Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201529398 nr. 433

29 398 Maatregelen verkeersveiligheid

Nr. 433 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 december 2014

Uw Kamer heeft mij in brief van 30 oktober 2014, en in brief van 13 november 2014 enkele vragen gesteld over het alcoholslotprogramma.

Mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie geef ik u hierbij antwoord.

U verzoekt te vernemen wanneer er van de zijde van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder de Afdeling) duidelijkheid over het alcoholslotprogramma te verwachten is. Tevens verzoekt u zo spoedig mogelijk geïnformeerd te worden over de uitspraak en de gevolgen hiervan voor het alcoholslotprogramma. Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de uitspraak en de consequenties hiervan. Het is aan de Afdeling te bepalen wanneer uitspraak wordt gedaan. Ik kan uw Kamer daarom niet melden wanneer dit zal zijn.

Uw Kamer verzoekt mij verder te reageren op het signaal dat het Openbaar Ministerie (OM) niet in beroep gaat tegen uitspraken van de rechter waarbij de oplegging van een maatregel in het kader van het alcoholslotprogramma wordt vernietigd. Zoals u weet wordt het alcoholslotprogramma niet in strafrecht, maar in het bestuursrecht opgelegd. Dit zijn gescheiden trajecten. Het OM kan dus niet in beroep gaan tegen uitspraken over een bestuursrechtelijke maatregel opgelegd door het CBR. Wel is het mogelijk dat het OM door de strafrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard als in het bestuursrechtelijke traject al een alcoholslotprogramma is opgelegd; er zou dan volgens de strafrechter sprake zijn van dubbele bestraffing. Het OM heeft daar cassatieberoep tegen ingesteld. Naar verwachting zal de Hoge Raad in maart 2015 uitspraak doen. Indien het OM de komende periode door zou gaan met het aanbrengen van alcoholzaken waarin een ASP is opgelegd, brengt dit zowel de officier van justitie als de strafrechter in een ongemakkelijke positie. Gelet hierop heeft het College van procureurs-generaal besloten om met ingang van 1 december de officieren van justitie te instrueren om zaken waarin al een ASP is opgelegd door het CBR tot nader order niet op zitting te brengen. Mocht er toch nog een ASP-zaak op zitting staan of komen waarin het OM door de strafrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat door het CBR reeds een ASP is opgelegd, is de lijn overigens nog steeds dat de officier van justitie in hoger beroep gaat.

Uw Kamer verzoekt mij tevens in te gaan op de vraag hoe de ontwikkelingen die zich in de strafrechtkolom voordoen ten aanzien van de toepassing van het alcoholslotprogramma zich verhouden tot het opschorten van het opleggen van het alcoholslotprogramma door het CBR. Daarover kan ik u melden dat zich geen ontwikkelingen in de strafrechtkolom hebben voorgedaan die van invloed zijn geweest op het besluit van het CBR om tijdelijk geen alcoholslotprogramma’s op te leggen. Dit besluit is genomen op basis van signalen van de Raad van State, waarover ik u eerder heb geïnformeerd (Kamerstuk 29 398, nr. 425).

Tot slot vraagt u mij aan te geven in welke mate het alcoholslotprogramma de facto nog wordt uitgevoerd zoals eerder door regering en Kamer beoogd en met welk effect. Het alcoholslotprogramma wordt, voor degenen die al deelnemen, nog steeds uitgevoerd zoals beoogd. Het verschil is dat er tijdelijk geen extra instroom is van nieuwe deelnemers aan het programma. De effecten van het alcoholslotprogramma over de afgelopen 2,5 jaar zijn onderzocht in een wettelijk voorgeschreven evaluatie, die u onlangs hebt ontvangen (Kamerstuk 29 398, nr. 430). Deze evaluatie is vooral gericht op de uitvoering van het programma en mogelijke verbeteringen daarbij en nog niet zozeer op effecten op de verkeersveiligheid.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus