Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202029517 nr. 184

29 517 Veiligheidsregio’s

Nr. 184 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 december 2019

In het afgelopen jaar heb ik uw Kamer regelmatig geïnformeerd over de rechtspositie van brandweervrijwilligers.1 Tijdens het laatste Algemeen Overleg (AO) Brandweer van 17 oktober jl. hebben wij ook uitgebreid over het onderwerp gesproken. Zoals ik toen heb benadrukt, vind ik vrijwilligheid een groot goed van onze brandweerorganisatie. Met deze brief informeer ik uw Kamer over de eerste uitkomsten van de denktank rechtspositie brandweervrijwilligers en het vervolgtraject, zoals ik uw Kamer heb toegezegd.2

Sinds 14 juni jl. heeft de denktank in opdracht van het Veiligheidsberaad en mijzelf onderzocht hoe brandweervrijwilligers nadrukkelijk en fundamenteel zijn te onderscheiden van beroepskrachten, zodat wordt voldaan aan de normen uit Europese en internationale regelgeving en jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. Aanvullend heeft de denktank in kaart gebracht welke mogelijke consequenties dit voor de brandweerorganisatie heeft.

Op 9 december jl. is een eerste denkrichting van de denktank aan het Veiligheidsberaad en mijzelf gepresenteerd. Bijgaand treft u de denkrichting «Taakdifferentiatie brandweer» als bijlage aan3.

In de denkrichting wordt een taakdifferentiatie voorgesteld tussen vrijwilligers en beroepsmedewerkers, waarbij het systeem van vrijwilligheid behouden blijft. Uitgangspunt van de denkrichting is een werkbaar en fundamenteel onderscheid te maken tussen vrijwilligers en beroepsmedewerkers dat geen afbreuk doet aan het niveau en de kwaliteit van brandweerzorg. Om tot een fundamenteel onderscheid tussen vrijwilligers en beroepsmedewerkers te komen, is gekeken naar differentiatie van verplichte beschikbaarheid, werkinhoud, werkvolume, en opleiding. De differentiatie leidt tot een nieuwe taakordening, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen basistaken, specialistische taken, specialistische plus-taken en aanvullende taken. Zowel vrijwilligers als beroepsmedewerkers voeren de volledige repressieve basistaken uit.

Samen met het Veiligheidsberaad heb ik de denktank op 9 december jl. de vervolgopdracht gegeven om vóór de zomer van 2020 de denkrichting verder te specificeren en de consequenties van de taakdifferentiatie nader uit te werken, zodanig dat in de tweede helft van het jaar door de veiligheidsregio’s besluitvorming kan plaatsvinden. Hierbij is het dan ook van belang dat inzichtelijk wordt gemaakt wat de impact van de denkrichting is voor de verschillende veiligheidsregio’s.

Zoals ik tijdens het AO Brandweer van 17 oktober jl. aan uw Kamer heb aangegeven acht ik betrokkenheid van personeel- en vakorganisaties van groot belang bij verdere uitwerking van de denkrichting. Op 16 december a.s. staat er een eerste overleg gepland tussen een afvaardiging van de denktank, de vakorganisaties en de vereniging voor brandweervrijwilligers. Ik zal uw Kamer in januari 2020, zoals ik heb toegezegd, informeren over de uitkomst van de eerste gesprekken met de vakorganisaties.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Kamerstuk 29 517, nrs. 168, 170 en 177.

X Noot
2

Kamerstuk 29 517, nr. 180 en Kamerstuk 29 517, nr. 170.

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl