29 538 Zorg en maatschappelijke ondersteuning

Nr. 314 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 februari 2020

Hierbij ontvangt u de brief over het toezicht in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 die ik in het Algemeen Overleg IGJ (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) op 13 november 2019 heb toegezegd (Kamerstuk 33 149, nr. 60).

In deze brief zet ik het Wmo-toezicht in breder perspectief. De door aanbieders geleverde zorg en ondersteuning dient van goede kwaliteit te zijn: toegesneden op de cliënt, veilig, doeltreffend, doelmatig en afgestemd op (eventuele) andere vormen van zorg of hulp. De zorg en ondersteuning dient in overeenstemming te zijn met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de professionele standaarden en te worden verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt (artikel 3.1. Wmo 2015). Het is aan aanbieders hieraan te voldoen. Het is aan gemeenten dit te bewerkstelligen en deze eisen door te vertalen in het contracteren en deze in de uitvoering te (doen) handhaven.

Het gemeentelijk toezicht is van groot belang met het oog op een continue verbetering van de bijdrage van zorg en ondersteuning aan de zelfredzaamheid en het welzijn van mensen. Het toezicht dient ook een belangrijke bijdrage te leveren aan het bevorderen van de kwaliteit van uitvoering door aanbieders en – waar aangewezen – het voorkomen en het beperken van een rol van frauduleuze, malafide aanbieders. Deze brief gaat vooral in op dat laatste, maar dan wel in de bredere gemeentelijke context, waar het onafhankelijk gemeentelijk toezicht als sluitstuk onderdeel van uitmaakt.

Deze brief gaat in op twee hoofdvragen:

  • 1. Wat kunnen gemeenten doen om te voorkomen dat er aanbieders die niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen gecontracteerd worden?

  • 2. Wat kunnen gemeenten doen als blijkt dat er aanbieders gecontracteerd zijn, die niet voldoen aan de daaraan gestelde eisen?

Het korte antwoord op bovenstaande vragen is dat gemeenten een instrumentarium hebben waardoor zij strak aan de voorkant kunnen sturen op kwalitatief en rechtmatig handelen van aanbieders. Ook lopende een contract hebben gemeenten mogelijkheden bij te sturen op het handelen van aanbieders. In deze brief zal ik hier uitgebreid op ingaan. Tevens zal ik ingaan op mijn toezegging aan uw Kamer, gedaan tijdens de behandeling van de (A)Wtza op 29 januari 2020, om naast rechtmatigheid, ook aandacht te hebben voor kwaliteit van ondersteuning. Daarnaast vroeg uw Kamer specifieke aandacht voor mogelijke regeldruk bij aanbieders die ondersteuning bieden op basis van verschillende wetten en die derhalve onder verschillende toezichtsregimes kunnen vallen. Met deze brief doe ik deze toezegging gestand.

Ik besluit de brief met mijn zienswijze op het rapport van het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ) over zorgfraude bij beschermd en begeleid wonen en ik schets hoe het gecombineerd toezicht op beschermd wonen komend jaar wordt

vormgegeven. In de bijlage bij deze brief treft u een overzicht van de (niet in de brief zelf genoemde) acties gericht op professionalisering van contracteren, contractmanagement en toezicht.

Wat kunnen gemeenten doen om te voorkomen dat er aanbieders die niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen gecontracteerd worden?

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo 2015. Een groot deel van de werkzaamheden laten zij door derden verrichten. Daartoe worden overeenkomsten met die derden afgesloten of worden subsidies verstrekt. Het is aan de gemeenten om tijdens het proces van contracteren, ter doorvertaling en specificatie van de in de wet opgenomen eisen, eisen ten aanzien van doelmatig, rechtmatig en veilig handelen vast te leggen. Het stellen van scherpe, handhaafbare eisen vooraf is cruciaal als startpunt.

Bij zorg in natura (ZIN) kunnen gemeenten op basis van de omschreven eisen, bij de selectie van aanbieders direct beoordelen of nieuwe aanbieders voldoen aan de gestelde (kwaliteits)eisen. Gemeenten hebben inmiddels de nodige ervaring opgedaan met het contracteren van aanbieders in het kader van de Wmo 2015 en stellen op basis van de ervaringen van de afgelopen jaren specifiekere eisen met betrekking tot kwaliteit maar ook met betrekking tot het rechtmatig handelen van de aanbieder (in het verleden). Het stoplichtenmodel van de 12 samenwerkende gemeenten in Twente is hier een voorbeeld van. De gemeente Almelo1 is bijvoorbeeld nog strenger aan de voorkant en ook de gemeente Apeldoorn heeft naar aanleiding van negatieve ervaringen met aanbieders vanaf 1 januari 2019 strengere kwaliteitseisen aan de voorkant gesteld.2 Bij het afsluiten van nieuwe contracten met aanbieders is het van belang telkens lering te trekken uit de ervaringen van de afgelopen periode. Signalen vanuit het contractmanagement, de lokale uitvoering of vanuit de onafhankelijke Wmo-toezichthouder(s) zijn essentiële input voor de inrichting van het nieuwe contract.

Ingeval van een persoonsgebonden budget (pgb) is het primair aan de budgethouder om een aanbieder te contracteren die voldoet aan de – in de wet op hoofdlijnen benoemde – eisen. Omdat de budgethouder bij een pgb zelf verantwoordelijk is voor het inkopen van ondersteuning, is het voor de gemeente minder goed mogelijk aanbieders uit te sluiten. Wel is het belangrijk dat de gemeente de vaardigheden van de budgethouder het pgb te beheren toetst, om misbruik van kwetsbare personen en het budget door malafide aanbieders te voorkomen. Daarnaast is er bewust voor gekozen in de Wmo 2015 een weigeringsgrond voor verstrekking van een pgb door gemeenten op te nemen. Op grond van artikel 2.3.6, lid 2 sub c kan een gemeente een aanvraag om een pgb weigeren indien naar het oordeel van het college onvoldoende is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de door de budgethouder beoogde maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht (zullen) worden verstrekt. Het rapport van het IKZ over zorgfraude bij beschermd en begeleid wonen laat zien dat vooral de combinatie van beschermd (of begeleid) wonen en een persoonsgebonden budget een risicovolle combinatie lijkt te zijn. Om kwalitatief ondermaatse ondersteuning en fraude te voorkomen is het zaak dat de gemeente hierin – juist aan de voorkant – verantwoordelijkheid neemt en in de gesprekken met de budgethouder vaststelt of de voorgenomen keuze van de budgethouder van aanbieder(s) leidt tot een situatie waarin voldaan wordt aan de aan die zorg en ondersteuning gestelde eisen.

Wat kunnen gemeenten doen als blijkt dat er aanbieders gecontracteerd zijn, die niet voldoen aan de daaraan gestelde eisen?

Na het contracteren van een aanbieder is het aan de gemeente werk te maken van het contractmanagement: de continue aandacht in de organisatie voor de vaststelling of de uitvoering door de aanbieder voldoet en blijft voldoen aan de daaraan gestelde eisen.

Contractmanagement betreft de uitvoering in brede zin. Het is belangrijk signalen en knelpunten in de uitvoering van het contract tijdig en openlijk te bespreken. Ook als sprake is van mogelijke financiële problemen aan de kant van de aanbieder is het noodzakelijk hier transparantie in te tonen richting de opdrachtgever. Zodoende kunnen tijdig aanvullende maatregelen genomen worden en kan zorgcontinuïteit voor cliënten in een vroegtijdig stadium gegarandeerd worden. Wel ben ik van plan, zoals ook aangegeven in de brief over de doorontwikkeling van het beleid bij zorginstellingen met financiële problemen3, om samen met de VNG in kaart te brengen welke cliëntengroepen binnen de Wmo extra kwetsbaar zijn in geval van een faillissement, en welke Wmo-voorzieningen dat betreft. Op basis daarvan zal ik bekijken in hoeverre het wenselijk is voor deze doelgroepen en voorzieningen extra maatregelen te nemen om vroegsignalering te borgen.

Overeengekomen afspraken moeten worden nageleefd. Gemeenten kunnen in contracten en subsidiebeschikkingen ook sancties vastleggen die worden opgelegd als een aanbieder niet naar behoren functioneert of de ondersteuning niet naar behoren uitvoert. Tijdens de periodieke gesprekken als onderdeel van stevig contractmanagement, zoals hierboven uiteengezet is het mijns inziens noodzakelijk dat ook het declaratie- en facturatiegedrag van aanbieders ter sprake komt.

