Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 maart 2015
U heeft mij verzocht om per brief te reageren op de resultaten van het onderzoek van
TNS Nipo onder mensen die (in november 2014) Wmo-ondersteuning of AWBZ-zorg ontvingen
(Handelingen II 2014/15, nr. 55, item 8). In het betreffende ordedebat is mij gevraagd in deze brief ook in te gaan op de
uitkomsten van de door enkele Brabantse kranten georganiseerde zorgenquête. In deze
brief treft u mijn reactie op de uitkomsten van beide onderzoeken aan. In mijn reactie
sluit ik aan op mijn beantwoording van schriftelijke Kamervragen1 d.d. 16 februari jl. over een vergelijkbare enquête onder de inwoners van Gelderland.
Informatie van de zijde van cliënten over de door hen ervaren zorg en ondersteuning
is van groot belang om vast te stellen of de beoogde effecten van de vernieuwing en
daarvoor noodzakelijke veranderingen op een goede, zorgvuldige wijze gestalte krijgen.
Enquêtes zoals die van TNS Nipo en de Brabantse kranten dragen bij aan het hebben
en houden van dit beeld.
Ik stel vast dat het onderzoek van TNS Nipo een in de tweede week van november 2014
uitgevoerde meting betreft onder (toenmalige) AWBZ- en Wmo-cliënten. De betreffende
respondenten zijn vooral bevraagd op hun verwachtingen ten aanzien van de aanstaande
veranderingen voor hun eigen situatie. De uitkomsten van het onderzoek laten zien
dat een substantieel deel van de respondenten zich op dat moment onvoldoende geïnformeerd
voelde over de gevolgen van de veranderingen voor de eigen situatie. De onwetendheid
betrof meer specifiek de omvang van de zorg en de daaraan verbonden kosten, het behouden
van de dezelfde zorgverlener en de hulp vanuit de sociale omgeving die men denkt te
krijgen dan wel durft te vragen.
De in de kranten samengevatte uitkomsten van de Brabantse zorgenquête van begin 2015
laten (op hoofdlijnen) zien dat de respondenten (zeer) tevreden zijn over de huidige
zorg en ondersteuning die zij ontvangen, maar dat zij (desgevraagd) ook bezorgd zijn
over mogelijke veranderingen in de toekomst.
Ik begrijp heel goed dat mensen die voor hun zelfredzaamheid, hun participatie zijn
aangewezen op zorg en ondersteuning vanuit de Wmo 2015, de Zvw de Wlz en hulp vanuit
hun omgeving, zich zorgen maakten over de gevolgen van de veranderingen voor hun persoonlijke
situatie. Dat mensen onzeker waren of misschien nog zijn over alle veranderingen begrijp
ik heel goed.
Met het oog hierop is veel geïnvesteerd in communicatie, allereerst op landelijk niveau,
om mensen zo goed mogelijk te informeren over de hoofdlijnen van de veranderingen.
Daarnaast heb ik met alle betrokken partijen, gemeenten, zorgverzekeraars, aanbieders
en cliëntorganisaties afspraken gemaakt over het zo goed mogelijk voorbereiden van
mensen op de eventuele gevolgen van de veranderingen voor de persoonlijke situatie.
Er zijn diverse landelijke meldpunten, loketten ingericht waar mensen zich gericht
kunnen laten informeren over gevolgen van de veranderingen. Bij brief van 13 november
20142 heb ik u geïnformeerd over de aanpak en afspraken met de betrokken partijen om een
zorgvuldige communicatie te waarborgen.
In overleg met de daarbij betrokken organisatie heb ik verschillende maatregelen getroffen
om mensen in staat te stellen om meldingen, signalen en ervaringen over de uitvoering
gedurende deze transitieperiode, gericht te kunnen aankaarten, zodat daar een adequate
voorlichting of actie op kan volgen. De concrete signalen vanuit alle meldpunten worden
zoveel mogelijk op lokaal en/of regionaal niveau besproken tussen de relevante partijen,
zodat zij waar nodig hun verantwoordelijkheid kunnen nemen in het oplossen van problemen
en het verbeteren van de kwaliteit van de uitvoering van zorg en ondersteuning. Als
mij signalen bereiken die aanleiding zijn voor landelijke maatregelen, dan neem ik
daarin mijn verantwoordelijkheid.
Naast onderzoeken en/of enquêtes naar verwachtingen zijn uiteraard concrete ervaringen
hoe het in de praktijk daadwerkelijk gaat van nog groter belang.
In mijn brief van 28 januari jl.3 heb ik u aangegeven dat u in april a.s. eerste voortgangsrapportages van mijn hand
kunt verwachten. Hierin verwacht ik een meer systematisch beeld te kunnen schetsen
van het verloop van de transitie vanuit het belang van continuïteit van zorg en ondersteuning
voor bestaande en nieuwe cliënten. In dit beeld zullen de diverse monitors, waaronder
die van de zijde van de cliëntorganisaties (AVI), worden betrokken.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M.J. van Rijn