Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201929517 nr. 170

29 517 Veiligheidsregio’s

Nr. 170 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 juni 2019

Met deze brief informeer ik uw Kamer over het vervolgtraject met betrekking tot de rechtspositie van de brandweervrijwilligers, zoals toegezegd aan uw Kamer in mijn brief van 23 april 20191.

In die brief heb ik gemeld dat ik met het Veiligheidsberaad (VB) en de Brandweerkamer van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een gezamenlijke opdracht voor vervolgonderzoek heb geformuleerd naar de rechtspositie van de brandweervrijwilligers. Dit vervolgonderzoek is gedaan door Prof. mr. L.G. Verburg en is inmiddels afgerond. Bijgaand treft u zijn notitie ««Oplossingsrichtingen tot het behouden van de brandweervrijwilligheid (de huidige inrichting en werkwijze ten aanzien van vrijwilligheid bij de brandweer) binnen de bestaande juridische kaders»» aan2.

Daarin is kort gezegd geconcludeerd dat de huidige inrichting en werkwijze ten aanzien van vrijwilligheid bij de brandweer binnen het bestaande juridische kader niet behouden kan blijven. Ook zijn er geen mogelijkheden af te wijken van de Deeltijdrichtlijn (97/81/EG) middels een objectieve rechtvaardiging.

In de notitie wordt een enkele richting meegegeven ten behoeve van verder onderzoek omtrent de mogelijkheden om vrijwilligheid bij de brandweer zo te differentiëren en vorm te geven dat er geen sprake meer is van spanning met vigerende regelgeving. Indien de veiligheidsregio’s zowel met vrijwilligers als met beroeps willen blijven werken dan is het noodzakelijk zorg te dragen voor een nadrukkelijk en fundamenteel onderscheid tussen de twee groepen. Dit betreft de rechtspositionele verhouding, maar vooral ook de aard van het werk, de opleidingsvereisten en de arbeidsomstandigheden van de vrijwilligers.

Ten slotte wordt in de notitie aangegeven dat «de kwestie vraagt om een gepast gevoel voor urgentie.» Deze urgentie deel ik. Ik zal daarom zelf betrokken zijn bij een snelle en stevige inzet op genoemde differentiatie. Ik wil mij er hard voor maken de lokaal verankerde betrokkenheid van vrijwilligers bij de brandweer te behouden. Samen met het VB heb ik opdracht gegeven tot uitwerking van de differentiatie.

Het vervolgonderzoek bestaat uit:

  • het bepalen hoe fundamenteel onderscheid in de aard van het werk, de opleidingsvereisten en de arbeidsomstandigheden kan worden aangebracht tussen vrijwilligers en beroeps, zodanig dat er geen spanning meer is met de vigerende regelgeving en er toch kan worden voldaan aan geldende kwaliteitseisen voor te leveren brandweerzorg;

  • het op hoofdlijnen in kaart te brengen wat de consequenties zijn van de voorgestelde denkrichting, waarbij kan worden gedacht aan zaken als kwalificatie-eisen, kwaliteit en continuïteit van de brandweerzorg (waaronder opkomsttijden), veiligheid van brandweerpersoneel, overzichtelijkheid van het stelsel, financiële consequenties, arbeidsvoorwaardenbeleid en perceptie van de samenleving.

Vanzelfsprekend zal de hierboven genoemde notitie en het vervolgonderzoek onderwerp van gesprek zijn met de vakorganisaties.

De eerste resultaten van het onderzoek zullen naar verwachting in het najaar van 2019 aan mijn ministerie en het VB beschikbaar worden gesteld. Het streven is om het definitieve resultaat van het onderzoek voor het eind van het jaar ter besluitvorming te agenderen in een vergadering van het VB.

Ik verwacht u in het najaar van 2019 nader te kunnen informeren.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Kamerstuk 29 517, nr. 168.

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl