Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201230015 nr. 46

30 015 Voortgang bodemsanering

Nr. 46 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 februari 2012

Naar aanleiding van de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet bodembescherming ten behoeve van een gebiedsgerichte aanpak van de verontreiniging van het diepere grondwater, informeer ik uw Kamer over de teruggang van het aantal humane spoedlocaties over de afgelopen 3 jaar, nl. van ca. 1800 in 2008 naar 414.

Tevens benut ik deze brief om mijn toezegging over het geven van inzicht in de relatie tussen de normering bij drinkwater en bij bodem gestand te doen.

Voor de zomer zal ik uw Kamer nader berichten over de voortgang van de afspraken uit het Convenant bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties uit 2009, waar thans een midterm-review plaatsvindt en dat ook strekt – naast spoedlocaties – tot ondergrond, gebiedsgericht beheer, decentralisatie en vereenvoudiging regelgeving.

Teruggang humane spoedlocaties

Zoals ik in mijn brief van 22 november 2011 (kamerstuk 30 015, nr. 45) heb aangegeven zijn er thans potentieel nog ca. 250 000 locaties met bodemverontreiniging in Nederland. Het woord potentieel is hier van belang, omdat deze schatting is gemaakt op basis van historisch onderzoek. Bevestiging van de verontreiniging gaat op basis van echt veldonderzoek en dat is kostbaar en vergt tijd. Logischerwijs is dit een te groot aantal om zowel financieel als in de uitvoering te kunnen behappen, dus worden prioriteiten gesteld en die liggen bij de spoedlocaties en met name daar waar gevaar voor de volksgezondheid is (humane spoed).

Bij de start van het convenant bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties (juli 2009) is op basis van de veronderstelde aanwezige verontreinigende stoffen en het bestaande bodemgebruik geschat dat er ca. 16 000 potentiële spoedgevallen zijn. In het jaarverslag 2009, dat ik bij brief van 6 september 2010 heb toegezonden is dit aantal genoemd (kamerstuk 30 015, nr. 42).

Van deze 16 000 locaties verdienden aanvankelijk naar schatting 1200–1800 locaties het predikaat spoedeisend op basis van risico’s voor de volksgezondheid oftewel humane spoed (jaarverslag RIVM 2009).

De afgelopen 3 jaar is benut om verder te saneren, maar ook om de werkvoorraad scherp in beeld te krijgen.

Van de aanvankelijke schatting van tussen de 1200 en 1800 locaties zijn er nog 414 over, waarover ik u in mijn brief van 22 november en bijbehorende bijlage heb geïnformeerd.

De terugloop is als volgt te verklaren:

  • Als gevolg van sanering neemt het aantal af met ca. 400 locaties.

  • Als gevolg van het niet blijken van humane spoedeisendheid loopt de schatting terug met circa 450 locaties. Voor wat betreft dit punt geldt dat in eerdere onderzoeken modelmatigveronderstelde humane risico’s op basis van kwaliteit van de binnenlucht waren berekend, maar dat bij daadwerkelijke (binnen)luchtmetingen humane risico’s niet zijn vastgesteld. Veel van deze locaties zijn van de lijst met humane spoed verdwenen; deze zijn nog steeds spoed, maar dan op basis van verspreiding of ecologie. Conform de afspraken in het convenant zullen deze ook met voorrang worden aangepakt in deze en de komende periode.

  • Verder is het getal preciezer geworden, omdat door het bevoegd gezag administratief scherper is gekeken naar de aanwezige werkvoorraad (bv. check op het slaan van een eindbeschikking, waardoor een geval van de voorraadlijst verdwijnt, het uitfilteren van deelsaneringen en gefaseerde saneringen, waardoor soms meerdere gevallen één geval bleken te zijn). Hiermee loopt de inventarisatie terug met ca. 75 gevallen.

Het huidige aantal locaties komt daarmee op 414. De schatting voor de overige spoedgevallen die halverwege 2013 ook geïnventariseerd zullen zijn, beloopt thans tussen de 2500 en 3000 gevallen.

Blijkens de huidige inventarisatie lijkt het kostenniveau van de aanpak van de 414 humane spoedlocaties op maximaal € 300 mln. te liggen, waarvan overigens al ongeveer 2/3 wordt gedekt via andere voorzieningen. Resteert, naar huidige inschatting, nog ongeveer een te financieren bedrag van € 100 mln., budget dat beschikbaar is binnen de rijksbegroting, waardoor de doelstelling voor humane spoedlocaties haalbaar is, zoals ik reeds in mijn brief van 22 november heb vermeld.

Normering drinkwater in relatie tot bodemnormering

In het kamerdebat is ook de kwestie van de normering van drinkwater in relatie tot bodemverontreiniging aangesneden. Nederland heeft wereldwijd gezien een zeer hoge kwaliteit drinkwater en dat wil ik zo houden. Drinkwaterinname putten kunnen als kwetsbare objecten worden aangewezen waardoor een verontreiniging in een dergelijk gebied met prioriteit (spoed) kan worden aangepakt. Het is echter niet nodig om altijd de aanpak van verontreiniging in drinkwaterinname- gebieden als spoedeisend aan te wijzen. Het beleid is immers risicogeoriënteerd, en gaat om risico’s van verspreiding van een historische bodemverontreiniging (van voor 1987). Indien een verontreiniging in een drinkwaterbeschermingsgebied ligt, maar het verplaatst zich niet of nauwelijks, dan is er geen directe aanleiding om met spoed te saneren, omdat er geen risico’s zijn. Indien de verspreiding wel in grote mate plaatsvindt dan dient de aanpak vanwege de kwetsbare functie met voorrang plaats te vinden. Het beeld is dat de decentrale overheden, die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het bodembeleid, het maatschappelijke belang van deze waterwingebieden goed op het netvlies hebben.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, J. J. Atsma