zorgtaken die zij krijgen als hun partners uitgezonden worden. Het is niet voor niets dat wij het programma ADAPT, After Deployment: Adaptive Parenting Tools, bekijken. Dat hulpprogramma is in de Verenigde Staten ontwikkeld om voor, tijdens en na de uitzending bij te dragen aan het psychische en algehele welzijn van de militair en zijn gezin. Ook voor dat programma geldt echter dat de een het als totaal betuttelend ervaart, terwijl de ander niets liever wil. Er is overigens ook een nieuw en modern kinderboekje geschreven voor de jongere kinderen van veteranen, en voor de oudere kinderen wordt dit jaar voor het eerst defensiebreed een jeugdbivak georganiseerd. Dat zijn leuke initiatieven.

De respons op de nazorgvragenlijst voor het thuisfront bedraagt op dit moment 30%, en ook op dit punt bekijken we wat we kunnen doen om deze respons te vergroten. De RZO is gevraagd om te onderzoeken hoe de respons verhoogd kan worden en of de nazorgvragenlijst wel de beste methode is om het thuisfront te betrekken bij het nazorgtraject. Ik zal de uitkomsten van dit onderzoek uiteraard meenemen in de evaluatie.

Er zijn ook vragen gesteld over de subsidie voor de private thuisfrontorganisaties. Defensie heeft op dit moment te maken met twee actieve thuisfrontorganisaties, waarvan er één inmiddels onderdeel is van het Veteranen Platform, maar de ander nog niet. Zij ontvangen geen directe subsidie van Defensie, en daar wil ik eigenlijk ook niet aan beginnen. De ondersteuning van de thuisfrontzorg verloopt vooral via de operationele commando's en de thuisfrontcomités. De private organisaties krijgen natuurlijk wel ondersteuning vanuit het Veteraneninstituut, en ik vind dat dit ook zo moet blijven. Defensie is echter wel altijd bereid om gesprekken te voeren met deze organisaties.

Mevrouw Belhaj vroeg naar een aparte website voor het thuisfront. Er is een apart deel van defensie.nl specifiek daarvoor vrijgemaakt.

Mevrouw Eijsink vroeg wat we nog aanvullend gaan doen. Ik denk dat ik daar net al het nodige over heb gezegd. In de evaluatie van het veteranenbeleid is er ook speciale aandacht voor het thuisfront, en daarin worden ook de uitkomsten en aanbevelingen van de thuisfrontcheck meegenomen. Wij gaan overigens niet wachten op de evaluatie wat betreft die aanbevelingen, want waar dat kan, wordt daar al op ingespeeld. Er is tussentijds altijd plaats voor verbeteringen in de thuisfrontzorg. Ik noemde bijvoorbeeld net al het programma ADAPT.

Mevrouw Belhaj vroeg naar de thuisfrontfunctionaris. Ik ben op dat punt heel eerlijk gezegd nog een beetje zoekende. Ik vind het prima om het mee te nemen in de evaluatie, maar ik vraag mij wel af wat daarvan precies de toegevoegde waarde is. Het thuisfront kan immers al terecht bij het eigen thuisfrontcomité. De coördinatie vindt defensiebreed plaats via de Defensie Organisatie Thuisfront. Ik zie daarom nu niet zo snel in wat een thuisfrontfunctionaris daaraan zou kunnen toevoegen. Ik ben ook bang dat we een beetje doorschieten in het kopiëren van allerlei aanspreekpunten, meldpunten enzovoorts. Ik zal het meenemen, maar ik denk op voorhand niet: wauw, wat een fantastisch creatief plan.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

De Minister geeft aan dat de behoeften en de wensen van het thuisfront heel divers zijn. Dat is een juiste constatering en daarom is het ook goed dat Defensie in dat kader samen met het Veteraneninstituut voor maatwerk zorgt. Uit de antwoorden die ik tot nu toe van de Minister heb gekregen, kan ik niet helder opmaken in hoeverre er voor het thuisfront ook activiteiten ontplooid zullen worden voor na de uitzending. Uit de thuisfrontcheck bleek immers dat, uit mijn hoofd, 25% van het thuisfront behoefte heeft aan een activiteit of gesprek na de uitzending, misschien juist wel omdat zij thuis in een gespannen situatie terecht zijn gekomen. Hoe kijkt de Minister daartegen aan?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ook zij kunnen zich richten tot het Veteranenloket. Het is voor het thuisfront ook mogelijk om op verzoek deel te nemen aan het terugkeergesprek. Er zijn vele mogelijkheden en momenten waarbij het thuisfront ook daadwerkelijk een rol kan spelen. Ik moet echter wel zeggen dat ik het soms een beetje lastig vind om in te schatten wat wij allemaal al actief aandragen en wat er dus al allemaal is aan instrumenten, en in hoeverre het thuisfront die ook daadwerkelijk benut. Ik ben benieuwd of mevrouw Bruins Slot snapt wat ik bedoel.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Daarom is het goed dat de Minister nu de mogelijkheid heeft om integraal te kijken naar het beleid rondom het thuisfront. Het valt mij op dat in de nota wordt gekeken naar de betrokkenheid van het thuisfront voor en tijdens de uitzending, maar in de nota is nog niet veel aandacht besteed aan de betrokkenheid van het thuisfront na de uitzending. Ik deel de opvatting van de Minister dat er veel verschillende aspecten aan vastzitten, maar het complete palet is voor mij ook nog niet helemaal helder.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik heb gezegd dat de aanbevelingen inzake het thuisfront en de punten die hier eventueel worden gemaakt, worden meegenomen in de evaluatie. Er is dus zorg voor, tijdens en na de uitzending, niet alleen voor de betrokken militair maar ook voor het thuisfront. Het thuisfront reageert, net als de militairen, heel divers op de vraag: waar heb je behoefte aan? We hebben zojuist ook gesproken over de conferentie. Mevrouw Bruins Slot geeft daar hoog van op. Ik ben het op dit punt van harte met haar eens, maar men moet het wel willen. We moeten oppassen dat we niet te veel denken dat het allemaal kneedbaar en maakbaar is.

In de evaluatie wordt bekeken waar bijvoorbeeld meer maatwerk noodzakelijk is of waar verbetering mogelijk is. Ik heb net gesproken over het programma ADAPT, dat niet is beperkt tot de periode tijdens de uitzending, maar dat ook de periode na de uitzending betreft. Ik heb gesproken over de betrokkenheid bij de terugkeergesprekken. Er zijn reeds zo veel momenten voor handen. We gaan een en ander verder in kaart brengen. Het wordt in de evaluatie meegenomen. De Kamer wordt daar natuurlijk ook over geïnformeerd. Ik probeer daarbij enigszins aan verwachtingsmanagement te doen omdat het thuisfront ... Ik durf het bijna niet te zeggen, maar iemand zei ooit «Dé Nederlander bestaat niet». Pas op met het allen over één kam scheren.

Waar komt het verhaal over de reiskosten ineens vandaan? Ik vroeg mij dat eerlijk gezegd ook af. Ik heb dat nagevraagd en die vraag is keurig beantwoord. Ik denk dat het puntje zat bij het declareren. Mede naar aanleiding van de vragen die zijn gesteld, is het extra onder de aandacht van de commandant gebracht. Er was sprake van onbekendheid. Door het stellen van de vraag is er bekendheid gekomen, maar in principe is de werkwijze helemaal duidelijk, zoals ik ook uiteen heb gezet in de antwoorden op de schriftelijke vragen.

De heer Teeven (VVD):

De Minister zegt dat er weer bekendheid is gekomen, maar het probleem is natuurlijk dat het al jaren zo gaat en dat er blijkbaar toch onvoldoende bekendheid is. Ik vraag de Minister daarom: is het nu niet mogelijk om, à la Koningsdag, ervoor te zorgen dat er op die dag vrij reizen is voor militairen? Dan ben je van het probleem af. Dan reizen mensen die zich daartoe kunnen legitimeren naar Den Haag. Dan hebben wij helemaal geen bureaucratisch circuit van reisdeclaraties voor € 5,65 binnen de Defensieorganisatie nodig. Dan kan men gewoon vrij reizen. Is dat niet een veel betere werkwijze dan een hele bureaucratie eraan hangen?

Minister Hennis-Plasschaert:

Het kaartje kan gedeclareerd worden. Er kan vrij gereisd worden, linksom of rechtsom. In het kader van prioriteiten stellen en «je kunt niet alles tegelijk doen», is dit niet dringend. Het is namelijk al mogelijk. Ik wil het echter nog eens navragen en dan kom ik erop terug bij de volgende Veteranennota. Misschien behoort dit tot wat de heer Teeven bedoelde met die paar procent die nog beter kan. Ik begrijp het punt van de heer Teeven, maar conform zijn wensen worden de reiskosten al betaald. Het wordt gefinancierd, het wordt vergoed.

De heer Teeven (VVD):

De Minister reageert wat geïrriteerd. Dat hoeft wat mij betreft niet, hoor.

Minister Hennis-Plasschaert:

Nee hoor, helemaal niet.

De heer Teeven (VVD):

Ik word er ook niet warm of koud van. Maar is het niet veel gemakkelijker om die reisdeclaratiebusiness gewoon buiten beschouwing te laten en met de NS een andere regeling te treffen, waardoor je geen administratiekosten hebt, of commandanten die het niet weten, en men niet hoeft af te paraferen? Gewoon: hup, reizen op die dag, klaar! Is dat onmogelijk, vraag ik aan de Minister.

Minister Hennis-Plasschaert:

Allereerst: op deze prachtige dag ben ik niet geïrriteerd. Maar de prioriteitenlijst van wat ik allemaal moet doen, is enorm lang. Ik denk dat het is geregeld, dus waar doen we moeilijk over? Ik heb zojuist al gezegd dat ik bij de NS best wil navragen wat er allemaal mogelijk is en daarover rapporteren in de eerstvolgende Veteranennota. Volgens mij ben ik de heer Teeven op zijn wenken aan het bedienen. Ik hoop dat hij daar een beetje warmer van wordt.

De heer Teeven en mevrouw Eijsink hebben gesproken over het calamiteitenhospitaal. Mevrouw Eijsink merkte terecht op dat wij het hier eerder over hebben gehad. Ik heb toen toegezegd dat ik er bij de Kamer op terugkom zodra er meer informatie beschikbaar is. Zoals u weet is het een civiel-militaire samenwerking, die gezamenlijk wordt gefinancierd door Defensie en, jawel, VWS. Het wordt in stand gehouden door het UMC. Het is een unieke voorziening, waar binnen een half uur 200 patiënten kunnen worden opgevangen. De heer Teeven vroeg naar de afspraken met eventuele andere civiele ziekenhuizen in relatie tot het CMH en de capaciteit daarvan. Daarvoor moet ik echt naar VWS verwijzen, want de verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij VWS. Ik heb dat op dit moment niet scherp in beeld. Voor ons is van belang dat de door ons benodigde role 4-capaciteit vooralsnog gegarandeerd is en niet in gevaar lijkt. Wij bewaken echter wel de ontwikkelingen. Wij zijn daarover in gesprek met VWS en het UMC. Zoals ik tegen mevrouw Eijsink zei, zal ik de Kamer daarover informeren als daarover meer duidelijk is.

Ik heb al gesproken over de rustperiode waarover de heer Van Dijk het had en kom nu op de schadeclaims. De heer Teeven stelde een vraag die ik zelf eerder had gesteld, over het in cassatie gaan. In 2015 is Defensie in twee van de elf zaken in hoger beroep gegaan bij de Centrale Raad van Beroep. Achtergrond was een oordeel van de rechtbank over verjaring. De overige zaken betreffen hoger beroep ingesteld door de veteraan zelf. Veelal ging het om zaken waarin de rechtbank de aansprakelijkheid van Defensie afwees. Ik denk dat het beeld daarmee enigszins helder is. Ik kom straks nog uitgebreid terug op alle claims.

Ik heb al iets gezegd over de uitzendconferentie. Ik ben net zo enthousiast als de dames Eijsink en Bruins Slot. Dat meen ik, maar ik vind het onwenselijk om deelname te verplichten of een streefcijfer aan deelname te verbinden. Ook is het soms van belang om juist commandanten de ruimte te geven om op een persoonlijke wijze aandacht te geven aan persoonlijke veerkracht en morele sensibilisering. Dat wordt ook gedaan. Het is daarom vooral van belang dat we de uitzendconferentie steeds weer goed voor het voetlicht brengen en mensen daarvoor enthousiasmeren. Op die manier kunnen we tegemoetkomen aan de voorkeuren van mensen voor bepaalde vormen van persoonlijke veerkracht en sensibilisering.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Ik begrijp heel goed wat de Minister zegt. Zij spreekt over de afweging van commandanten en over commandanten die hiervoor wel of niet ruimte en tijd vrijmaken in het schema voor het opwerken naar een missie. Het maakt heel veel verschil waar die commandant de prioriteit op legt. Uit mijn hoofd zeg ik dat ongeveer 20% gebruik heeft gemaakt van Beukbergen. Beukbergen heeft een doel. Het bestaat niet zomaar; dat we weten allemaal. Het is natuurlijk van belang dat er gebruik van gemaakt kan worden. Het ligt niet altijd aan de individuele keuze van de militair zelf die op missie gaat, maar soms ook aan de keuze van de commandant om hier wel of niet de ruimte voor te geven binnen de mogelijkheden van het opwerkpakket. Ik heb de indruk – ik zeg met nadruk «de indruk»– dat de commandanten daar mogelijkerwijs meer ruimte voor geboden wordt. Ik hoor de Minister dan zeggen: «Er kan al zo veel en daarom laat ik het graag over aan... Ik wil deelname niet verplichten.» Er zit natuurlijk heel veel tussen enerzijds verplichten en anderzijds aanbieden en mogelijkheden bieden. Ik vraag de Minister om het het komende jaar wat scherper in de gaten te houden, want anders hoeven we Beukbergen niet te hebben. Mijn fractie is, net als andere fracties, van mening dat Beukbergen wel degelijk van groot belang is, want dat is voor veel militairen een rustmoment. In feite kun je dat beter preventief dan te laat doen. Laten we het woord «preventief» dan maar wat vaker inzetten, want als het gaat om de veteranenzorg zitten we nu veel meer aan de preventieve kant. Dat moet ook. De Minister zal het zeker met me eens zijn, maar dan moet wel ergens naar voren komen dat het gedaan wordt. De vrijheid helemaal aan de commandant geven lijkt me dus geen goed plan.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik zei niet: de vrijheid helemaal aan de commandant geven. Ik zei er «soms» bij, want in bepaalde gevallen kan het. Ik zal de CDS vragen om het in de communicatie met de commandanten nogmaals nadrukkelijk onder de aandacht te brengen. Over het algemeen hebben de commandanten die ik spreek, het wel scherp op hun netvlies staan. Nogmaals, ik zeg toe dat ik de CDS zal vragen om het in de communicatie met de commandanten weer even goed onder de aandacht te brengen.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Scherp onder de aandacht brengen is één, maar het gaat ook om het belang van Beukbergen. Als het doorgaat zoals het nu gaat en er wordt geen gebruikgemaakt van Beukbergen, dan voorzie ik dat iemand over een jaar of vijf wel eens zou kunnen zeggen dat Beukbergen geen bestaansrecht meer heeft. Dat wil niemand, maar dan moet er wel gebruik van gemaakt gaan worden. Als het niet zichtbaar is en als het niet doelmatig wordt gebruikt, kunnen we ooit in die situatie terechtkomen die niemand wil. 20% vind ik wel een heel klein percentage.

Minister Hennis-Plasschaert:

Uw punt is me duidelijk.

Beukbergen is natuurlijk niet een doel op zich. Het gaat om het moment voor persoonlijke veerkracht en morele sensibilisering. Dat is het doel en dat doel kan op verschillende manieren worden bereikt. Ik ben het zeer met u en mevrouw Bruins Slot eens en daarom breng ik het nog een keer onder de aandacht. Ik denk dat wij het ook met elkaar eens kunnen zijn als ik zeg dat persoonlijke veerkracht en morele sensibilisering het doel zijn.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Wat is volgens de Minister de oorzaak van de afname van de deelname aan de uitzendconferentie?

Minister Hennis-Plasschaert:

Misschien dat men op een andere wijze invulling wil geven aan die persoonlijke veerkracht en morele sensibilisering.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Het klinkt door dat «misschien» als een aanname, maar is dit ook echt de oorzaak? Ik ben het met de Minister eens dat die persoonlijke veerkracht en morele sensibilisering heel belangrijk zijn, omdat je gaat werken in een situatie die niet normaal is en waarbij er een beroep wordt gedaan op je normatieve afwegingsvermogen. Als de deelname afneemt, moet je wel zeker weten wat daarvan de oorzaak is en of het op een andere plek voldoende wordt ingevuld.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik kom daar in tweede termijn op terug, want ik heb geen non-responsonderzoek laten uitvoeren op Beukbergen, eerlijk niet. Wij zitten echt volop in de onderzoeken, dus ik kom daar in tweede termijn op terug.

Dan kom ik op de vragen over veteranen voor de klas. Ik ben het zeer eens met de hartelijke woorden die daarover zijn gesproken door de heer De Roon en ook door anderen, bijvoorbeeld mevrouw Belhaj. Het aantal gastoptredens van veteranen is toegenomen, zij het nog slechts met 14%. Wij verwachten een verdere stijging van het percentage leerlingen, maar de groei is ook afhankelijk van de vraag en het interesse van de scholen. Ik draag de mogelijkheid uit, de Kamerleden dragen die uit, anderen doen dat eveneens. Als de vraag groeit, krijgen we ook weer te maken met een afhankelijkheid van het aantal getrainde gastsprekers. De uitvoering is opgedragen aan het Veteraneninstituut, dat hiermee rekening houdt in zijn begroting en prioriteitsstelling, maar ik zal, samen met de heer De Roon, niet aarzelen om de kracht van dit project steeds weer goed voor het voetlicht te brengen. Dat wordt ook vanuit Defensie volop gedaan.

Voorzitter, gaat het nog? Ik hoor u zo diep zuchten...

De voorzitter:

Nee hoor, maakt u zich over mij geen zorgen. Tot nu toe gaat alles heel goed en als u gewoon uw beantwoording vervolgt, dan gaat het aan de kant van de Kamer ook goed.

Minister Hennis-Plasschaert:

Gelukkig.

Ik kom op de Libanonveteranen. Ik heb niet voor niets aan het begin van de Veteranennota een overzicht opgenomen van de claims in relatie tot de veteranenzorg. Dan gaat het toch weer om de beeldvorming. Als je de kranten soms leest en onvoldoende beeld hebt van wat er allemaal al is georganiseerd in het kader van de ereschuld, van de MIP of van andere voorzieningen, dan zou je werkelijk het idee kunnen krijgen dat Defensie de eigen mensen, die in het verleden hard hebben gewerkt, onder moeilijke omstandigheden, volledig in de kou laat staan. Ik heb dan ook gemeend dat dat beeld echt nuancering behoeft. Daarom is een en ander ook op pagina 3 uiteengezet. Ik herhaal het nog één keer: van de 2.369 veteranen die een ereschuld hebben ontvangen, hebben momenteel 473 een aanvullende claim lopen. Dat is dus bovenop de ereschuld, de MIP en alle andere voorzieningen die ze al krijgen. Naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep hebben 39 veteranen nieuwe claims ingediend. Het betreft 34 Libanonveteranen, van wie bij 14 nog geen aandoening gerelateerd aan het dienstverband is vastgesteld. In totaal gaat het om 187 claims van Libanonveteranen.

De Centrale Raad van Beroep heeft inderdaad geoordeeld dat Defensie tekort is geschoten omdat er geen nazorg is geboden toen er op enig moment na de uitzending naar Libanon wel aanwijzingen waren dat de geboden zorg ontoereikend was. Wij hebben toen gezegd: oké, wij gaan bovenop alles wat er inmiddels is uitgekeerd en aan voorzieningen beschikbaar is, overleggen met de belangenbehartigers van de veteranen over claims die overeenkomsten lijken te vertonen met de zaak waarover de Centrale Raad van Beroep zich heeft uitgesproken, te beginnen met de zaken die nu bij de rechter liggen.

Een volledig beeld van de claims kan ik nooit geven, zonder dat er in alle individuele gevallen een onderbouwend dossier tot stand is gekomen met een goed overzicht van de geleden schade. Het gaat immers om een aanvullende claim. Ik ken een aantal van de dossiers en ik kan u één ding zeggen: er zijn geen twee dossiers hetzelfde en de verschillen zijn eindeloos. De heer Van Dijk verwijst naar een algemene regeling. Dat zou prettig zijn, maar daarmee zou je de veteranen misschien wel heel erg tekort doen. Er lijkt een misverstand te zijn ontstaan naar aanleiding van de Kamerbrief en van de antwoorden die zijn gegeven op vragen vanuit de Kamer, maar we gaan, naar ik hoop deze zomer, het onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep voltooien. Ik heb in de brief en in antwoord op de vragen gezegd: daarover zal de Kamer natuurlijk worden geïnformeerd voor de zomer. Dit betekent echter niet dat ik dan dus zicht heb op het totaalbedrag van alle claims. Het kost echt veel meer tijd om al die individuele claims te bekijken. We kijken nu naar de gevolgen van de uitspraak en tegelijkertijd wordt er gewerkt aan al die claims. Dat kan heel lang duren.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik snap dat dat onderzoek nodig is, maar tegelijkertijd moeten we ook vaststellen dat het college in december heeft vastgesteld dat Defensie is tekortgeschoten. Er is dus wel een klus te doen. Er is inderdaad een brief van Defensie, waarin staat dat de Kamer voor de zomer nader zou worden geïnformeerd. Op 13 april zegt Defensie in de Volkskrant: het gaat om twintig zaken en we zoeken naar mogelijkheden om de procedure te stoppen en over te gaan tot een oplossing. Dat klinkt hoopgevend. Ik snap heel goed dat de Minister hartstikke haar best doet. Tegelijkertijd kent zij ook veteranen die in nood verkeren, wiens leven compleet geruïneerd is. Zij komen in de media of benaderen ons en vragen: wanneer krijg ik nu uitsluitsel? Vandaag in die veteranendebat is een zekere verwachting gewekt. Kan de Minister toelichten waarom zij eerst zegt «voor de zomer krijgt u informatie» en dat we nu in de antwoorden op feitelijke vragen lezen «naar verwachting deze zomer»? Waarom duurt het zo lang?

Minister Hennis-Plasschaert:

Met alle respect, maar de heer Van Dijk schetst nu weer een beeld alsof de veteraan geen enkele voorziening heeft ontvangen. Er zijn al de regeling ereschuld, het MIP en allerlei andere voorzieningen waar gebruik van kan worden gemaakt. Ik herken dan ook het beeld niet dat iemand helemaal alleen in de kou staat en nergens recht op heeft. Het gaat hier om een aanvullende schadeclaim, met eventueel enorme financiële gevolgen. Daar loop ik niet voor weg. Als dat zo is, is het zo en dan zal het Rijk zijn verantwoordelijkheid moeten nemen. Ik denk echter wel dat enige zorgvuldigheid hier op zijn plek is. Het gaat nu niet aan om met de Kamer te delen welke claims er allemaal worden ingediend. Sommige zijn volstrekt legitiem, bijvoorbeeld vanwege een gemiste carrière of loopbaan, maar van andere zaken die worden ingediend ten behoeve van die claims, gaan mijn haren recht overeind staan. We moeten er dan ook heel eerlijk over zijn waar we het precies over hebben. Dit vraagt echt om zorgvuldigheid.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Daar heb ik alle begrip voor en ik weet ook dat er al allerlei regelingen zijn, maar ik zou zeggen: kijkt u nog eens naar de uitzending van Nieuwsuur op 8 februari. Daarin komen een aantal van deze mensen aan het woord en u weet het ook, die zijn niet blij met hun situatie. Misschien zijn het er enkele, maar dan zou het toch des te overzichtelijker zijn en dan kan toch met de grootste noodgevallen worden begonnen. Dat zijn de mensen die nu zeggen: ik ben geruïneerd en ik hoop op een oplossing van Defensie. Die mensen constateren dat eerst wordt gezegd «voor de zomer» en dat nu wordt gezegd «naar verwachting deze zomer», misschien wordt het dus nog wel later. Kan de Minister zeggen wanneer ze uitsluitsel geeft?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik hoop zo snel mogelijk. Maar laten we hier niet een soort wedstrijdje doen wie het het beste voor heeft met de Libanonveteraan. Volgens mij staan we allemaal aan dezelfde kant en vinden we allemaal – inclusief ikzelf – dat als iemand recht heeft op bepaalde voorzieningen of het inwilligen van een aanvullende claim, we daar werk van moeten maken. Ik kan helaas niet alles met u delen, maar we moeten wel eerlijk zijn over bepaalde aspecten. Er is een aantal claims waarvan ik denk: dat zou best wel eens heel gerechtvaardigd kunnen zijn, maar is ook een aantal claims, waarvan ik denk: hoe durf je. Daar moeten we ook maar eens eerlijk over zijn.

Mevrouw Belhaj (D66):

Ik heb het gevoel dat er twee discussies door elkaar lopen. Ik wil het niet hebben over de vraag in welke mate er al heel veel gebeurt. Dat geloof ik wel. In sterke mate gaat het over iets waar de heer Van Dijk net over sprak. Los van de vraag of de claims legitiem zijn of niet is het gewoon heel vervelend als mensen, die al een tijdje in onzekerheid hebben gezeten en zich er mentaal op hebben voorbereid dat ze voor de zomer weten waaraan ze toe zijn, te horen krijgen dat het toch later wordt. Vanuit politiek oogpunt is drie maanden niets, maar voor een aantal mensen is dat na jarenlang wachten mentaal heel lang. Daar kunnen allerlei negatieve associaties mee gepaard gaan. Ze kunnen denken dat geen aandacht voor hen is. Ik deel volledig de mening van de Minister dat dat niet klopt, maar dat is wel het gevoel dat mensen hebben. Daarom snap ik de vraag van de heer Van Dijk wel. Voor deze mensen kan het wellicht heel belangrijk zijn om te weten of het 1 augustus of 1 september wordt. Ik kan de vraag alleen maar herhalen. Mocht de Minister een datum weten, dan zou ik het prettig vinden als zij die communiceert.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik begrijp de wens, maar ik kan hier echt niet met 1 juli of 1 augustus werken, hoe graag ik dat ook zou willen.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Ik dank de Minister voor de uitvoerige beschrijving op pagina 2 en 3 van de Veteranennota, maar ik wil haar het volgende voorleggen. Ik denk dat we het er met zijn allen over eens zijn dat de reikwijdte van het systeem dat we hebben opgezet, ook van belang is. Het systeem dat we door de jaren heen bevochten hebben voor de veteranen, moet overeind blijven. Laten we dat als uitgangspunt nemen. We hebben het hier over «aanvullende claims». Dat vind ik een groot verschil. Zou de Minister de Kamer blijvend op deze manier willen informeren en wellicht nog vaker? Ze hoeft niet zozeer in detail te gaan, maar ik vraag haar gewoon om feitelijke informatie te geven. Uiteraard moet ook vastgesteld worden of de aandoening gerelateerd is aan het dienstverband. Als we dat niet doen, ondergraven we het systeem dat hard bevochten is voor de veteranen. Dat geef ik de Minister mee en ik verzoek haar om in iedere volgende nota, en daar waar nodig en mogelijk door het jaar heen, de Kamer op deze wijze te informeren. Tien jaar geleden hadden we te maken met advocaten, die we als volksvertegenwoordigers bijeen geroepen hebben. Dat hebben we als Kamerleden in gezamenlijkheid gedaan, als basis voor de regeling die in 2011 is ontstaan. We krijgen nu te maken met letselschadespecialisten. Dat is prima; eenieder mag gebruik maken van ons systeem, maar ik wil wel heel graag ons zwaarbevochten systeem overeind houden voor mensen die hiervan gebruik moeten en kunnen maken. Dat vergt ook een en ander van de volksvertegenwoordiging en van de Minister.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik ben graag bereid om dit volgend jaar weer mee te nemen in de nota en om de Kamer, indien dat van belang is, tussentijds te informeren. Ik waak er wel voor om weer een hele stroom tussentijdse brieven naar de Kamer te sturen. Dit heeft ons aller aandacht. Ik heb ook toegezegd, de Kamer te zullen informeren naar aanleiding van wat we nu in kaart aan het brengen zijn.

Mevrouw Belhaj (D66):

Ik wens me te distantiëren van de opmerking van mevrouw Eijsink. Hoe dien ik als volksvertegenwoordiger om te gaan met Libanonveteranen? Dat is aan D66 zelf. Mevrouw Eijsink wekt een beetje de suggestie alsof ik er geen weet van zou hebben dat er klachten of aanspraken kunnen zijn die uiteindelijk niet gehonoreerd zullen worden. Ik vind wel dat dat niet de hele tijd hoeft te worden herhaald. Dat is evident. We hebben juristen om daar goed naar te kijken. Voor de rest ga ik er gewoon van uit dat mensen die een claim indienen dat oprecht doen. Als het klopt, moeten ze de vergoeding ook gewoon krijgen. Ik wens dus een beetje weg te blijven van de suggestie dat politici er alleen maar mee bezig zijn om een beetje te dwepen met ieder slachtoffer dat zichzelf bekend heeft gemaakt, omdat het zo lekker makkelijk is. Dat is het namelijk niet. Dat doe ik niet en dat zal ik ook niet doen. Ik wens me dan ook verre te houden van die suggestie.

De voorzitter:

Ik hoorde niet echt een vraag maar meer een opmerking. Die combineren we dan nog maar even met uw eerste termijn van zo-even.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Als mevrouw Belhaj zich daarop aangesproken voelt, dan zeg ik hierbij nadrukkelijk dat ik geen enkele suggestie heb willen wekken. Dwepen met slachtoffers – ik gebruik maar even de woorden die mevrouw Belhaj gebruikte – is niet aan mij besteed. We hebben samen een systeem neergezet en we voeren al jarenlang gesprekken met elkaar. Afgelopen maandag was er nog een bijeenkomst, waar ook mevrouw Belhaj voor uitgenodigd was. Een aantal collega's was daarbij aanwezig. We hebben dat uitvoerig met elkaar besproken. Ik zou die woorden dus niet willen gebruiken voor onze militairen.

De voorzitter:

U gaat op elkaar reageren, terwijl we op dit moment in de termijn van de regering zitten. Ik had net het vermoeden dat u misschien een vraag aan de Minister had. Dat bleek niet het geval te zijn. Voor debatten onderling kunt u beter straks de tweede termijn gebruiken via het instrument van de interruptie. U hebt allebei een korte verklaring afgegeven, waarvoor dank. We gaan nu door met de beantwoording door de Minister.

Minister Hennis-Plasschaert:

Mevrouw Bruins Slot vroeg zeer terecht aandacht voor de menselijke maat. De heer Teeven deed dat vorig jaar ook nadrukkelijk. Ik ben het daar van harte mee eens. Gelet op het aantal gesprekken dat ik voer en dat ook op andere niveaus wordt gevoerd, denk ik dat er een cultuuromslag op dit punt gaande is. Tegelijkertijd is het onvermijdelijk dat er in het kader van de voorzieningen voor veteranen niet alleen gekeken wordt naar de aandacht en de zorg die worden geleverd, maar ook regels worden gehanteerd. Deze regels die tot stand zijn gekomen in het georganiseerd overleg, moeten ook wel enigszins gehandhaafd worden, want anders wordt het het Wilde Westen. Bij de toepassing van regels kan altijd een conflict ontstaan. Juridische procedures zijn dan niet altijd te voorkomen. Als er sprake is van een juridische procedure, wordt er mijns inziens steeds beter afgewogen of het echt noodzakelijk is om die te volgen, althans zo heb ik dat in de afgelopen drie jaar ervaren. Bij iedereen in de organisatie die zich op dit moment hiermee bezig houdt, is het volstrekt helder dat de menselijke maat altijd voorrang heeft en moet hebben. Ik zeg daar gelijk bij dat dit weleens anders is geweest. Dat komt niet zozeer doordat er toen sprake was van onwil, maar doordat je op een gegeven moment allemaal hokjes krijgt. Als je dan in een bepaald hokje valt, ga je daarin door. Juridische procedures zijn dus nooit helemaal te voorkomen, maar ik denk dat we wel degelijk de omslag hebben gemaakt van «dus maar de processen in» naar het gesprek en daarmee de menselijke maat.

Mevrouw Eijsink en de heer Teeven brachten iets heel relevants ter sprake met betrekking tot de schadeclaims en de miljoenen die die kosten. Die middelen komen uit de Defensiebegroting. Daarvoor zijn er ramingen. Bij die ramingen houden we rekening met historische gegevens en historisch inzicht. Die ramingen vinden vanzelfsprekend plaats op basis van de schadegevallen die bekend zijn. Niettemin kunnen in het uitvoeringsjaar nieuwe gevallen naar voren komen of verwachte schadeposten ineens aanzienlijk wijzigen, ook in negatieve zin. Ik denk dat mevrouw Eijsink daar in het bijzonder op wees. Dan is er ineens wel een probleem. Als het in de begroting opgenomen budget wordt overschreden, moet de dekking daarvoor in de Defensiebegroting worden gevonden. Die afspraak hebben we gemaakt. Eerlijk gezegd zie ik het nodige op mij afkomen, omdat de cultuur van claimen – dat klinkt negatiever dan ik bedoel – echt wel van een andere orde is dan een aantal jaren geleden. Daardoor wordt de belasting op de Defensiebegroting steeds groter. In mijn gesprekken met de Minister van Financiën heb ik aan de orde gesteld dat het nu allemaal nog klopt en binnen de ramingen is, maar dat ik niet zie waar ik het geld vandaan moet halen als dit, gelet op de hoeveelheid uitspraken en de eventuele gevolgen daarvan, een onverwacht grote of nog grotere belasting wordt dan die al is. Ik kan niet verder uitweiden over de gesprekken met de Minister van Financiën. Als er ergens geld gevonden moet worden voor A, in dit geval Defensie, dan moet er op B bezuinigd worden en is de puzzel eindeloos complex, zoals u weet. We zijn er dus nog niet. Als het gaat om de belasting op de Defensiebegroting, terwijl het een verantwoordelijkheid is voor de gehele regering, zullen we daar met elkaar nog wel wat gesprekken over voeren.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

De Minister zei letterlijk: dat zijn de afspraken die we hebben gemaakt. De afspraak zou zijn dat dit uit de Defensiebegroting moet komen. De eerste grote schadeclaim was in feite de ereschuld van 110 miljoen. We hebben dat juist via de wet willen vaststellen. Dat is allemaal bekend. Ik ben even nieuwsgierig wie die afspraken hebben gemaakt. Ik heb namelijk nooit in de begrotingen teruggevonden dat het een afspraak is dat claims uit de Defensiebegroting gehaald worden.

Minister Hennis-Plasschaert:

Die afspraken zijn indertijd – ik was er toen nog niet – gemaakt in het kabinet. Ik zat toen niet in de Trêveszaal, maar ben er wel verantwoordelijk voor. Dat is de staande praktijk.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Mij is niet bekend dat er ergens een zinnetje staat als: schadeclaims, mogelijke schadeclaims en te verwachten schadeclaims moeten uit de Defensiebegroting komen. Mij is dat niet bekend, maar wellicht kom ik er in tweede termijn even op terug. Als de Minister wel weet waar het zinnetje staat, dan hoor ik dat graag. Ik weet het niet te vinden. Ik ken niet alle stukken, want dat zijn er heel veel, dus wellicht is mij dat ontgaan.

Minister Hennis-Plasschaert:

Dit is staande praktijk, die niet per se in een zinnetje in een Kamerbrief hoeft te zijn verwoord. Zo is erover gesproken binnen het kabinet, in het bijzonder met het Ministerie van Financiën, al zoveel jaar geleden.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik dank de Minister voor haar antwoorden. Ik moet helaas naar een andere afspraak. Mijn ondersteuning zal het debat nauwgezet volgen. Excuus.

De voorzitter:

Geen excuus, mijnheer Van Dijk. Soms moeten mensen op meerdere plekken tegelijk zijn. Ons allen treft hetzelfde probleem zolang we dat nog niet op een andere manier kunnen oplossen. Dat is voorlopig nog niet aan de orde.

De Minister vervolgt haar beantwoording.

Minister Hennis-Plasschaert:

Voorzitter. Ik kom te spreken over de BNMO-procedures. De dossiers zijn overgedragen aan het ABP, zo merkte mevrouw Eijsink terecht op. Deze dossiers zijn in behandeling bij het ABP. Indien nodig worden hoorzittingen gehouden. Het gaat om 164 zaken. Bij de dossiers waarbij ook sprake is van een claim, is het de bedoeling dat deze uiteindelijk in samenhang worden beoordeeld, ook met Defensie, de juridische dienstverlening. Dit is work in progress. Ik begrijp dat mevrouw Eijsink graag een soort horizon wil, maar een tijdbepaling heb ik op dit moment niet. Ik kom erop terug zodra dat wel zo is, in ieder geval in de volgende nota.

De heer Teeven sprak over 40 probleemdossiers ten aanzien van veteranen die wel in financiële nood zitten en geen inkomensvoorziening zouden krijgen. Er is geen sprake van probleemdossiers in dat opzicht. Het gaat om dossiers waarin al dan niet sprake is van een inkomensvoorziening of een alternatief. Voor iedereen die in acute financiële nood is gekomen, is in feite een tijdelijke oplossing gevonden. In dat opzicht is het geen probleemdossier. Ik zal kijken naar de formulering, maar misschien is het nu helder.

Mevrouw Belhaj vroeg naar de klachtenprocedure. De afhandeling van de klachten was bij Defensie tot begin 2016 decentraal belegd. De afhandeltermijnen konden daardoor niet goed worden bewaakt. Daardoor kon het gebeuren dat voornamelijk complexe klachten te lang bleven liggen. We hebben dit onderkend. De procedure is aangepast. Daarmee moet dit stap voor stap verbeteren. Zo is er vanaf heden een centraal coördinatiepunt voor klachten. Binnen Defensieonderdelen komen ook decentrale coördinatiepunten voor klachten. De klachtenregeling gezondheidszorg Defensie wordt aangepast om aan te sluiten bij de eisen en doelstellingen die de nieuwe wet Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg stelt. De nieuwe procedure is formeel van kracht met ingang van 1 juli a.s.

Ik ga nog heel even in op het Veteranenloket. De heer De Roon sprak over de bekendheid daarvan. De veteranenzorg is goed geregeld, maar we kunnen nog meer winst behalen als het gaat om de bekendheid. Het Veteraneninstituut onderneemt veel activiteiten om het loket onder de aandacht te brengen en te houden bij de doelgroep. U weet allemaal dat het Vi thuisfrontbijeenkomsten bezoekt en aanwezig is bij de terugkeer van eenheden in Nederland en bij medal parades. Daarnaast worden veteranenpashouders via Checkpoint regelmatig geattendeerd op het Veteranenloket. In de aanloop naar Veteranendag krijgen alle veteranen een exemplaar van Checkpoint toegestuurd; ook daarover is de Kamer geïnformeerd. De bekendheid van het Veteranenloket heeft niet alleen de aandacht van het Veteraneninstituut, maar hopelijk ook van u als vertegenwoordigers van deze Kamer en zeker van mijzelf en van andere bij het loket betrokken partijen, namelijk het LZV, het ABP, het Veteranen Platform en uiteraard Defensie zelf. Deze partijen komen elk kwartaal bijeen om activiteiten bij te sturen en nieuwe initiatieven te ontwikkelen. Naast de website van het Veteranenloket is er ook aandacht via andere mediakanalen van de partijen. Ook in de richting van de zorgverleners is specifiek over het Veteranenloket gecommuniceerd. Dit alles wordt vanzelfsprekend voortgezet en ook verder ontwikkeld.

Ook met betrekking tot de evaluatie van het Veteranenloket werd even de indruk gewekt dat wij zouden gaan wachten op het uitwerken van de aanbevelingen. Dat is geenszins het geval. De directeur van het Veteraneninstituut heeft per aanbeveling uitgewerkt hoe hij invulling geeft aan alle aanbevelingen. De stuurgroep Veteranenloket onder voorzitterschap van de hoofddirecteur personeel, waarin ook alle betrokken instanties zijn vertegenwoordigd, bewaakt de voortgang. We gaan dus zeker niet zitten wachten.

De heer Teeven vroeg naar het aantal fte's. In 2015 is een zorgcoördinator toegevoegd en in 2016 zijn er nog drie zorgcoördinatoren toegevoegd. Dat brengt het totaal van de uitbreiding op vier. Ook tegen mevrouw Bruins Slot zeg ik dat vier een uitbreiding met 20% betekent. Voor de komende periode bekijken we met alle betrokken partijen wat nog meer nodig is om flexibeler en sneller te kunnen inspelen op het fluctuerende aantal meldingen. Je moet namelijk ook de pieken kunnen opvangen en ook op de momenten waarop er minder is, moet je de organisatie daarop kunnen inrichten.

Mevrouw Belhaj vroeg of het systeem nu al werkt. De maatregelen die erop zijn gericht om de toenemende vraag het hoofd te bieden, zijn pas kort geleden toegepast; daar moeten we eerlijk over zijn. Op dit moment hebben zij effect, maar het zal ook van de ontwikkeling van het aantal meldingen afhangen of de huidige maatregelen ook op de langere termijn afdoende zijn en of aanvullende maatregelen nodig zijn. Het lijkt mij volstrekt evident dat wij daar allemaal belang bij hebben en dat wij dit dus op de voet volgen.

De heer Teeven vroeg naar de capaciteit van het bedrijfsmaatschappelijk werk. Ik ben mij zeer bewust van de druk die op dit moment ook bij het gespecialiseerde bedrijfsmaatschappelijk werk ontstaat. De heer Teeven gaf zelf al aan dat de Stichting de Basis zeer recent een verzoek heeft ingediend voor een aanvullende subsidie om te kunnen voldoen aan de toegenomen vraag. Ik kan daar niet op vooruitlopen, maar ik heb dat verzoek op dit moment wel in behandeling en wij zijn daarover met de Stichting de Basis in overleg. Ik ben mij net als de heer Teeven natuurlijk heel goed bewust van het belang van deze eerstelijnsondersteuning voor veteranen met een hulpvraag.

Is het Veteranenloket alleen voor veteranen of staat het ook open voor andere dienstslachtoffers? Dat hebben wij vorig jaar ook gezegd, maar daar ontstaat af en toe onduidelijkheid over. Het Veteranenloket is ook beschikbaar voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers, de MOD'ers. Het spreekt voor zich dat de actief dienende militairen vallen binnen de normale zorg die Defensie biedt, maar dat weet de heer Teeven al.

Mevrouw Eijsink sprak prachtig over «één man, één vrouw, één plan» en over het kwaliteitssysteem van het Veteranenloket en het LZV. Ook op dit punt geldt dat wij natuurlijk niet gaan wachten op die 29 aanbevelingen uit de evaluatie van het Veteranenloket. «Eén, één vrouw, één plan» blijft het uitgangspunt van het Veteranenloket. Het tweejaarlijkse rapport over de werkzaamheden is openbaar. De gevraagde en ongevraagde adviezen van de RZO zijn gericht aan de Minister, evenals de onderzoeken. Om te vermijden dat we om de paar weken allerlei dingen met aanbiedingsbrieven naar de Kamer sturen, ben ik van mening dat we dit jaarlijks gewoon moeten bundelen in de Veteranennota. Volgens mij heb ik daarmee alle vragen beantwoord.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Ik dank de Minister voor de beantwoording tot zover, maar twee van mijn vragen zijn nog niet beantwoord. Ik zou ze graag beantwoord willen hebben. Ik wil ze best herhalen. Ik ben begonnen met een verwijzing naar het Canadian Veterans Charter, dat heel sterk bij VWS aangehaakt is. Ik heb de Minister gevraagd om een doorkijk te geven, om aan te geven of we die stap niet ook eens zouden moeten zetten en of het mogelijk is om, gelet op de vele koppelvlakken van de organisaties die nu samenwerken, tot een kwaliteitssysteem te komen. Daarom heb ik dat overzicht in bijlage 2 van de Evaluatie Veteranenloket ook nog laten zien. Het zijn voor mij dus echt hoofdvragen, want het gaat om het zetten van een stip op de horizon, dus om verder kijken. Ik zou daar wel graag een antwoord van de Minister op willen.

Minister Hennis-Plasschaert:

Dat snap ik, maar ik heb het meer verstaan als een opdracht om dat te gaan doen en daarop terug te komen in plaats van als iets waarvan ik nu even een schets kan gaan geven. Mevrouw Eijsink schetst het belang van VWS. Volgens mij ben ik ingegaan op het belang van het systeem als zodanig en op de koppelvlakken; ik heb mevrouw Eijsink eerder ook horen spreken over de «lappendeken». Dat zijn allemaal heel terechte vragen, die beantwoord moeten worden in de evaluatie en de verdere verbetering van het hele stelsel. Ik zie het dus meer als een opdracht dan als iets waarvan ik op dit moment even een soort schets kan geven.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

«Koppelvlak» is mijn woord, «lappendeken» niet. Het doet mij goed als de Minister dit wil opvatten als een opdracht en dit wil meenemen. Dat haal ik dus gelijk binnen, zou ik zeggen. Maar begrijp ik goed dat de Minister zegt dat zij ook zelf van mening is – daar gaat het mij natuurlijk om – dat de krijgsmacht met hetgeen we nu door de jaren heen ontwikkeld hebben, staat, maar dat Defensie geen zorgdepartement is en dat dus een aantal zaken, niet alleen het LZV, waarover we hebben gesproken, ook stapsgewijs naar VWS zouden moeten? Je moet de balans daarin dus goed neerzetten, zoals ook het Canadian Veterans Charter door de jaren heen heeft gedaan. Ik wil graag dat de Minister dat meeneemt, want dat is natuurlijk een stip op de horizon, iets voor de toekomst. Dit is ook naar aanleiding van de vele veteranen of, zo u wilt, een aantal veteranen – om maar niet in percentages te spreken – die Defensie sowieso niet zien als een departement waar ze naartoe willen met hun vragen. Zij willen namelijk ook ergens anders naartoe kunnen. Dat zou dan VWS in de toekomst zijn.

Het andere punt betreft het kwaliteitssysteem. Als Kamer moeten we natuurlijk kunnen toetsen wat de organisaties gezamenlijk doen. Dat moet aan de hand van een kwaliteitssysteem. Daarvoor is de wet opgezet. Daarvan heb ik ook vorig jaar, maar ik herhaal het nu, gezegd dat dit moet worden opgezet, want anders kan überhaupt het integrale toezicht niet plaatsvinden, maar ook het toezicht van de Kamer niet.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik zit hier namens de regering. De regering spreekt met één mond. Ik zal echt het gesprek met VWS moeten voeren. Daarvoor heb ik de inbreng van mevrouw Eijsink goed gehoord. Dat gaat verder dan waarover we het net alleen maar hadden, over LZV en een kostendekkende verzekering enzovoorts. Dat zie ik als een opdracht waaraan ik graag gehoor geef.

Ook voor het kwaliteitssysteem geldt dat je steeds verder gestalte geeft aan verdere verbetering – dat is de reden waarom er ook een evaluatie plaatsvindt – maar ik ben nu even zoekende naar wat mevrouw Eijsink precies bedoelt. Er staat namelijk al een hoeveelheid zaken in de steigers, bijvoorbeeld de Consumer Quality Index. Maar misschien begrijp ik mevrouw Eijsink nu even niet goed en praten we langs elkaar heen.

Het eerste punt heb ik dus toegezegd. Bij het tweede punt moet mevrouw Eijsink mij nog even helpen.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Wat betreft de kwaliteitssystemen heb ik eerder verwezen naar de IMG, maar die is wel gemandateerd door de IGZ. Wat betreft toezicht en kwaliteitssystemen valt het hele zorgsysteem dus onder VWS. Dat zou wat mij betreft echt verder uitgewerkt moeten worden. Of we het nu hebben over de wachtlijsten bij de civiele organisaties, zoals het LZV, of over de onafhankelijkheid van verschillende organisaties: alles is nu nog de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Defensie. Het zou een stip op de horizon zijn om daar eens over door te denken. Het is niet voor het eerst dat we het daarover hebben. We hebben er onlangs ook met de organisaties over gesproken. Ik denk dat het goed is om dat denken gewoon eens door te zetten. Nogmaals: Defensie is geen zorgdepartement, het is de krijgsmacht. De verhouding daarbinnen kan volgens mij stapsgewijs nog verbeterd worden.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik heb, nogmaals, de opdracht goed begrepen. Er is een evaluatie gaande. Ik ga het gesprek voeren en kom bij de Kamer terug. Het helpt wel als er dan hier even rust is op links, zodat ik iedereen goed kan verstaan. Dank u wel.

De voorzitter:

Ik kijk heel even naar een gedane toezegging. Normaal gesproken noemen we de toezeggingen aan het einde, maar ik lees die toezegging toch graag voor. Misschien neemt dat begripsverwarring weg of leidt dat tot overeenstemming. De toezegging is: de Minister informeert de Kamer over de resultaten van de gesprekken met het Ministerie van VWS over onder andere – ik herhaal: onder andere – de zorgkosten en naar verwachting aan het eind van het jaar of snel daarna komt daaruit resultaat, ik neem aan in de vorm van een brief. Dekt dat de lading?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik ga het nu even samenvatten, want anders blijven we langs elkaar heen praten. Ik raak hier ook wat geprikkeld door, merk ik. Volgens mij staan alle neuzen dezelfde kant op. Mevrouw Eijsink en anderen hebben mij gevraagd om het gesprek met VWS voort te zetten, omdat het Defensie overstijgt, omdat het een veel bredere verantwoordelijkheid is dan alleen die van Defensie. Daarop is het antwoord: ja, ik ga het gesprek voeren en kom daarop terug. Daarnaast vindt er een evaluatie plaats waarin een hoeveelheid van zaken zal worden geadresseerd, inclusief het geven van een doorkijk naar het kwaliteitssysteem waarover mevrouw Eijsink spreekt. Volgens mij kom ik mevrouw Eijsink dan echt aan alle kanten tegemoet.

De voorzitter:

Het gaat dus over het gesprek over de zorgkosten, dat doorgaat, en over het kwaliteitssysteem.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Sorry – als u het mij toestaat, voorzitter – maar nee, ik ben helemaal niet toe aan de toezegging die nu geformuleerd wordt.

De voorzitter:

U moet elkaar wel begrijpen.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Ik heb drie keer het woord «toekomstvisie» gebruikt. Het gaat ook over de middelen die beschikbaar worden gesteld. De Minister spreekt terecht over de regering. VWS heeft met verschillende zorgcomponenten te maken. Mevrouw Bruins Slot wees daar terecht ook al op. Ik heb drie keer het woord «toekomstvisie» gebruikt. De evaluatie brengt die als vanzelf met zich. Het gaat verder dan alleen maar kosten. Het heeft te maken met een visie, namelijk: wie is er verantwoordelijk voor onze militairen, de actief dienenden en de post-actieven, de veteranen? Daar zitten middelen aan vast. De bijzondere zorg is een zaak van de overheid, niet alleen van Defensie. Dat zou ik graag meegenomen hebben in wat de Minister zojuist heeft toegezegd. Het gaat dus om een visie, niet alleen om kosten. Je moet het met elkaar erover eens zijn dat het een brede, door de regering gedragen verantwoordelijkheid is.

De voorzitter:

Ik nodig de Minister uit om het nu nog een keer te formuleren in de vorm van een toezegging die wij kunnen opschrijven, en wel zo dat we de overeenstemming tussen u beiden helder hebben.

Minister Hennis-Plasschaert:

Volgens mij krijgt deze Minister nu het vriendelijke verzoek van de Tweede Kamer, in het bijzonder van het lid Eijsink, om binnen de regering het gesprek te voeren, in het bijzonder met VWS, om te kijken naar die gedeelde verantwoordelijkheid, omdat het Defensie als zodanig overstijgt, alsook om dat te adresseren in de evaluatie en op basis van de uitkomsten van die evaluatie een verbeterslag, een toekomstvisie of welk woord u daar ook voor wilt gebruiken, van het stelsel in ogenschouw te nemen.

De voorzitter:

Mevrouw Eijsink knikt. Volgens mij was het woord «toekomstvisie» net heel elementair, dus dat nemen we voor de zekerheid daar dan toch maar in op.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Ik complimenteer de Minister met de prachtige samenvatting van de discussie die zij met mevrouw Eijsink heeft gehad. Als praktisch mens vraag ik mij dan weer af: wat is de deadline?

Minister Hennis-Plasschaert:

De evaluatie komt aan het einde van het jaar. Dan gaan wij van daaruit weer verder.

De voorzitter:

Voor het einde van het jaar komt de evaluatie naar de Kamer. Dat is de verwachting van de Minister.

Hiermee zijn de laatste twee vragen die waren blijven liggen, beantwoord. Ook zijn we hiermee aan het einde gekomen van de eerste termijn van de kant van de regering. Ik schors kort.

De vergadering wordt van 13.23 uur tot 13.32 uur geschorst.

De voorzitter:

Wij gaan verder met het notaoverleg van de vaste Kamercommissie van Defensie over de Veteranennota. Wij beginnen met de tweede termijn van de Kamer. Net zoals bij de plenaire vergadering kunnen in een tweede termijn van een notaoverleg moties worden ingediend. Ik heb de verwachting dat dit ook zal gebeuren. Een aantal sprekers, in ieder geval de heer Van Dijk, heeft op dit moment bezigheden elders. Daarom sla ik zijn beurt over en ga ik terstond naar de CDA-fractie. Wij beginnen namelijk met de oppositie en daarna is het woord aan de coalitie. Dat is de mos in deze Kamer. Mevrouw Bruins Slot heeft voor haar tweede termijn nog twee minuten en twintig seconden de tijd.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Voorzitter. Ik bedank de Minister voor haar duidelijke antwoorden. Het is goed om te zien dat er elk jaar weer verder wordt gebouwd aan de ondersteuning van en de zorg voor de veteranen. Dat betekent ook dat er elk jaar weer zaken zijn die beter kunnen of die we anders met elkaar kunnen regelen. Daarvoor kunnen we stappen in de goede richting zetten. Als ik met de veteranenorganisaties, met veteranen zelf en met het thuisfront in gesprek ga, vind ik het zo mooi dat ze vaak op een heel constructieve wijze bekijken hoe we het elkaar samen beter en anders kunnen doen.

Ik heb nog een aantal vragen aan de Minister. Ik maak mij als CDA'er echt nog wel zorgen over de capaciteit van het Veteranenloket, van de zorg vanuit de basis en van de zorgcoördinatoren. Je ziet gewoon een toename van de vraag. Langzamerhand lopen wellicht ook de Uruzganveteranen her en der tegen problemen aan. Je ziet ook het succes van het Veteranenloket. Iedereen kent het of leert het steeds beter kennen en juist daardoor wordt de vraag groter. De Minister zegt dat zij gaat kijken naar het meer flexibel inspelen op piekdrukte en dat zij probeert om dat zo snel mogelijk voor elkaar te krijgen. Kan ze dat wat meer toelichten? Gaat het dan om «modulair optreden», om maar even een Defensieterm te gebruiken? Wanneer verwacht ze dat op poten te hebben samen met het Veteraneninstituut?

Mijn volgende punt is dat de Minister nog terug zou komen op de oorzaak van de daling van de participatie bij de uitzendconferentie.

Mijn laatste punt is dat ik de Minister in het kader van het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen gevraagd had om te bekijken of ze de wachttijden per instelling centraal zou kunnen registeren. In de geestelijke gezondheidszorg beginnen er knelpunten te ontstaan. Dat zie je ook terug in de antwoorden op de vragen naar aanleiding van de Veteranennota. Hoe snel krijgen veteranen de passende zorg? Het antwoord van de Minister vond ik niet echt duidelijk. Daarom heb ik de volgende motie geformuleerd.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er wachttijden zijn bij de aangesloten instellingen van het Landelijke Zorgsysteem Veteranen;

overwegende dat niet inzichtelijk is hoe lang veteranen moeten wachten op onder meer een gesprek voor intake, diagnose en de start van de meest aangewezen behandeling;

van mening dat het van belang is dat veteranen tijdig passende zorg krijgen;

verzoekt de Minister, in overleg met het LZV tot een centrale registratie van de wachttijden te komen en de Kamer hierover voor de begroting te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bruins Slot en Eijsink. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 160 (30 139).

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Ik sluit af. Komende zaterdag is het Veteranendag. Ik vind dat persoonlijk altijd een fantastische dag, waarbij we met heel veel plezier onze erkenning en waardering voor de veteranen kunnen uiten. Ik kijk er heel erg naar uit. Ik vind het als CDA'er ook mooi dat de Koning weer aanwezig is. Ik wens de Minister van Defensie, al mijn collega-Kamerleden en natuurlijk de militairen en veteranen een heel mooie dag toe.

De voorzitter:

Dan gaan wij door met de heer Teeven, die nog 5 minuten en 20 seconden spreektijd heeft.

De heer Teeven (VVD):

Voorzitter. Ik dank de Minister hartelijk voor haar uitvoerige, duidelijke en nauwgezette beantwoording. Al mijn vragen zijn prima beantwoord, maar eentje wat minder. Ik ben haar buitengewoon erkentelijk daarvoor. Het is ook belangrijk dat veteranen duidelijkheid hebben over hoe het verder moet met het beleid. De Minister heeft zich ingespannen om het ingezette beleid in haar periode uit te bouwen en verder te verfijnen. Daar is veel waardering voor van de VVD-fractie, laat dat helder zijn. En niet alleen van de zijde van de fractie, maar wat veel belangrijker is: die waardering krijgt zij ook uit het veld. Aanstaande zaterdag 25 juni zullen we weer een mooie dag hebben, zoals mevrouw Bruins Slot al zei, zeker als er een zonnetje is. Ik ga dat voor de tweede keer meemaken. Het hele officiële gedeelte is altijd een feest, maar ook daarna 's middags op het Malieveld kom je heel bijzondere mensen tegen, soms van 25 jaar geleden. Het is goed dat de Minister zich daar zo buitengewoon voor inspant. Ik heb er niet veel aan toe te voegen, behoudens één dingetje, zoals ik al zei. Ik heb hierover een motie, en het feit dat deze geschreven is, toont aan dat ik het eigenlijk niet van plan was, maar ik ga deze wel indienen. Het gaat om de reiskostenvergoeding. Ik vind het echt Nederland op z'n smalst dat we dat niet anders doen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regeling voor de reisvergoeding voor actieve veteranen op Veteranendag omissies vertoont;

verzoekt de regering, zich in te spannen voor vrij reizen voor veteranen (en andere militairen) op Veteranendag, zonder bureaucratische rompslomp,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Teeven, Jasper van Dijk, De Roon en Belhaj. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 161 (30 139).

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Een waanzinnig sympathiek idee, natuurlijk. Geweldig! Gratis reizen voor alle militairen, actief en post-actief. Ik neem aan dat alle reservisten er ook bijhoren, en dan kijk ik naar de heer Teeven. Maar laat het nu zo zijn dat er al een regeling voor is ontwikkeld. De toevoeging zit vooral in de bureaucratische rompslomp, waar de heer Teeven zich aan stoort. Dat is wat ik eruit heb onthouden. In de zaal zie ik onze voormalige collega Herben zitten, van wie de oorspronkelijke regeling komt. Die staat nog steeds. Begrijp ik het goed dat het de bureaucratische rompslomp is? De actief dienende moet via de commandant een vergoeding vragen voor zijn kaartje. Bedoelt de heer Teeven te zeggen dat we de commandant moeten vragen om een dienstopdracht te geven aan de militair? Als het een dienstopdracht is, moet en mag de militair gaan en dan krijgt hij dat kaartje vergoed. Dat is niet zo moeilijk, zou ik zeggen. Ik bedank de NS ook, want daardoor wordt dit systeem van harte ondersteund.

De heer Teeven (VVD):

Ik vind het jammer dat ze het niet snapt, maar ik leg het altijd graag uit, zeker aan mevrouw Eijsink. Voor postactieve veteranen is er niets aan de hand. Voor hen is er al een goede regeling; daar ziet die motie niet op. Maar voor de actieve veteranen is er wel iets aan de hand. Was er niets aan de hand, dan zou ik geen 32 mailtjes en gesprekken hebben gehad dat er wel iets aan de hand is. Mensen melden mij dit en zeggen: ik krijg van mijn commandant te horen dat de dienst het wel toelaat, maar dat het niet nodig is dat ik erheen ga. Of: je kunt wel een reisdeclaratie indienen, maar ik betaal hem niet. Of nog erger: mensen dienen een reisdeclaratie in die ze niet vergoed krijgen. De Minister zegt tegen mij niet dat het allemaal perfect loopt; dat antwoord heb ik haar vandaag niet horen geven. Nee, het zal onder de aandacht van de commandanten worden gebracht, en dan wordt gehoopt dat het dit jaar en volgend jaar beter gaat. Maar dat is niet de essentie van mijn motie. In de motie vraag ik de Minister of zij zich kan inspannen – er staat daarom geen «regelen» maar «verzoekt zich in te spannen» – voor postactieve en actieve militairen, reservisten en mensen die zich als voormalig militair kunnen legitimeren. De Defensieorganisatie vraagt tot mijn grote voldoening heel veel aandacht voor Veteranendag. Er wordt steeds naar buiten gebracht: bezoek Veteranendag op 25 juni om eer te bewijzen aan onze veteranen. Op een dag waarvoor dat allemaal wordt gedaan en waarop heel Nederland dank wil betuigen aan de veteranen, zeg ik: geef deze mensen de gelegenheid om naar Den Haag te reizen. Of ze er gebruik van maken, is een heel ander verhaal, maar tuig niet een systeem op met reisdeclaraties voor € 3,65 als iemand vanuit Leiden wil reizen met de trein, of nog erger, vanuit Groningen. De motie verzoekt de regering zich daarvoor in te spannen. Er lijkt een meerderheid voor die motie te zijn als erover gestemd moet worden. Ik ga wel zien wat de Minister ermee doet.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Nogmaals, het is heel sympathiek, maar het mooie is dat het voor een groot deel of eigenlijk helemaal al bestaat. In de motie staat: bureaucratische rompslomp. De heer Teeven zegt eigenlijk ook: Minister, geef de commandanten de opdracht om een dienstopdracht te geven, want die houdt in dat iemand bij wijze van spreken naar Veteranendag moet gaan. Volgens mij hebben we dan alles gedekt en wordt die vergoeding automatisch geregeld; daar hebben we nou eenmaal PeopleSoft voor. Dat zou prima zijn. Het is ook een beetje vreemd om het op die dag te verbinden aan het uniform. Als ik het goed begrijp, zegt de heer Teeven: een uniform dragen op die dag staat voor een treinkaartje. Ik voorspel dat verschillende veteranen dan zullen zeggen: iedereen die een catsuit heeft gehaald, kan ook in die trein. Ik weet niet of de veteranen daar zelf zo blij mee zijn. Ik zou de heer Teeven willen vragen of hij refererend aan bureaucratische rompslomp eigenlijk zegt: commandanten moeten de opdracht van de Minister krijgen om een dienstopdracht te geven. Want daarmee is alles volgens mij opgelost.

De heer Teeven (VVD):

Nee. Ik wil het helemaal buiten de commandanten houden. Ik ga het in tweede termijn nog proberen uit te leggen. Ik wil helemaal niet dat de commandanten er zich mee hoeven te bemoeien. Ik wil gewoon dat een actieve veteraan uit Groningen die op die dag naar Den Haag wil reizen, in de trein kan stappen. Hij hoeft zijn commandant dan helemaal niets te vragen, want hij had al een vrije dag. Hij hoeft zijn commandant er helemaal niet bij te betrekken en ook geen reisdeclaratie in te dienen bij zijn commandant, want die actieve veteraan is gewoon al vrij. Als hij zich als militair in de trein legitimeert met zijn pas, kan de conducteur zeggen: oh, u hoeft als militair die graag Veteranendag wil bezoeken, niet te betalen. Hoe moeilijk kan het zijn in dit land? Met Koningsdag wordt er geen hond gecontroleerd in de trein. Op Veteranendag controleren we alleen de niet-militairen, die een treinkaartje moeten betalen. Er hoeft dus helemaal niks gedaan te worden met commandanten, niks in de functionele lijn en niks met reisdeclaraties. We moeten gewoon reclamemaken voor Veteranendag. Ik ben blij dat ik het nog een keertje toe mag lichten aan mevrouw Eijsink: we moeten de actieve veteranen vooral wel Den Haag laten bezoeken als ze in de gelegenheid zijn, want het is een groot feest waar zij vooral bij moeten zijn.

De voorzitter:

Had u verder nog iets, mijnheer Teeven? Een andere motie? Nee, toch?

De heer Teeven (VVD):

Alleen dat ik mevrouw Eijsink in mijn linkeroor hoor zeggen dat het populistisch is. Ik ben eigenlijk trots om de stem van het volk met andere leden van deze commissie te mogen vertegenwoordigen. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Teeven. Een verrassend einde van uw kant.

Eens kijken of ik de volgorde nu wel goed aanhoud. We gaan naar mevrouw Eijs... nee, naar de heer De Roon. Ziet u, er gaat één iemand weg en direct raak ik de kluts kwijt. Mijnheer De Roon, zou u mij een plezier willen doen en willen beginnen met uw tweede termijn?

De heer De Roon (PVV):

Voorzitter. De motie van de heer Teeven is heel goed en daarom heb ik haar ook medeondertekend. Ik ga graag nog even door op de Veteranendag. Ik heb gehoord dat heel veel militairen graag naar de Veteranendag gaan, mede omdat dit de enige dag is waarop ze hun uniform in het openbaar vervoer mogen dragen. Ik wil ze daartoe van harte aanmoedigen, en dat geldt niet alleen voor die zaterdag, maar ook voor alle andere dagen van het jaar. Het is van de gekke dat militairen zich nog steeds moeten verstoppen voor terroristen. Ik riep de Minister in mei al op om het uniformverbod door de shredder te halen, maar zij gaf toen aan dat het verbod op dat moment nog werd geëvalueerd. Ik hoor graag wat de resultaten zijn. Ik ben benieuwd of de Minister de PVV en de militairen kan verblijden met het goede nieuws dat zij allemaal gewoon weer met hun uniform aan in de trein mogen.

Ik kom op mijn andere punt, het veteranenontmoetingscentrum in Vught. Dit centrum maakt gebruik van een locatie in Fort Isabella, een militair fort dat aan het begin van de zeventiende eeuw is gebouwd volgens de principes van de bekende fortenbouwer Menno van Coehoorn. Een veteranenontmoetingscentrum is daar dus zeer op zijn plaats. Het lijkt daar echter mis te gaan. De eigenaar van Fort Isabella, het COA, heeft het fort verkocht aan een besloten vennootschap, zonder daarbij voorwaarden op te nemen over het veteranenontmoetingscentrum dat ook op dat terrein zit. Het veteranenontmoetingscentrum moet van de nieuwe eigenaar, de bv, verdwijnen. De nieuwe eigenaar wil daar namelijk wel graag bedrijven, seniorenwoningen, een welzijnshotel, appartementen voor verstandelijk beperkten, een revalidatiecentrum, horeca en studenten hebben, maar geen veteranen, terwijl die toch juist op hun plaats zouden zijn in het van oudsher bekende Fort Isabella. Ik weet op dit moment niet precies hoe dit opgelost zou kunnen of moeten worden, maar ik vraag de Minister aandacht voor deze zaak, zodat ervoor gezorgd kan worden dat dit veteranenontmoetingscentrum in ieder geval in Vught of omgeving een locatie kan behouden. Als de Minister daar nu niet onmiddellijk antwoord op kan geven, wil ik graag dat zij schriftelijk aan de Kamer laat weten hoe de vork in de steel zit en hoe deze kwestie kan worden opgelost ten behoeve van de veteranen die daar hun ontmoetingscentrum hebben of hadden.

De voorzitter:

Dan geef ik nu wel het woord aan mevrouw Eijsink voor haar bijdrage in tweede termijn.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Hoeveel minuten heb ik nog, voorzitter?

De voorzitter:

Een krappe zes minuten.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Voorzitter. Ik dank de Minister voor haar beantwoording van de vragen uit de eerste termijn, voor de toezeggingen en voor de opdrachten die zij, zoals geformuleerd, heeft overgenomen. Ik waardeer dat zeer, zeker ten aanzien van de opvolging van de aanbevelingen uit de evaluatie van het Veteranenloket. Ik heb echter nog een paar vragen en opmerkingen.

We hebben niet zo lang geleden een discussie gevoerd over de compound in Assen, waar beschermde huisvesting geboden wordt aan elf getraumatiseerde veteranen. Ten aanzien van eerdere opmerkingen over de Wmo en de bredere zorg vanuit VWS, wil ik aanvullen dat dit punt gelukkig is opgelost. Waarom merk ik dit op? In de Kamervragen naar aanleiding van de nota staat een en ander over Bronbeek. Voor jonge veteranen is geen plaats in Bronbeek, want de minimumleeftijd is daar 65 jaar. Wat betreft langdurige en nieuwe bewoning van het woonoord wordt aansluiting gezocht bij de Wet langdurige zorg.

Ik noem een initiatief dat afgelopen zaterdag is geopend: de Reestdal-idylle. Het betreft een zorgboerderij voor veteranen. Er wordt gezorgd voor elkaar, met elkaar en door elkaar. Het is een prachtig initiatief van de heer en mevrouw Postma en Boudewijn Kok. Ik vraag de Minister om eens naar dit soort initiatieven te kijken. Daarom blijf ik ook hameren op betrokkenheid van VWS. Of we het nu willen of niet, we hebben soms te maken met langdurig zieken. Zij hebben een plek nodig en zij verdienen ook een plek. Ik vraag de Minister om hierop te reageren en om het in ieder geval mee te nemen in de evaluatie.

Ik kom te spreken over de RZO, de Raad voor civiel-militaire Zorg en Onderzoek. Als ik het goed begrijp, zegt de Minister: we sturen één keer per jaar alles, en dat doen we bij de Veteranennota. Ik vraag de Minister om de resultaten van de onderzoeken die de RZO door het jaar heen doet, naar de Kamer te sturen. We hebben de onderzoeksresultaten niet ontvangen bij deze nota. De RZO is voor ons van belang. Daarbij gaat het namelijk om integrale kwaliteitszorg. We hebben bijvoorbeeld de gegevens over het LZV niet ontvangen. De RZO heeft tegen mij gezegd dat hij de onderzoeksresultaten naar de Minister stuurt en dat de Minister ze moet doorsturen naar de Kamer. Dat is blijkbaar de afspraak. De RZO is een waardevolle organisatie. Daarom zou ik graag willen dat de onderzoeksresultaten naar de Kamer worden gestuurd.

Ik heb nog een opmerking over nuldelijns. Ik vind het een uitstekend project. Eerder is aangegeven dat de collegiale ondersteuning nog niet helemaal loopt. Kan de Minister daarop reageren? De financiering van de nuldelijns staat tot en met 2018. We kennen allemaal de discussie over de Wet op de kansspelen. De nuldelijnsondersteuning wordt gefinancierd uit het vfonds, en het vfonds leunt op een vorm van financiering die is geregeld in de Wet op de Kansspelen. We hebben in deze Kamer eerder naar aanleiding van Stichting de Basis gezegd dat noodzakelijke ondersteuning voor onze actieven en postactieven geborgd moet zijn. Daar zitten altijd risico's aan vast, want het vfonds is met loterijgeld gevuld. Ik vraag de Minister om hierop te reageren, aangezien de Tweede Kamer deze week de Wet op de kansspelen behandelt. Ik neem aan dat er dan nog moties worden ingediend. Ik geef het maar even mee, want het heeft mogelijk consequenties voor al dit soort activiteiten.

Heb ik nog tijd voor een laatste opmerking, voorzitter?

De voorzitter:

U hebt nog drie minuten.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

O, dan heb ik nog genoeg tijd.

Ik heb nog een motie over de schadeloosstelling.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Defensie naast een goed ontwikkeld zorgsysteem met een steeds breder zorgpalet, een uitkeringsstelsel heeft voor veteranen die als gevolg van hun uitzending in de problemen zijn gekomen;

constaterende dat het beleid rond de immateriële en materiële zorg erop is gericht om de veteraan zo spoedig mogelijk volwaardig aan het maatschappelijk verkeer deel te laten nemen;

constaterende dat voor veteranen die voor 1 juli 2007 de dienst hebben verlaten en een aandoening hebben door dienstverband, in 2012 de Ereschuldregeling van start is gegaan om deze veteranen via een eenmalige uitkering alsnog erkenning te geven;

constaterende dat deze uitkering volledig ten laste komt van de Defensiebegroting;

verzoekt de regering, te onderzoeken hoe de nog te verwachten aanvullende schadeclaims van veteranen anders dan uit de Defensiebegroting bekostigd kunnen worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Eijsink en Teeven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 162 (30 139).

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Voorzitter Ik sluit af. Ook ik zie zeer uit naar Veteranendag. Ik zie iets minder uit naar het slot van Veteranendag, 's avonds, want dan nemen wij afscheid van de huidige directeur van het Veteraneninstituut, de heer Marcus. Ik denk dat ik ook namens collega's spreek als ik zeg dat wij van hieruit de heer Marcus bijzonder dankzeggen voor al zijn inzet, betrokkenheid en empathie voor de veteranen. Het afscheid is zaterdagavond. Wij zullen eerst een heel mooie dag hebben met veel zon, dus zonnebrand mee, zeg ik tegen degenen die dat nodig hebben. Aan het eind van de dag zullen wij zeker met zijn allen graag naar het afscheid van de heer Marcus komen. Nogmaals, heel veel dank! Via u, voorzitter, uiteraard, maar het lijkt mij voor één keer op zijn plaats om dat te mogen en te kunnen zeggen.

(Applaus, ook op de publieke tribune)

De voorzitter:

Dat is zeer terecht, mevrouw Eijsink, op dit vlak mag u dat zeker. Zolang u het aantal schildjes dat u uitdeelt een klein beetje in de klauwen houdt, lijkt mij op dit soort momenten de vrijheid die u zich veroorlooft volledig aan de orde. Ik laat ook graag het applaus op de publieke tribune toe, dat normaal gesproken niet wordt toegestaan in een openbare vergadering. Maar het is voor de heer Marcus zeer op zijn plaats.

Ik geef nu graag het woord aan mevrouw Belhaj voor haar tweede termijn. Daarvoor staat nog een spreektijd van 2 minuten en 30 seconden.

Mevrouw Belhaj (D66):

Voorzitter. Ik dank de Minister voor de antwoorden. Hoe bijzonder is het dat nog maar zes jaar geleden door de heer Poppe, de heer Pechtold, mevrouw Peters en uiteraard mevrouw Eijsink het initiatief tot deze wet werd genomen en dat wij na zes jaar al zo ver zijn. Dat verdient alleen maar complimenten.

Naar aanleiding van diezelfde wet heb ik nog één vraag, met betrekking tot het begrip «relatie». Het is ongelooflijk mooi dat het thuisfront wordt gedefinieerd. Tegelijkertijd constateren wij, zoals past bij een partij als D66, dat er heel verschillende vormen zijn waarin mensen met elkaar samenleven, of niet met iemand samenleven, maar wel een goede vriend of vriendin hebben, die hen steunt in het werk dat zij doen. Ik vond het te ver gaan om hierover een motie in te dienen, want ik reken erop dat deze liberale Minister er ook wel gevoelig voor moet zijn. Mijn vraag is, of de Minister bereid is om te kijken naar een iets neutralere formulering waardoor ook singles of mensen met een andere samenlevingsvorm dan het klassieke gezin, kunnen worden uitgenodigd voor de thuisfrontinformatiedagen of de thuisfrontcontactdagen.

De heer De Roon (PVV):

Ik moet zo meteen een andere vergadering gaan voorzitten in dit gebouw, dus ik moet mij nu excuseren. Uiteraard wordt de beantwoording door mijn ondersteuning gevolgd.

De voorzitter:

Daar hebben wij alle begrip voor. Er vinden elders in het gebouw andere vergaderingen plaats. Wat zojuist voor de heer Van Dijk gold, geldt nu voor de heer De Roon, namelijk dat hij zich niet kan opsplitsen.

Wij zijn toe aan de tweede termijn van de kant van de regering. Het woord is aan de Minister.

Minister Hennis-Plasschaert:

Voorzitter. Mevrouw Bruins Slot begon haar bijdrage met de opmerking dat zaken altijd beter kunnen. Dat moet inderdaad onze gezamenlijke missie zijn voor de toekomst: laten we koesteren wat we hebben en zaken verder uitbouwen.

Ik ben even kwijt wat zij bedoelde met modulair optreden. «Modulair optreden» staat in mijn aantekeningen, maar ik kan niet plaatsen waar dat vandaan komt.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

De Minister betoogde uitgebreid dat zij ook inziet dat het Veteranenloket en de achterliggende keten versterking nodig hebben. Zij zet daarvoor stappen en wil komen tot een flexibele schil rondom dit loket. Wanneer denkt zij de plannen daarvoor samen met het Veteranenloket uitgedacht te hebben en wanneer kan een en ander in de steigers worden gezet?

Minister Hennis-Plasschaert:

Nu heb ik het weer helemaal scherp!

Ik gaf inderdaad in eerste termijn aan dat we met de betrokken partijen zullen bekijken hoe we de piekmomenten op kunnen vangen en hoe we kunnen afbouwen als het weer wat rustiger is. Overigens denk ik dat de druk nog wel eventjes hoog zal blijven. Hoe vangen we het structureel op? Dat is eigenlijk uw vraag. Er wordt gewerkt aan een gezamenlijk plan. Daarbij wordt ook gekeken naar die extra capaciteit. Ik waak ervoor om van de evaluatie straks een soort enorme kerstboom te maken, maar dit is wel een punt dat daarin echt zal terugkomen. Ik kom er dus op terug in de evaluatie die aan het einde van dit jaar gereed is.

De commissie heeft van mij nog een antwoord tegoed over de uitzendconferenties. In de opwerktrajecten wordt het natuurlijk standaard aangeboden. Mevrouw Bruins Slot heeft dat hartstikke scherp. We hebben geen non-responsonderzoek of een andersoortig onderzoek gedaan naar de redenen waarom een eenheid niet gebruikmaakt van zo'n conferentie. Maar het is natuurlijk mogelijk dat een eenheid er al een keer is geweest in het kader van een andere uitzending. Er kan een geestelijk verzorger verbonden zijn aan de eenheid, waardoor het op een alternatieve manier wordt ingevuld. Bij het Korps Commandotroepen heeft men, vanwege de hoge uitzenddruk, een programma waarbij de geestelijke verzorger betrokken is. Zo zijn er tal van redenen te noemen, maar ik zal hiervoor dus via de CDS, de Commandant der Strijdkrachten, zoals in eerste termijn toegezegd, aandacht vragen en wijzen op nut en noodzaak van de uitzendconferentie voor morele sensibilisering en persoonlijke veerkracht, het versterken van de mentale weerbaarheid enzovoort, enzovoort. Dat doel dienen wij allen, maar de wijze waarop we dat doen, is nu nog even onderwerp van gesprek. Net als u ben ik enthousiast over de conferentie als zodanig.

Ik ben blij dat de heer Teeven toch tevreden is met de beantwoording. Ik kom zo separaat terug op de moties.

De heer De Roon sprak mij nog even aan op het uniformverbod. Ik heb de vorige keer al gezegd dat ik er net als hij op gebrand ben om dat verbod van tafel te krijgen. Ik heb wel te luisteren en te dealen met de veiligheidsautoriteiten. Ik kan het echter niet voor mijn rekening nemen dat er iets gebeurt, nadat ik een advies van de veiligheidsautoriteiten heb genegeerd. Het uniformverbond is ons allen een doorn in het oog, maar uiteindelijk gaat het er wel om dat wij zo goed mogelijk voor ons personeel zorgen en daar horen de veiligheidsvoorschriften zeker bij.

De heer De Roon vroeg ook nog naar Fort Isabella. Die zaak zegt mij nu niks, maar ik wil er best even naar kijken. Laat wel duidelijk zijn dat dit met name een zaak is voor de gemeente zelf. Anders wordt het wel heel ingewikkeld en complex en hebben we straks een apart ministerie nodig om dit soort zaken te organiseren.

Mevrouw Eijsink vroeg of het RZO-onderzoek onmiddellijk naar de Kamer kan worden gezonden. Blijkbaar voelt zij zich onvoldoende bediend doordat we het nu één keer per jaar doen. Ik ga wat zij mij vraagt, doen via het Ministerie van Defensie. Als ik zo'n rapport ontvang, ontvangt zij het dus ook. Het rapport zal niet rechtstreeks van de RZO naar haar toe komen.