De gesprekken tussen opdrachtgever en opdrachtnemer kunnen ook meer zorginhoudelijk gevoerd worden wanneer bijvoorbeeld sprake is van doelgroepen waarbij de ondersteuning meer ontwikkelingsgericht ingezet wordt. Blijkt daaruit dat de resultaten van deze ontwikkelingsgerichte ondersteuning structureel tegenvallen zonder plausibele verklaring, dan kan dit een mogelijke reden zijn nader onderzoek te doen naar de kwaliteit en/of het declaratie- en facturatiegedrag van de betreffende aanbieder.

In het kader van een goed contractmanagement is het van belang dat de gemeenten alert is op signalen die zich aandienen over een uitvoering die mogelijk niet aan de eisen voldoet. Het is daarbij van belang dat de gemeente ook kan beschikken over eigen informatie over de kwaliteit van de uitvoering, bijvoorbeeld door steekproefsgewijs onderzoek onder cliënten naar de ervaren kwaliteit van de zorg en ondersteuning. Dit geldt voor zorg in natura maar ook voor zorg die via pgb geboden wordt. Voor wat betreft dit laatste is het van belang dat de gemeente ook periodiek het contact met de budgethouder organiseert. Artikel 2.3.9. van de Wmo 2015 geeft de gemeente de opdracht periodiek te onderzoeken of er nog steeds sprake is van passende zorg en ondersteuning in een individuele situatie.

De gemeentelijk toezichthouder, als bedoeld in artikel 6.1. Wmo 2015, vormt, mede op basis van input van eerdergenoemde functionarissen, een onafhankelijk oordeel over de uitvoering van de wettelijke taken door de gemeente en door toedoen van hen gecontracteerde aanbieders. Hij beoordeelt daarbij of en in hoeverre hij kan steunen op de (controle) bevindingen van anderen. De toezichthouder heeft hiertoe de bevoegdheden en de middelen om zijn rol adequaat te kunnen invullen.

Het gemeentebestuur moet één of meerdere personen voor deze wettelijk toezichtstaak aanwijzen. Het is ook aan de gemeente te bezien of, en zo ja, hoe zij de toezichtstaken (bijvoorbeeld thematisch) over meerdere toezichthouders verdelen. Zijn onafhankelijkheid brengt met zich mee dat hij als regel niet dezelfde is als degene die belast is met het contractmanagement. De toezichthouder kan ook steunen op de bevindingen van de externe (gemeente)accountant en zijn taak dubbelt hiermee niet. Dit maakt het voor de toezichthouder tevens mogelijk zich een beeld (en oordeel) te vormen van en over het totale proces van uitvoering van de Wmo 2015 op lokaal niveau, niet alleen de rechtmatigheid, doelmatigheid en kwaliteit van de uitvoering door aanbieders, maar ook van de «eigen» gemeentelijke processen.

Transparant en professioneel toezicht is niet alleen belangrijk om een oordeel te vellen over het functioneren van een aanbieder of de uitvoering van de Wmo op lokaal niveau. Onafhankelijk toezicht is tevens een element in het lokale democratische bestel en onderdeel van de lokale «checks and balances». Professioneel lokaal toezicht is randvoorwaardelijk voor het voortdurend verbeteren van de uitvoering en helpt het vertrouwen in de (lokale) overheid te vergroten.

De basis van het gedecentraliseerde stelsel is democratische legitimiteit en controle. Hierbij is een cruciale rol weggelegd voor de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft de taak – waar het college van burgemeester en wethouders dit nog niet of onvoldoende doet – mogelijke misstanden of twijfels over doelmatig, rechtmatig of veilig handelen te agenderen, maar heeft ook de bevoegdheid om nader onderzoek te gelasten, mocht zij dit wenselijk vinden. Ten aanzien van de controle op financiële rechtmatigheid hebben gemeenten een aantal waarborgen en mogelijkheden. De gemeenteraad heeft de mogelijkheid om nader onderzoek te laten doen door de Rekenkamer(commissie), mocht er (gegronde) twijfel bestaan over het declaratie- en facturatiegedrag van een aanbieder. De gemeenteraad kan als hoogste lokale bestuursorgaan hierin een actieve rol pakken. Dit controlemechanisme kan pas achteraf in het proces worden toegepast. Het is mijns inziens belangrijker om vooral al op eerdere momenten actief gebruik te maken van mogelijkheden financiële onrechtmatigheden te signaleren, te bespreken en hierop te acteren als gemeente.

De gemeentelijk toezichthouder – al dan niet in overleg met de opdrachtgever -moet vaststellen hoe het toezicht – passend bij de lokale keuzes in beleid en de lokale structuren – het meest effectief, risico gestuurd kan worden ingericht. Door het Wmo-toezicht op deze manier in de wet te verankeren is de mogelijkheid gecreëerd om op lokaal niveau een sluitende cyclus van contractering en contractmanagement, toeleiding naar ondersteuning, uitvoering van ondersteuning en het toezicht op voorgenoemde facetten te realiseren.

Het aantal functionarissen dat zich met het toezicht op de uitvoering van de Wmo 2015 bezighoudt, is met de decentralisatie van taken vanuit de AWBZ, zeer fors toegenomen. Dit biedt in opzet kansen, maar vergt ook de nodige investeringen om dit toezicht te optimaliseren. De afgelopen jaren hebben gemeenten veel kennis opgedaan en vaardigheden op alle afzonderlijke onderdelen verder ontwikkeld. Gemeenten krijgen steeds meer zicht op kwaliteit en de prestaties van de door hen gecontracteerde aanbieders. Ik ben ervan overtuigd dat het instrumentarium waarover het gemeentebestuur en de medewerkers beschikken toereikend is om tot een adequaat toezicht te komen dat steeds vaker in staat zal zijn om aanbieders waar nodig bij te sturen dan wel uit te sluiten.

Binnen de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het Rijk en gemeenten span ik mij in om op alle bovenstaande onderdelen de lokale processen verder te versterken en de ontwikkeling te versnellen. De IGJ rapporteert jaarlijks over de stand van zaken van (ontwikkeling van) het gemeentelijk toezicht. Mede aan de hand van die rapportages bezie ik jaarlijks in overleg met VNG of en hoe het gemeentelijk toezicht verder versterkt kan worden en kan inspelen op ontwikkelingen. Ik zie op dit moment geen aanleiding om toezichtstaken elders, bijvoorbeeld centraal, te beleggen. Overigens zou het landelijke positioneren van de toezicht functie ook fundamentele gevolgen hebben voor de wettelijke opdracht voor gemeenten in het kader van de Wmo 2015 en de uitwerking daarvan. Om deze reden is ook besloten aanbieders die uitsluitend actief zijn binnen de Wmo niet onder de reikwijdte te brengen van het wetsvoorstel Wet toetreding zorgaanbieders en het recent aangekondigde wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders.4

Zorgfraude bij beschermd en begeleid wonen/ het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ)

Onlangs heeft het IKZ onderzoek uitgevoerd naar fraude en zorgverwaarlozing bij beschermd en begeleid wonen.5 Het beeld dat uit de signalen naar voren komt is schokkend. Er wordt misbruik gemaakt van kwetsbare mensen die afhankelijk en beïnvloedbaar zijn. Deze mensen moeten we – samen met onze partners in het veld – beschermen. Het rapport laat vooral zien dat beschermd of begeleid wonen en het persoonsgebonden budget een risicovolle combinatie kan zijn. In het programmaplan rechtmatige zorg is een aparte actielijn voor de bestrijding van pgb-fraude opgenomen. Pgb-fraude wordt aangepakt langs een aantal sporen:

  • 1. Versterken van controle en handhaving door gemeenten: dit zal een extra impuls krijgen. Naast de bestaande ondersteuning van gemeenten door de VNG zal er een aanvullend plan worden opgesteld dat specifiek toeziet op het weren en achterhalen van malafide zorgaanbieders.

  • 2. Pilot PGB-risicoscan: deze scan geeft inzicht in mogelijke risico’s op oneigenlijk gebruik en misbruik van PGB-gelden. De pilot is recent afgerond. Gezien de goede bijdrage die de pilot levert aan het signaleren van mogelijke fraude heb ik de SVB en de VNG gevraagd om de pilot te continueren. Aan de SVB heb ik tevens gevraagd om na te gaan of er signalen kunnen worden gegenereerd voor gemeenten en zorgkantoren gericht op mogelijke misstanden bij beschermd en begeleid wonen.

  • 3. Betere gegevensuitwisseling: het wetsvoorstel bevorderen rechtmatige zorg en samenwerking voorziet in een basis voor partijen om gegevens met elkaar te delen waardoor fraude beter kan worden opgespoord.

Gecombineerd thematisch toezicht beschermd wonen

De IGJ zal zich in 2020 in samenwerking met gemeentelijke toezichthouders specifiek richten op instellingen voor beschermd wonen. De verantwoordelijkheid voor het toezicht op beschermd wonen instellingen in het kader van de Wmo 2015 blijft daarbij bij de gemeenten liggen. Het doel van het gecombineerde toezicht is om aan de hand van dit gezamenlijk thematisch toezicht kennis over en weer over te dragen, de samenwerking tussen beide toezichthouders te verstevigen en hiermee het Wmo-toezicht te versterken. Ik schets u hierbij hoe dit toezicht eruit zal zien.

Een selectie van gemeenten wordt door de IGJ uitgenodigd deel te nemen aan dit gecombineerd toezicht. Zij selecteren in samenspraak met de inspectie de locaties voor beschermd wonen die zij gaan onderzoeken, hierbij zal ook aandacht zijn voor aanbieders die op basis van een pgb ondersteuning bieden. Daarnaast zal gekeken worden welke aanbieders onlangs nog bezocht zijn vanuit enerzijds het Wmo-toezicht en anderzijds de IGJ vanuit haar verantwoordelijkheid in het kader van het toezicht in de Wlz. Hierdoor kan de belasting voor aanbieders zo veel mogelijk geminimaliseerd worden. De criteria voor selectie van die locaties stellen zij in onderling overleg op. Aan de hand van het bestaande afsprakenkader en de draaiboeken wordt een plan van aanpak opgesteld voor de uitvoering van het onderzoek. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het toetsingskader gebaseerd op de kaders die de lokale toezichthouders en de inspectie hebben voor de beoordeling van de kwaliteit en de veiligheid van de zorg. Hetzelfde geldt voor de onderzoeksinstrumenten. Op basis van dit gecombineerd thematisch toezicht kan na afloop bepaald worden op welke facetten mogelijke extra ondersteuning nodig is om het Wmo-toezicht verder te versterken.

De aard van de groep cliënten en de lokale context kunnen aanleiding zijn het kader en de instrumenten bij te stellen. Gemeenten en inspectie nemen ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid de noodzakelijke maatregelen als de kwaliteit en/of de veiligheid niet op orde is, conform het afsprakenkader tussen Rijksinspectie(s) en gemeenten. De inspectie zal daarnaast een compacte rapportage verzorgen over het toezicht op locaties voor beschermd wonen. Tenslotte is daarna ook een evaluatie voorzien om vast te stellen of de beoogde doelstellingen van dit gecombineerde thematisch toezicht zijn gehaald.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

BIJLAGE 1: OVERZICHT VAN OVERIGE (NIET EXPLICIET IN DE BRIEF GENOEMDE) ACTIES GERICHT OP PROFESSIONALISERING VAN CONTRACTEREN, CONTRACTMANAGEMENT, VOORKOMEN VAN FRAUDE EN (WMO-)TOEZICHT

(1) Gemeenten extra ondersteunen bij de contractering van aanbieders

Via het programma inkoop en aanbesteden sociaal domein worden gemeenten extra ondersteund bij het opnemen van kwaliteitseisen, zowel inhoudelijk als op het proces, in de aanbesteding en in het verlengde hiervan de overeenkomsten.

(2) Een effectievere aanpak van fraude door betere kennisdeling

KCHN

Het VNG Kenniscentrum Handhaving en Naleving (KCHN) biedt gemeenten ondersteuning bij vragen over fraudepreventie in de Wmo 2015. Gemeenten kunnen hier ook terecht met vragen over controle, handhaving en de aanpak van fraudesignalen. Hiervoor zijn verschillende producten ontwikkeld, met als recentste aanvulling het pgb-fraudebarrièremodel in samenwerking met het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Dit wordt mogelijk gemaakt met een jaarlijkse VWS-subsidie aan het KCHN.

Wet Bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg

Met het wetsvoorstel Bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) wordt ingezet op een verbetering van de samenwerking tussen verschillende instanties bij het aanpakken van zorgfraude. Het wetsvoorstel regelt dat gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren gegevens over fraudeurs in een Waarschuwingsregister kunnen registreren op één centrale plek. Men kan dan bijvoorbeeld het register raadplegen voordat een nieuw contract wordt afgesloten en, indien dit wenselijk is, risico-beperkende maatregelen nemen. Dit onderdeel van de wet moet voorkomen dat frauderende zorgaanbieders, verzekerden en cliënten ook in andere domeinen in de zorg fraude plegen.

