Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201129628 nr. 265

29 628 Politie

Nr. 265 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 juli 2011

Hierbij bied ik u het rapport van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (Inspectie OOV) met de titel «Rapport locatie Rotterdam» aan.1 Hierin beschrijft de Inspectie OOV haar bevindingen, conclusies en aanbevelingen met betrekking tot het gehouden kwaliteitsonderzoek op de locatie Rotterdam van de Politieacademie (PA). In deze brief geef ik de kabinetsreactie op het rapport weer.

1. Aanleiding

De Inspectie OOV heeft in de periode augustus-december 2010 een kwaliteitsonderzoek uitgevoerd op de locatie Rotterdam van de PA. Het rapport beschrijft de belangrijkste resultaten met betrekking tot het initiële onderwijs op de niveaus 2, 3 en 4.

Het kwaliteitsonderzoek politieonderwijs locatie Rotterdam is uitgevoerd in het kader van het systematisch onderzoek naar de kwaliteit van het politieonderwijs.

De keuze van de onderwijslocatie Rotterdam is bepaald door de uitkomsten van de risicoanalyse, die Inspectie OOV jaarlijks maakt op basis van een aantal kerngegevens uit verschillende bronnen betreffende het politieonderwijs.

In het kader van dit onderzoek heeft de Inspectie OOV getoetst of het onderwijs op deze locatie aan criteria voldoet, zoals deze zijn vastgelegd in het Toezichtkader kwaliteitsonderzoeken politieonderwijs. Hierbij is het politieonderwijs op locatie op verschillende kwaliteitsaspecten onderzocht waaronder het onderwijsprogramma, het leerproces, rendement, aansluiting op de politiepraktijk en de samenwerking met de politiekorpsen.

Centrale vraag bij het onderzoek is: «Is het verzorgde onderwijs inclusief de periode van werkend leren en de examinering van voldoende kwaliteit?»

In het rapport worden de huidige resultaten vergeleken met het onderzoek dat in 2007 bij de locatie Rotterdam is uitgevoerd.

Hieronder worden de bevindingen en conclusies van de Inspectie OOV op basis van het gehouden onderzoek samengevat. Op basis daarvan geef ik mijn bevindingen op het rapport weer aan de hand van maatregelen.

Overigens merk ik op dat het politieonderwijs in beweging is. Zoals ik in de Nota van Wijziging Politiewet heb aangegeven wordt de PA beheersmatig ondergebracht bij de nationale politie. De inhoudelijke aansturing wordt verzorgd door de zelfstandige rechtspersoon Politieacademie. Deze heeft tot taak het verzorgen van het politieonderwijs en onderzoek en het waarborgen van de kwaliteit hiervan.

2. Samenvattende bevindingen en conclusies Inspectie OOV

  • De Inspectie OOV concludeert dat de locatie Rotterdam voldoende scoort op de kwaliteitsaspecten selectie en voorlichting, begeleiding en omgang en veiligheid.

  • Op de kwaliteitsaspecten voorlichting en begeleiding heeft zich een verbetering voorgedaan sinds het jaarlijks onderzoek in 2007 waardoor de score nu voldoende is.

  • Bij de kwaliteitsaspecten kwaliteitszorg, programma, leerproces, aansluiting op de beroepspraktijk, aansluiting op het reguliere onderwijs, rendement, examinering en praktisch opleidingsdeel signaleert de Inspectie OOV een aantal onvolkomenheden.

Bovengenoemde conclusies hebben vooral betrekking op het politieonderwijs zoals verzorgd door de PA op de locatie Rotterdam. Daarnaast heeft de Inspectie OOV een aantal knelpunten geconstateerd met betrekking tot de rol van de korpsen op het gebied van de selectie en praktijkbegeleiding van de studenten. Ook zijn er kwaliteitsaspecten benoemd die het niveau van de locatie Rotterdam overstijgen en tot de directe verantwoordelijkheid van het College van Bestuur van de PA behoren. Tenslotte zijn er kwaliteitsaspecten door de Inspectie OOV benoemd die tot de gezamenlijke verantwoordelijkheid van het College van Bestuur van de PA en de locatie Rotterdam behoren.

Slotconclusie Inspectie OOV

De slotconclusie is dat de kwaliteit van het onderwijs en de examinering op de locatie Rotterdam op het moment van het onderzoek (nog) niet voldoende is. Aanvullende maatregelen zijn nodig zodat ook kwaliteitszorg, programma, aansluiting op de beroepspraktijk, aansluiting op het reguliere onderwijs, rendement en praktisch opleidingsdeel voldoende scoren. De Inspectie zal in 2012 opnieuw onderzoek doen bij de locatie Rotterdam.

3. Knelpunten en maatregelen VenJ

In het bijgevoegde rapport wordt bij de beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs op de locatie aandacht besteed aan eventuele tekortkomingen en/of positieve ontwikkelingen op de PA, locatie Rotterdam.

Sommige onderwerpen die naar voren komen in het rapport van de Inspectie OOV worden opgepakt in lopende trajecten bij de PA. In het onderstaande ga ik nader in op een aantal zaken.

