Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201629684 nr. 138

29 684 Waddenzeebeleid

32 849 Mijnbouw

Nr. 138 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 april 2016

In het Algemeen Overleg Wadden van 24 maart 2016 zijn door het lid

Van Tongeren (Groen Links) aan mij vragen gesteld over de verdeling van de bevoegdheid voor de gaswinning onder de Waddenzee en het gebruik van dieselolie bij de zoutwinning onder de Waddenzee. Ik heb de Kamer toegezegd hierop schriftelijk te zullen terugkomen en daarbij een termijn van drie weken genoemd.

De Minister van Economische Zaken heeft u inmiddels, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, op 5 april 2016 een brief gestuurd over het gebruik van dieselolie bij voorgenomen zoutwinning Waddenzee (Kamerstuk 32 849, nr. 71).

In het daarop volgend verslag Algemeen Overleg Wadden van 7 april 2016 is door de leden Jacobi, Smaling, Van Tongeren, Koşer Kaya en Dik-Faber, Kamerstuk 29 684, nr. 134) een motie ingediend over het informeren van de Kamer over het «hand aan de kraan»-principe bij gaswinning onder de Waddenzee. Hoewel ik de motie heb ontraden heb ik gezegd dat de daarvoor verantwoordelijke bewindspersonen, de Minister en de Staatssecretaris van Economische Zaken, bereid zijn om de Kamer schriftelijk te informeren over de systematiek van het «hand aan de kraan»-principe. De indieners van de motie hebben daarna gezegd de motie te zullen aanhouden.

Als Minister van Infrastructuur en Milieu ben ik verantwoordelijk voor het ruimtelijk beleid van de Waddenzee en heb ik een coördinerende functie. Aangezien het de beantwoording van de Kamervragen van het lid Van Tongeren uitvoering van de Mijnbouwwet en de Natuurbeschermingswet betreft waarvoor de bewindspersonen van Economische Zaken verantwoordelijk zijn, heb ik besloten de beantwoording aan hen over te laten.

Van het Ministerie van Economische Zaken heb ik begrepen dat men er naar streeft de beantwoording aan uw Kamer door de bewindslieden van Economische Zaken voor het meireces te zullen afronden.

Ik ga er vanuit u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus