Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 maart 2026
Op 3 maart jl. informeerde ik uw Kamer over een intern onderzoek van de politie inzake
het gebruik van politiesystemen om informatie te zoeken (Kamerstuk 29 628, nr. 1314).
De communicatie over het onderzoek inzake raadplegingen van de politiesystemen heeft
veel politiemedewerkers geraakt. Medewerkers hebben het gevoel dat publiekelijk wordt
getwijfeld aan hun professionaliteit en integriteit. Politieagenten zetten zich elke
dag in voor de veiligheid van onze samenleving, vaak onder veeleisende en moeilijke
omstandigheden. Zij verdienen hiervoor onze volle waardering. Vandaag heeft de korpsleiding
excuses gemaakt aan alle politiemedewerkers voor de wijze waarop vervolg is gegeven
aan het onderzoek en de communicatie. Ook mijn communicatie in de Kamerbrief van 3 maart
jl. en in de media had zorgvuldiger gemoeten, daarvoor bied ik mijn excuses aan. In
mijn Kamerbrief van 3 maart jl. is wisselend gesproken over of er inzage is geweest
in «politiesystemen» en in het «dossier». Hier had enkel moeten staan dat het om politiesystemen
ging.
De berichtgeving heeft bij veel medewerkers geleid tot de indruk dat zij beschuldigd
werden van mogelijk ongeoorloofde inzage in de politiesystemen, terwijl de intentie
van het onderzoek en de gesprekken is om te achterhalen óf er sprake is van (on)geoorloofde
inzage. De korpsleiding heeft mij laten weten dat het onderzoek naar het onnodig raadplegen
van politiesystemen om goede redenen gestart is. Er waren volgens de politie zeer
concrete signalen over onterechte bevragingen en er is vertrouwelijke informatie over
het onderzoek bij de media beland. De politie heeft de verantwoordelijkheid om zorgvuldig
om te gaan met systemen waarin gevoelige informatie staat. Het past bij een professionele
organisatie om, als daar aanleiding toe is, ook bereid te zijn om zichzelf te onderzoeken.
Daarom geeft de politie opvolging aan het onderzoek.
Zoals de korpschef heeft aangegeven, had met de 1.700 betrokken medewerkers eerst
het gesprek aangegaan moeten zijn, in plaats van direct een brief uit te reiken. De
korpsleiding heeft aan mij gemeld dat de uitgereikte brieven worden ingetrokken. Met
de betrokken medewerkers zullen wel de gesprekken worden gevoerd, deze zijn nadrukkelijk
bedoeld om de context vast te stellen en in het kader van bewustwording. De gesprekken
kunnen uiteraard tot de conclusie leiden dat de inzage functioneel was.
Na afronding van de gesprekken zal de korpschef in gesprek gaan met de eenheidschefs,
de Centrale Ondernemingsraad en de vakbonden. Daarna zal zij mij informeren over het
algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
De politie verdient mijn en onze volle steun. Politiemedewerkers zetten zich elke
dag in voor de veiligheid van onze samenleving, zij hebben mijn waardering en respect.
De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel