Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202029538 nr. 312

29 538 Zorg en maatschappelijke ondersteuning

Nr. 312 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 februari 2020

Graag bied ik u hierbij de reactie aan op het verzoek van uw vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 oktober 2019 inzake de behandeling van een brief over het resultaatgericht beschikken en de ervaringen van een burger hiermee in de gemeente Amsterdam.

In deze brief worden de zorgen beschreven die deze persoon heeft over het resultaatgericht beschikken door de gemeente Amsterdam. Mevrouw stelt dat het plan om resultaatgericht beschikken in de Wmo 2015 op te nemen niet ondersteund moet worden door de Tweede Kamer. Mevrouw wijst erop dat de gemeente in een rechterlijke uitspraak op de vingers is getikt en dat de gemeente, en niet de zorgaanbieder, het aantal uren hoort te bepalen en in een beschikking vast te leggen.

In eerdere communicatie aan uw Kamer heb ik aangegeven dat ik kansen zie bij een manier van werken waarbij de ondersteuning zodanig wordt georganiseerd dat het resultaat centraal wordt gesteld.1 Met deze manier van werken kan optimaal worden aangesloten bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt op elk moment, het creëert flexibiliteit in de te bieden ondersteuning en het geeft ruimte aan de professional. Door te beschikken in een resultaat kan op ieder moment bekeken worden wat nodig is voor de cliënt, waarbij de professional in samenspraak met de cliënt bepaalt hoe het resultaat behaald wordt.

Indien een gemeente een systematiek kent van resultaatgericht werken, is het belangrijk dat cliënten er ook op kunnen vertrouwen dat het resultaat daadwerkelijk behaald wordt en dat – daar waar dit niet gebeurt – de cliënt de gemeente hierop kan aanspreken. Het centraal stellen van het resultaat mag niet ten koste gaan van de rechtszekerheid de cliënt.

Ik heb daarom aangekondigd de Wmo 2015 zodanig aan te passen om tegemoet te komen aan de kritiekpunten van hoogste bestuursrechter, waarbij beide vormen van beschikken, uren en resultaat, een plek krijgen in de Wmo 2015.2 Op 15 januari jl. heb ik dit wetsvoorstel in consultatie gebracht.

Het wetsvoorstel schrijft voor dat het ondersteuningsplan een plek krijgt in de wet. In het ondersteuningsplan bepalen de cliënt en de aanbieder in samenspraak met elkaar hoe het resultaat wordt vormgegeven, waarbij in ieder geval de «frequentie x activiteit» moet worden benoemd. De gemeente kan de aanbieder mandateren om in naam van het college het ondersteuningsplan vast te stellen. Voor alle betrokken partijen; gemeente, aanbieder en cliënt, wordt daarmee duidelijk wat er verwacht mag worden en op welke wijze het resultaat behaald wordt. Door het resultaat centraal te stellen is het van belang dat de gemeente goed controleert of het resultaat behaald wordt en van voldoende kwaliteit is. Op deze manier wordt met de door mij beoogde wetswijziging de rechtszekerheid bij resultaatgericht beschikken gewaarborgd.

Mocht onverhoopt onenigheid tussen partijen ontstaan over de uitvoering van het te behalen resultaat, dan kan de betrokken cliënt de gemeente – deze is en blijft eindverantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning – daar op aanspreken.

Hoewel ik niet teveel kan ingaan op de persoonlijke situatie van deze mevrouw, omdat het een gemeentelijke aangelegenheid betreft, betreur ik ten zeerste de ervaringen die mevrouw in haar brief beschrijft ten aanzien van de zorg en ondersteuning die zij de afgelopen jaren heeft ontvangen. Navraag bij de gemeente Amsterdam heeft uitgewezen dat die cliënten die een uren beschikking wensen te ontvangen, deze ook krijgen. De gemeente heeft dienovereenkomstig ook de gemeentelijke regelgeving aangepast. De gemeente Amsterdam heeft mij voorts laten weten dat met mevrouw een schikking is getroffen.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge


X Noot
1

Kamerstuk 29 538, nr. 292, Kamerstuk 29 538, nr. 295

X Noot
2

Kamerstuk 29 538, nr. 292, Kamerstuk 29 538, nr. 295