Het wetsvoorstel zorgt er daarnaast voor dat verschillende partijen, waaronder toezichthouders, opsporingsdiensten, zorgverzekeraars en gemeenten, signalen over fraude beter uit gaan wisselen waar dit nu beperkt of niet mogelijk is. Deze partijen kunnen hierdoor – ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid – fraude beter opsporen en aanpakken. Het streven is dit wetsvoorstel eind tweede kwartaal 2020 aan uw Kamer te verzenden.

(3) Versterking lokale toegang: Verbeteragenda Toegang

De VNG start op korte termijn het traject verbeteragenda lokale toegang. Een sterke en professionele lokale toegang helpt cliënten naar een passende aanbieder toe te leiden, maar heeft ook zeker effect om vroegtijdig signalen over het functioneren en de prestaties van aanbieders te verzamelen.

(4) Verdere versterking en professionalisering toezicht Wmo 2015

De IGJ heeft in haar jaarrapportage over 20186 geconstateerd dat er verbetermogelijkheden zijn in de uitvoering van het Wmo-toezicht. In de beleidsreactie op de jaarrapportage van de IGJ zijn diverse acties aangekondigd waarmee gemeenten worden ondersteund bij een verbetering van het kwaliteitstoezicht:

Toolkit

De VNG ontwikkelt een toolkit met praktische tips over opdrachtgever- en opdrachtnemerschap bij het Wmo-toezicht (een afsprakenlijst, voorbeeldwerkplannen, procesbeschrijvingen, etc.).

Intensivering samenwerking GGD-GHOR en KCHN

Er wordt verkend of en hoe de GGD-GHOR en KCHN hun samenwerking kunnen intensiveren en vorm kunnen geven aan een landelijk kennisnetwerk op Wmo-toezicht. Deze verkenning is inmiddels op ambtelijk niveau gestart.

Meer transparantie door verplichte openbaarmaking toezichtrapportages

Gemeenten worden wettelijk verplicht gesteld toezichtrapportages op grond van de Wmo 2015 actief openbaar te maken. Dat gebeurt nu nog niet overal. Het verplicht stellen van actieve openbaarmaking, specifieke ingericht voor het Wmo-toezicht, vergt een wetswijziging. Parallel aan de voorbereiding van deze wetswijziging wordt een handreiking opgesteld waarin opgenomen wordt hoe gemeenten het proces van actieve openbaarmaking van toezichtrapportages en handhavingsoordelen vorm kunnen geven. Deze handreiking wordt naar verwachting in het voorjaar van 2020 opgeleverd. Met de handreiking kunnen gemeenten die dit nog niet hebben geregeld, vooruitlopend op de wetswijziging al aan de slag met een actieve openbaarmaking van toezichtrapportages en handhavingsoordelen.

Door te werken aan actieve openbaarmaking wordt gewerkt aan de professionalisering van het Wmo-toezicht in zijn algemeenheid. Openbaarmaking vergt namelijk dat een toezichthouder transparant en gemotiveerd zijn afwegingen overlegd.

Tevens versterkt actieve openbaarmaking de lokale «checks and balances», omdat de gemeenteraad hierdoor beter in staat is de uitvoering van het beleid van het college van burgemeester en wethouders te controleren. Dit moet bijdragen in het algemene vertrouwen in het (lokale) bestuur.


X Noot
1

Almelo heeft in haar gemeentelijke verordening een serie eisen en toetsen opgenomen waaraan zorgaanbieders moeten voldoen voordat ze mogen meedingen in de aanbesteding. De gemeente stelt ook specifieke eisen aan governance en professionele en integere bedrijfsvoering. Deze aanpak vergt extra menskracht, maar betaalt zichzelf later in het proces uit aldus de gemeente (Follow the Money, 20 december 2019).

X Noot
2

Follow the Money, 13 januari 2020.

X Noot
3

Kamerstuk 32 620, nr. 235.

X Noot
4

Zie ook kamerstuk 34 767, nr. 19 en Kamerstuk 29 538, nr. 279

X Noot
5

IKZ, Fraude en zorgverwaarlozing bij beschermd en begeleid wonen (oktober 2019).

X Noot
6

IGJ, Wmo toezicht 2018: rapport aan de Minister over de uitvoering van het Wmo toezicht door gemeenten in 2018 (oktober 2019).

Naar boven