Mevrouw Eijsink sprak ook nog even over de gevolgen van een mogelijke verandering van de Wet op de kansspelen. Ik kan nu niet bevestigen of uitsluiten dat het gevolgen zal hebben. Ik weet wel één ding zeker: juist omdat we de afgelopen jaren zo vaak met elkaar hebben gesproken over de financiering van het Veteranenfonds, zijn wij non-stop, in nauw overleg en in goede samenwerking met het Veteranenfonds aan de slag. Dus als er fondsen of financiering vanuit het vfonds onder druk komen te staan, wat ook gevolgen zou hebben voor Defensie, dan weet ik heel zeker dat ik daarover onmiddellijk geïnformeerd zal worden. Dan moet ik ook de verantwoordelijk nemen om de Kamer te informeren. Ik hoop zeer dat er geen financiële gevolgen zijn, want Defensie heeft echt genoeg financiële uitdagingen op het bordje liggen.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Dank voor deze toezegging. Was ik zei, was uiteraard bedoeld als een compliment aan het vfonds, want het vfonds doet heel erg veel. We hebben twee jaar geleden een heel overzicht van de Minister gekregen van wat het vfonds door het land heen allemaal doet en dat is echt enorm veel. Daar ging mijn vraag niet zozeer over. Mijn vraag betrof het onder druk komen te staan van het vfonds. Dan is het zaak om de koppelvlakken, zoals ze genoemd worden, op elkaar aan te laten sluiten. Als ik de Minister goed begrijp, wordt de Kamer direct geïnformeerd indien zich veranderingen voordoen.

Minister Hennis-Plasschaert:

Allereerst ikzelf en direct daarna de Kamer, maar zo ongeveer gelijktijdig, hoop ik. De gevolgen kunnen eindeloos zijn. Ik moet er niet aan denken. Laat ik dat ook even hardop zeggen tegen het vfonds, al dan niet hier aanwezig vandaag.

Initiatieven zoals de zorgboerderij Reestdal volg ik wel, maar ik waak ervoor dat Defensie dat moet gaan dragen. Dat zeg ik daar ook gelijk bij. Wij hebben daar geen ruimte voor, niet in capaciteit en niet in financiën. Het is in eerste instantie de rol van de gemeenten en de zorgverzekeraars om te voorzien in deze speciale voorziening, maar aangezien de Kamer mij eerder de opdracht heeft gegeven om te praten hierover, zal ik dit initiatief zeker als voorbeeld meenemen.

Mevrouw Belhaj vroeg nog naar het begrip relatie. Ik zie even niet dat daar een probleem is. Het begrip is in de Veteranenwet gedefinieerd. De levensgezel is daarin opgenomen, dat hoeft niet per se mannetje of vrouwtje te zijn. Het zou wel heel narrow-minded zijn als wij anno 2016 op die manier met elkaar omgingen. Naast de echtgenote is dat ook de geregistreerde partner. Volgens mij biedt dat voldoende ruimte, maar om het zeker te weten, kijk ik er nog even naar. Volgens mij is er voldoende ruimte.

De voorzitter:

Mevrouw Belhaj licht even toe waar zij nog lacunes ziet.

Mevrouw Belhaj (D66):

Het klopt inderdaad: in de Veteranenwet staat een formulering in de trant van «levensgezel» of iets dergelijks. Een formulering die enige ruimte biedt, maar in de uitwerking komt die formulering niet terug. Uitnodigingen voor het thuisfront worden alleen gestuurd aan de primaire relatie, dus de Wet biedt u de mogelijkheid om die primaire relatie nog wat duidelijker te formuleren. Daar is nu enig misverstand over. Vandaar.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik zeg u graag toe dat ik het even uitzoek. Stel dat ik getrouwd ben met een vrouw, dan is mijn primaire relatie mijn vrouw, en dus niet een man die er niet is. Ik moet even uitzoeken hoe het nu precies zit, maar ik hoor goed wat u zegt en ben er net als u zeer op gebrand dat dat gewoon open en goed geregeld is.

Mevrouw Belhaj (D66):

Misschien nog één keer ter verduidelijking: het gaat mij dus ook om mensen die single zijn, maar die wel een beste vriend of vriendin hebben die ze in hun werkzaamheden steunt. Die vallen dan alleen niet onder «primaire relatie», omdat ze niet getrouwd zijn en ook niet familie. Het gaat mij erom dat goed in te bedden.

Minister Hennis-Plasschaert:

Wij gaan daarnaar kijken. Een fair punt.

Ik kom op de moties, tot slot. Ik begin bij de motie-Bruins Slot/Eijsink op stuk nr. 160. Ik denk dat ik daar in mijn eerste termijn niet helemaal duidelijk over ben geweest. Zoals bekend is het nu lastig om te komen tot een centrale registratie, maar men kan altijd nog in overleg treden met het LZV en onderzoeken wat de mogelijkheden zijn. Wat ik in eerste termijn heb willen zeggen is dat het, gezien de actuele stand van zaken in de organisatie van de veteranenketenzorg en de programmaregie, niet haalbaar is om per behandeling en per instelling de gevraagde detailoverzichten te geven. De algemene wachttijden van aanmelding, intake en aanvang van behandeling, inclusief overbruggingsbehandeling, zijn inmiddels wel beschikbaar. Hierover wordt door het LZV per kwartaal geïnformeerd aan de RZO. Is dit waar mevrouw Bruins Slot naar zoekt of wil zij mij aanmoedigen toch nog iets uit te zoeken waarvan ik net aangaf dat dat niet mogelijk is?

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Ik begrijp van de Minister dat er inmiddels in algemene zin cijfers zijn en dat die geleverd worden aan de RZO. Het lijkt mij goed om daarmee te beginnen. Mijn vraag aan de Minister is echter of zij, net zoals wij in algemene zin geïnformeerd worden door de Minister van VWS over de wachttijd bij de ggz-instellingen, bereid is om in de begroting en in de Veteranennota die overzichtscijfers op te nemen. Wij krijgen dan twee keer per jaar een overzicht van de voortgang en kunnen dan zelf de ontwikkelingen in de gaten houden. Ik kijk even naar mevrouw Eijsink. Als de Minister dat toezegt, houden wij de motie aan.

Minister Hennis-Plasschaert:

Om dat in de begroting te doen, vind ik niet prettig, maar ik zal bij de begroting een brief sturen en het wel opnemen in de Veteranennota. Daarna zullen we bekijken of wij het in de toekomst kunnen beperken tot één keer per jaar bij de nota. Als dat niet kan, krijgt de Kamer bij de begroting een aparte brief.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Eerst dus een aparte brief en daarna in de Veteranennota, dat lijkt mij een goede start. Ik houd de motie daarom aan. Dank voor de toezegging.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Bruins Slot stel ik voor, haar motie (30 139, nr. 160) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Hennis-Plasschaert:

De motie-Teeven c.s. op stuk nr. 161 gaat over het treinkaartje. Het betreft een inspanningsverplichting en ik laat het oordeel daarover aan de Kamer. Ik zeg er wel meteen bij dat een resultaatsverplichting echt niet gaat. Ik ben van meerdere partijen afhankelijk, ook van de NS. Er is sprake van zo veel bevlogenheid en enthousiasme en uiteindelijk een goed doel, dat ik denk dat ik het oordeel aan de Kamer kan laten.

De heer Teeven (VVD):

De Minister kan de motie ook overnemen. Dan stemmen we er niet over en dan staat dit al gewoon vast.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik laat het oordeel aan de Kamer. Dat is toch prachtig. Ik zag al zo veel enthousiasme en passie.

De heer Teeven (VVD):

Daar ben ik ook eigenlijk heel blij mee, want dan gaan we erover stemmen en dan horen we ook meteen wat de reden van de fractie van de Partij van de Arbeid is om tegen deze motie te stemmen. Dat is prima.

Minister Hennis-Plasschaert:

De laatste motie is de motie-Eijsink/Teeven op stuk nr. 162. Deze motie gaat over de financiering. Zeer terecht wordt de regering genoemd in het dictum. Ik heb daarover in eerste termijn al het nodige gezegd. De bonden hebben zich hier onlangs ook over uitgelaten in een brief aan de Minister van BZK. Ik heb al gezegd dat ik hierover spreek met de Minister van Financiën. Ik laat het oordeel over de motie aan de Kamer. Ik ben het wel zeer met de Kamer eens dat het een gedeelde verantwoordelijkheid is.

Voorzitter. Ik wil u, de leden en alle aanwezigen danken. Ik zie zeer uit naar aanstaande zaterdag. Het belooft weer een heel mooie dag te worden, waarbij we aandacht hebben voor de veteranen met wie het heel goed gaat, maar ook voor de veteranen waar het soms wat minder goed mee gaat. Volgens mij hebben we dat vandaag ook goed laten doorklinken. Ik wil via u, voorzitter, alle veteranen danken voor hun inzet, moed en loyaliteit. Grote dank daarvoor.

De voorzitter:

En ik dank de Minister voor haar beantwoording in tweede termijn. Mij rest nog de toezeggingen van de Minister door te nemen. Er is een achttal toezeggingen gedaan. Ik vraag de leden om scherp mee te luisteren, zodat we niemand tekortdoen.

  • Bij het volgende wetgevingsoverleg Personeel zal de Minister ingaan op de stand van zaken rond de aanbevelingen van de Veteranenombudsman ten aanzien van de Bosniëveteraan, zonder specifiek in te gaan op de casus zelve.

  • Voor het eind van het jaar stuurt de Minister de resultaten van het onderzoek ten aanzien van het PTSS-protocol naar de Kamer.

  • De Minister informeert de Kamer over de resultaten van de gesprekken met het Ministerie van VWS over onder andere de verantwoordelijkheid voor de zorgkosten en de uitkomsten van de evaluatie van de Veteranenwet in de vorm van een toekomstvisie of iets van dien aard.

  • Mevrouw Bruins Slot voegt daaraan toe dat dat eind 2016 komt.

  • De Minister komt in de volgende Veteranennota terug op het punt van de reiskosten op Veteranendag en op het punt van de schadeclaims. De motie daarover heeft de Minister oordeel Kamer gegeven.

De heer Teeven (VVD):

Voor mijn part kan de toezegging over de reiskosten eruit, want de Kamermotie daarover moet wel worden uitgevoerd. We wachten daarop niet tot de volgende Veteranennota.

De voorzitter:

Ja, maar daarmee zou ik vooruitlopen op een uitkomst. Gezien het aantal ondertekenaars is die wel te verwachten, maar laten we het hier even formeel houden. Er zit een soort van vervaloptie op het eerste deel van deze toezegging op het moment dat uw motie het haalt.

De heer Teeven (VVD):

Ik had het niet mooier kunnen formuleren.

De voorzitter:

Dat compliment steek ik in mijn zak, mijnheer Teeven.

In de evaluatie van de Veteranenwet komt de Minister terug op de flexibele schil van het Veteranenloket.

Dat had ongetwijfeld wel mooier geformuleerd kunnen worden. De heer Teeven vindt het prachtig; dan doen we het ermee.

De Minister stuurt de afgeronde onderzoeken van de RZO meteen naar de Kamer, dus niet één keer per jaar, maar zodra de Minister ze ontvangt.

De Minister kijkt ook nog naar de praktijk rondom het begrip «relatie» van de veteranen naar aanleiding van de opmerking van mevrouw Belhaj over de uitvoering van de wet voor wat betreft de uitnodigingen.

Bij de begroting en de Veteranennota neemt de Minister de wachttijden bij de LZV-instellingen op, zoals gemeld bij de RZO.

De heer Teeven (VVD):

Wanneer stemmen we over de moties?

De voorzitter:

Dat wilde ik net gaan zeggen. Volgende week dinsdag wordt er reeds over deze moties gestemd. Dat is nadat iedereen aan deze kant en aan de andere kant van de tafel een zonovergoten en prachtige Veteranendag heeft kunnen meemaken. Ook hoop ik dat er een mooie onthulling van de plaquette hier in de Kamer zal plaatsvinden. Tot slot wens ik de heer Marcus een heel bijzondere avond toe.

Sluiting 14.12 uur.