Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201729628 nr. 698

29 628 Politie

Nr. 698 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 april 2017

Inleiding

Tijdens de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Veiligheid en Justitie is de motie Van der Staaij c.s. aangenomen.1 Deze motie «verzoekt de regering te bevorderen dat onderzoeken van Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie naar kwesties rond agenten zo spoedig mogelijk tot een conclusie worden gebracht, zodat in beginsel in eenvoudige zaken binnen drie weken helderheid wordt geboden en ook voor complexe zaken duidelijke richttijden worden gehanteerd.» Met deze brief informeer ik uw Kamer over de uitvoering van deze motie.

Geweldsaanwending door opsporingsambtenaren

De overheid heeft het geweldsmonopolie. De geweldsbevoegdheid komt toe aan opsporingsambtenaren. Bij de uitoefening van hun taken is het soms noodzakelijk dat zij geweld toepassen. Hun handelwijze dient daarbij altijd conform de geweldsinstructie te zijn, zoals die is opgenomen in artikel 7 van de Politiewet 2012 en in de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (Ambtsinstructie). Wanneer het tot een geweldsaanwending komt, vindt gedegen onderzoek plaats naar de toedracht van de geweldsaanwending. Daarbij wordt ook onderzocht of de geweldsaanwending in lijn was met de geweldsinstructie.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) vereist op grond van artikel 2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat «adequaat onderzoek» wordt ingesteld naar politiegeweld met een dodelijke afloop (EHRM 27 september 1995 McCann e.a./Verenigd Koninkrijk Nr. 18984/91). Daarmee bedoelt het Hof dat dit onderzoek grondig, voortvarend en onafhankelijk geschiedt. Zo moet het onderzoek worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van functionarissen die onafhankelijk zijn ten opzichte van degene(n) die het overheidsgeweld heeft of hebben uitgeoefend. Immers, bij het onderzoek naar en het toetsen van het van overheidswege aangewende geweld moet elke schijn van partijdigheid worden voorkomen. Het is niet alleen in het belang van de persoon tegen wie het geweld is aangewend en eventuele nabestaanden dat gedegen onderzoek wordt gedaan naar de toedracht van het geweldgebruik en de rechtmatigheid hiervan. Het instellen van een adequaat onderzoek is evenzeer van groot belang voor de betrokken opsporingsambtenaar zelf. Daarnaast is ook de transparantie van de politieorganisatie en het vertrouwen en geloof dat de samenleving heeft in het functioneren van de politie gediend bij een adequaat onderzoek.

Het huidige onderzoekskader voldoet aan deze eisen. In de Aanwijzing geweldsaanwending (politie)ambtenaar van het OM is vastgelegd welke procedure gevolgd dient te worden bij een onderzoek naar aanleiding van vuurwapengebruik door opsporingsambtenaren met enig lichamelijk letsel of de dood tot gevolg en bij overige geweldsaanwendingen door opsporingsambtenaren, bijvoorbeeld met gebruik van de wapenstok, met zwaar lichamelijk letsel of de dood tot gevolg. Om iedere schijn van partijdigheid te vermijden is het onderzoek opgedragen aan de rijksrecherche, onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie. Bovendien zal voor het verrichten van het technisch onderzoek naar de toedracht van het voorval in eerste instantie de bijstand worden gevraagd van de technische recherche uit een andere eenheid dan de politie-eenheid waar de geweldsaanwending heeft plaatsgevonden. Overigens wijs ik er graag op dat in het wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar,2 dat ik voor het Kerstreces bij uw Kamer indiende, een nieuw kader wordt voorgesteld waarbinnen door de rijksrecherche adequaat onderzoek kan worden gedaan naar geweldsaanwendingen door opsporingsambtenaren. Dit zogenoemde feitenonderzoek voldoet ook aan bovengenoemde vereisten.

Met de indieners van de motie ben ik van mening dat van groot belang is dat politieagenten tegen wie een klacht of een aangifte wordt ingediend niet belemmerd worden in hun functioneren door langdurige onzekerheid over de reactie op deze klacht of aangifte. Snelheid verhoudt zich in deze echter moeilijk tot zorgvuldigheid. De Politie, het OM en de rijksrecherche hebben mij laten weten dat het hanteren van een termijn van 21 dagen voor het geven van uitsluitsel – zoals de motie vraagt – ertoe zal leiden dat afbreuk wordt gedaan aan de zorgvuldigheid, onafhankelijkheid en grondigheid van het onderzoek. Politie, OM en rijksrecherche hanteren in principe een termijn van 42 dagen bij bovengenoemde onderzoeken. Zelfs bij het hanteren van deze termijn komt het echter voor dat vertraging optreedt. Dat gebeurt overigens niet zelden vanwege het uitvoeren van aanvullende onderzoeken op verzoek van de advocaat van de betreffende opsporingsambtenaar.

In het geval van kwesties rond opsporingsambtenaren waarbij sprake is van een geweldsaanwending met zwaar lichamelijk letsel of de dood tot gevolg, is een harde maximumtermijn van 21 dagen niet goed uitvoerbaar. Wel ben ik bereid te bezien hoe afspraken met betrokken derde partijen (zoals bijvoorbeeld het NFI) gemaakt kunnen worden om geweldsaanwendingszaken te prioriteren. Ook zal ik bezien welke verbeteringen aangebracht kunnen worden in de communicatie over de voortgang, met zowel de betrokken opsporingsambtenaar als de persoon tegen wie het geweld is aangewend en eventuele nabestaanden.

Interne procedure

Bij de afdoening van geweldsaanwendingen die geen lichamelijk letsel of louter lichamelijk letsel van geringe betekenis hebben veroorzaakt, wordt in principe een interne beoordelingsprocedure gevolgd waarbij zo nodig disciplinaire sancties kunnen worden opgelegd. Een ophanden zijnde wijziging van de Ambtsinstructie moet de juridische basis gaan vormen voor de inrichting van een landelijk eenduidig proces voor het melden, registeren en beoordelen van geweldsaanwendingen.

Het ontwerpbesluit houdende wijziging van de Ambtsinstructie zal binnenkort – na bespreking met de politievakorganisaties en daarna de ministerraad – voor advies bij de Afdeling advisering van de Raad van State aanhangig worden gemaakt. Deze wijziging van de Ambtsinstructie zal naar verwachting medio 2018 in werking treden.

De politie werkt tegelijkertijd aan een meer eenduidige vorm voor het onderzoeken en beoordelen van geweldsaanwendingen. Naast het afleggen van verantwoording over de geweldsaanwending is dit onderzoek tevens bedoeld om ervoor te zorgen dat het lerend vermogen – en daarmee de professionaliteit – van het korps toeneemt. Om ervoor te zorgen dat de betreffende ambtenaar niet onnodig lang in onzekerheid blijft is in het ontwerpbesluit voorzien in een bepaling die voorschrift dat de ambtenaar bij elke stap in de procedure wordt geïnformeerd over de voortgang en uiteindelijk over het oordeel over de geweldsaanwending.

Transparantie over het gebruik van geweld door de overheid en het afleggen van verantwoording hierover zijn begrippen die in een democratische rechtstaat onlosmakelijk verbonden zijn met het geweldsmonopolie van de overheid. Een goede geweldsregistratie en een uniforme en professionele beoordeling van geweldsaanwendingen zijn hiervoor dan ook noodzakelijke randvoorwaarden.

Daarbij geldt het uitgangspunt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de grondigheid en onafhankelijkheid van de onderzoeken. Om die reden zie ik ook ten aanzien van de interne beoordelingsprocedure vooralsnog geen mogelijkheden een harde maximumtermijn van 21 dagen te hanteren, waarbinnen aan de betrokken opsporingsambtenaar uitsluitsel zou moeten worden gegeven. Dit laat onverlet dat alle betrokken partijen doordrongen zijn van de noodzaak om politieambtenaren, tegen wie een klacht of een aangifte is ingediend over geweldgebruik, niet onnodig lang in onzekerheid te laten verkeren. Bij de inrichting van de nieuwe beoordelingssystematiek zal hier dan ook uitdrukkelijk rekening mee worden gehouden.

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok


X Noot
1

Kamerstuk 34 550 VI, nr. 72; Handelingen II 2016/17, nr. 31, item 19

X Noot
2

Kamerstuk 34 641, nr. 2