Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201329683 nr. 143

29 683 Dierziektebeleid

Nr. 143 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 december 2012

Op verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken stuur ik u mijn reactie over de uitvoering van de motie inzake een ontheffing van het verplichte bedrijfsbehandelplan voor hobbydierhouders met minder dan 25 dieren die wel een één-op-één relatie met een dierenarts hebben (Kamerstuk 29 683, nr. 131).

Het antibioticumbeleid voor de veehouderij van het kabinet is ingegeven door het grote maatschappelijke belang van volksgezondheid en voedselveiligheid. Daar waar voedsel wordt geproduceerd voor de markt zijn strikte regels en waarborgen noodzakelijk. Het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan spelen een centrale rol in het beleid. Zij stellen de dierenarts beter in staat om adviezen te geven over preventief diergezondheidsbeleid, met als doel het antibioticagebruik te verminderen. Het bedrijfsbehandelplan is een richtlijn voor het gebruik van antibiotica toegespitst op de specifieke situatie van dat bedrijf en moet gebaseerd zijn op de formularia van de werkgroep veterinair antibioticumgebruik van de KNMvD. Deze plannen moeten minimaal één keer per jaar bijgewerkt worden en zorgen ervoor dat de dierenarts zich kan verantwoorden over de adviezen die hij geeft.

Deze voorschriften zijn natuurlijk niet primair ontwikkeld met het oog op situaties waarin dieren kleinschalig en hobbymatig worden gehouden. Met de indieners van de motie ben ik het dan ook eens dat de afweging in die gevallen anders kan zijn. Ik stel dan wel als voorwaarde dat geen producten van de dieren op de markt gebracht worden. Als dat laatste wel het geval is, zal het belang van volksgezondheid en voedselveiligheid immers voorop moeten staan. Dat betekent dat de vraag of producten van de dieren in de handel gebracht zullen worden, een belangrijk criterium is om te bepalen of dierhouders vrijgesteld kunnen worden van het verplichte bedrijfsbehandelplan.

Als voorbeeld noem ik een boerderij met 24 melkkoeien, waarvan de melk in de handel gebracht wordt. In dat geval vind ik een vrijstelling van het verplichte bedrijfsbehandelplan niet passen in ons antibioticumbeleid voor de veehouderij, of de houder zijn koeien nu als hobby beschouwt of niet.

Ik wil er daarom naar streven dat houders met minder dan 25 dieren, waarvan geen producten in de handel worden gebracht, die wel een één-op-één relatie met een dierenarts hebben, worden vrijgesteld van het verplichte bedrijfsbehandelplan.

Het kabinet is voornemens om de uitvoering van de motie te betrekken bij de uitwerking van de UDD-maatregel, zoals in onze brief van 18 oktober (Kamerstuk 28 286, nr. 592) gemeld.

Voorts zal ik met het Productschap voor Vee en Vlees (PVV) en het Productschap voor Pluimvee en Eieren (PPE) in overleg treden om te bezien of zij hun autonome verordeningen, die een verplichting tot het hebben van een bedrijfsbehandelplan bevatten voor houders van meer dan 5 dieren (250 bij kippen), in genoemde zin kunnen aanvullen.

Tevens zal ik de productschappen verzoeken om in afwachting van het overleg niet per 1 december 2012 tuchtrechtelijke maatregelen op te leggen aan houders met minder dan 25 dieren omdat zij nog geen bedrijfsbehandelplan hebben, mits zij dan wel een één-op-één relatie met een dierenarts hebben en van die dieren geen producten in de handel gebracht worden.

De staatssecretaris voor Economische Zaken, J.C. Verdaas