De resultaten van het onderzoek zijn onder te verdelen in een aantal knelpunten. Ik begin met de onderwijskundige knelpunten die teruggrijpen op het onderzoek van de Inspectie OOV dat vorig jaar juli is uitgevoerd onder de titel «Politieonderwijs, kwaliteit afgestudeerden geborgd?» Het gaat hier met name om de kwaliteitsaspecten leerproces, aansluiting bij de beroepspraktijk en examinering. Daarnaast zijn er knelpunten die vooral betrekking hebben op het huidige onderzoek betreffende de locatie Rotterdam. Hierbij zal ik mijn maatregelen direct weergeven. Daarbij gaat het om de kwaliteitsaspecten selectie en voorlichting, aansluiting op de politiepraktijk en praktisch opleidingsdeel.

Stand van zaken bij voortgang rapport juli 2010

In juli 2010 heeft de Inspectie OOV een onderzoek gedaan naar de vermeende «lichtheid» van het politieonderwijs. Naar aanleiding van de conclusies bij dit rapport heeft het College van Bestuur (CvB) van de PA een aantal maatregelen genomen.

Gezien de tijdspanne van het onderzoek heeft de Inspectie OOV in haar rapport betreffende de locatie Rotterdam de doorwerking van deze maatregelen nog niet kunnen vaststellen.

In onderstaande tabel zijn deze maatregelen nog een keer opgesomd. Achter iedere maatregel is de huidige stand van zaken gezet. Over de voortgang word ik regelmatig geïnformeerd.

Maatregel

Huidige stand van zaken (d.d. 9 mei 2011), bron: PA

1. De leeropdrachten voor de onderzochte opleidingen worden met onmiddellijke ingang verplicht gesteld (kwaliteitsaspect: leerproces).

De leeropdrachten van al het politieonderwijs, dus ook het postinitiële onderwijs zijn verplicht gesteld. De Onderwijs- en Examenregeling zijn hierop aangepast.

2. Bij de kernopgaven zal voor 1 januari 2011 worden nagegaan of alle relevante competenties zijn bepaald (kwaliteitsaspect: aansluiting bij de politiepraktijk).

Bij alle kernopgaven is voor 1 januari 2011 nagegaan of alle relevante competenties zijn bepaald.

3. De dekkendheid van de examens is op 1 juli 2011 zodanig aangepast dat minimaal 75 procent van de competenties van een kernopgave door het examen wordt getoetst (kwaliteitsaspect: examinering).

Het herstellen van de dekkendheid van de examens verloopt goed. De school voor Handhaving kent nog een aantal zorgpunten.

4. De PA zorgt ervoor dat het daadwerkelijke aantal contacturen tussen docent en student wordt uitgebreid (kwaliteitsaspect: leerproces).

Het aantal contacturen zal in het onderwijs qua aantal niet direct uitgebreid worden maar managers onderwijs sturen de docenten om de geplande contacturen ten volle te benutten voor contact met studenten. Tevens zal met deze contacturen minder vrijblijvend worden omgegaan. Daarnaast worden docenten gestimuleerd om afspraken te maken rondom de verplichting en beoordeling van opdrachten.

5. Maatregelen om tot een efficiënter en effectiever onderwijs te komen worden alleen doorgevoerd indien is geborgd dat studenten de vastgestelde competenties behalen.

Onderwijsontwikkelingen en aanpassingen met het doel effectiever en efficiënter onderwijs worden alleen doorgevoerd indien is geborgd dat studenten de vastgestelde competenties behalen. Dit is een randvoorwaarde die wordt meegenomen bij alle nieuwe onderwijsontwikkelingen.

Inmiddels blijken de problemen betreffende de dekkingsgraad van de examens en de vrijblijvendheid van het onderwijs in de uitvoering dus daadwerkelijk aangepakt te worden. Dit blijkt ook uit recente contacten van de Inspectie met de politiescholen. In het najaar stelt de Inspectie het effect van deze aanpak vast. Dan wordt er een herhaalonderzoek gedaan naar de aspecten «dekkendheid» en «studiebelasting».

Op basis hiervan heb ik er vertrouwen in dat de PA deze maatregelen verder oppakt en ga ik ervan uit dat deze tijdens het herhaalonderzoek van de Inspectie OOV voldoende zichtbaar zullen zijn in de uitvoering.

Knelpunten en maatregelen bij onderzoek PA, locatie Rotterdam (2011).

Allereerst wil ik aangeven dat ik de uitkomsten van het gehouden onderzoek op de locatie Rotterdam onder de maat vind. Sinds 2002 zijn, historisch gezien over de jaren heen, een aantal aspecten weliswaar verbeterd, maar een groter aantal niet. Daarmee bevestigt de risicoanalyse van de Inspectie OOV het beeld dat er nog steeds knelpunten bestaan. Ik stel vast dat de bevindingen van de Inspectie OOV onvoldoende urgentie hebben gekregen. Ik zal het College van Bestuur van de PA en de het Korpsbeheerdersberaad (Kbb) hier op aanspreken. Het Kbb is, samen met de PA, verantwoordelijk voor de inrichting van het duale politieonderwijs van de student in de periode werkend leren.

Alhoewel een groot aantal knelpunten met de komst van de nationale politie makkelijker oplosbaar wordt, is de komst van de nationale politie geen «vrijbrief» om af te wachten. Gerelateerd aan het onderzoek van de Inspectie OOV betreft het hier knelpunten met betrekking tot de kwaliteitsaspecten «selectie en voorlichting» en «praktisch opleidingsdeel». Er bestaan verschillen in werkwijze van korpsen bij de selectie van studenten en bij de praktijkbegeleiding. Verder is bij praktijkbegeleiding de samenwerking tussen PA en korpsen voor verbetering vatbaar.

Ik zal de uitkomsten van het voorliggende rapport van de Inspectie OOV onder de aandacht brengen van het Kbb en de PA. Vooruitlopend op de komst van de nationale politie acht ik daarom de volgende maatregelen van belang:

1. Selectie en voorlichting

Het is van belang dat iedere student gelijke kansen heeft voor wat betreft aanstelling in een korps. Het kan niet zo zijn dat een student in het ene korps meer kans maakt dan in het andere. Knelpunt hierbij is dat elk korps andere criteria hanteert bij de beoordeling van het selectierapport (met name het psychologisch onderzoek). Er bestaat geen landelijk beoordelingskader van de uitkomsten van de selectie. De PA is bezig dit te ontwikkelen.

Daarom zal ik het Kbb verzoeken om zorg te dragen voor het tot stand komen van een uniforme werkwijze van korpsen bij de selectie van studenten en bij de praktijkbegeleiding en niet af te wachten tot de komst van de nationale politie. Ik spreek hierbij tevens het CvB aan op de gedeelde verantwoordelijkheid van de PA, samen met de korpsen, in het geval van praktijkbegeleiding.

2. Praktisch opleidingsdeel

Het ontbreken van een getekende onderwijsovereenkomst, zoals de Inspectie OOV constateert, is hierbij een belangrijk aandachtspunt. Het nu al langdurig ontbreken hiervan vind ik een slechte zaak. Het betreft hier immers een wettelijke verplichting conform de Wet op het LSOP en het politieonderwijs (art. 13, lid 9).

Ik zal het CvB van de PA verzoeken op korte termijn actie te ondernemen tot het tekenen van een onderwijsovereenkomst en ik zal het Kbb verzoeken hieraan mee te werken.

In het kader van meer uniformiteit is het van belang dat het «referentiekader werkend leren» door alle partijen wordt omarmd en uitgevoerd. Studenten mogen en moeten er op kunnen rekenen dat elk korps op dezelfde wijze met ze omgaat.

Ik acht het van groot belang dat het CvB van de PA, in samenwerking met het Kbb, dit punt oppakt.

Tenslotte wil ik niet onvermeld laten dat de stand van zaken van het kwaliteitsaspect «aansluiting op het reguliere onderwijs» inmiddels als positiever bestempeld kan worden. Er is een samenwerkingsverband tot stand gekomen tussen de locatie Rotterdam, het ROC Zadkine en het korps Rotterdam-Rijnmond. Stimulans hiervoor was het traject onder de naam VESPORO (Versterking Samenhang Politieonderwijs en Regulier Onderwijs). Dit traject behelst een Doorstroomprogramma HTV (Handhaver Toezicht en Veiligheid) -Politie, hierbij wordt vorm gegeven aan samenwerking tussen de PA, de korpsen en de ROC’s (Regionale Opleidings Centra).

4. Tot slot

Op basis van bovengenoemde reactie wil ik nogmaals het belang van kwalitatief goed politieonderwijs onderstrepen. Hierbij sluit ik aan bij het standpunt dat mijn voorganger heeft aangegeven in zijn brief, Kabinetsreactie Rapport Inspectie OOV «Politieonderwijs, kwaliteit afgestudeerden geborgd?» van 13 augustus 2010 met kenmerk (kamerstuk 29 628, nr. 220).

Verder neem ik de aanbevelingen die de Inspectie OOV doet over en verwacht ik van de PA dat deze de aanbevelingen én de door mij benoemde maatregelen zo snel mogelijk oppakt. Daarbij acht ik het van groot belang dat zaken niet wéér bij herhaling blijven liggen.

Ik zal uw Kamer eind 2011 berichten over de bevindingen van de Inspectie OOV bij het herhaalonderzoek dat medio 2011 wordt uitgevoerd en de voortgang die de PA heeft geboekt op basis van de hierboven genoemde maatregelen. In de Staat van het Politieonderwijs die eind 2011 verschijnt, wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre het politieonderwijs van voldoende niveau is. Het betreft een oordeel op hoofdlijnen van de huidige stand van zaken op de kwaliteitsaspecten uit het Toezichtkader kwaliteitsonderzoeken politieonderwijs en een beschrijving van de belangrijkste ontwikkelingen op de kwaliteitsaspecten sinds de Staat van 2007.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.