30 012 Leven Lang Leren

Nr. 69 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 april 2016

Op 9 februari 2016 vond het VAO Leven Lang Leren (Handelingen II 2015/16, nr. 52, item 24) plaats waarin een achttal moties is aangenomen. In deze brief bespreek ik de uitvoering hiervan. Hiermee geef ik gehoor aan het verzoek van de Kamerleden Lucas (VVD) en Van Weyenberg (D66) om op de hoogte te worden gehouden van de uitvoering van deze moties. Tevens geef ik uitvoering aan de toezegging uit het notaoverleg over de Strategische Agenda Hoger Onderwijs van 14 december 2015 (Kamerstuk 31 288, nr. 524) om uw Kamer in het voorjaar van 2016 te informeren over de stand van zaken omtrent de pilot flexibilisering in collegegeldheffing, in het bijzonder bij de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam («flexstuderen»).

Onderzoek vraagfinanciering in het mbo1

De motie van de leden Lucas (VVD) en Rog (CDA) verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze ook in het mbo geëxperimenteerd kan worden met vraagfinanciering om zo het leven lang leren te versterken. Daarnaast zijn door het lid Lucas (VVD) tijdens het mondelinge vragenuur op 5 april jongstleden hierover vragen gesteld (Handelingen II 2015/16, nr. 5, Mondelinge vragen van het lid Lucas over het bericht «Mbo wil opleiding op maat voor groeiende onderklasse»). Er is tevens een Kamervraag gesteld over deze motie namelijk welke mogelijkheden ik zie om ook in het mbo te experimenteren met vraagfinanciering voor tekortsectoren, zoals de opleiding verpleegkunde, om zo de zij-instroom te bevorderen.2 De beantwoording van dit deel van de Kamervraag zal ik meenemen in de uitvoerig van deze motie.

Naar aanleiding van de motie van de leden Lucas (VVD) en Rog (CDA) (Kamerstuk 30 012, nr. 56) ben ik direct in overleg gegaan met de MBO Raad, NRTO en VNO-NCW. De opvattingen van de verschillende partijen lopen op dit punt uiteen. Deze overleggen hebben mij bevestigd dat het onderzoeken van een experiment met vraagfinanciering in het mbo zeer complex is en dat dit een zorgvuldige aanpak vereist. Er zijn sterk wisselende signalen over de wenselijkheid en mogelijke vormgeving van een eventueel experiment met vraagfinanciering naar voren gekomen. Zo zijn er verschillende opvattingen over de wijze waarop vraagfinanciering een concrete invulling kan krijgen, zoals het werken met vouchers of een persoonlijk scholingsbudget. We hebben deze partijen nodig om een mogelijk experiment vraagfinanciering tot een succes te maken. Daarnaast heeft vraagfinanciering in het mbo niet alleen implicaties voor de financiering, maar zal het ook invloed hebben op het gehele mbo-stelsel, de discussie omtrent initieel en post-initieel onderwijs en de drievoudige kwalificering van het beroepsonderwijs. Ik vind het daarom belangrijk om alle implicaties van een experiment met vraagfinanciering in het mbo goed in kaart te brengen om zo tot een geslaagde aanpak voor een experiment te kunnen komen. Hiervoor zal ik, zoals ik ook in het mondelinge vragenuur van 5 april jl. heb aangegeven, een verkenningscommissie instellen. Naast enkele onafhankelijke leden zullen ook vertegenwoordigers van de MBO Raad, VNO-NCW en de NRTO een uitnodiging ontvangen om in deze commissie zitting te nemen. Deze commissie zal ik zo spoedig mogelijk instellen.

Aan de verkenningscommissie vraag ik varianten voor de uitwerking van vraagfinanciering, inclusief voor- en nadelen, in kaart te brengen om zo een kader te schetsen voor politieke besluitvorming over een mogelijk experiment. Daarbij vraag ik de commissie om specifiek aandacht te besteden aan de toegankelijkheid van het onderwijs, de doelmatigheid en variëteit van het opleidingsaanbod en de uitvoeringsconsequenties. Voorts vraag ik de commissie om in haar advies ook de eerste ervaringen met de pilots vraagfinanciering in het hoger onderwijs, de uitkomsten van het SER advies over het middensegment mbo en over praktijkleren dat in het najaar van 2016 verschijnt, de evaluatie van het regionaal investeringsfonds mbo (najaar 2016) en de ontwikkeling van het Centrum voor Innovatief Vakmanschap van De Vries Scheepsbouw Makkum en ROC Friese Poort3 te betrekken. Het is van belang dat de verkenningscommissie deze inzichten ook meeneemt, omdat het verschillende manieren betreft hoe de vraaggerichtheid van het onderwijs verder verbeterd kan worden. Ik zal de commissie vragen haar advies voor het einde van 2016 op te leveren of eerder wanneer mogelijk.

Experiment vraagfinanciering in de sectoren zorg en welzijn.4

In deze motie vragen de leden Lucas (VVD) en Klein (50PLUS) de regering ervoor zorg te dragen dat het experiment vraagfinanciering hoger onderwijs ook in de sectoren zorg en welzijn snel van de grond komt, en de Kamer hierover uiterlijk op Prinsjesdag 2016 te informeren. In mijn brief van 22 januari 2016 heb ik al aangegeven dat bij de betrokken partijen (hogescholen, werkgevers, brancheorganisaties) veel energie is ontstaan en dat er bereidheid is om zich de komende tijd in te zetten om het experiment vraagfinanciering volgend jaar ook in de sectoren zorg en welzijn te gaan starten. Ik heb ook aangegeven dat ik een onafhankelijke aanjager zou vragen, die zich de komende tijd zal inzetten om de partijen hierbij optimaal te ondersteunen. Het verheugt mij dat ik de heer dr. L.J. Roborgh bereid heb gevonden deze rol van aanjager op zich te nemen. Hij zal zich richten op het uitbreiden van het experiment naar de sectoren zorg en welzijn in het hoger onderwijs, en op het vergroten van het aantal opleidingen dat deelneemt aan het experiment in de sectoren techniek en ICT. Uiterlijk op Prinsjesdag 2016 zal ik conform de wens van de indieners van de motie, uw Kamer informeren over de stand van zaken.

Aanvraagprocedure BRIN-nummer.5

De motie van het lid Lucas (VVD) verzoekt de regering te onderzoeken of de aanvraagprocedure voor het verkrijgen van een BRIN-nummer zodanig vereenvoudigd kan worden dat nieuwe initiatieven in het mbo worden gestimuleerd. Om tot het mbo-stelsel te kunnen worden toegelaten als niet-bekostigde instelling introduceer ik een voorlopige erkenningsprocedure. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel kwaliteitsaspecten mbo heb ik reeds op vragen van de leden van de VVD-fractie aangegeven waarom ik dat verstandig vind (Kamerstuk 34 347, nr. 6). Vooral startende instellingen zijn soms onvoldoende op de hoogte van de wettelijke vereisten die gelden voor goed onderwijs. Bovendien huren startende niet-bekostigde instellingen soms externe partijen in om het papierwerk ten behoeve van de erkenningsprocedure in orde te maken. Helaas blijkt dat geen garantie voor voldoende onderwijskwaliteit in de praktijk. Het vergt veel capaciteit van de Onderwijsinspectie om deze startende instellingen de benodigde kwaliteitsslag te laten maken. En als dat niet lukt, vergt ook het sanctietraject vervolgens veel capaciteit. Het voorgaande is niet goed voor het imago van het mbo en in het bijzonder dat van de niet-bekostigde instellingen. Ik acht het loslaten of versoepelen van de kwaliteitscriteria in de aanvraagprocedure om toegelaten te worden als niet-bekostigde instelling dan ook niet wenselijk. Ik ben het wel met het met lid Lucas (VVD) eens dat de aanvraagprocedure zo min mogelijk administratieve last met zich mee moet brengen. Instellingen die een diploma-erkenning willen moeten niet worden belemmerd door onduidelijke of ondoorzichtige procedures. Om vast te stellen waar aanvragers tegenaan lopen in deze procedure zal ik, samen met de Onderwijsinspectie en DUO, in gesprek gaan met enkele instellingen die recent een diploma-erkenning hebben aangevraagd om precies te achterhalen waar eventuele knelpunten zich voordoen. Daarbij zal ik met name ook aandacht besteden aan de transparantie van de procedure. Is het vooraf helder waaraan aanvragers moeten voldoen? Ik zal uw Kamer conform de motie voor Prinsjesdag 2016 informeren over de uitkomsten van deze gesprekken en de maatregelen die daaruit zijn voortgekomen.

Invloed van loonflexibiliteit op een leven lang leren.6

In deze motie van het lid Lucas (VVD) wordt gevraagd om de invloed van Nederlandse loonflexibiliteit op een leven lang leren te betrekken in het proces van het ontwikkelen van een skills strategie. Het ontwikkelen van een nationale skills strategie doen we samen met de SER en onder begeleiding van de OESO. Er worden drie bijeenkomsten georganiseerd waarin we in dialoog met relevante stakeholders en organisaties gezamenlijk bekijken waar de grote skills uitdagingen voor Nederland liggen. Aangezien het een open dialoog is waarbij stakeholders de gelegenheid krijgen tot een eigen actieve inbreng, moeten we afwachten wat de conclusies van dit proces zullen zijn. Wel heb ik de motie aan de OESO meegegeven als overweging vanuit de Kamer.

Ik vind betrokkenheid van de Kamer belangrijk bij het ontwikkelen van een breed gedragen skills strategie. Ik heb de OESO gevraagd of het mogelijk is om halverwege het proces een technische briefing aan de Kamer te verzorgen. De OESO heeft aangegeven hiertoe bereid te zijn. Via deze brief wil ik de Kamer graag het aanbod doen om zich door de OESO te laten informeren over het proces van de skills strategie.

Afstemming tussen inspectie, EVC-aanbieders en onderwijsinstellingen.7

In de motie over EVC verzoeken de leden Jadnanansing (PvdA) en Lucas (VVD) om een betere onderlinge afstemming tussen inspectie, EVC-aanbieders en onderwijsinstellingen, zodat erkenning van eerder verworven competenties daadwerkelijk gaat leiden tot vrijstellingen binnen onderwijstrajecten. Ik voer uw motie als volgt uit;

Voor onderwijsinstellingen is vanaf 2016 ondersteuning beschikbaar in het toepassen van EVC-principes in onderwijstrajecten. In het hoger onderwijs wordt deze ondersteuning verbonden aan de pilots flexibel deeltijd hoger onderwijs, die in 2016–2017 van start gaan. In het mbo geeft het Servicepunt Examinering vanaf 1 januari 2016 gedurende twee jaar ondersteuning aan mbo-instellingen bij de erkenning van leer- en werkresultaten.8

Om ervoor te zorgen dat daadwerkelijk vrijstellingen binnen onderwijstrajecten worden verleend, is het van belang dat alle partijen die hierbij betrokken zijn onderling goed afstemmen. Het betreft dan de uitvoering van EVC, het verlenen van vrijstellingen op basis van EVC en het verzorgen van verkorte scholingstrajecten gericht op het behalen van het diploma. Naar aanleiding van de motie verzoek ik aan het Servicepunt Examinering, de inspectie en de bij de pilots hoger onderwijs betrokken partijen om, ieder vanuit hun eigen rol, te onderzoeken welke afspraken gemaakt kunnen worden ter verbetering van de onderlinge afstemming en hierbij de afstemming met EVC-aanbieders te betrekken. Ook zal ik in de EVC-Adviesraad, met vertegenwoordiging van overheid en sociale partners, onderzoeken welke afspraken met private EVC-aanbieders gemaakt kunnen worden op dit punt. Uw kamer wordt voor Prinsjesdag over de uitkomsten hiervan geïnformeerd.

Overige aangenomen moties

Over de drie overige moties van het VAO Leven Lang Leren wordt uw Kamer separaat geïnformeerd door mijn collega Minister Lodewijk Asscher van het Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid. Dit betreffen de moties van het lid Krol (50PLUS) over een evenredige deelname van alle werkende aan scholingstrajecten9, de motie van het lid Lucas (VVD) over een nationaal scholingsfonds voor alle werkenden10 en de motie van de leden van Weyenberg (D66) en Lucas (VVD) over de afspraken van O&O-fondsen over intersectorale scholing.11

Experiment Flexstuderen

Tijdens het notaoverleg Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015–2025 op 15 december 2015 heb ik uw Kamer toegezegd in het voorjaar van 2016 nader in te gaan op de verkenning van een pilot flexibilisering in collegegeldheffing, in het bijzonder bij de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam («experiment flexstuderen»). Hiermee voldoe ik aan deze toezegging.

Gezamenlijk met de betrokken partijen (indieners van de motie12, UvA/HvA en de LSVb) ben ik tot de conclusie gekomen dat voor een zorgvuldig experiment een experimenteer-AMvB nodig is. Het maken en behandelen daarvan kost tijd, daarom is invoering per aankomend studiejaar helaas niet mogelijk. Op dit moment werken we hard aan de experimenteer-AMvB, om het experiment uiterlijk 1 september 2017 te laten starten en indien mogelijk een start op kleinere schaal begin 2017 mogelijk te maken. Het streven is dat de AMvB voor de zomer openbaar wordt gemaakt via openbare internetconsultatie en dat Uw Kamer deze na zomer ontvangt. In de experimenteer-AMvB zullen het doel, de duur, afwijking van de WHW en evaluatiecriteria uitgewerkt worden. Zoals ik ook al in het notaoverleg over de Strategische agenda heb aangegeven zal de bekostigingssystematiek voor het experiment niet worden aangepast en is een belangrijk uitgangspunt dat het een beperkt experiment betreft.

Ik vertrouw erop dat ik uw Kamer voldoende heb geïnformeerd over de gang van zaken omtrent de uitvoering van de moties.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Kamerstuk 30 012 nr. 56

X Noot
2

Vragen van de leden Lucas en Schut-Welkzijn over het bericht «Zorgwekkend tekort aan hoogopgeleide verpleegkundige».

X Noot
3

Tijdens het Algemeen Overleg van 11 november 2015 (Kamerstuk 31 524, nr. 272) heb ik richting de VVD (het Kamerlid Lucas) toegezegd dat ik u zou informeren over mijn verkenning van een pilot bedrijfsbekostiging, specifiek voor De Vries Scheepsbouw Makkum. De afgelopen periode is er veelvuldig overleg geweest met De Vries Makkum en met ROC Friese Poort. De Vries Makkum heeft daarbij aangegeven de voorkeur te hebben om zich samen met ROC Friese Poort door te ontwikkelen tot een Centrum voor Innovatief Vakmanschap. Deze doorontwikkeling beoogt uiteindelijk gevolgd te worden tot een aanvraag voor het regionaal investeringsfonds mbo.

X Noot
4

Kamerstuk 30 012 nr. 59

X Noot
5

Kamerstuk 30 012, nr. 57

X Noot
6

Kamerstuk 30 012, nr. 60

X Noot
7

Kamerstuk 30 012, nr. 66

X Noot
8

Kamerstuk 30 012, nr. 55

X Noot
9

Kamerstuk 30 012, nr. 63

X Noot
10

Kamerstuk 30 012, nr. 58

X Noot
11

Kamerstuk 30 012, nr. 64

X Noot
12

kamerstuk 31 288, nr. 504

Naar boven