Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202129521 nr. 414

29 521 Nederlandse deelname aan vredesmissies

Nr. 414 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN, VAN DEFENSIE EN VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 september 2020

Op 14 juni 2019 is uw Kamer geïnformeerd over de belangrijkste besluiten van het kabinet over de Nederlandse inspanningen in het kader van snelle reactiemachten (hoofdtaak 1) en missies en operaties (hoofdtaak 2) tot en met 2021 (Kamerstuk 29 521, nr. 381). Op 29 november 2019 informeerde het kabinet uw Kamer over enkele relevante ontwikkelingen die naderhand plaatsvonden (Kamerstuk 29 521, nr. 397). In aanvulling hierop informeert het kabinet u in deze brief over nadere ontwikkelingen ten aanzien van de Nederlandse inzet in missies en operaties. Daarbij ligt de focus in deze brief op de ontwikkelingen in de militaire inzet. Dat neemt niet weg, zoals tevens benadrukt in bovengenoemde Kamerbrief van 14 juni 2019, dat het voorkomen en duurzaam oplossen van conflicten naast militaire inzet bovenal een inclusieve politieke oplossing en de aanpak van grondoorzaken door middel van ontwikkelingssamenwerking vraagt. De complexiteit van hedendaagse conflicten vraagt om multidisciplinaire inspanningen. Een aanpak is alleen effectief als we op terreinen van defensie, diplomatie, ontwikkelingssamenwerking, politie, justitie en handel gecoördineerd optreden. Het kabinet acht het daarom onverminderd van belang dat de inzet van de krijgsmacht waar mogelijk deel uitmaakt van een geïntegreerde aanpak en blijft daar op inzetten.

Strijd tegen ISIS

Verzoeken in het kader van de anti-ISIS coalitie

Gelijktijdig met deze brief ontvangt de Kamer een kennisgevingsbrief in het kader van de artikel 100-procedure, waarin de Kamer wordt geïnformeerd over twee verzoeken die het kabinet ontving in het kader van de strijd tegen ISIS. Dit betreft een verzoek aan de Minister van Defensie van haar Belgische collega om een Nederlandse bijdrage te leveren aan de force protection van een Belgisch F-16-detachement, dat vanaf oktober 2020 voor de periode van een jaar vanuit Jordanië zal worden ingezet in de strijd tegen ISIS in Irak en noordoost-Syrië.

Het kabinet informeert de Kamer in de kennisgevingsbrief tevens over het bredere verzoek van het militaire hoofdkwartier van de anti-ISIS coalitie aan leden van de Coalitie om inzet van een force protection compagnie van circa 100 tot 150 personen voor de bescherming van (delen van) Erbil International Airport, vanaf najaar 2020 tot in ieder geval 1 mei 2021. Een deel van de activiteiten van de anti-ISIS coalitie in het noorden van Irak wordt ontplooid vanaf deze luchthaven. Deze nieuwe behoeftestelling is onderdeel van de overgang van fase 3 naar fase 4 van het militaire campagneplan van de anti-ISIS coalitie (zie hierna).

Zoals aangegeven in de genoemde kennisgevingsbrief, onderzoekt het kabinet, in overeenstemming met het Toetsingskader 2014, de wenselijkheid en mogelijkheid om aan deze beide verzoeken tegemoet te komen. Zodra daartoe aanleiding is, zal het kabinet de Kamer hierover separaat informeren.

Aanpassingen invulling huidig Nederlands mandaat aan campagne anti-ISIS coalitie in Irak

Naast deze beide verzoeken, waarop de artikel 100-procedure van toepassing is, informeert het kabinet uw Kamer hierbij tevens over enkele aanpassingen in de invulling van het huidige mandaat voor de Nederlandse bijdragen aan de anti-ISIS coalitie en de brede veiligheidsinzet in Irak, dat loopt tot en met 31 december 20211. Dit betreft geen aanpassingen waar artikel 100 en het Toetsingskader 2014 op van toepassing zijn.

Advisering op institutioneel niveau: Operations Command Advisory Teams (OCATs)

De Coalitie heeft gedurende de zomer de volgende fase (4) van het militaire campagneplan in de strijd tegen ISIS aangekondigd. Het kabinet heeft tijdens het AO ISIS van 14 december 2017 (Kamerstuk 27 925, nr. 626) toegezegd uw Kamer te informeren wanneer deze volgende fase van kracht zou worden. Zoals in de voortgangsrapportage (Kamerstuk 27 925, nr. 722, d.d. 20 mei 2020) al werd aangegeven, zal in deze fase een verdere verschuiving van de Coalitie-inzet richting Security Sector Reform (SSR) en capaciteitsopbouw op institutioneel niveau plaatsvinden. Daarnaast zal dit gepaard gaan met een verminderde actieve deelname aan operaties, een reductie in troepenaantallen en een grotere nadruk op force protection van de resterende eenheden van de Coalitie. Met verwijzing naar het verzoek van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken van 10 september jl. om een reactie te geven op berichtgeving dat de VS voor eind september een derde deel van haar troepen uit Irak gaat terugtrekken, geldt dat de VS heeft aangekondigd dat de VS deze maand, in het kader van de genoemde overgang naar fase 4, een troepenreductie zal realiseren. Deze troepenreductie was in Coalitieverband reeds aangekondigd en vindt plaats op basis van de ontwikkeling waarbij de Iraakse veiligheidssector in toenemende mate in staat is om de dreiging die van ISIS uitgaat het hoofd te bieden. Dit maakt dat er minder Coalitietroepen in Irak nodig zijn.

Voor deze nieuwe fase is door de Coalitie een nieuw operatieconcept opgesteld, gericht op advisering in plaats van training van de Iraakse veiligheidssector. Kern hiervan vormen zogenaamde regionale Operations Command Advisory Teams (OCAT’s), elk bestaande uit ongeveer 10 stafofficieren, die de Iraakse strijdkrachten inclusief de Koerdische strijdkrachten (Peshmerga) op institutioneel niveau zullen adviseren, en een Joint Operations Command Advisory Team (JOCAT), dat het Iraakse Ministerie van Defensie vanuit het hoofdkwartier van de Coalitie in Bagdad op eenzelfde wijze als de regionale OCAT’s moet gaan adviseren. Voor Noord-Irak betekent dit dat vanaf januari 2021 vanuit vliegbasis Erbil een OCAT-North het Ministry of Peshmerga in de Koerdistan Autonome Regio (KAR) zal gaan adviseren op het gebied van plannen, voorbereiden en uitvoeren van operaties, informatieverwerking en inlichtingen, integratie tussen gevechtseenheden en instandhouding. Op deze manier helpt de Coalitie de Iraakse strijdkrachten verder op eigen benen staan en kan de jarenlange trainingsinzet van onder andere Nederland op een duurzame manier worden geborgd.

Het kabinet wil een bijdrage leveren met in totaal circa 5 tot 10 stafofficieren aan deze advisering op institutioneel niveau, zowel aan OCAT-North in Erbil, dat op 1 januari 2021 operationeel moet zijn, als aan het JOCAT in Bagdad waar per 1 november 2020 Nederlandse militairen kunnen worden geplaatst. De exacte omvang van de Nederlandse bijdrage zal afhankelijk zijn van de functies die door de Coalitie aan Nederland worden toegewezen. Beide vormen van inzet maken deel uit van de reeds in eerdere artikel 100-brieven en voortgangsrapportages beschreven structuren van de Capacity Building Mission Iraq (CBMI) van de anti-ISIS coalitie. Met deze benadering beoogt het kabinet tevens de goede balans tussen inzet in Irak op federaal niveau en inzet in de Koerdistan Autonome Regio van Irak te behouden.

Trainingsmissie

Zoals aangegeven in de voortgangsrapportage over de Nederlandse bijdrage aan de anti-ISIS coalitie en de brede veiligheidsinzet in Irak (Kamerstuk 27 925, nr. 722, d.d. 20 mei 2020), zijn de trainingen aan de Koerdische strijdkrachten in Irak in verband met COVID-19 stilgelegd. Deze trainingen verzorgde Nederland samen met partnerlanden van de Coalitie in Erbil, als onderdeel van de Capacity Building Mission Iraq (CBMI). De circa 20 Nederlandse trainers die werkzaam waren in Erbil zijn in april 2020 teruggekeerd naar Nederland. In het licht van de hierboven beschreven overgang naar een nieuwe fase, waarin de nadruk op institutionele advisering komt te liggen, heeft de Coalitie besloten om deze en andere trainingen stop te zetten. Het kabinet informeert de Kamer hierbij dat er geen nieuwe rotatie Nederlandse trainers terugkeert naar Noord-Irak en dat deze Nederlandse trainingsbijdrage daarmee ten einde komt. De beëindiging van de Nederlandse trainingsbijdrage past binnen de bredere ontwikkeling waarbij de het aantal troepen van de Coalitie in het kader van de overgang van fase 3 naar fase 4 wordt gereduceerd. Enkele Nederlandse stafofficieren die op dit moment nog wel in Erbil verblijven, geven invulling aan de transitie van training naar de nieuwe adviserende taken in het eerdergenoemde OCAT-North dat vanaf 1 januari 2021 operationeel moet zijn.

De bijdrage met een Nederlands detachement Special Operations Forces (SOF, 3 tot 12 personen) in Bagdad blijft in de volgende fase van de campagne ongewijzigd. Zoals in de voortgangsrapportage van 20 mei 2020 (Kamerstuk 27 925, nr. 722) is vermeld draagt het SOF-detachement bij aan de afstemming, invulling en uitvoering van het opleidings- en trainingsprogramma van Iraakse Special Forces. In verband met COVID-19 bevindt het SOF-detachement zich op dit moment in Nederland. Het is nog onduidelijk wanneer het kan terugkeren.

Stand van zaken mogelijkheden additionele bijdrage aan VN-missies

In de Kamerbrief van 14 juni 2019 over de samenhang van de Nederlandse inspanningen (Kamerstuk 29 521, nr. 381) zegde het kabinet toe de komende periode mogelijkheden voor additionele bijdrage(n) aan VN-missies, inclusief een bijdrage via rotatieschema’s van EU-lidstaten, te onderzoeken. In de Kamerbrief van 29 november 2019 (Kamerstuk 29 521, nr. 398) informeerde het kabinet de Kamer dat een van de sporen in het onderzoek zag op de mogelijkheden om in de tweede helft van 2021 of in 2022 gedurende een periode een bijdrage met transporthelikopters te leveren in VN-verband. Daarbij werd aangegeven dat het kabinet de wenselijkheid en haalbaarheid van een bijdrage zorgvuldig zal afwegen in het licht van de situatie op dat moment en op basis van een militair advies en dat in die afweging de gevolgen voor de gereedheid en de geoefendheid en de mogelijke impact voor verplichtingen in het kader van de eerste en derde hoofdtaak worden meegenomen. De huidige stand van zaken met betrekking tot bovengenoemd onderzoek inzake transporthelikopters is dat vanwege de lopende modificatietrajecten en de vertraging hiervan door COVID-19 helikopters niet eerder dan in de tweede helft van 2022 weer beschikbaar kunnen zijn.

In aansluiting op de behoeftes van de VN, en met name van de VN-missie MINUSMA in Mali, voert Nederland ondertussen nader overleg over een nieuw spoor in het onderzoek dat ziet op het leveren van transportcapaciteit in de vorm van een militair transportvliegtuig ten behoeve van MINUSMA. Sinds 2016 werken Denemarken, Portugal, België en Zweden op initiatief van Noorwegen samen in een rotatieschema om deze capaciteit aan MINUSMA te leveren. Het kabinet richt zich op deelname aan dit rotatieschema. De eerstvolgende beschikbare periode voor het leveren van een bijdrage aan het rotatieschema is vanaf november 2021, voor de duur van zes maanden. Het kabinet voert hierover momenteel nader overleg met de VN en met de landen betrokken bij het rotatieschema. Gelijktijdig met deze Kamerbrief ontvangt de Kamer een kennisgevingsbrief, waarmee de Kamer in overeenstemming met het Toetsingskader 2014 wordt geïnformeerd dat het kabinet de wenselijkheid en mogelijkheid onderzoekt om een bijdrage te leveren met een militair transportvliegtuig aan dit rotatiemechanisme. Zoals aangegeven in de kennisgevingsbrief zal het kabinet, zodra het onderzoek daartoe aanleiding geeft, de Kamer hierover nader informeren.

Op diplomatiek vlak blijft Nederland een voortrekkersrol spelen bij de verdere uitwerking van het Action for Peacekeeping Initiative van de Secretaris-Generaal van de VN, dat in maart 2018 werd gelanceerd. Het kabinet zal blijven inzetten op het verbeteren van de effectiviteit, adequate financiering en toerusting van VN-vredesmissies, evenals het vergroten van de veiligheid van peacekeepers. In het bijzonder hecht Nederland waarde aan het bevorderen van kwaliteit van missie-uitvoering door geschikte trainingen voorafgaand aan en gedurende de inzet in missies. Daarom zal Nederland verschillende trainingen, bijvoorbeeld op het terrein van protection of civilians en women, peace & security, blijven financieren en verzorgen.

EUNAVFOR MED operatie Irini

EUNAVFOR MED Operatie Irini is onderdeel van een geïntegreerde EU-aanpak van de complexe conflictdynamiek in Libië. Operatie Irini is primair gericht op de handhaving van het VN-wapenembargo tegen Libië (VNVR-resolutie 2292). Operatie Irini ging op 1 april jl. van start, de dag na de beëindiging van EUNAVFOR MED Operatie Sophia (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2140, 31 maart 2020), waarvan de hoofdtaak de ontwrichting van mensensmokkelnetwerken in Libië was. Operatie Irini is sinds medio september jl. full operational capable (FOC) en voert haar gemandateerde taken uit, waaronder het uitvoeren van inspecties aan boord van verdachte schepen. Uw Kamer is op 1 september jl. per brief (Kamerstuk 29 521, nr. 412) geïnformeerd dat de Nederlandse voorlopige bijdrage met twee stafofficieren aan operatie Irini, na de overgang op 1 april jl. van operatie Sophia naar deze nieuwe operatie, op 15 augustus jl. werd beëindigd.

Mede met het oog op de Nederlandse informatiepositie ten aanzien van ontwikkelingen in de missie en de bredere conflictdynamiek in Libië, heeft het kabinet besloten om een hernieuwde Nederlandse bijdrage met twee à drie stafofficieren aan het missiehoofdkwartier van Operatie Irini in Rome te leveren tot en met 31 december 2021, onder voorbehoud van verlenging door de EU van het mandaat van de missie, dat op 31 maart 2021 afloopt.

Het kabinet beraadt zich nog op een eventuele bijdrage met andere capaciteiten in de volgende EU-mandaatsperiode. Het kabinet zal de wenselijkheid en haalbaarheid van een additionele bijdrage zorgvuldig afwegen in het licht van de situatie op dat moment en op basis van een militair advies.

Maritieme veiligheid Golfregio

In de brief inzake de Nederlandse bijdrage ter versterking van de maritieme veiligheid in de Golfregio van 29 november 2019 (Kamerstuk 29 521, nr. 398) informeerde het kabinet de Kamer over het besluit om, naast het leveren van een schip met boordhelikopter waarop de artikel 100-procedure van toepassing was, tevens een aantal stafofficieren voor het Frans geleide hoofdkwartier van de missie EMASoH (European-led Mission Awareness Strait of Hormuz) in te zetten. In de antwoorden op de vragen over deze brief van 6 januari 2020 (Kamerstuk 29 521, nr. 399) is ten aanzien van de stafofficieren toegelicht dat het een bijdrage betreft van maximaal 4 (onder)officieren in de staf van EMASOH voor ten minste 6 maanden. Het kabinet informeert de Kamer hierbij dat de huidige Nederlandse bijdrage met twee stafofficieren aan de missie EMASoH wordt verlengd tot en met 30 juni 2021, onder voorbehoud van verlenging van het mandaat van EMASoH na begin 2021. Met de continuering van de bijdrage met stafofficieren blijft Nederland zich solidair tonen jegens Europese bondgenoten, en bijdragen aan een Europa dat verantwoordelijkheid neemt voor het belang van veilige doorvaart in de Golf van Oman en Straat van Hormuz. Tevens borgt het kabinet hiermee de Nederlandse informatiepositie in een belangrijke en volatiele regio.

Daarnaast informeert het kabinet de Kamer hierbij over ontwikkelingen op het diplomatieke spoor van de missie. In de Kamerbrief van 13 februari 2020 (Kamerstuk 29 521, nr. 400) is de Kamer geïnformeerd over de uitwerking van het diplomatieke spoor van EMASoH. Zoals vermeld in het verslag Raad Buitenlandse Zaken van 17 februari 2020 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2118) is op initiatief van Nederland de Nederlandse ambassadeur Jeannette Seppen aangesteld als Senior Civilian Representative (SCR) voor EMASoH. De belangrijkste taken van de SCR zijn: het vergroten van het draagvlak voor de missie in de regio en, in nauwe samenwerking met partners, de verschillende visies en behoeften ten aanzien van maritieme veiligheid in de regio in kaart te brengen om zo op zoek te gaan naar vertrouwenwekkende maatregelen teneinde een regionale dialoog te faciliteren. Gedurende haar mandaat heeft SCR Seppen belangrijke stappen gezet op het diplomatieke spoor van EMASoH, ondanks de implicaties die de uitbraak van COVID-19 heeft gehad ten aanzien van initiatieven en consultaties in de regio. Zo heeft zij onder meer de politieke omgeving van de missie in kaart gebracht en manieren geïdentificeerd om de dialoog tussen belanghebbenden te faciliteren. Hiervoor heeft zij veelvuldig contact gelegd met denktanks en wetenschappers, die bezig zijn met initiatieven die nauw aansluiten bij het mandaat van EMASoH. Ook hebben regelmatig consultaties (op werkniveau) plaatsgevonden met de EMASoH landen onder leiding van de SCR en zijn (stille) initiatieven op track-2 diplomatie ontwikkeld. SCR Seppen is per 17 augustus jl. opgevolgd door de Deense ambassadeur Julie Pruzan-Jørgensen.

Sahel

Het kabinet maakt van de gelegenheid gebruik om de Kamer te informeren dat Nederland op verzoek van Frankrijk vanaf begin 2021 voor initieel een jaar met twee militairen zal deelnemen aan het Partnership for Actions in West Afrika (PAWA). PAWA is een samenwerkingsverband onder leiding van Frankrijk en gevestigd in Dakar (Senegal), dat gericht is op een betere afstemming van de internationale militaire inspanningen in de regio en het opbouwen van een strategisch inlichtingenbeeld van gewelddadige extremistische groeperingen in West Afrika. Met de bijdrage wil het kabinet deze doelstellingen ondersteunen en de informatiepositie van Nederland versterken.

Afghanistan

Het kabinet maakt tevens van de gelegenheid gebruik om de Kamer te informeren over de stand van zaken van de Nederlandse bijdrage aan de missie Resolute Support. In maart 2020 is de Afghaanse eenheid die door het Nederlands-Duitse Special Operations Advisory Team (SOAT) wordt getraind en begeleid, ATF-888, fully operational capable verklaard. Dit betekent dat de eenheid in staat is om operaties buiten de poort zonder SOAT-begeleiding uit te voeren. Het betekent tevens dat de trainings- en begeleidingsactiviteiten door het SOAT enkel nog plaatsvinden op stafniveau.

Deze nieuwe fase leidt ook tot een aanpassing van de wijze waarop het SOAT zijn taken uitvoert en de benodigdheden daarvoor. Hiermee wordt de logistieke aanwezigheid waar mogelijk verkleind. In de praktijk houdt dit in dat het materieel van het SOAT voor de begeleiding van ATF-888 bij hun operaties terug kan keren naar Nederland, evenals de overbodig geworden infrastructuur. Het gaat hierbij onder meer om gepantserde Bushmaster voertuigen. Duitsland is om dezelfde redenen eveneens begonnen met het terugvoeren van een deel van het eigen materieel.

Financiën

De jaarlijkse kosten van de hernieuwde inzet van stafofficieren in operatie Irini bedragen 450.000 euro. De kosten van de nieuwe inzet in het kader van PAWA bedragen 300.000 euro. De kosten die gemoeid zijn met de voortzetting van inzet van stafofficieren in EMASoH bedragen 600.000 euro. Deze kosten komen ten laste van het Budget Internationale Veiligheid (BIV). De kosten voor de bovengenoemde aanpassingen in de invulling van de huidige Nederlandse bijdrage in de strijd tegen ISIS en de brede veiligheidsinzet in Irak blijven binnen de reeds vastgestelde begroting binnen het BIV. Indien de in deze brief genoemde ontwikkelingen leiden tot overige nieuwe inzet zal deze, na het doorlopen van het reguliere financieringsproces, ook worden gefinancierd vanuit het BIV.

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A. Blok

De Minister van Defensie, A.Th.B. Bijleveld-Schouten

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, S.A.M. Kaag


X Noot
1

Zie artikel 100-brief van 18 oktober 2019 (Kamerstuk 27 925, nr. 662).